ramkatha-titel.gif (4275 bytes) 





 

 

 

 

Hoofdstuk 7 (c)
Het veroveren van Sita
[
in het Engels]

 

ramaklein.jpg (51576 bytes)Zodra Janaka uitgesproken was, vroeg Rama hem: 'Maharadja! Als u ons vertelde hoe die goddelijke boog in uw bezit is gekomen, zou u ons zeer gelukkig maken.' Janaka ging gretig in op Rama's verzoek; met kennelijke vreugde sprak hij: 'Lievelingen. Zes generaties na Nimi, de grote voorvader van onze dynastie, regeerde keizer Devaratha over dit rijk. De Goden gaven de boog van Heer Shiva in bewaring in zijn paleis. Sedertdien is hij in ons bezit; aangezien het een wapen der Goden is, beweer ik dat het geen gewone boog is! Hij weegt duizenden tonnen! Niemand heeft hem tot nu toe rechtop kunnen houden. Want wie zou dat gewicht kunnen optillen? Ik heb in het verleden menigmaal getracht iemand te vinden die de boog kon spannen en hanteren, of die hem kan vasthouden om hem aan het volk te tonen. Ik heb menigeen de gelegenheid gegeven zijn krachten te beproeven, maar tot dusver is niemand geslaagd. Iedere koning of prins die een poging waagde, heeft gefaald en is vernederd naar zijn land teruggekeerd. Zij konden de boog niet spannen, of er zelfs maar enige beweging in krijgen. Op zekere dag, toen ik het veld aan het omploegen was, op een plek waar ik een yajna wilde verrichten, werd in de voor een pot zichtbaar. Toen ik de aarde verwijderde en erin keek, zag ik een lieftallig kind van het vrouwelijk geslacht. Aangezien de kleine tot ons kwam uit de voor (= sita), noemden wij haar Sita en voedden haar op als ons eigen kind. Op zekere dag, toen zij met haar kameraadjes aan het spelen was, rolde haar bal onder de langwerpige kist waarin zich de boog bevond; hoe harder men probeerde de bal terug te halen, met allerhande hulpmiddelen, hoe verder die onder de kist rolde. Maar ons kind, Sita, lachte om de verwarring van haar speelkameraadjes en van de paleiswachten. Met haar zachte handje duwde zij de kist opzij en pakte tot ieders verbijstering haar speelgoed weer op! Dit voorval kwam mij ter ore door mijn gemalinnen, die het weer gehoord hadden van de verblufte omstanders die er getuige van waren. Het was op die dag dat ik besloot Sita uit te huwelijken aan degene die zich harer waardig toont door deze boog te spannen. Vele prinsen hebben sindsdien gepoogd de boog op te heffen en te spannen, teneinde Sita te veroveren, doch hun allen wachtte een smadelijke nederlaag! Zij voelden zich gekwetst en in hun eer getast; zij beweerden dat ik hen opzettelijk vernederd had en in hun verbolgenheid en wanhoop sloten zij zich aaneen en vielen met hun samengevoegde legers deze stad aan. De belegering duurde een heel jaar. Dit had tot gevolg dat mijn gehele wapenvoorraad uitgeput raakte; het lot van de stad vervulde mij met zorg. Ik nam mijn toevlucht tot boetedoening, om de goddelijke genade te verwerven. Mijn versterving behaagde de Goden; zij zegenden mij door versterkingen te zenden van troepenmachten te voet en te paard, met olifanten en strijdwagens. Dat wil zeggen: ik kreeg hulp uit gebieden die achter de belegeringstroepen lagen; toen die troepen in de rug werden aangevallen, werden zij uiteengedreven. De boog heb ik tijdens die wraakoefeningen kunnen beschermen; ik verloor hem geen moment uit het oog. Zijn geheimzinnige kracht tart elke beschrijving.

Rama! Ramachandra! Ik zal je de vervulling van je wens niet onthouden; je hoeft het maar te zeggen en de boog zal naar de yajna-hal gebracht worden. Ik zal tevens aankondigen dat eenieder die een poging wil wagen om de boog op te tillen en te spannen, dat mag doen.' Toen Janaka sprak met zoveel gezag in zijn stem, keken Rama en Lakshmana elkander aan, maar zij zeiden niets, want zij wachtten de aanwijzingen af van de meester, door wie zij zich immer hadden laten leiden.

Daarop zei Vishvamitra - die wist hoever de vermogens en de kracht van de broers reikten - dat er geen bezwaar was tegen Janaka's plan en dat deze geen enkele hindernis had te duchten. Bovendien kondigde Janaka aan dat hij Sita ten huwelijk zou geven aan hem die de boog kon opheffen en spannen, want hij had gezworen dat Sita slechts de man mocht huwen die daartoe in staat was. Vishvamitra keurde ook dat voorstel goed.

Janaka nam afscheid van Vishvamitra en keerde terug naar het paleis. Hij zette zich aan zijn taak de boog naar de yajna-hal over te brengen. Er werd officieel afgekondigd dat de boog te bezichtigen was; alle bereikbare koningen en prinsen werden van de proclamatie op de hoogte gebracht. Een groep stoere Zwaargewichten duwde en trok uit alle macht om de achtwielige wagen waarop de boog stond binnen de omheining te krijgen, doch men kwam geen stap verder. Dus moesten er nog meer mannen van reusachtig postuur te hulp worden geroepen. Zij trokken aan de zware kettingen die aan de wagen bevestigd waren en duwden de wagen van achteren aan. Toen de boog eindelijk de gewijde ruimte werd binnengereden, reciteerden de priesters welkomstgezangen.

De nieuwe dag brak aan. De negen traditionele muziekinstrumenten lieten eendrachtig een triomflied klinken, dat oprees naar het hemelgewelf. Er werd luid op trompetschelpen geblazen. De belofte van die dag kwam tot uiting in zang en ritueel. Keizer Janaka betrad de afgezette ruimte, vergezeld van een groep priesters en dienaren die de benodigdheden droegen voor de rituele verering van de goddelijke boog. Reeds lang tevoren had de ruimte zich gevuld met koningen, prinsen, ministers, hovelingen, wijze mannen en vedische schriftgeleerden. Zodra Janaka binnentrad, stonden alle aanwezigen op om eer te bewijzen aan de heerser van het keizerrijk. De vedische geleerden reciteerden op luide toon gezangen die de Goden genade afsmeekten; in koor rezen hun stemmen ten hemel. Anderen reciteerden passages uit de Veda's. Alle overige aanwezigen waren zo vol verwachting, dat zij met wijdopen ogen vol ontzag toekeken.

Janaka liep eerbiedig om de wagen heen waarop de boog rustte en bewees hem hulde met bloemen, terwijl mantra's werden gereciteerd om hem gunstig te stemmen. Hij knielde voor de goddelijke boog en wendde zich daarop tot het voorname gezelschap. Hij sprak: 'Ootmoedige verering aan de wijzen! Ik heet allen die hier samengekomen zijn welkom! Zoals u weet, wordt deze goddelijke boog reeds vele jaren aanbeden. Hij is niet alleen door mijn voorvaderen, maar ook door vele andere vorsten vereerd. Het is bovendien alom bekend dat niemand tot dusverre de boog heeft kunnen opheffen, overeind houden of spannen - of hij nu God of demon is, yaksha, rakshasa, Garuda (Vishnu's rijdier) of Gandharva (Godheid die de geheimen des hemels en de goddelijke waarheid kent en openbaart), Kinnara (paardmens) of Mahoraga (slang). Allen die het gewaagd hebben, zijn vernederd weggegaan. Niettemin heb ik wederom besloten vandaag de boog naar deze gewijde plaats te brengen. Als er iemand onder u is die denkt de boog te kunnen opheffen en spannen, er een pijl op te kunnen zetten of het gewicht van de boog te kunnen houden, dan mag hij naar voren treden en zijn geluk beproeven; de boog ligt voor u gereed. Na deze woorden maakte Janaka een buiging voor de aanwezigen, met de handpalmen bijeen, en nam plaats op de leeuwentroon.

Vamitra wierp glimlachend een blik naar Rama. Rama liep snel naar de wagen toe en tilde met zijn linkerhand het ijzeren deksel op. Met zijn rechterhand hief hij onbekommerd en zonder enige inspanning de boog uit de kist! Terwijl hij de boog rechtop hield, keek hij om zich heen en zag alom de verbijsterde gezichten! De duizenden die van het wonder getuige waren - burgers, koningen en prinsen, wijzen en geleerden - hieven zulke luide toejuichingen aan, dat de hemel weergalmde van het gejubel! Toen spande Rama de sublieme boog! Het was kostelijk om te zien met hoeveel gemak hij een pijl opzette! Hij haalde de pees geheel naar achteren om de pijl af te schieten. Doch de boog brak!


Alle toeschouwers werden door het vreemde geluid van deze onverwachte explosie in angstige verwarring gebracht. Velen vielen in onmacht; sommigen schreeuwden van angst en enkelen vluchtten in paniek. De wijze mannen verlieten zich in hun gebeden op God. Waartoe nog verder uit te weiden? Alle aanwezigen, behalve Janaka, Vishvamitra en de broers Rama en Lakshmana, werden gegrepen door een onverklaarbare, hevige ontzetting.

Janaka verrees van zijn troon; hij wierp zich ter aarde voor Vishvamitra en sprak: 'Meester! Geen sterveling kan beweren sterker te zijn dan Rama; een zodanige kracht is niet van de aarde. Ik zal mijn belofte nakomen en Sita uithuwen aan hem die deze boog heeft opgeheven, gespannen en gebroken.'

Vishvamitra antwoordde: 'Janaka! Het zou het beste zijn als dit nieuws aan keizer Dasharatha werd overgebracht en als de gelukkige gebeurtenis werd gevierd in zijn aanwezigheid. Dit is mijn wens; Rama is zulk een plichtsgetrouwe zoon, dat hij niet in het huwelijk zal toestemmen, aleer hij daartoe Dasharatha's toestemming heeft verkregen.' Dus liet Janaka de brahmaanse hofpriesters bij zich ontbieden, tegelijk met enkele ministers. Hij zond hen bij het aanbreken van de dag op weg naar Ayodhya. Drie dagen en nachten spoedden zij zich voort, in wagens die door snelle paarden werden getrokken; zij bereikten Ayodhya in de ochtend van de vierde dag. Zij brachten hun wagens tot stilstand vlak voor de ingang van het keizerlijk paleis, zodat zij onverwijld hun nieuws aan de keizer konden overbrengen. Toen de paleiswachten naar hun naam vroegen en naar het doel van hun komst, verzochten de ministers hen om de keizer mede te delen dat zij uit Mithila waren gekomen om hem te spreken. Dasharatha werd ogenblikkelijk op de hoogte gebracht en Janaka's afgezanten werden daarop terstond het paleis binnengeroepen en bij de keizer toegelaten.

Ondanks zijn hoge leeftijd ging van Dasharatha's verschijning goddelijke kracht en luister uit, in de ogen van de brahmanen en ministers van Mithila die hem op zijn troon zagen. Bij het aanschouwen van dat stralende, eerbiedwaardige gelaat wierpen zij zich zonder aarzeling of terughoudendheid aan zijn voeten. Zij stonden op en spraken: 'Maharadja! Wij zijn boodschappers van keizer Janaka van Mithila. Hij heeft ons opdracht gegeven te informeren naar uw welzijn en naar dat van uw onderdanen. Wij zijn hierheen gezonden door Maharadja Janaka, met goedkeuring van de wijze Vishvamitra en met de instemming van de grote Sathananda, de geestelijk leidsman van het keizerlijk Hof, om u een belangrijke boodschap over te brengen.'

Een glimlach verhelderde Dasharatha's gelaat; zijn zelfverzekerdheid werd door deze woorden niet aan het wankelen gebracht. Hij werd getroffen door de nederigheid en de goede manieren der afgezanten uit Mithila. Hij sprak: 'O grootste onder de brahmanen! O ministers van het hof van Mithila! Het bestuur van het keizerrijk van Ayodhya kent geen onvolkomenheden. Rituelen als het vuuroffer (agnihotra) verlopen zonder hindernissen. Het geluk van al mijn onderdanen duurt onverminderd voort en er bevinden zich geen obstakels, van welke aard ook, op het pad van hun morele en spirituele ontwikkeling. Mijn onderdanen leven in voorspoed en zij gaan gestaag voorwaarts naar het hoogste doel. Het verheugt mij u dit te kunnen zeggen. Ik zou gaarne willen weten hoe het staat met de gezondheid en het welzijn van Janaka, de keizer van Mithila, en of in zijn rijk het verrichten van de religieuze riten, die zijn voorgeschreven in de Veda's, nog immer voortgaat. De boodschap die u hebt meegekregen, kunt u mij zonder enige terughoudendheid overbrengen. Ik verlang er vurig naar uw tijding te horen.'

Toen Dasharatha zo zachtmoedig en vriendelijk zijn toestemming gaf, gaven de ministers de brahmanen een teken dat zij mochten spreken. De opperpriester stond op van zijn zetel en sprak de boodschap aldus uit: 'Groot souverein heerser! Onze maharadja Janaka heeft gezworen dat hij zijn dochter Sita Devi slechts zal uithuwen aan iemand van zeer grote heldenmoed en kracht; u bent hier ongetwijfeld van op de hoogte. U weet wellicht ook dat vele prinsen hebben gepoogd hun dapperheid te bewijzen en dat zij in verslagenheid Mithila verlieten. Het was Gods wil dat uw twee zonen Rama en Lakshmana de wijze Vishvamitra vergezelden en vurig verlangden de grote yajna bij te wonen, die onze maharadja aan het volvoeren is. 

ramabreakingbow.jpg (9489 bytes)Zo geschiedde het dat uw oudste zoon, Rama, door zijn weergaloze heldenmoed Sita Devi veroverde! Maharadja! Wat moeten wij daarover zeggen? Hoe kan men zoiets beschrijven? Voor de ogen van het voorname gezelschap van wijzen, koningen en prinsen hief Rama, die het toppunt van heldhaftigheid bereikt heeft, de boog van Shiva, hield hem in het midden vast, hield hem vervolgens overeind en spande hem! Sterker nog: hij brak, als was het een spel, de onbedwingbare, heilige boog in tweeën! Aangezien Sita Devi zal worden uitgehuwelijkt aan hem die de boog van Shiva kan hanteren, hebben de wijzen die bijeengekomen waren, evenals onze maharadja, besloten om haar ten huwelijk te geven aan Rama.

Wij zijn naar u toegezonden om uw toestemming te vragen en te verkrijgen, om u te laten weten dat u van harte welkom zult zijn en u naar de stad Mithila uit te nodigen met uw familieleidsman Vasishtha, priesters, ministers, hovelingen, vrienden en verwanten, dienaren en volgelingen. Onze maharadja wenst het huwelijk van zijn dochter niet te vieren aleer hij uw darshan heeft ontvangen. Hij zond ons naar u toe om u hiervan op de hoogte te brengen.'

De priesters en ministers stonden met gevouwen handen eerbiedig te wachten op het antwoord van Dasharatha. Doch voordat Dasharatha ook maar een woord uitte, overwoog hij zeer zorgvuldig zijn antwoord en raadpleegde hij de wijzen Vasishtha, Vamadeva en anderen. Bovendien nodigde hij de meest vooraanstaande brahmanen van het Hof uit. Toen allen aanwezig waren, verzocht Dasharatha hen om commentaar. Doch eerst wierp hij zich aan Vasishtha's voeten en bad om diens goedkeuring. Vasishtha, Vamadeva en anderen reageerden met blijde uitroepen: 'Dit voorspelt alle goeds! Zeer veelbelovend!' Zij vroegen: 'Waarom zouden wij hier nog over moeten nadenken? Laten we ons gereedmaken voor de reis naar Mithila!'

De ministers dansten van blijdschap; het nieuws van Rama's aanstaande huwelijk verspreidde zich als een lopend vuurtje door de gehele stad en drong door tot de binnenvertrekken van het paleis, waar Dasharatha's gemalinnen  verbleven. In hun opgetogenheid lieten de burgers luide vreugdekreten van ' Jai, Jai' horen. Dienaren maakten snel alles in gereedheid voor de reis. Juwelen, kostbare zijden stoffen en andere geschenken werden in grote hoeveelheid en verscheidenheid ingepakt en op talloze reiswagens geladen.

De keizer en het keizerlijke escorte, Vasishta, geestelijk leidsman van het Hof, de hoofdpriesters en andere brahmanen en geleerden bestegen de triomfwagens en namen hun plaats in. Het was alsof heel Ayodhya op weg was naar Mithila, om getuige te kunnen zijn van het huwelijk. Voor al degenen die mee wilden gaan, trof Dasharatha de nodige voorzieningen. Niemand die graag mee wilde, hoefde achter te blijven! De paarden leken wel te delen in de vreugde die de harten vervulde van de inzittenden der wagens, want zij liepen in snelle draf, zonder ook maar een moment hun vaart te verminderen of tekenen van vermoeidheid te tonen. Zij waren twee dagen en nachten onderweg en bereikten Mithila de derde nacht.

Maharadja Janaka verwelkomde keizer Dasharatha reeds aan de hoofdpoort van de stad. Hij ontving de ministers, wijzen en priesters in overeenstemming met hun rang en stand. Hij zorgde ervoor dat zij zich ter ruste konden begeven in de hun toegewezen verblijven. Zodra de dag aanbrak ontbood Dasharatha de ritvij's (priesters die zich toegelegd hebben op de rituele traditie), de vorstinnen en de familieleden en maakte hen erop attent dat zij beschikbaar moesten zijn zodra hun aanwezigheid verlangd werd. Intussen was Janaka aangekomen bij het huis waar Dasharatha verbleef; hij nam hem mede naar het omheinde veld waar men de yajna aan het verrichten was. Er waren zitplaatsen gereserveerd voor de leermeesters en de keizer en zijn gevolg, ieder naar zijn maatschappelijke positie en zijn moreel gezag. Toen allen hun plaatsen hadden ingenomen, begroette Janaka Dasharatha met de woorden: 'Uw komst naar Mithila, samen met deze grote wijzen en vooraanstaande brahmanen, met uw familie en uw gevolg, is voor ons de voorbode van een hoogst-gelukkige lotsbeschikking. Het duidt op de beloning van onze goede daden in vorige levens. Ik weet zeker dat uw hart vervuld is van grote vreugde over de heldhaftigheid en de overwinning van uw zoon. Ik sta op het punt een verbintenis aan te gaan met de grote Raghu-dynastie, die met luister omgeven is door de mateloze heldenmoed van haar telgen. Door deze familiebanden zal mijn vorstenhuis meer dan ooit geheiligd worden. Ik geloof stellig dat dit het gevolg is van de zegen die mijn voorvaderen, over mij uitgestort hebben. Maharadja! De yajna die wij hebben verricht zal vanmorgen worden beëindigd. Ik heb overwogen de huwelijksvoltrekking tussen Sita en Rama te laten plaatsvinden na afloop van de yajna. Ik smeek u hierin toe te stemmen.' 

Dasharatha werd met gelukzaligheid vervuld en een blijde glimlach verhelderde zijn gelaat. Hij sprak: 'Maharadja! U bent de gever; er is ons geleerd dat een geschenk ontvangen dient te worden naar het goeddunken en genoegen van de gever. Dus ben ik alleen bereid het geschenk te aanvaarden wanneer het u welgevallig is.' Door Dasharatha's gevatte en wijze antwoord, gegeven met zoveel hartverwarmende genegenheid, werd Janaka overmand door de gevoelens van gelukzaligheid die in hem opwelden.

Op dat moment betraden Rama en Lakshmana de omheinde ruimte, samen met de wijze Vishvamitra; de broers wierpen zich ter aarde voor hun vader en hun leermeesters - Vasishtha, Vamadeva en anderen. Dasharatha's ogen straalden van blijdschap toen hij de zonen weerzag die hij zolang had gemist. Hij trok de jongens naar zich toe, legde zijn handen op hun schouders en drukte hen aan zijn borst. Toen de brahmanen en ministers de gelukzaligheid van de vader zagen, terwijl deze zijn zonen liefkoosde, vergaten zij alles om zich heen, in het besef van Dasharatha's innige genegenheid. Zij waren een en al bewondering.

Dasharatha sprak vertrouwelijk met zijn zonen en luisterde naar hun ontwapenend eenvoudig verslag van de yajna die zij hadden behoed voor ontwijding door demonische krachten; zij vertelden hem over al wat was voorgevallen tijdens de reis van Vishvamitra's ashram naar de stad Mithila. Hun relaas werd tevens aangehoord door Vasishtha, Vamadeva en andere wijze mannen en bovendien door Bharata en Shatrughna, Sumantra en vele ministers, hovelingen en edelen. De hele avond werd besteed aan deze samenvatting van alle wonderen en wonderbaarlijke gebeurtenissen die de hoofdbestanddelen vormden van hun voorbije avonturen.

Janaka werd onderwijl in beslag genomen door de voorbereidingen van het huwelijksfeest. Meestal was hij in het paleis te vinden. Daar ontving hij Sathananda, de opperpriester, die hij eerbiedig verzocht om een begin te maken met het bijeenroepen van wijzen, geleerden en priesters en de benodigdheden te verzamelen voor de diverse rituelen die voorafgaan aan de huwelijksplechtigheid zelf. De wijze antwoordde: 'Maharadja! De yajna is zojuist beëindigd. Er zijn, zoals ik zie, in de eerstvolgende paar dagen enkele uren die zeer gunstig zijn voor de plechtigheden. Mocht u precies willen weten wanneer, dan kan ik u dat vertellen.'

Hierop sprak Janaka, die na eerbiedige groet met gevouwen handen voor Sathananda stond: 'Meester! Gisteravond heeft keizer Dasharatha zijn instemming betuigd met het huwelijk. Wij zijn waarlijk zeer door het fortuin gezegend. Mijn jongere broer Kusadhvaja is nu niet hier; de afgelopen dagen is hij steeds drukdoende geweest de hogepriesters van alle benodigdheden voor de yajna te voorzien, elke keer als zij hem daarom vroegen. Ik zou niet gaarne deze zo gelukkige gebeurtenis vieren zonder hem aan mijn zijde. Ik wil hem zijn deel van de feestvreugde niet onthouden. Ik heb stappen ondernomen om hem zo spoedig mogelijk hierheen te laten komen. Naar mijn mening kunnen wij het beste dag en uur van de plechtigheid vaststellen na zijn aankomst.' Sathananda antwoordde: 'Goed! Uitstekend! Dat zal ons allen buitengewoon gelukkig maken!' Daarop verliet hij het paleis.

Janaka zond boodschappers op weg met de opdracht zijn broer zo snel mogelijk naar Mithila te brengen. Zij troffen hem reeds spoedig aan in zijn hoofdstad Sankasya, want zij waren daarheen gegaan op snelvoetige paarden die ongewoon hard konden lopen. Zij vertelden hem tot in de kleinste bijzonderheden over de recente gebeurtenissen in Mithila; Kusadhvaja werd overweldigd door de golf van ananda die in hem opwelde. Zo snel hij kon riep hij zijn familie, vrienden en gevolg bijeen; hij liet reiswagens volladen met geschenken, offeranden en kostbare stoffen. Hij vertrok nog diezelfde avond en bereikte weldra Mithila.

Janaka haastte zich zijn broer te verwelkomen, want hij had in afwachting de minuten geteld. Hij omarmde zijn broer vol genegenheid; hij was vervuld van onuitsprekelijke blijdschap. Kusadhvaja wierp zich aan de voeten van zijn oudere broer en evenzo aan die van Sathananda; toen namen zij alle drie plaats op een verhoogde zetel en beraadslaagden over de te volgen procedure. Zij gingen bij elkander te rade en toen zij uiteindelijk besloten wat hun te doen stond, lieten zij Sudhama komen, de zeer hooggeachte raadsman in staatszaken, en zeiden tot hem: 'Excellentie! Begeef u ter audiëntie naar Dasharatha en verzoek hem hierheen te komen, naar dit paleis, met zijn ministers, priesters, hovelingen, familieleden en wie hij ook verder nog wenst mee te brengen. Begeleid hem hierheen met gepast eerbetoon.'

Sudhama liet zich vergezellen door hovelingen, geleerden en hofpriesters; hij liet smaakvol versierde triomfwagens voorkomen om het keizerlijk gezelschap op te halen en begaf zich naar het paleis dat Dasharatha tot gastverblijf diende. Daar aangekomen bracht Sudhama hoffelijk en vriendelijk de boodschap over die hem was meegegeven en nodigde Dasharatha met diepe eerbied uit naar Janaka's hof. Dasharatha en zijn gevolg waren gereed; zij vertrokken en weldra bereikten zij Janaka's paleis, waar zij in de audiëntiezaal werden ontvangen. Eenieder werd begroet op een wijze die eer deed aan de gelegenheid en aan ieders rang en stand en nam de hem aangewezen plaats in.

Toen stond Dasharatha op en sprak: 'Janaka! Voor de Ikshvaku-dynastie is de wijze Vasishtha gelijk God op aarde! Hij is onze hoogste leermeester, die als geen ander de traditie van ons vorstenhuis kent.' 

Zodra Dasharatha weer ging zitten, stond Vasishtha op en sprak de aanwezigen als volgt toe: 'Koninklijke wijze! Luister, u allen die hier bijeengekomen bent! Brahman, de onzichtbare Allerhoogste, de Eeuwige, de Zuivere, schiep door het uitoefenen van zijn wil Marichi; Marichi's zoon was Kasyapa (water) en diens zoon was Surya (de zon); Surya's zoon was Manu (wetgever der mensheid), die een zoon had genaamd Vaivasvata Manu; deze regeerde over het volk en verwierf de titel Prajapati - Heer van alle schepselen. Hij kreeg een zoon, lkshvaku - stamvader van het zonneras; deze was de eerste opperheer van Ayodhya. Zo geschiedde het dat deze dynastie het lkshvaku-geslacht werd genoemd. lkshvaku's zoon was Kukshi; Kukshi's zoon was genaamd Vikukshi. Diens zoon was Bana; Bana's zoon was Anaranya; deze had een zoon genaamd Trisanku. Trisanku's zoon was Dhundhumara; Dhundhumara's zoon heette Yuvanaswa; Mandhata, Yuvanaswa's zoon, had een zoon Susandhi, die twee zonen kreeg: Daivasandhi en Presenjit. De befaamde Bharata was de zoon van Daivasandhi; Bharata's zoon was Asitha geheten; toen Asitha het rijk regeerde, viel een verenigd leger van Haihaya's, Thalajangha's en Sasibindu's het keizerrijk binnen en moest Asitha met zijn twee gemalinnen de wijk nemen naar het Himalaya-gebied. Hij zocht toevlucht in de streek Bhrgu Prasravana, waar hij enige jaren later ook overleed. (Zie ook  Srimad Bhagavatam Canto 2, Hoofdstuk 7: Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatara's).

Zijn beide gemalinnen waren zwanger toen hij stierf. Zij zochten onderdak in de ashram van Chyavana; deze werd met mededogen vervuld toen hij zag in welke benarde toestand zij zich bevonden; hij troostte hen, zeggend: 'Moeders! Wees niet bevreesd. Dit is uw tehuis. Uw bevalling zal voorspoedig zijn en u zult sterke, schitterende en fortuinlijke kinderen baren.' Zijn zegewensen werden bewaarheid. Binnen enkele dagen beviel de oudste vorstin van een zoon die Sagara genoemd werd; deze werd gekroond als keizer van Ayodhya.

Sagara's zoon was Asamanja, die een zoon had genaamd Amsumantha; diens zoon was Dilipa; Dilipa's zoon was Bhagiratha, die een zoon kreeg, Kakustha genaamd. Kakustha's zoon was Raghu, wiens zoon Pravardha was. Pravardha had Sudarsana tot zoon en Sudarsana weer Agnivarna. Sighraga was de naam van Agnivarna's zoon. Sighraga's zoon was genaamd Maru. Na hem ging de troon over van vader op zoon: achtereenvolgens naar Prasusruka, Ambarisha en Nahusha.

Nahusha's zoon was Yayati en Yayati's zoon was Nabhaga; deze had Aja tot zoon. Aja's oudste zoon, Dasharatha, kreeg vier zonen: Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna, ieder van hen een kostbaar juweel. Het is Rama, de oudste van de vier, die de boog van Shiva hief, spande en brak.

O koninklijke wijze! Deze keizerlijke dynastie is heilig en zuiver. Eenieder die in deze familie geboren is, heeft geestelijke verlichting verworven en heeft gestraald in spirituele pracht. Hun bestaan is geworteld in rechtschapenheid en zij staan daarmee in de voorste gelederen der helden. Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna zijn kostbare lampen wier schijnsel de annalen van dit vorstenhuis verlicht.

Het is thans aan mij u te wijzen op de wenselijkheid deze heilige ceremonie (samskara) van het huwelijk tevens voor Lakshmana te houden, want hij is de weerspiegeling van Rama. Uw dochter Urmila zou een voortreffelijke gade voor Lakshmana zijn. Aarzel niet, maar neem hiertoe een besluit en tref de nodige  voorbereidingen.' Vasishtha zegende de aanwezigen en nam weer plaats.

Nadat hij had geluisterd naar de geschiedenis van de Ikshvaku-dynastie, uit de mond van de grote wijze Vasishtha, verrees Janaka van zijn troon en sprak: '0 Brahmarshi! Wanneer de telg van een nobel geslacht zich voorneemt zijn dochter ten huwelijk te schenken, moet hij de glorieuze geschiedenis van zijn familie bekendmaken, nietwaar? Ik heb besloten uw voorbeeld te volgen en zelf dat verhaal te vertellen, want het verschaft mij grote vreugde de namen van mijn voorvaderen in herinnering te roepen en hun majesteit te gedenken. Mijn geboorte in dit lichaam heb ik te danken aan de zegen der voorvaderen uit deze dynastie. Slechts dan wanneer ikzelf hen beschrijf aan dit grote gezelschap zal mijn bestaan gerechtvaardigd zijn en zijn doel hebben gediend.'

Janaka stond in devote houding voor alle aanwezigen. Vasishtha stemde in met zijn verzoek en beduidde Janaka met zijn verhaal te beginnen. Deze sprak: 'Brahmarshi! Vereerde leermeesters! Maharadja Dasharatha! In een ver, ver verleden leefde er een keizer genaamd Nimi, die vastberaden het pad der rechtschapenheid volgde en daarom befaamd was om zijn morele kracht en zijn vooruitziende blik. Zijn zoon Mithi bouwde deze stad, Mithila, om als hoofdstad van zijn koninkrijk te dienen. Hij was de eerste souvereine vorst van dit gebied. De wijze waarop hij zijn bewind voerde, maakte hem zeer geliefd en zijn onderdanen waren gelukkig en voorspoedig. Zijn zoon, Sudhavasu, was de vader van Nandhivardhana, die Mithi opvolgde. Nandhivardhana's zoon was Sukethu, wiens zoon was genaamd Devaratha. Brhadratha was Devaratha's zoon en Mahavira (grote held) was de naam van Bhradratha's zoon. Zoals zijn naam aanduidt, bezat Mahavira grote moed. Zijn zoon Sudhrthi had een zoon genaamd Dhrshtakethu. Diens beroemde zoon was Haryaswa; Haryaswa had een zoon, Maru geheten; Maru's zoon was Prathindhaka. Prathindhaka's zoon was Kirthiratha. Deze was de vader van Devamidha. Vibudha was Devamidha's zoon. Vibudha's zoon was Kirthiratha; diens zoon was genaamd Maharoma. Maharoma's zoon was Hrswarupa. Deze was een begaafd heerser en een trouw volgeling van het pad van dharma. Hij verwierf de eretitel 'Mahatma' (grote ziel). Hij is mijn vader; het geeft mij grote vreugde te erkennen dat mijn vader waarlijk een ideale persoonlijkheid was. De waarheid is dat ik thans zo gelukkig ben over deze stad Mithila te mogen regeren vanwege de verdiensten die mijn voorvaderen hebben verworven en die zij aan mij, als erfenis, hebben nagelaten.

Mijn broer Kusadhvaja betekent veel meer voor mij dan een broer. Ik vereer hem als een goddelijk persoon. Hij is veeleer een vriend dan een broer. Ik heb hem opgevoed met zoveel liefde en genegenheid dat ik zeer aan hem gehecht ben geraakt. Jaren geleden, toen de koning van Sankasya (Sudhanva) eiste dat ik Shiva's boog aan hem zou overgeven of dat ik anders de strijd met hem moest aangaan, weigerde ik, waarop hij Mithila belegerde. Dit was het sein tot een bittere oorlog tussen ons, waarin Sudhanva werd gedood; en ik stelde toen mijn broer aan tot heerser van Sankasya. Die stad is schitterend gelegen aan de oevers van de rivier de Ikshumathi. Uit de verte doet zij denken aan de hemelse triomfwagen der Goden, bekend als de pushpaka vimana! Laat mij u thans vertellen over een ander gelukkig idee, dat de Goden mij hebben ingegeven.

Vandaag heb ik Kusadhvaja hierheen gehaald opdat hij moge delen in de vreugde van het huwelijksfeest, Brahmarshi! Het was uw beschikking dat Rama Sita huwt en dat Lakshmana trouwt met Urmila, mijn andere dochter. Ik aanvaard dat besluit met onnoemelijke blijdschap. Sita is een hemelse maagd en zij zal Rama ten huwelijk worden gegeven als beloning voor zijn heldenmoed. Ik zal mijn hoofd in alle ootmoed en dankbaarheid buigen en Urmila aan Lakshmana uithuwen.

Ik heb thans nog een voorstel te uwer overweging. Maharadja Dasharatha! U hebt vier zonen, allen geboren als een hemels geschenk van genade. Waarom zouden wij toezien dat twee van hen ongehuwd blijven? Ons geluk zou volkomen zijn als ook zij zouden trouwen. Deze dag staat in het teken van het sterrebeeld magha (de tiende van 27 constellaties van vaste sterren, vallend in het teken leeuw; januari-februari). Het is een gunstige dag om met de ritus te beginnen en de inleidende plechtigheden te houden. De dag erna, die in het teken van uttaraphalguna (de 12e constellatie, in het teken maagd) staat, zou ik, met uw welnemen, de twee dochters van mijn broer ten huwelijk willen schenken - Mandavi aan Bharata en Shruthakirthi aan Shatrughna.'

Toen zij dit hoorden stemden allen die bijeen waren juichend in met het voorstel, roepend: ' Shubham! Shubham! (Zeer goed! Uitstekend!)' Hun toejuichingen doorkliefden de lucht.

Nadat keizer Janaka zijn idee had geopperd aangaande de huwelijken van Bharata en Shatrughna hielden de wijzen Vasishtha, Vamadeva, Vishvamitra en anderen ruggespraak met elkander. Toen zij ook zonder veel moeite Dasharatha tot toestemming hadden bewogen, stelden zij Janaka aldus op de hoogte: 'O majesteit! De twee keizerlijke families, lkshvaku en Videha, zijn rijk aan heilige tradities, welker verhevenheid ongeëvenaard is. De grootsheid van deze twee dynastieën kan geen mens meten of beschrijven, hoe geleerd of kundig hij ook is. Vorstenhuizen van deze status, of van een orde die daarmee te vergelijken zou zijn in zedelijke grootheid, zijn nog niet eerder op aarde verschenen. Dat deze twee families nu door deze huwelijksbanden worden samengebracht is een wel zeer gelukkige omstandigheid.

Deze verbintenis is in hoge mate passend, prijzenswaardig en heilig. Wij zijn bovendien verblijd dat de aanstaande echtparen zo bijzonder goed bij elkaar passen. Janaka! Uw broer Kusadhvaja is iemand die weet wat dharma is en die een leven van rechtschapenheid leidt. Het is goed dat ook hij Dasharatha's aanverwant wordt door de echtverbintenis van zijn dochters. Dit is een bron van immense vreugde. Wij zijn daarom bereid onze zegen te geven aan de huwelijken van zijn dochters Mandavi en Sruthakirthi met Bharata en Shatrughna. Het is onze wens dat de twee keizerlijke families door deze huwelijken innig verbonden zullen zijn.'

Janaka en Kusadhvaja wierpen zich voor de wijzen ter aarde, overweldigd door blijdschap dat hun wens in vervulling was gegaan. 'Dit is geen alledaagse gebeurtenis! Welk een zegen valt ons ten deel door deze vervulling! Hoe gelukkig dat de wijzen met ons voorstel hebben ingestemd en het pad hebben geëffend. Wijzen zullen nimmer onzalige plannen aanmoedigen. Wij zullen eerbiedig al uw bevelen gehoorzamen', spraken zij.

Vasishtha sprak daarop: 'Neen, waarom zouden wij deze twee huwelijksvoltrekkingen uitstellen tot de volgende dag, of nog later! Morgen is voor allen een gunstige dag. Het zou het beste zijn als alle vier huwelijken op dezelfde dag werden voltrokken.' Janaka antwoordde: 'Ik ben werkelijk gezegend, waarde leermeester! Keizer Dasharatha is reeds jarenlang uw discipel, en hij volgt trouw al uw bevelen. Vanaf heden zijn ook wij broers uw discipelen. Al onze lasten drukken op uw schouders; zeg ons hoe te handelen en wij zullen zonder meer uw aanwijzingen volgen.' Zij stonden in afwachtende houding, met de handen gevouwen in opperste nederigheid en eerbied. Toen stond Dasharatha op en sprak: 'Heerser van Mithila! De deugden die ik in u beiden zie, kan ik niet onder woorden brengen! U hebt voortreffelijke voorzieningen getroffen voor het verblijf en de ontvangst van zulk een luisterrijke schare van maharadja's en maharishi's, en bovendien voor de enorme mensenmassa die naar de stad is toegestroomd. Ik zal nu naar mijn verblijf terugkeren en de rituelen van nandi en samavarthana verrichten, geheel volgens de vedische voorschriften.' De broers begeleidden Dasharatha met gepast  eerbetoon van de audiëntiezaal naar de hoofdpoort, waar zij afscheid van hem namen. Toen gingen zij naar hun eigen paleis, om hun diverse opdrachten uit te voeren.

Dasharatha verrichtte de nandi-ritus; zeer vroeg in de ochtend liet hij zijn zonen alle vier de samavarthana-plechtigheid volbrengen. Hij bevestigde gouden versierselen aan de horens van de koeien die uitgekozen waren om aan vrome brahmanen ten geschenke te geven, samen met kostbaar melkgerei. Het was een lust voor het oog de jongens de koeien te zien wegschenken! Voor de burgers van Mithila was het alsof zij de Goden uit de vier windstreken voor zich zagen, met Brahma in hun midden; zo kwamen de vier zonen en hun vader Dasharatha hen voor.

Intussen was Yudhajit, de prins van Kaikeya, gearriveerd; hij was de broer van keizerin Kaikeyi, Bharata's moeder en bijgevolg diens oom. Yudhajit's vader verlangde er hevig naar zijn kleinzoon Bharata enige tijd bij zich te hebben en derhalve had Yudhajit zich naar Ayodhya gespoed. Daar hoorde hij echter dat de keizerlijke familie naar Mithila was afgereisd om Rama's huwelijk bij te wonen. Zijn vader, zei de prins, wist hiervan niets. Hijzelf had evenmin enig idee dat het ophanden was. Dus was hij, zodra hij dit nieuws had vernomen, naar Mithila gegaan. Zodoende zou hij de huwelijksplechtigheid kunnen bijwonen en tevens de wens van de grootvader om zijn kleinzoon een tijdje bij zich te hebben, kunnen overbrengen. Dasharatha was blij dat Yudhajit gekomen was.

Die nacht onderhield Dasharatha zich op innemende wijze met zijn zonen en andere aanwezigen over diverse aangename onderwerpen. Niemand in de wachtverblijven kon de slaap vatten. Allen wachtten vol ongeduld op het aanbreken van de gelukkige dag, wanneer zij getuige mochten zijn van de huwelijksvoltrekking van hun geliefde prinsen. Eenieder was overweldigd door vreugde, alsof zijn eigen zoon de bruidegom was of zijn eigen dochter de bruid. Hun gelukzaligheid kon slechts vergeleken worden met Brahmananda - de ananda van Brahma zelf; zo groot was hun liefde voor Rama en zijn broers.

Vroeg in de morgen begaf Janaka zich naar het speciaal opgerichte podium waar de huwelijksplechtigheden zouden plaatsvinden; hij was vergezeld van een schare wijzen, die straalden van spirituele verhevenheid. Hij volbracht de inleidingsrituelen en wachtte op de komst van de bruidegoms en hun ouders en verdere familie. Nadat Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna hun rituele bad hadden genomen, werden zij gekleed in geelzijden gewaden en om hun hoofd werden zijden doeken gewonden. Zij waren getooid met sieraden bezet met diamanten en saffieren; zij zagen er uit als bekoorlijke, hartveroverende Goden, die uit de hemel waren neergedaald.

Het gunstige uur van de dag, vijaya genaamd, was nabij en de prinsen begaven zich naar het podium. Zij werden voorafgegaan door muzikanten wier instrumenten muziek lieten horen die opklonk naar het hemelgewelf. De raadslieden van het Hof, de onderkoningen en de dienaren die hen volgden, droegen grote schalen, opgetast met juwelen, zijden gewaden, gouden munten en andere gelukbrengende voorwerpen, die voor de plechtigheid vereist waren.

De mensen lieten hun blik rusten op de schone en heldhaftige gestalte der prinsen, met wijdopen ogen van bewondering; zij zeiden onder elkaar dat de waardige houding van de jongens verried dat zij veeleer goddelijk dan menselijk waren. Zij riepen uit: 'O, hoe bekoorlijk! Welk een schoonheid!' Allen waren vervuld van verwondering. 'Het zijn hemelbewoners die op aarde gekomen zijn', fluisterden zij elkander toe, terwijl de bruidegoms tussen de dikke rijen toeschouwers doorliepen. Vrouwen bezwoeren dat zij nog nimmer schoner prinsen hadden aanschouwd. De bewoners verdrongen zich voor deur- en vensteropeningen en alle terrassen waren overvol. Eindelijk bereikten de prinsen het podium en namen plaats.

Toen geleidden Janaka en zijn broer Kusadhvaja hun dochters naar het podium. Men had hun de rituele wassing gegeven en hen rijk en fraai getooid, zoals men dat pleegt te doen bij een bruid op haar huwelijksdag. Zij waren gesluierd en liepen achter hun vaders aan; zij werden gevolgd door duizenden maagden die vruchten en bloemen meedroegen en ook grote hoeveelheden rood en geel welriekend poeder en geurige oliën, rijstkorrels, juwelen en edelstenen. Het leek alsof alle schatten van Mithila zich ter gelegenheid van dit huwelijksfeest hadden samengevoegd tot één glinsterende stroom.


(Zie ook 
Srimad Bhagavatam, Canto 2, Hoofdstuk 9: Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer)

De vier bruiden straalden als flonkerende sterren. Zij zaten tegenover elkander: Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna aan de ene zijde en Sita, Urmila, Mandavi en Sruthakirti aan de andere, gescheiden door een fluwelen doek, dat als een scherm tussen hen in werd gehouden. Edelen en burgers die uit Ayodhya overgekomen waren, zaten achter Dasharatha; de inwoners van Mithila en degenen die door Janaka waren uitgenodigd voor de trouwplechtigheid zaten achter hem op het podium.

Aller aandacht werd getrokken naar de uitbundige en kunstzinnige versieringen aan de baldakijn, die voor de ceremonie was opgericht. Het was ·l goud, zilver, bloemen, zijde en fluweel, guirlandes en vlaggen, kandelaars en zuilen, bogen en pinakels. Was de aandacht eenmaal op al deze pracht gevestigd, dan kon men zijn blik er niet meer van afwenden. De onmetelijke ruimte was overvol met verwanten en belangstellenden, die gekomen waren om de bruidsparen geluk te wensen. Een golf van ontroering om dit huwelijksfeest scheen door gans Mithila te gaan; de stad genoot van de feestelijkheden alsof ze voor haarzelf waren aangericht.

Het duurde niet lang of Dasharatha stond op en maakte Vasishtha er beleefd op attent dat de plechtigheden een aanvang konden nemen: 'Waarom zouden we het nog langer uitstellen?' Hierop ging Janaka met gekruiste armen voor Vasishtha staan en bad hem de huwelijken zelf te voltrekken.

Vasishtha stemde toe en, bijgestaan door Vishvamitra en Sathananda, ontstak hij het offervuur in het midden van het podium, terwijl vedische schriftgeleerden en deskundigen in het reciteren van vedische teksten passende gezangen aanhieven bij deze zegenrijke viering.

Rondom het vuuraltaar plaatsten zij gouden schalen, versierd met bloemen en sandelhoutpasta en gevuld met jonge loten van negen graansoorten. Er waren ook wierookbranders, gewijde lepels voor het gieten van olie op het heilige vuur, gouden waterketels, kelken en andere rituele benodigdheden. Zij spreidden een dikke laag heilig kusa-gras op de grond, zodat het zo vlak en glad kwam te liggen als de vedische teksten voorschrijven. Vervolgens begonnen zij het offervuur te besprenkelen, onder het reciteren van gezangen en mantra's die heil en voorspoed brengen aan bruidegom en bruid. Ieder ritueel werd uitgevoerd met uiterste nauwkeurigheid en onberispelijkheid. Ter inwijding van de echtverbintenissen werden draden om de polsen van de prinsen en prinsessen gebonden.

Het ritueel dat daarop volgde was het wegschenken van de bruiden. Vasishtha verzocht Janaka om naar voren te treden en deze liep naar de plaats van het heilige offervuur. Hij was schitterend uitgedost in vorstelijke gewaden en droeg al de kroonjuwelen. Op aanwijzing van Vasishtha nam hij Sita's handen en legde ze in de uitgestoken handpalmen van Rama, waarbij de tranen van blijdschap hem over de wangen stroomden. De kokosnoot, het symbool van voorspoed, was Rama reeds in handen gegeven en, nadat Sita er de handen op had gelegd, goot Janaka melk over beider handen, als onderdeel van het schenkingsritueel. Daarbij sprak Janaka de volgende woorden tot Rama: 'Rama! Ziehier mijn dochter Sita. Van nu af aan zal zij uw pad van dharma volgen. Aanvaard haar. Zij brengt voorspoed, vrede en blijdschap. Neem haar hand in de uwe. Zij is rijk aan deugd en waarachtigheid. Vanaf dit ogenblik zal zij u immer als uw schaduw volgen.' Met deze woorden schonk Janaka water over Rama's handen om de schenking te bezegelen.

Toen ging hij dicht bij Lakshmana staan en sprak: 'Lakshmana! Ik geef je deze bruid, Urmila; aanvaard haar.' En met de voorgeschreven mantra's besloot hij het ritueel van het uithuwelijken van zijn dochters. Op dezelfde wijze gaf hij Mandavi tot vrouw aan Bharata, onder het uitspreken van de vedische mantra's die volgens traditie bij huwelijksplechtigheden worden gebruikt. Evenzo werd Sruthakirthi door hem aan Shatrughna geschonken, met het gieten van gewijd water en het reciteren van mantra's. Hierna voltooiden de vedische schriftgeleerden de gebruikelijke rituelen om de genade Gods voor de echtparen af te smeken.

Toen stond Janaka op en begaf zich naar het midden van het podium en sprak tot de bruidegoms: 'Geliefden! Onze dochters zullen nu hun plaats innemen als meesteres van uw huishouding. Het gelukkige ogenblik is aangebroken.' Zodra Janaka was uitgesproken, namen de vier broers, met Vasishtha's zegen en goedkeuring, hun bruid bij de hand en liepen eerst om het heilige vuur en vervolgens om Janaka en Vasishtha, de leermeester, heen en wierpen zich voor hen ter aarde.

Een regen van bloemen daalde op de bruidsparen neer; vreugdegalmen weerklonken uit vele en velerlei muziekinstrumenten. Het voorname gezelschap stemde juichend in met dit belangrijke moment, strooide rijstkorrels op de hoofden der paren en wenste hun allen geluk en voorspoed. Het gejubel dat hun uitroepen van 'Shubham! Shubham!' vergezelde, daverde door de lucht en klonk de menigte als muziek in de oren. De Goden speelden hun goddelijk lied in de hemel en roerden in geestvervoering de Elysische trommen. De minstrelen des hemels zongen lofgezangen.

 

 

 

Inhoud van deze Vahini | vorige bladzijde | volgende bladzijde