VAHINI.ORG

 

 
 

Woordenlijst uit:

 

S'rî Krishna Dvaipâyana Vyâsa
De Bovennatuurlijke Geschiedenis van

Het Spel van Krishna
in Vraja en Mathurâ

door S'rî Hayeshvar Das (1938-1998)
(Hendrik van Teylingen)

 

S'rî Hayes'var das - Zijn site gemaakt ter nagedachtenis aan zijn leven en werk

 
 

 

 

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|QR|S|T|U|V|W|XYZ

De letterlijke betekenis van een naam of term wordt onmiddellijk na het desbetreffende woord tussen haakjes gegeven;
is de betekenis onzeker, dan wordt er niets vermeld.

 

 

A

Adhikrta-devatâ's: Goden die door de Heer gemachtigd zijn om een gedeelte van de kosmische energieën te besturen, zoals vuur, regen, wind, en zo in de behoeften van de levende wezens te voorzien.

Achyuta (ongevallene - onfeilbare): Krishna als Onfeilbare.

Adhikrta-devatâ's: Goden die door de Heer gemachtigd zijn om een gedeelte van de kosmische energieën te besturen, zoals vuur, regen, wind, en zo in de behoeften van de levende wezens te voorzien.

Adhoksaja: Krishna als Onpeilbare.

Aditi (onbegrensde): een vorige gedaante van Krishna's moeder Devakî.

Agha (gruwel): een demon in slangengedaante.

Agni (vuur): de god van het vuur.

Ahangrahopâsanâ: Zich in elk opzicht gelijk achten aan de Opperheer.

Ahankâra (ik-maker): het vals ego waardoor de ziel zich vereenzelvigt met haar stoffelijk omhulsel en met de daarmee verbonden gedachten en gevoelens; de subtielste materiële energie, waardoor de ziel zich met haar stoffelijk omhulsel en met de daarmee verbonden gedachten en gevoelens vereenzelvigt.

Airâvata (uit de zee geboren; telg van Irâvat): de olifant van Indra.

Aja (ongeborene): 1. Krishna; 2. Brahmâ.

Ajana (aanzet): Krishna als Oorsprong van alle dingen.

Akrûra (onwrede): een toegewijde oom van Krishna. [SB, 10:36]

Akshauhini: een legermacht van 21.870 olifanten, 21.870 strijdwagens, 65.610 paarden, en 109.350 manschappen.

Al: de kosmos.

Alvervulde: Bhagavân.

Ambikâ (moeder): Yogamâyâ als Moeder der wereld; de moedergodin, Devî.

Amrta: Hetgeen nooit sterft en eeuwig voortleeft.

Amsha (deel): Godspersoon, gelijk aan God Zelf, Krishna, maar in eigen gedaante en eigen volheid optredend in Zijn dienst.

Amshu (deel): Krishna als Godsdeel.

Ânada: De bron van alle geluk.

Ananta Shesha (oneindige (over)blijvende): Godsdeel van Balarâma in de vorm van een veelkoppige Slang, op wie Vishnu neerligt in het hart van het heelal.

Anartha's: Ongewenste gewoonten.

Anarta: een koningshuis.

Anartha-nivrtti: Fase van de toegewijde dienst waarin alle stoffelijke smetten verdwijnen.

Anima-siddhi: Mystiek vermogen waardoor men zich oneindig klein kan maken, zodat men zelfs in een steen kan binnendringen.

Andhaka: een koningshuis.

Aniruddha (onweerhoudbare): een Godsdeel van Krishna; zoon van Krishna's zoon Pradyumna.

Anubhâva: Verschillende lichamelijke transformaties welke een toegewijde ondergaat wanneer hij door extatische liefde voor Krishna bevangen raakt.

Anuga's: Degenen die Krishna's schreden drukken door volkomen in Zijn persoonlijke dienst op te gaan.

Anusilana: Het ontwikkelen van toegewijde dienst door het volgen van het voorbeeld van de grote âcârya's.

Apavarga: Datgene wat elk leed geboren uit kontakt met de stof teniet kan doen.

Apsarâ (door het water gaand):  een klasse van nimfen.

Arâtri (lichtdrager):  het ceremonieel eren  van  Vrouwe en Heer door Hun het licht van een ghi-lamp aan te bieden.

Arcanâ: Het vereren van de mûrti in de tempel.

Arjuna (stralende): 1. boezemvriend van Krishna; 2. een herdersjongen in Vraja; 3. de prins tot wie Krishna de Bhagavad Gîtâ uitsprak; 4. een boomsoort (terminalia arjuna).

Artha (zaak): welstandverwerving als levensdoel.

Âsâ-bandhu: De vaste overtuiging dat de Heer ons Zijn genade zal bewijzen.

Asana: een boomsoort (terminalia tomentosa).

Ashoka (onbezorgde): een boomsoort met grote rode bloemen (jonesia asoka roxb.).

Ashrâma: (geestelijke levensfase): 1. kluizenaarsoord- of woning; 2. plaats van geestelijk leven; 3. geestelijke levensfase.

Ashvins: tweelinggoden, de vaders van Nakula en Sahadeva.

Asura: (ongoddelijk, niet-goddelijk): de algemene benaming voor een klasse van grote demonen.

Atharva: (van het vuur): de vierde Veda.

Âtmârâma (zelfvoldaan): 1. Krishna als Degeen die altijd vreugdevol is; 2. een zelfverwerkelijkte ziel.

Arishta (ongewonde): een demon in de gedaante van een reuzenstier. [SB, 10:36]

Avadhûta: Hoog verheven spiritualist die zich in het geheel niet meer aan het sociale, religieuze of Vedische kulturele leven hoeft te houden.

Avaisnava's: Degenen die materieel genot nastreven of zich tegen de oppermacht van de Heer verzetten.

Avatâra (neerdaler): een Godsdeel dat Zich vanuit de geestelijke wereld in Zijn transcendente gedaante in de stoffelijke wereld manifesteert.

 

B

Badarikâshrama (jujubebomen-ashrâma): het huidige woonoord van Vyâsa.

Bâhlikâ: de vader van Vasudeva's vrouw Rohinî.

Bahulâshva (paardenrijke): een koning van Mithilâ.

Baka (kraan): een demon in de vorm van een reuzenkraanvogel. [SB, 10:11]

Bakula: een boomsoort (mimusops elengi).

Balabhadra (krachtheil): Balarâma.

Bala (kracht): Balarâma.

Balarâma (kracht-vreugde): Krishna's eerst Godsdeel, in Zijn Spel optredend als Zijn oudere Broer.

Bali (offergave): een demonische koning die zich overgaf aan Krishna toen deze als Dwerg(-avatâra) op aarde verscheen.

Balvala (stotteraar): een demon.

Bâna (pijl): een bondgenoot van Kamsa.

Bhadrâ (zegenrijke): een van Krishna's acht Hoofdgemalinnen.

Bhadrakâli (zegenrijke zwarte): een verschijningsvorm van Mâyâ.

Bhagavad-gîtâ (des alvervulden lied; het lied van de Alvervulde): een leerdicht van 700 verzen, ontleend aan het Mahâbhârata, door Krishna uitgesproken tot Zijn vriend Arjuna; Krishna's onderricht aan Arjuna over de relatie tussen karma, jnâna en bhakti, in 700 verzen, onderdeel van het Mahâbhârata.

Bhagavân (alvervulde; van volheden vervulde): 1. Krishna als enige Bezitter en Belichaming van volkomen schoonheid, kennis, macht, rijkdom, roem en vrijheid; 2. een zuivere dienaar van Krishna.

Bhâgavata Purâna (de aloude geschiedenis van de Alvervulde): de belangrijkste van de achttien Vedische Purâna's.

Bhakta (toegewijde): een dienaar van Krishna; beoefenaar van bhakti.

Bhakti (toewijding): de geestelijke weg van dienende liefde waardoor men van Mâyâ verlost raakt en binnengaat in Krishna's Spel.

Bhaktin (toegewijde): een dienares van Krishna; beoefenaarster van bhakti.

Bhakti-rasa: De zoete emotie welke men ervaart tijdens het toegewijd en liefdevol dienen van de Heer.

Bharata (schrager): de eerste vorst van het geslacht van Arjuna.

Bhârata (telg van Bharata): iedere afstammeling van Koning Bharata, met name koning Parîkshit.

Bhauma (aardling): een bondgenoot van Kamsa; de zoon van Moeder Aarde, een demonische vorst.

Bhima (geduchte): de sterkste broer van Arjuna, volgend op de oudste, Yudhishthira.

Bhishma (verschrikkelijke; geduchte): de stamvader van het huis Kuru; de oudste der Kuru's.

Bhishmaka (geduchte): Rukminî's vader.

Bhoja (genot schenkend): een koningshuis.

Bhojakata (genotsoverdaad): Rukmi's burcht.

Bhrigu: een wijze, zoon van Brahmâ.

Bhukti: Materieel genot.

Bhuta (schepsel): een klasse van boze geesten.

Bimba: een plant met rode kalebasvruchtjes (momordica monadelpha).

Bhoga-tyâga: Het afwisselend nastreven van zingenot en verzaking daarvan teneinde zich door inspanning de middelen tot zingenot te vergaren.

Brahmâ (vergroter): de schepper, geboren uit de lotus ontloken aan de navel van Nârâyana; ondergeschikt aan Vishnu; de bestuurder van rajas.

Brahmaan (brâhmana: Brahman-kenner): een priester ingewijd in de Veda's.

Brahman (expansie): de Geest, het onpersoonlijke, ongedifferentieerde licht dat uit Krishna te voorschijn straalt.

Brahma-bhûta: Toestand van diepe vreugde, ervaren door degeen die zich van alle dualiteit, stoffelijke besmetheid en materieel verlangen heeft vrijgemaakt. Geen enkele vorm van leed of vreugde van deze wereld kan deze toestand beïnvloeden.

Brahmânanda: De vreugde welke Brahman-realisatie schenkt.

Brahmânandî: Impersonalist.

Brahma-samhitâ (Brahmâ's verhandeling): een Vedische tekst over de hoogst verheven positie van Govinda.

Brahmâstra: Wapen uit de Vedische tijd, afgevuurd met het uitspreken van een mantra en qua kracht vergelijkbaar met de hedendaagse kernwapens.

Brihaspati (grote heer): de priester der goden.

Buddha (ontwaakte): een Avatâra van Vishnu, die tot taak had een eind te maken aan alle vormen van wreedheid en zo de weg te plaveien voor een herwaardering van de Vedische leer.

 

C

Capala-sukha: Flakkerend geluk.

Caranâmrta: Het water waarmee de mûrti gebaad is en dat men de gelovigen aanbiedt.

Chakra (wiel): Krishna's vlammende werpschijf.

Chakri (discusdrager): Krishna als Drager van het sudarshana-chakra.

Champaka: een boom met geurige gele bloemen (michelia campaka).

Chandikâ (maanlicht): een verschijningsvorm van Mâyâ.

Cânûra: een worstelaar in dienst van Kamsa. [SB, 10:44]

Chârana (rondzwervend): een klasse van hemelse zangers.

Chedi: een landstreek; de koning van deze landstreek, Shishupâla.

Chitralekha (portrettiste): de boezemvriendin van Ushâ.

Cit: De oneindige wijsheid.

 

D

Dainyavodhikâ: Zich in alle nederigheid aan Krishna's wil overgeven.

Daitya (telg van Diti(gebondene)): een klasse van demonen.

Daiva: Het lot, of de opperwil van God.

Daivî-prakrti: Krishna's innerlijk vermogen.

Dâkini (schenkster): een klasse van mensenvlees etende heksen.

Damaghosha (luchtstoot): de vader van Shishupâla.

Dâmodara (gebonden buik): Krishna als lastig Jongetje dat door Zijn moeder werd vastgebonden.

Dânava (telg van Danu): een klasse van demonen.

Dantavaktra (tandgezicht): een bondgenoot van Jarâsandha.

Darshana (aanschouwing): 1. het aanschouwen van Krishna of een zuivere toegewijde; 2. een levensbeschouwing.

Dâshârha (behorend tot Dashârha (eerwaardig)): Krishna of Balarâma als Telg van het gelijknamig geslacht.

Dâsya: De eeuwige relatie van dienaar van de Opperheer.

Dâruka (pijnboom): Krishna's wagenmenner.

Deva (god): (half)god.

Devi (godin): 1. godin; 2. de Godin, Mâyâ.

Devakî (goddelijke): Krishna's moeder, de vrouw van Vasudeva. [SB, 10:2]

Devaprastha (goden-bolwerk): een herdersjongen in Vraja.

Devarshi (goddelijke ziener): Nârada, de leraar der goden, de guru van Vyâsa.

Dharâ (draagster): de vrouw van Kashyapa, een vroegere gedaante van Yashodâ.

Dharma (dragend): 1. wet; 2. religie; 3. plicht; 4. ritualistische verering der goden als levensdoel.

Dhenuka (coïtus): een demonische ezel. [SB, 10:15]

Dhîra-lalita: Iemand wiens karakter gekenmerkt wordt door grote vrolijkheid, jeugdig èlan, sterke geneigdheid tot schertsen en vrijheid van alle vrees.

Dhîra-prasânta: Iemand die zeer kalm, verdraagzaam, ingekeerd en voorkomend is.

Dhîrodâtta: Iemand die zeer ernstig, vriendelijk, inschikkelijk, mededogend, vastberaden, nedeerig, hoogst bekwaam en uiterlijk aantrekkelijk is.

Dhîroddhata: Iemand die zich laat meeslepen door afgunst en trots, altijd meteen kwaad is en belaagd wordt door koorts en waan.

Dhritarâshtra (krachtig koninkrijk): de blinde koning der Kuru's.

Dînabandhu: Krishna, de vriend van de gevallenen.

Draupadî (Drupada's dochter): de echtgenote van de vijf Pândava's.

Drona (pot, kruik): een grote Kuru-bevelhebber.

Durgâ (moeilijk bereikbare): een verschijningsvorm van Mâyâ.

Duryodhana (moeilijk te overwinnen): de oudste zoon van Dhritarâshtra, aartsvijand van Arjuna en zijn broers.

Dvaipâyana (eilandbewoner): Vyâsa's toenaam.

Dvârakâ ((veel)poortig): Krishna's stad in zee; de koningsstad van Krishna. Wonderbaarlijk fort op last van Krishna in zee gebouwd volgens het plan van Visvakarmâ, met de bedoeling om de Yadu's te beschermen tegen de aanvallen van Jarâsandha.

Dvi-ja (tweemaal geboren): brahmaan.

Dvivida: een apenkoning.

Dyumân (schitterend): raadsman van Shâlva.

 

E

Ekâdasî: Een speciale dag waarop men zich extra op Krishna koncentreert door vasten, luisteren naar verhalen over de Heer en het verheerlijken van de Heer; de elfde dag na volle maan en na nieuwe maan.

 

G

Gada (knots): een zoon van Vasudeva en Rohini, halfbroer van Krishna.

Gândhâri: de gemalin van Dhritarâshtra.

Gandharva: een klasse van gevleugelde hemelzangers.

Gândhini: de gemalin van Dhritarâshtra.

Gândiva (gemaakt van gândi (neushoorn-hoorn?): de boog van Arjuna.

Ganesha (trawantenmeester; heer der gana's (Shiva's dienaars): Shiva's zoon, de olifantsgod, die alle struikelblokken wegneemt.

Garga: een oude wijze; de huispriester van de Yadus. [SB, 10:8-12]

Garuda (verslinder): de adelaar die Krishna (Vishnu) door de ruimte draagt.

Gaura Purnimâ (Gaura's volle maan): de geboortedag van Gaura, Sri Chaitanya Mahâprabhu, de jongste Krishna-avatâra (1486-1534), de Reveillist van de Krishna-bhakti.

Ghi: geklaarde boter, boterolie.

Girivraja (heuveloord): de koningsstad van Karâsandha.

Gîtâ: zie Bhagavad-gîtâ.

Godsdeel: zie Amsha.

Goedheid: zie Sattva.

Goden: fijnstoffelijke wezens die kosmische krachten besturen, ondergeschikt aan Krishna.

Godsdelen: Expansies of Onderexpansies van Krishna van suprakosmische macht.

Gokula (koeiendorp): het dorp van Krishna op aarde; Vraja.

Goloka (koeienoord): Krishna's Woning, het oord van Krishna in de geestelijke wereld.

Goloka Vrndâvana: Planeet waar Krishna in gezelschap van Zijn zuivere toegewijden eeuwig verblijft; het is de meest verheven van alle zowel stoffelijke als geestelijke planeten.

Gopâla (koeherder): Krishna als Koeherder.

Gopi (koeienhoedster): een koeherderin of koeherdersvrouw of meisje van Vraja

Gopî-jana-vallabha: Krishna, de lieveling van de gopî's.

Govardhana (koeienheil): de grote heuvel in Vraja.

Govinda (koeienvinder): Krishna als Gelukbrenger van koeien, aarde en zinnen.

Guna (snoer): een leiband van de stoffelijke natuur. Zie tamas, rajas, sattva.

Guna's (snoeren): de drie leibanden der stoffelijke natuur: tamas, rajas en sattva.

Guru(deva) (zware): geestelijk leraar.

 

H

Haladhara (ploegdrager): 1. Vishnu; 2. Balarâma

Hari (wegnemer): 1. Krishna als Verlosser; 2. Vishnu.

Hartstocht: zie Rajas.

Hastinâpura (olifantenstad): de residentie van Dhritarâshtra.

Hayagriva (paardehals): Vishnu-avatâra in de gedaante van een paard.

Hoogste Godspersoon: Krishna, uit wie alle Godsdelen emaneren.

Hrishikesha (zinnenmeester): Krishna als Heer der zinnen.

 

I

Ikshvâku: een oude koning in de lijn van de zon.

Ina (sterke): Vishnu als Bron van kracht.

Indra (heerser): de leider der goden, de bliksemslingeraar. 

Indraprastha (Indra's oord): de stad der Pândava's.

Irsyu: De gesteldheid van onvoldaanheid en woede bij het verrichten van de toegewijde dienst.

Isha (heer): Vishnu, Krishna.

Ishâni (heerseres): een verschijningsvorm van Mâyâ.

Ishvara (bestuurder): Krishna of Vishnu als Allerhoogste.

Îsitâ-siddhi: Mystiek vermogen waarmee men louter door zulks te willen een hele planeet kan scheppen of vernietigen.

 

J

Jâmbavân: een beer (of aap) die ooit met Râmachandra ten strijde trok.

Jâmbavati: de Dochter van Jâmbavân, een van Krishna's acht Hoofdgemalinnen.

Janârdana (mensenaandrijver): Krishna als Bron van opwinding.

Janmâstamî: Krishna's verschijningsdag in deze wereld.

Japa: Het individueel, langzaam en prevelend reciteren van een mantra.

Jarâ (ouderdom): 1. de heks die Jarâsandha uit twee helften samenvoegde; 2. de jager die Krishna in Zijn voet schoot.

Jarâsandha (Jarâ's samenvoegsel): een bondgenoot van Kamsa; Krishna's grote vijand, de koning van Magadha.

Jivâtmâ (levende ziel): de individuele ziel.

Jnâna (kennis): de geestelijke weg van volkomen zelfontlediging door de kracht van verstand en wil met de bedoeling volkomen met Brahman te versmelten.

Jnâni (kenner): iemand die jnâna beoefent.

Jyeshthâ (uiterste): ongeluk, verpersoonlijkt als oudere zuster van Lakshmi, de geluksgodin.

 

K

Kadamba: een boomsoort met geurige oranje bloemen (nauclea cadamba).

Kadru: een vrouw van Kasyapa, moeder van de slangen.

Kailâsa (vreugdeoord): het paradijs van Shiva.

Kaisora: De kinderjaren (van Krishna) tussen het begin van Zijn elfde en het eind van Zijn vijftiende.

Kali (verlieskant van een dobbelsteen): het huidige tijdvak van leugen en strijd, dat onmiddellijk na Krishna's heengaan, 5000 jaar geleden, begonnen is en nog 427.000 jaar zal duren.

Kâli (zwarte): een verschijningsvorm van Mâyâ die vleesoffers accepteert.

Kâlindi (watermeloen): de rivier de Yamunâ in persoonlijke gedaante, een van Krishna's acht Hoofdgemalinnen.

Kalinga: een bondgenoot van Rukmi.

Kâliya (zwarte): een veelkoppige slang die de Yamunâ vergiftigde.

Kalki (kwade): de woedende Avatâra van Vishnu die aan het eind van de huidige Kali-tijd de mensheid, die dan in haar geheel demonisch geworden zal zijn, zal uitroeien.

Kalpa: 1. een dag van Brahmâ (4.320.000.000 jaar); 2. de totale bestaansduur van het heelal (100 jaren van Brahmâ). 

Kâma (eros): 1. de liefdegod, wedergeboren als Pradyumna; 2. genot als levensdoel.

Kâmâvasâyitâ-siddhi: Mystiek vermogen waarmee men het onmogelijke kan bewerkstelligen.

Kamsa (messing): de staalharde demonische oom van Krishna.

Kanyakâ (kleinste): een aloë-soort (aloe indica).

Karma (daad, activiteit): 1. ons doen en laten dat ons lot bepaalt; 2. ons lot als gevolg van ons doen en laten; 3. de weg van het eren van goden ter wille van hun materiële gunst.

Karmî: 1. Materialist, die er slechts op uit is om zijn zinnen te laten genieten. Dit leidt ertoe dat hij steeds meer in de kringloop van dood en wedergeboorte vastraakt. 2. Karma-yogî of iemand die karma-yoga beoefent.

Karna (oor): een halfbroer van de Pândava's, bondgenoot van Duryodhana.

Kârttikeya: de oorlogsgod, zoon van Shiva.

Kâshi (stralende): het huidige Benares.

Kashyapa (zwarttand): een vroegere incarnatie van Krishna's vader Vasudeva.

Kâtyâyani (afstammelinge van (de wijze) Kati): een verschijningsvorm van Mâyâ, door de gopi's aanbeden in de hoop van haar Krishna tot Echtgenoot te krijgen.

Kaumâra: Kinderjaren (van Krishna) vanaf Zijn verschijnen tot het eind van Zijn vijfde jaar.

Kaurava's: Kuru's.

Kaustubha: een juweel aan de hals van Krishna en Vishnu.

Kekaya: een krijgersgeslacht, een vorstenhuis.

Keli: Rechtstreekse gehechtheid aan Krishna in amoureuze liefde.

Keshava (haarrijke): Krishna of Vishnu als Schoongelokte.

Keshi (harige): een demonisch paard.

Kevala: Zuivere liefde tot God waarbij de aantrekking die men voor Hem voelt op èèn geestelijke gemoedsgesteldheid berust.

Kinnara (wat voor mens?): een wezen met mensenlichaam en paardehoofd.

Kîrtana: Het gemeenschappelijk zingen van de heilige namen van de Heer en het bezingen van Zijn heerlijkheid, doorgaans muzikaal begeleid.

Kirtimân (roemrijke): Devaki's eerste zoon.

Kosala: een vorstenhuis.

Koshala: een krijgersstam.

Kotarâ (holle): de moeder van de demon Bâna; een van de moeders in het gevolg van de oorlogsgod.

Kripa (mededogen): brahmaanse bevelhebber van de Kuru's; een brahmaanse bevelhebber ten hove van Dhritarâshtra.

Krishna (alaantrekkelijke) (aantrekker/zwarte): de Hoogste Godspersoon als Alaantrekkelijke; de Oorsprong van alle Avatâra's en Amsha's; de spelende Heer van alle werelden; de Minnaar van Râdhâ.

Krishnâ (zwarte): een verschijningsvorm van Mâyâ.

Kritavarmâ (beschermer): een vriend van Akrura.

Kriyâ-yoga: Een vorm van yoga die in de praktijk op toegewijde dienst lijkt, maar meer een geleidelijke methode is waardoor yogî's zich tot toegewijde dienst aan de Heer kunnen verheffen.

Ksepana: Tekenen van extase waarvan dansen de belangrijkste is.

Kshatriya (beschermer): vertegenwoordiger van de klasse der vorsten, militairen en bestuurders. 

Kukura: een vorstenhuis. 

Kumâra's (makkelijk stervend (kind)): vier zoons van Brahmâ die hun kindergedaante behielden om niet ten prooi te hoeven vallen aan de verdwazing van de lust. 

Kumudâ (welke vreugde): 1. een verschijningsvorm van Durga; 2. een witte waterlelie (nymphaea esculenta).

Kumbhânda (met kruikvormige teelballen): trawant van Bâna.

Kumbhipâka (kookpot-inhoud): een der hellen.

Kumudâ (welke vreugde): 1. een verschijningsvorm van Durga; 2. een witte waterlelie (nymphaea esculenta).

Kun(m)kuma: saffraan (stuifmeel van de Crocus sativus).  Rood mineraalpoeder waarmee in de Vedische kultuur de getrouwde vrouwen zich opmaken. Men bestrooit er ook mensen mee wie men eer verschuldigd is.

Kuntî: 1. een koningshuis; 2. Krishna's tante van vaderskant. 

Kupakarna (gat-oor): trawant van Bâna. 

Kuru: het oude koningshuis waarvan Parîkshit de laatste telg was. 

Kurukshetra (Kuru's veld): een heilig oord. 

Kusha (gras): het heilige gras (poa cynosuroides). 

Kushmânda (pompoen): een klasse van demonen in het gevolg van Shiva. 

Kuta (horen): een worstelaar in dienst van Kamsa. 

Kuvalayâpida (nachtlelie-kneuzer): een bondgenoot van Kamsa in de gedaante van een reusachtige olifant. 

Kuvera (schone): de god der rijkdom en heer van het noorden. 

 

Laghimâ-siddhi: Bovennatuurlijk vermogen waardoor een yogî, met de zonnestralen tot voertuig, op de zon kan komen.

Lakshmanâ (getekende): 1. een van Krishna's acht Hoofdgemalinnen; 2. dochter van Duryodhana, Sâmba's vrouw. 

Lakshmi (teken): Vishnu's Gemalin, de Geluksgodin.

Lâlasâmayî: Het vurige verlangen om tot de oorspronkelijke wezensstaat in relatie tot Krishna terug te keren.

Lilâ (spel): Krishna's goddelijk Spel als Mens; het Spel van Krishna met alle wezens en werelden.

 

M 

Mada (mede): vocht dat opwelt uit de slapen van een bronstige olifant. 

Madana-mohana: Naam van Krishna: Degeen wiens onzegbare schoonheid die van duizend liefdesgoden te boven gaat.

Madana-mohana-mohinî: Naam van Râdhârânî: Degene die de betoveraar van de liefdesgod betovert.

Mâdhava (Madu's telg/bloeiende): Krishna als bloeiende Held van de gopi's. 

Mâdhavi (bloeiende): de aarde als verschijningsvorm van Mâyâ. 

Madhu (zoete): een door Vishnu gedode demon. 

Madhusudana (Madhu's doder): Krishna als Doder van Madhu. 

Mahâbhârata (het grote (boek) van het geslacht van Koning Bharata): het grote epos van India, waarin de bhagavad-gîtâ. 

Mahâbhârata ((de) grote (geschiedenis van het geslacht) Bharata): een boek van meer dan 100.00 verzen, waarin de geschiedenis wordt verhaald van het koningsgeslacht Bharata, waarmee India (Bhârata)  zijn oorsprong vereenzelvigt; van dit boek maakt de Bhagavad-gîtâ deel uit. 

Mahâbhâva: De stralendste uitdrukking van extatische liefde tot God.

Mahâmâyâ (grote tover):  zie Mâyâ. 

Mahat(tattva) (groot (beginsel)): de 'wolk' van het materiële beginsel in de geestelijke wereld, waarin Mahâ-Vishnu de heelallen openbaart. 

Mahâ-Vishnu (de grote Aldoordringende): een onder-Godsdeel van Balarâma, de dromende Schepper der heelallen; belast met het openbaren en terugnemen van de stoffelijke heelallen. 

Mahâtmâ (grote ziel): Krishna of een van Zijn grote dienaars. 

Mâlâ (krans): 1. bloemenkrans; 2. bidsnoer. 

Mâna: Woede in relatie tot de amoureuze gemoedsgesteldheid.

Mandara (trage): een godenberg; een heilige berg, die de goden en de demonen tot karnstok diende toen ze de Zee van Melk karnden om er de nectar der onsterfelijkheid aan te onttrekken. 

Manigrîva (juweelhals): een losbandige zoon van Kuvera. 

Manimân (juwelenrijke): Krishna of Vishnu als Juwelendrager. 

Mantra (geestgeleider): woord of naam of reeks woorden of namen die de geest van uitwendige invloeden vrijwaart en exclusief op een welomlijnd doel richt; een woord of spreuk die steeds met volkomen aandacht herhaald dient te worden teneinde een doel te bereiken dat in de betekenis van de spreuk is aangegeven. 

Manu (mens): een van de veertien aartsverwekkers der mensheid. 

Mathurâ (Madhu's oord): Krishna's geboortestad. 

Mâtrika (moeder): een verschijningsvorm van Mâyâ. 

Maya (genot): de bouwmeester der asura's. 

Mâyâ (meting/niet hier): 1. de begoocheling der stoffelijke natuur; 2. de stoffelijke natuur in de gedaante van een betoverend mooie vrouw, de wederhelft van Shiva; 3. Yogamâyâ; 4. wondermacht. 

Mâyâvati (toverrijke): de wedergeboren wederhelft van de liefdegod, gemalin van Pradyumna. 

Mithilâ: een koningsstad. 

Mitravindâ (vrienden verwervende): een van Krishna's acht Hoofdgemalinnen. 

Moksha (verlossing): verlossing als levensdoel. 

Muchukunda: een koning die de goden bijstond in hun strijd tegen de demonen. 

Mukti (verlossing): verlossing uit de omstrengeling van de guna's. Men verstaat onder deze term meestal het loskomen van de strikte wetten van de stoffelijke natuur (geboorte, ziekte, ouderdom en dood) of, bij de Mâyâvadî's, vereenzelviging met Brahman, waarbij men het vals ego tracht te vernietigen, opdat men èèn kan zijn met het Absolute.

Mukunda (verlosser): Krishna als Degeen die door Zijn aantrekkelijkheid iedereen verlost. 

Muni (geïnspireerde): een wijze. 

Mura (vernietiger): een door Krishna verslagen demon. 

Murâri (Mura's vijand): Krishna als Overwinnaar van Mura. 

Murti (vorm): 1. Krishna of een Godsdeel of een van Hun Gemalinnen als Altaarbeeld; 2. altaarbeeld in het algemeen. 3. Openbaring van Gods persoonlijke gedaante in verschillende soorten materiaal, zoals men haar in de tempels aantreft.

Mushtika (vuist): een worstelaar in dienst van Kamsa. 

 

N 

Nâga (slang): een slang. 

Naimisha (vergankelijk): een heilig woud waarin de grote wijze Sûta aan een kring van wijzen het gesprek van Shukadeva met Parîkshit openbaarde; een heilig woud waarin de grote wijze Sûta aan Shaunaka en andere wijzen het Bhâgavata Purâna openbaarde. 

Nâgnajiti (Nagnajits dochter): een van Krishna's acht Hoofdgemalinnen. 

Nakula (mangoestkleurig): een der twee jongste broers van Arjuna. 

Nalakuvera (riet-schone): een losbandige zoon van Kuvera. 

Nanda (vreugde): Krishna's pleegvader, de heer van Vraja. 

Nârada (god-schenker): de ziener der goden, die Vyâsa inspireerde tot het schrijven van Het Spel van Krishna en die daarin zelf onder meer de rol van gangmaker vervult. 

Naraka (hel): een demon. 

Nârâyana (mensenwoning): Vishnu als Degeen in wie alle wezens verblijven. 

Nârâyani (mensenwoning): Mâyâ als Degeen die alle wezens hun lichaam geeft. 

Nishada: een krijgersstam in het noorden van de Himâlaya. 

Nitya-baddha's: Eeuwig gebonden zielen, die hun eeuwige band met Krishna uit het oog verloren zijn.

Nitya-siddha's: Volmaakte wezens die zich eeuwig, zonder het ooit te vergeten, in het Krishna-bewustzijn baden.

Nriga (mensentelg): een koning die door Krishna wordt verlost. 

Nyagrodha (neer-groeiend): een jongere broer van Kamsa. 

 

O 

Oerwater: de kosmische zee waarin Vishnu op de buik van Shesha neerligt en die uit Zijn bovenzinnelijk zweet is ontstaan. 

Om: 1. de naamloze klank waarvan de trilling samenvalt met het opgaan in Brahman; 2. een algeheel bevestigend ìjaî. 

Onwetendheid: zie Tamas. 

Opperziel: Paramâtmâ

 

P 

Padmâ (lotus): Lakshmi. 

Pân: een in paanblad gewikkelde fijngehakte betelnoot met kruiden. 

Panchajana (vijf wezens): een demon die de vorm van een schelp aannam. 

Panchâla: een vorstenhuis. 

Pândava's (Pândus'zoons): de vijf zoons van Pându: Yudishthira, Bhima, Arjuna, Nakula, Sahadeva. 

Pându (bleke): de gestorven broer van Dhritarâshtra. 

Pannaga (laag kruipend): een klasse van lage wezens. 

Paramâtmâ (opperziel): de Opperziel, die Krishna persoonlijk in ieders hart vertegenwoordigt als de stille Getuige en Vriend en die desgewenst als innerlijke Leraar optreedt. 

Param Brahman (hoogste Brahman): Krishna als het Hart van het Geestelijk Licht. Krishna, het hoogste Brahman.

Paramesvara: De Superziel, de Absolute Meester.

Parasurâma (bijlvreugde): een Avatâra die met Zijn bijl vele geslachten van ongehoorzame ksatriya's doodde. 

Parijâta (koraalboom): de koraalboom, afkomstig van Indra's planeet. Een plantensoort op de hemelse planeten. 

Parîkshit (onderzoeker): de kleinzoon van Arjuna, die zoals Arjuna van Krishna de Bhagavad-gîtâ hoorde, van Shukadeva het Bhâgavata Purâna hoort. 

Pârvati (gebergte-vrouw): dochter van de koning van de Himâlaya, gemalin van Shiva. 

Pashupati (dieren-heer): Shiva als Heer van het vee. 

Pauganda: Kinderperiode (van Krishna) vanaf het zesde jaar tot het eind van het twaalfde.

Paundraka (suikerriet): een demonische koning. 

Pavarga: De strijd om het bestaan als gevolg van afmatting, nederlaag, slavernij, vrees en tenslotte de dood.

Pingalâ (goudkleurige): een courtisane die uiterst godvruchtig werd. 

Pishâcha (vleeseter/gele): een klasse van kwaadaardige wezens. 

Prâkâmya-siddhi: Mystiek vermogen waardoor men allerlei wonderen kan wrochten binnen het kader van de natuur.

Prâkrta-sahajiyâ: Pseudo-toegewijde die Krishna's spel en vermaak met materiële blik beschouwt.

Pralaya: Extatische ontreddering als gevolg van het tegelijk opkomen van vreugde en verdriet.

Prâpti-siddhi: Het 'verwervings-vermogen' waardoor de yogî op wat dan ook waar dan ook de hand weet te leggen om het zich toe te eigenen.

Pshâcha (vleeseter/gele): een klasse van kwaadaardige wezens. 

Pradyumna (uiterst machtige, oppermachtige): 1. de liefdesgod wedergeboren als zoon van Krishna en Rukmini; 2. een onder-Godsdeel van Balarâma. 

Prâgjyotishapura (van het oosten uit verlichte stad): het bolwerk van de demon Bhauma. 

Prahlâda (opperste vreugde): een onwankelbare bhakta; leerling van Nârada. 

Prajâpati (nakroost-heer): 1. Brahmâ; 2. iedere wijze of god die in het scheppingsgebeuren als aartsverwekker van een ras of soort optreedt. 

Prakriti (eerst makend): de stoffelijke natuur. 

Pralamba (hangende): een demon, bondgenoot van Kamsa. 

Prasâda (genade): 1. iedere vorm van genade door Krishna of de geestelijk leraar aan een gebonden ziel bewezen; 2. de overblijfselen van een offermaal. 3. Voedsel dat met liefde en toewijding voor de Allerhoogste Godspersoon Krishna bereid en aan Hem geofferd is en dat naderhand door de toegewijden eer wordt aangedaan.

Prasena: de broer van Satrâjit. 

Pravâsa: Gescheidenheid als gevolg van afwezigheid in de amoureuze relatie.

Preta (heengegane): een klasse van geesten. 

Priya-narmâ: Intieme metgezel van Krishna.

Priya-sakhâ: Intieme metgezel van Krishna, wiens gedrag hem uitsluitend door gevoelens van de zuiverste vriendschap wordt ingegeven.

Purâna's (oude (geschiedenissen)): achttien boeken vol transcendente geschiedenissen, die de Vedische kennis nader uitwerken. 

Purusha (persoon): de Hoogste Godspersoon. 

Pûrva-râga: Eerste aantrekking tot de amoureuze relatie.

 

R 

Râdhâ (liefdevol dienende): Krishna's eeuwige Geliefde. 

Râdhârâni (liefdevol dienende prinses): Râdhâ 

Râdhikâ (liefdevol dienende vrouw): Râdhâ. 

Râganuga (vreugde volgend): spontane bhakti. 

Râgânugâ-bhakti: Fase tijdens het leerlingschap van de toegewijde dienst waarbij men spontaan de regels volgt.

Rajas (hartstocht): een der drie guna's of leibanden van de stoffelijke natuur, namelijk die van activiteit, creativiteit, hartstocht. 

Râjasuya (koningsoffer): het grote offer van Yudhishthira waarmee hij zijn keizerschap over de wereld bezegelt. 

Râkshasa (waartegen gewaakt moet worden): een klasse van mensenetende demonen. 

Râksasa-vivâha: Huwelijksvorm waarbij men de bruid schaakt.

Ramâ (vreugde): Lakshmî. 

Râma (vreugdebron): 1. Balarâma; 2. Koning Râmachandra, een Avatâra van Vishnu; 3. De Avatâra Parasurâma. 

Râsa (tumult): de dans die Krishna met de gopi's danste.  Letterlijk: gemoedsrelatie, relatiestroom.) De intieme geestelijke relatie die de zuivere ziel met de Opperheer verbindt. Men telt vijf hoofd-rasa's en zeven secundaire rasa's.

Rasâbhâsa: Het samenvallen van onverenigbare gemoedsstemmingen.

Ratha's: Karren waarop de mûrti's worden voortegereden.

Ratha-yâtrâ: Het jaarlijkse karrenfeest ter herinnering van de ontmoeting van Krishna en Râdhârânî te Kuruksetra tijdens een zonsverduistering.

Rati (aantrekking): de wederhelft van Kâma, de liefdegod. 

Râvana (hij die laat jammeren): een tienhoofdige demon, de aartsvijand van Râmachandra. 

Realisatie: doorleving van een kennisfeit. 

Revati (citroenboom): de Gemalin van Balarâma. 

Rishabha (sier): een koeherdersjongen in Vraja. 

Rishi (ziener): een wijze, met name iemand wiens schouwing van de Waarheid in een Vedische tekst is vervat. 

Rochanâ (stralende): Rukmi's kleindochter, eerste vrouw van Aniruddha. 

Rohini (rode): een echtgenote van Vasudeva, de moeder van Balarâma. 

Romaharshana (haar-rijzing): een halfwijze, geboren uit een brahmaanse moeder en een kshatriya-vader. 

Rudra (bruller): een verschijningsvorm van Shiva. 

Rukmi (gouden): Rukmini's broer, Krishna's zwager. 

Rukmini (gouden): Krishna's eerste Gemalin. 

Rûpânuga's: Degenen die de schreden van Srîla Rûpa Gosvâmî drukken.

 

S 

Sabda-brahman: De geestelijke klankvibraties van de Veda's.

Sâdhaka: Iemand die in Krishna-bewustzijn toegewijde dienst tot ontwikkeling brengt.

Sâdhana (recht gaand): systeem van leefregels ter bevordering van iemands geestelijke groei. 

Sâdhana-bhakti: Het volgen van de regels en bepalingen van de toegewijde dienst teneinde  de liefdesband met Krishna weer aan te halen.

Sâdhu (rechte): iemand die een zuiver geestelijk leven leidt. 

Sagara (oceaan): een voorvader van Râma, die de oceaan uitdiepte. 

Sahadeva (zegevierende god): 1. een der twee jongste broers van Arjuna; 2. de zoon van Jarâsandha. 

Sahajiyâ: Pseudo-toegewijde die zich niet aan de aanwijzingen van de Schriften houdt, ervan uitgaande dat God 'makkelijk te benaderen' is.

Sakhâ's: Krishna's vrienden die Hem op allerlei manieren van dienst zijn.

Sâkhya: Extatisch vriendschapsgevoel voor Krishna vrij van eerbied en ontzag.

Salokya: Vorm van verlossing waarbij men op dezelfde planeet mag wonen als de Heer.

Samâdhi (geestelijke vereniging): door meditatie bereikte staat van verlichting. 

Sâmba: (met moeder): zoon van Krishna en Satyabhâmâ. 

Sambhoga: Liefdesrelatie door rechtstreeks kontakt.

Samprârthanâtmikâ: Het vol gevoel opzenden van gebeden.

Samsâra (doorzwerving): 1. het rondzwerven van de ziel van wedergeboorte naar wedergeboorte; 2. het oord waarin de ziel van wedergeboorte naar wedergeboorte gaat. 

Samutkanthâ: Volkomen verlangen om de toegewijde dienst tot volmaaktheid te brengen.

Samyamani (zelfbeheerste): de stad van Yama. 

Sândipani (volkomen verlichtend; alverlichtend): de geestelijk leraar van Krishna en Balarâma. 

Sankarshana (samentrekker): 1. Balarâma als vereniger van de Yadu's en de familie van Nanda; 2. Mahâ-Vishnu. 

Sankîrtana: Het gezamenlijk in het openbaar zingen van de heilige namen van de Heer.

Sânta-rasa: Neutrale, passieve relatie van de ziel tot de Opperheer.

Sânta-uparasa: Het onnatuurlijk samengaan van personalisme en impersonalisme.

Sarasvati (waterrijke): 1. de godin der kennis, gemalin van Brahmâ; 2. de heilige rivier waaraan Vyâsa verbleef. 

Sârsti: Vorm van verlossing waarbij men dezelfde weelde kent als de Heer.

Sârûpya: Vorm van verlossing waarbij men hetzelfde uiterlijk heeft als de Heer.

Sâstra's: De Vedische Schriften in de breedste zin (sruti) of elke andere Schrift van gezaghebbende aard terzake van de geestelijke wetenschap (smrti), waarbij dan volgens het principe van de geestelijke erfopvolging uiteengezet wordt wat het wezen is van de Absolute Waarheid, of de Opperheer, de individuele ziel en de band die beiden verbindt.

Sâstra-caksus: Iemand die alles met de blik der authentieke Schriften ziet en volmaakt volgens de schriftuurlijke aanwijzingen te werk gaat.

Sat: Eeuwig en alom zijnde.

Satrâjit: de vader van Satyabhâmâ, dienaar van de zonnegod.

Sattva (reinheid) (het zijnde/goedheid): een der drie guna's of leibanden van de stoffelijke natuur, namelijk die van plichtbetrachting, evenwicht, zelfbewuste goedheid en zelftevreden zuiverheid. 

Sâtvata (zuiver): Krishna's koningshuis. 

Sâttvika: Zuiver geestelijk blijk van extatische liefde.

Satya (waarachtige): een van Krishna's acht Hoofdgemalinnen. 

Satyabhâmâ (ware luister): een van Krishna's acht Hoofdgemalinnen. 

Sâtyaki (zoon van Satyaka): Yuyudhâna. 

Saubha: het vliegend fort van de demon Shâlva. 

Saubhari: een in de Yamunâ wonende asceet. 

Sautrâmani: een offer aan Indra. 

Sâyujya: De onpersoonlijke verlossing waarbij men in de brahmajyoti opgaat. (De Vaisnava's laten deze vorm van verlossing altijd links liggen.)

Shala (speer): een van Kamsa's worstelaars. 

Shâlva: een zwarte magiër. 

Shaunaka (hondezoon): een wijze die aan Sûta vragen stelt over het onderricht van Shukadeva en Parîkshit. 

Shalva: een volk. 

Shambara: een vriend van Kamsa; een demon. 

Shankara (heilrijke): Shiva. 

Shankha (schelp): de demon Panchajanya in de gedaante van een schelp. 

Shankhachuda (schelp-knot): een demon die zijn haarknot had versierd met een schelpvormig juweel. 

Shârnga (hoorn): Krishna's boog. 

Shatadhanvâ (honderdboog): de moordenaar van Satrâjit. 

Shauri (telg van Shura): 1. Vasudeva; 2. Krishna . 

Shesha(nâga) (einde/rest): Ananta Shesha. 

Shisha (leerling): de pupil van een guru. 

Shishupâla (kinderbeschermer): de koning van Chedi, een aartsvijand van Krishna, een demonische koning. 

Shiva (heilrijke, zegenrijke): de eerste der goden; de vernietiger; de heer en bestuurder van tamas; de gemaal van Pârvati. 

Shloka (klank): een vierregelig vers, meestal van acht lettergrepen per regel. 

Shonitapura (rode stad): de burcht van Bâna. 

Shravana (luisteren): de geestelijke weg van opgaan in hetgeen men van zijn leraar en uit de heilige teksten hoort, zoals Parîkshit opging in het luisteren naar Shukadeva. 

Shruta(deva) (gehoord hebbend): een arme brahmaan. 

Shûdra (klager): een lid van de laagste maatschappelijke klasse der dienaars. 

Shukadeva (goddelijke papegaai): de jonge heilige, de zoon van Vyâsa, die aan Parîkshit het Bhâgavata Purâna verhaalt. 

Shura(sena) (wakkere (speer)): een koning van Mathurâ. 

Shvaphalka (citroen): Akrura's vader. 

Shvetadvipa (wit eiland): de Woning van Vishnu. 

Siddha (volmaakte): iemand in het bezit van siddhi's, magische krachten, met name van het vermogen van vrije verplaatsing door de ruimte. 

Siddhi's: De mystieke volmaaktheden, die niet boven het materiële uitstijgen.

Sîtâ (vore): de Gemalin van de Avatâra Râma. 
Sîta: Tekenen van extase gepaard aan gegaap.

Soma (maan): 1. de maan; 2. de nectar der onsterfelijkheid. 

Sravanam: Luisteren naar alles wat met de Heer verband houdt - een van de negen geestelijke aktiviteiten van de toegewijde dienst.

Srî (schoonheid): 1. Lakshmî; 2. (als titel) de luisterrijke. 

Sridhâma (Srî's woning): een koeherdersjongen in Vraja. 

Srika: Zie Sri 2

Srîmad: zie Sri 2. 

Srimati (schone): een titel van een verheven vrouw. 

Sringi (gehoornde): het brahmaantje dat Parîkshit vervloekte. 

Srinjaya: een koningshuis. 

Srivatsa (Sri's kleintje, Sri's lust): de gouden lok of krul of bliksemschicht op de borst van Vishnu en Krishna, toebehorend aan Sri. 

Stokakrishna (kleine Krishna): een koeherdersjongen in Vraja. 

Subadrâ (zeer heilrijke): Krishna's zuster. 

Subala (mooi sterke): een koeherdersjongen in Vraja. 

Sudâmâ (welbeteugelde): een toegewijde bloemenkransenrijger. 

Sudarshana (stralende): een door Krishna verloste vidyâdhara. 

Sudarshana-chakra (stralend rad): Krishna's werpschijf. 

Sudharmâ (goede wet): Krishna's raadhuis. 

Sunanda (wel-blije): 1. een jongere broer van Nanda: 2. een metgezel van Vishnu. 

Surabhi (saprijke): het koeienras van Goloka 

Surya (zon): 1. de zon; 2. de zonnegod. 

Sûta (verwekker/verwekte): een wijze die antwoord geeft op de vragen van Shaunaka. Een wijze die het gesprek tussen Shukadeva en Parîkshit doorvertelt. 

Sutapâ (welbeteugelde): een vroegere incarnatie van Vasudeva. 

Svayamvara (zelfkeuze): een toernooi waarbij een ksatriya-dochter haar bruidegom kiest. 

Syamantaka (donkere): een juweel dat twistappel werd. Een goud producerend juweel. 

 

Tamas (duister): een der drie guna's of leibanden van de stoffelijke natuur, namelijk die van onwetendheid, traagheid, vernietiging. 

Tejasvin (krachtige): een koeherdersjongen in Vraja. 

Tilâka (sesam): teken op het voorhoofd (ook wel op romp en armen) van sandelpulp of heilige aarde. Teken van heilige rivierklei dat Krishna en Zijn toegewijden op hun lichaam aanbrengen.

Toegewijde, zuivere: Iemand die zich, los van alle gehechtheid aan de vruchten van zijn doen en laten (karma) en aan theoretisch denken (jnâna), met lichaam en ziel overgeeft aan het dienen van de Heer en zo de volmaaktheid van de toewijding aan God en het hoogtepunt van de zelfverwerkelijking bereikt.

Toshala: een worstelaar van Kamsa. 

Trinâvarta (stofhoos): een demon in de gedaante van een wervelwind. 

Tulasi: het heilig basilicum (basilicum sacrum), de lievelingsplant van Krishna, waarvan altijd trosjes door Zijn bloemenkrans gevlochten zijn. 

Tulasî: Grote toegewijde van Krishna die de gedaante van een plant aannam. Deze plant is Krishna zeer dierbaar: men offert dagelijks op speciale wijze tulasî-blaadjes aan de lotusvoeten van de Heer. 

Tumburu (zure): een gandharva-leider. 

Tvashtri: Vishvakarmâ. 

 

 U 

Uddhava (vreugde(vuur)): een oudere vriend van Krishna in Mathurâ. [SB, 3:2 & SB, 10:46

Ugrasena (geduchte speer): de goede vader van Kamsa, door de laatste afgezet als koning van Mathurâ en door Krishna hersteld als de koning der Yadu's. [SB, 10:45-12]

Upananda (gezel van de blije): Nanda's oudste broer. 

Upanishads (neerzittend bij (de leraar)): wijsgerige teksten behorend bij de Veda's. 

Upendra (Indra's jongere broer): een Avatâra van Vishnu. 

Uraga (borst-ganger): hemelse slang met mensengezicht. 

Urugâya (alom-geprezene): Vishnu als wijd en zijd verheerlijkte. 

Urukrama (reuzenstap): Vishnu als de Dwerg die in èèn stap door het heelal schreed. 

Ushâ (morgendauw): dochter van Bâna, tweede vrouw van Aniruddha. 

 

Vaidhi-bhakti: Toegewijde dienst die nog niet spontaan is en louter plichtmatig verricht wordt in opdracht van de geestelijk leraar of volgens de schriftuurlijke aanwijzingen.

Vaijayanti (zegevierende): een krans geregen van tenminste vijf bloemsoorten en edelstenen. 

Vaikuntha (onduister): 1. Vishnu; 2. de geestelijke wereld. 

Vaishnavi (van Vishnu): een verschijningsvorm van Mâyâ. 

Vaishya (gezetene): een lid van de derde maatschappelijke klasse van boeren, handelaars en geldschieters. 

Vals ego: het (zie) Ahankâra

Vâmana (dwerg): een Avatâra van Vishnu als Dwerg. 

Varna's (kleur): de vier maatschappelijke klassen (brahmanen, ksatriya's, vaishya's en shûdra's). 

Vârtâ (wenteling): beroepsactiviteit. 

Varuna (alomvattende): de god van zeeën en wateren. 

Vâruni (Varuna's drank): honingdrank. 

Varuthapa (beschermingsleider): een koeherdersjongen in Vraja. 

Vasita-siddhi: Bovennatuurlijk vermogen waardoor men iedereen met behulp van een soort onweerstaanbare hypnose zijn wil kan opleggen.

Vasu's (goeden): acht grote Vedische goden. 

Vasudeva (goede goddelijke): de vader van Krishna. 

Vâsudeva (Vasudeva's zoon): Krishna als Zoon van Vasudeva. 

Vâtsalya-rasa: De relatie die de ouders met hun kind verbindt - een van de vijf belangrijkste relaties welke de zuivere ziel met Krishna kan onderhouden.

Vayasya's: Intieme metgezellen van Krishna in broederschap, die meegenieten met alles waarvan Hij geniet.

Veda (weten): de door de oude rishi's geschouwde en doorgegeven en naderhand door Vyâsa op schrift gestelde kennis der Waarheid. 

Veda's (weten): de vier oudste boeken van heilige kennis. 

Vibhâva: De bijzondere tekenen of oorzaken van de extase.

Vidarbha (zonder darbha-gras): een volk; een koningshuis. 

Videha (onlichamelijk): een land; een koningshuis. 

Vidura (wijze): de shûdra-broer van Dhritarâshtra, een toegewijde van Krishna. 

Viduratha: een bondgenoot van Jarâsandha. 

Vidyâdhara (kennisdrager): een lid van een klasse van goede luchtgeesten. 

Vijayâ (zege): een verschijningsvorm van Mâyâ. 

Vikarma: Handelingen die tegen de bepalingen van de Schriften in gaan, ook wel zondig doen en laten genoemd.

Vimâna (uitmetend): een onder bloemen bedolven luchtvaartuig of zweefgondel van de goden. 

Vinâ zevensnarige luit. 

Vinâyaka (wegnemer): een klasse van demonen. 

Vipralambha: Liefdesgevoelens van gescheidenheid.

Vishâla (brede): een herdersjongen in Vraja. 

Vishnu (aldoordringende): het wereld regerende aspect van de Allerhoogste; een onder-Godsdeel van Mahâ-Vishnu; de Instandhouder van het heelal; de Bestuurder van sattva. 

Vishvakarmâ (alwerk): de bouwmeester der goden. 

Vraja (veekraal): Gokula. Het dorp waar Krishna als Jongen speelde. 

Vrika (scheurder): een demon. 

Vrindâvana (trosjeswoud): het tulasi-rijke bos waar Krishna Zijn Kinder- en Jongensspel bedreef. 
Vrndâvana: Dorp in India waar Krishna vijfduizend jaar geleden in gezelschap van Zijn zuivere toegewijden Zijn geestelijke en absolute spel en vermaak ten beste gaf. Er bestaat geen verschil tussen dit oord op aarde en Goloka Vrndâvana in de geestelijke wereld, maar dat kan men slechts onderscheiden wanneer men door toegewijde dienst gelouterd is.

Vritra (wentelaar): een door Indra verslagen gigant/titaan. (SB 6:9)

Vrishni ((sterk als een) stier): het koningshuis van Krishna. 

Vyâsa(deva) (rangschikker): een rishi, schrijver van het Mahâbhârata en het Bhâgavata Purâna. 

Vyoma (lucht): een roofzuchtige demon. 

 

Y 

Yadu het koningshuis van Krishna; het koningshuis van Vasudeva. 

Yâdava (telg van Yadu): een lid van het Yadu-huis. 

Yajna (offer): Yajnabhuk.

Yajnabhuk (offergenieter): Vishnu als Degeen die van alle offers geniet.

Yaksha: een klasse van half goedaardige bovenaardse wezens.

Yama (teugel): de god des doods.

Yamunâ: de rivier vóór Indraprastha. De rivier die langs Vraja stroomt.

Yashodâ (roemschenkster) : Krishna's pleegmoeder.

Yâtudhâni (gaand/bevattend) : een klasse van nachtgeesten.

Yavana (barbaar): een Ioniër.

Yayâti: een grote koning in de maanlijn; de vader van Yadu en Puru. 

Yoga (verbinding): 1. elke vorm van religie; 2. de beoefening van (psychosomatische) zelftucht ter verwerving van bovennatuurlijke krachten en/of samâdhi. 

Yogaheer: Krishna als Heer van alle yogi's. 

Yoga-heer: Yogeshvara. 

Yogamâyâ (bovenzinnelijke Mâyâ): 1. Krishna's bovenzinnelijke begoocheling, waarmee Hij mens en god laat vergeten dat Hij God is en hen anderszins betovert; 2. de verpersoonlijking van deze begoocheling in de gedaante van Yashodâ's dochter.

Yoga-siddhi's: Bovennatuurlijke vermogens of mystieke volmaaktheden.

Yogeshvara (Yoga-heer): Krishna als Meester van alle vormen van yoga.

Yojana (span): de afstand die een span ossen aan één stuk kan afleggen: acht mijl (ongeveer dertien kilometer).

Yudhishthira (standvastig in de strijd): de oudste broer van Arjuna, koning van Indraprastha.

Yuga (juk): een tijdvak van honderdduizenden jaren.

Yugâvatâra (tijdvak-neerdaler): een Avatâra die specifiek is voor een bepaald yuga (elk yuga heeft zijn eigen Avatâra).

Yuyudhâna (paardenrijkdom): een vriend van de Pândava's.

 

W

 

Welvervulde: Bhagavân. Familytree

 

Zie ook: 

Krishna's Spel: Een Inleiding

Levensbeschrijving van His Divine Grace A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda

 

 

VAHINI.ORG