Woordenlijst:
hier zijn de woorden verzameld die in de Vahini's op deze
site door Sai Baba zijn uitgelegd aangevuld met
woordbetekenissen uit het S'rîmad Bhâgavatam
en Bhagavad Gîtâ.
|A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|QR|S|T|U|V|W|XYZ|
Deze
lijst in het Engels
S
- Sadbhava:
Geestelijke
discipline hand in hand met rechtschapenheid
(PV-22)
- Sabda
khe (s'abda
khe):
Krishna's
uitspraak 'Ik ben het geluid in de ether'
(B.G. 7.7).
- Ookwel âkâs'a nâda
genoemd in S.B. 12.6:
37.
- Het horen van de geluiden van alle levende
wezens in de ether behoort tot de secundaire
siddhi dûra s'ravana ('ver-horend')
vermeld in 11.15:
19.
- Sadguna:
Deugdzaamheid
(PV-8)
- Sadguru:
de
Leraar die je moet volgen (SSV-14)
- Sadhaka:
Geestelijk
leerling (PV-10)
benaming
voor allen die zich bezighouden met
geestelijke discipline (sâdhana)
in de yoga.
- Onderscheiden van bhakta als benaming eraan
voorafgaand.
- Sâdhana:
Geestelijke
plicht, discipline, geestelijke inspanning
(PV-4)
(PV-9)
(PV-15)
(PV-18)
[Een zuivere geest en zuivere
levensgewoonten zijn zonder
sâdhana,
de geestelijke praktijk, vrijwel onmogelijk
te behouden onder de zwaarwegende invloed van
de motieven van zinsbevrediging. Versobering
is een politiek thema, dat echter niet gelijk
staat aan de bescheidenheid die ermee bedoeld
wordt. Het politieke bezuinigen is
geïnspireerd op een 'zich
terugtrekkende' overheidsbemoeienis die de
mensen overlevert aan het dierlijke beginsel
van het overleven van de sterksten. Het is
niet het huldigen van 'kracht' als het
hoogste principe dat de regering dient te
voeren als leidmotief. Als de leiders zelf
geen respekt hebben voor de geestelijke
autoriteiten is het moeilijk de deugd hoog te
houden die mensen de nodige bescheidenheid
bijbrengt. Zonder bescheidenheid is er geen
soberheid leefbaar, zonder soberheid verliest
men de zuivere visie, wordt het leven een
leugen en breekt de vrede door een algemeen
gebrek aan mededogen. Ookal is het niet de
taak van de regering zedepreken af te steken,
het is wel hun taak als leiders anderen voor
te gaan in de noodzaak van het respekt
ervoor.]
- Sâdhana
siddha's en
nitya-siddha's:
zij
die eeuwig zijn bevrijd zoals Nanda en
Yas'odâ en die Krishna's eeuwige
metgezellen zijn of expansies van Krishna's
persoonlijke lichaam, en die normale levende
wezens die een bijzondere positie verwerven
door gedurige sâdhana, de spirituele
praktijk van het uitvoeren van vrome
handelingen en het volgen van de regulerende
beginselen van de toegewijde
dienst.
- Sadhu:
Heilige
(PV-32)
(rechte)
doelbewuste, rechtgeaarde, oprechte persoon,
wijze, heilige, toegewijde,
waarheidzoeker.
- Zij die in volledige overgave aan
Krishna
blijk geven van de grootste wijsheid en
heiligheid. [Tolerant, mededogend, alle
levende wezens welgezind en zonder
vijandschap jegens wie ook, vredig en zich
houdend aan de geschriften is de sadhu
[de deugdzame mens, de heilige, een
ziener] gesierd met sublieme kwaliteiten.
(SB 3:25-21)]
- Sagittarius
A:
is een plaatsaanduiding voor het centrum van
de melkweg in de sterrenhemel.
- Saguna:
(letterlijk: begiftigd met eigenschappen):
Heeft betrekking op
Krishna,
de Absolute Waarheid, in de zin dat Hij
eigenschappen heeft die volkomen geestelijk
zijn. (Zie nirguna).
- Saguna
bhaktha:
De toegewijde die God in een bepaalde vorm
vereert (PV-24)
- Sahaja-(mens):
De natuurlijke mens (PV-30)
- Sahaja-jnana:
de
ingeboren wijsheid die ontleend wordt aan de
vermogens tot handelen en
waarnemen.
- Sahana:
Zielskracht (PV-30)
- Sai
Ram:
Een naam voor Sai Baba, die aangeeft dat hij
in wezen niet verschilt van Râma. Het
wordt tevens als begroeting
gebruikt.
- Sakshatkara:
Zelfverwerkelijking (PV-31)
- Sakti:
kracht, energie of vermogen. Vrouwelijk
aspect in samenhang met materiële
aktiviteiten. In drie soorten:
- Tatastha-, goddelijke energie
- Antaranga en lagere materiële
energie
- Bahiranga-sakti, de z.g. tussenenergie van
de individuele zielen.
- Sakti-avesha-avatâra:
incarnatie van Krishna als
deelpersoonlijkheid (b.v. Jezus
Christus)
- Salokyamukthi:
Voortdurend
in Gods nabijheid vertoeven (PV-27)
- Sama:
Innerlijke kracht (PV-32)
- Samâdhi:
Een
geestelijke toestand waarin alle dualiteit is
overstegen, vereniging met God, in God
verzonken zijn (PV-4).
Geestelijk
opgaan, verzonkenheid in Krishna,
absorptie, volmaakte geestesvervoering door
volkomen opgaan in toegewijde
dienst.
(PV-5)
Savikalpa-samâdhi:
er is nog steeds het besef van de
drievoudigheid: kenner, het kennen en het
gekende.
nirvikalpa-samâdhi:
Als men beseft dat de kenner zuiver
bewustzijn is, dat het kennen zuiver
bewustzijn is, en dat het gekende zuiver
bewustzijn is, dan is er geen onrust, geen
mentale werkzaamheid meer. Dat is
nirvikalpa samadhi.
[RRV2:1]
- Samadristhi:
Eenheid zien in de schepping
(PV-3)
- Samashti:
Wanneer de individuele ziel verankerd wordt
in het alomvattende geheel (SSV-2)
- Samaveda:
In
deze Samaveda
(verzameling) worden veel hymnen
(riks) uit de Rigveda herhaald,
maar daaraan zijn muzieknoten toegevoegd,
zodat zij tijdens de vedische rituelen en
ceremoniën konden worden gezongen. De
Samaveda is derhalve voornamelijk een
muziekzetting (swara). De arische
bevolking waaruit de Rigveda is
voortgekomen, leefde op de oevers van de
rivier de Indus (Sindhu), terwijl dit
volk zich bewust werd van de Yajurveda
toen het op de oevers van de Ganges leefde.
De visioenen waarover de liederen in de
Samaveda vertellen, stammen uit
dezelfde periode, maar het volk dat deze
heeft voortgebracht, heeft blijkbaar in het
midden van India gewoond.
Deze Samaveda wordt ook wel
Ganaveda genoemd, om de aandacht te
vestigen op het muzikale karakter van deze
tekst. Alle verschillende richtingen in de
Indiase muziek zijn afgeleid van de
stijlsoorten die in de Samaveda
duidelijk worden uiteengezet. In deze
Veda vinden wij de oorsprong van alle
toonsoorten en muzieknoteringen.
(SSV-11)
- Sambhashan:
Het
niets anders horen dan de naam van de Heer
(PV-31)
- S'ambhu:
heer
S'iva
als de weldoener.
- Samhita:
Het woord betekent letterlijk 'verzameling of
verzamelwerk'.
- Samiyama:
Zich weten te beheersen (PV-24)
- Sampradâya:
vereniging
van vaishnava's
bestaande uit verschillende scholen of
math's. Voor ISKCON:
de Brahmâ-Mâdhva-Gaudiyâ -
sampradâya; de bengaalse tak van de
Brahmâ- sampradâya. Er zijn vier
hoofd-sampradâya's: de Brahmâ-,
S'rî-, Rudra en Kumâra-
sampradâya die allen Heer Vishnu
aanbidden. (aktief als de:
Ramanuja-sampradâya, de
Madhva-Gaudya-sampradâya van Heer
Caitanya, de Vishnusvami-sampradâya en
de Nimbarka-sampradâya.)
- Erfopvolging van geestelijke leraren (zie
ook âcârya's).
Lijn in successie waarin de leer wordt
doorgegegeven.
- Samsâr(a):
De zee
van tijd en verandering; het aardse bestaan;
zinnelijke verlangens; de eindeloze cirkel
van geboorte en dood. (RRV-14b),
het voortbewegen van de ene vorm naar de
andere (SSV-6)
- Samskara:
'indruk';
"Every
action that you do produces a two-fold
effect. It produces an impression in your
mind and when you die you carry the Samskara
in the Karmashaya or receptacle of works in
your subconscious mind. It produces an
impression on the world or Akashic
records. " (Swami
Sivananda)
- Samskâra:
Zuiveringsritueel
(zie garbâdhâna
en Anna-prâsana).
- Samipyamukthi:
De
toegewijde beleeft alles wat hij ziet als
Gods heerlijkheid (PV-27)
- Sanâtana:
Eeuwig, tijdloos, altijd geldend
- Sanâtana
Dharma:
De Eeuwige Waarheid, eeuwige plicht.
De gebruikelijke, eeuwige, algemene plichten
(Srîmad
Bhâgavatam
7:11)
(PV-18)
(RRV-11a)
- Sanâtana
Sarathi:
De Tijdloze Wagenmenner (PV-1)
- Sanâtana
Vidya:
Tijdloze Kennis (PV-14)
- Sañjaya:
degene die de Gîtâ
doorgaf aan Dhritarâstra, rechtstreeks
via helderziendheid. Hij was zijn secretaris
en leerling van Vyâsadeva.
- Sankalpa:
Genade
van God (PV-15)
- S'ankara:
heer S'iva
als de brenger van voorspoed.
- Sankirtan:
Het gezamenlijk zingen van de namen en over
de heerlijkheid van God.
- Sânkhya:
analytische kennis; de filosofische analyse
van het materiële en het geestelijke en
de bestuurder van beiden.
- TheÔstisch naar de avatâra
Kapila (zie S.B
3: h25)
een
filosofisch stelsel dat de analytische
bestudering van de ziel behelst als
onderscheiden van de vierentwintig elementen
der stoffelijke natuur.
-
AtheÔstisch naar een filosoof van
dezelfde naam
een materieel analyseer-systeem van de wereld
der verschijnselen in haar verschillende
openbaringen.
-
School van yoga-filosofie waartoe Patanjali
wordt gerekend.
- Sânkhya-yoga:
Grondige
bestudering van het geestelijk ego als
verschillend van het stoffelijk lichaam.
Hierdoor wordt het levend wezen tot
bhakti-yoga gebracht, waarin het kan
overgaan tot de geestelijke aktiviteiten,
welke zijn eigenlijke aktiviteiten
zijn.
- Sannyasa:
Het
stadium van volledige onthechting. Dit is de
laatste van de vier levensstadia. Degenen die
de geestelijke weg gaan, of die zich hebben
losgemaakt van de wereld (PV-22)
Sannyasi:
Wereldverzaker (PV-10)
- Sanskriet:
De
taal van de Veda's, een van de oudste talen
ter wereld. Een dode taal hoofdzakelijk nog
gepraktiseerd door priesters reciterend uit
de klassieke geschriften (zie een
modern
Sanskriet
woordenboek
en Vis'vakosa).
- De taal kenmerkt zich door het zich
vervoegen van ieder woord in een zin naar het
heersende werkwoord. De woorden zelf kunnen
daarbij in een willekeurige volgorde staan.
Het kent als oude taal een eindeloze
connotatie waarin woorden als karma en dharma
meerdere bladzijden beslaan om te beschrijven
en er ook voor ieder Engels woord talloze
Sanskriet omschrijvingen te vinden zijn. Het
begrip voor het Sanskriet hangt dus sterk af
van de leerschool van
interpretatie.
- De oorspronkelijke tekentaal wordt
Devanagari genoemd. De vertaling in westerse
tekens wordt I-trans genoemd.
- Santham:
Gelijkmoedigheid (PV-32)
- Santhi:
Innerlijke Vrede (PV-1)
- Sarabhanga:
een wijze die zijn leven opgaf (door middel
van vuur) in het bijzijn van Heer Râma,
in zijn âs'ram (RRV2-1)
- Saranagati:
Volledige overgave van het zelf.
- S'aranya:
Krishna
als de Beschermer, de Toevlucht, Hij die
Soelaas biedt [SB
10.66:
37].
- Sarasvatî:
Metgezellin
van Brahmâ. Ook naam van gedeeltelijk
ondergrondse, legendarische rivier in
India.
- Sareswara:
De Heer
van allen, waaruit alle gezag en alle macht
voortkomt. De Bron van alles
(PV-10)
- Sarupya:
De Heer (PV-27)
- Sarupyamukthi:
Als de toegewijde in goddelijk bewustzijn
leeft (PV-27)
- S'arva:
['hij die met de pijl doodt', te weten
S'iva,
zie SB 7.10:
67],
- Sarvabhara
samarpitha: Op
die weg worden alle gedachten en verlangens
opgedragen aan de Heer (PV-25)
- Sarva-gatah:
Alomtegenwoordig, kenmerk van de
ziel.
- Sarvantharyami:
Hij die in alles woont en alles bezielt is
een en dezelfde (PV-19)
- Sarvbhutantharatma:
De goddelijke Geest is de innerlijke
werkelijkheid. (PV-19)
- Sarveshvara:
Heer der Schepping (SSV-13)
- Sarveswarchinthana:
Innerlijke
beschouwing van God (PV-30)
- S'âstra:
De geopenbaarde Schrift. Morele voorschriften
(PV-18),
goddelijke wetboeken (PV-18)
Zie ook Veda's.
'hetgeen met gezag bevelen, opdrachten en
aanwijzingen geeft' (SSV-19)
- Sat:
Het
ware, de ziel.
- Sat-cit-ânanda:
['eeuwigheid, bewustzijn en
gelukzaligheid'] De drie fundamentele
aspecten van Brahman: volmaakt Zijn, volmaakt
Bewustzijn, volkomen Gelukzaligheid.
Hoofdkenmerken
van Krishna betrekking hebbend op de drie
nivo's van realisatie: brahman,
paramâtmâ en bhagavân: de
onpersoonlijke geest, het lokale aspekt, en
Zijn volheid. In de zelfrealisatie gaat het
dus om het achtereenvolgens realiseren van de
continuiteit van de onpersoonlijke geest, het
bewustzijn van het lokale aspekt en de
gelukzaligheid van Zijn volheid.
- De
eigenschappen van de geestelijke en absolute
gedaante (vigraha) van de Opperheer; maar ook
van de oorspronkelijke gedaante van de
levende wezens, die immers deel uitmaken van
Zijn wezen.
- De kenmerken van het geestelijk bestaan op
zichzelf.
- Sat-cit-ânanda-vigraha:
De Heer is noch onpersoonlijk noch ontbloot
van macht. De eeuwige gedaante van kennis en
gelukzaligheid.
[Krishna
in Zijn gedaante van eeuwigheid, bewustzijn
en gelukzaligheid.]
- Sat-sanga:
associatie van toegewijden; de eeuwige
verbondenheid van
Krishna
en Zijn toegewijden.
- Sat-sankalpa:
Door
trouw te zijn aan de waarheid komt men in
Gods tegenwoordigheid (PV-28)
- Sat-karma:
Weldadige activiteiten (PV-17).
Alle activiteiten verricht uit liefde tot God
en die niet zondig zijn; alle handelingen
verricht met of vanuit Satya, Dharma, Shanti
en Prema. Dat zijn Satkarma's
(Prasn-4)
- Sat-ûrmi:
de zes vormen van materiële ellende:
honger, dorst, verval, dood, verdriet en
illusie. Ookwel gekend als de vier vormen van
misËre: geboorte, ziekte, ouderdom en
dood.
- Sâtvata:
[van Satvata, Hij die van de absolute
waarheid is, een naam van Krishna]
Andere naam voor toegewijde, dienaar van de
Absolute Waarheid
(sat).
In het bijzonder degenen die Krishna
toegewijd zijn; de Yadu's en de
Vaishnava's.
- Sathya:
Waarheid. De naam van Sai Baba
(PV-1)
- Satyachara:
In deze onware wereld kan er geen werkelijk
leven zijn (PV-29)
- Satya-dharma:
de religie van de waarheid. Term voor
Krishna-bhakti
als de waarheidlievende plichtsvervulling
(het 'ware werk').
- Satya-yuga:
Eerste tijdvak van een mahâyuga,
viermaal zo lang durend als Kali-yuga.
- Sathya
Sai Baba:
Letterlijk: Waarheid, Moeder en Vader. De
huidige (tweede) incarnatie van de
Sai-Avatar.
- Sathyameva
jayathi,
namritham:
Door goed gedrag, een goede levenswijze,
kun je de waarheid (Sathya)
verwerkelijken, kun je God verwerkelijken
(PV-9).
- Satyam-sivam-sundaram:
het ware, bewuste en schone als essentie van
de goddelijkheid. (SSS)
- Satsang(a):
Samenkomen van toegewijden
(PV-9)
Omgaan met of in gezelschap verkeren van op
God gerichte mensen, een bijeenkomst van
toegewijde volgelingen om geschriften te
horen, te zingen, enz.
- Sauca,
tapah, dayâ,
sathya:
Versobering, reinheid, mededogen en
waarheidliefde; de poten die het tijdperk van
de waarheid vestigden [Sathya Yuga, de
'oude tijd'] (SB,
C1:17-24)
- Sattva:
de geaardheid goedheid, de kwaliteit of de
zuiverheid van het goede dat de persoon
waarachtig, eerlijk en wijs maakt (zie
guna's).
- De weg der goedheid tot Krishna
- bewustzijn
in de overstijging der geaardheden.
- Karakter, vitale adem, leven, bewustzijn,
kracht, stevigheid, energie,
vastbeslotenheid, moed, zelfbeheersing,
gezond verstand, wijsheid,
grootmoedigheid.
- De hoogste van de drie geaardheden (B.G.
14:
6).
- Innerlijke kracht, zijn, existentie, wezen,
realiteit, ware essentie, aard, aanleg of
geest.
- Spirituele, geestelijke essentie,
geestelijkheid, geest.
- Een zuiver iets, rein.
- Materiële of elementaire substantie,
wezen, materie, een ding.
- Sayujyamukthi
of
Ekanthamukthi:
Het allerhoogste stadium is pas bereikt
wanneer elk spoor van verschil is verdwenen
en vereniging met God tot stand is gekomen
dankzij goddelijke genade, die geschonken
werd wegens de zuivere kern in ieders
geestelijke inspanning (sadhana)
(PV-27)
- Schizoïdie:
(gespletenheid):
de mentale staat van de innerlijke
verdeeldheid. Het wordt beschouwd als de
staat die voorafgaat aan de psychotische
ontsporing waarin het individu uitloopt op
een chaos van zelfreflectie. Eveneens
gebruikt voor de moderne samenleving in
oppositie tegen de natuur en zichzelf bij
tijden belandend in de chaos van
oorlogvoering.
- Schizofrenie:
de
mentale toestand die resulteert uit
bevrijding zonder discipline. Het wordt
beschouwd als een ernstige geestesziekte
waarvoor geen medische genezing bestaat daar
de realisatie van spirituele zelfreflectie
niet ongedaan kan worden gemaakt tenzij zwaar
geblokkeerd door psychopharmaca die een
andere hel van bestaan vormen. Afkerig van
discipline en de autoriteit die erbij hoort
vervreemt het individu van de spirituele
werkelijkheid die wordt waargenomen als
zijnde ongecontroleerd en demonisch. Deze
mensen werden vroeger tevens bezeten door
boze geesten genoemd. Een andere manier het
te definiëren is: de staat van verdeeld
en begoocheld zijn in het bewustzijn van tijd
en plaats waarin men geen gevoel van richting
heeft in het leven. Kan ook de ziekte genoemd
worden van de misvatting van het
niet-dit-bewustzijn van materiële
identificatie. De genezing ligt in het
aanvaarden van de geestelijke uitdaging de
discipline lerend van het zich gelijkrichten
naar de ziel in het hier en nu van een
geestelijke autoriteit.
- Schriften,
geopenbaarde of
geschriften,
ook wel sastra.
De Vedische Schriften in het algemeen
(sruti)
of elke andere Schrift welke gezag heeft op
het gebied van de geestelijke wetenschap
(smrti),
indien deze langs de weg van de
paramparâ
uiteenzet wat het wezen is van de Absolute
Waarheid, of het Opperwezen, van de
individuele ziel en de eeuwige band welke hen
met elkaar verbindt (zie ook veda
en purâna).
- Sesa
Nâga: Het
slangenbed waarop Vishnu terneer
ligt
- Seva:
Dienstbaarheid, onbaatzuchtige
dienstverlening (PV-6)
- Sevaka:
Dienaar (PV-5)
- Sevayajña:
Offer van dienstverlening (PV-9)
- Sham:
'schone schijn' ophouden
- Shama:
rustige, heldere, geestelijke
arbeid.
- S(h)ankara:
andere naam van Shiva.
- Shanti:
(innerlijke) vrede,
gelijkmoedigheid
- Shath-ûrmi:
de zes vormen van materiële ellende, de
zes 'golven' van de oceaan der materie:
honger, dorst, verval, dood, verdriet en
illusie. Ookwel gekend als de vier vormen van
misËre: geboorte, ziekte, ouderdom en
dood.
- Shath-varga:
de
zes vijanden met de zes zintuigen (de vijf
plus de geest) van de lust, de woede, de
begeerte, de gekte, de bedwelming en de
afgunst (zie SB. 11.26:
24)
ookwel de zes plunderaars genoemd, shath
dasyûn (in 7.8:
10).
- Shatkasampatti's:
'Kostbaarheden, karaktereigenschappen,
die de spirituele leerling moet ontplooien';
in zessen:
- rustige, heldere, geestelijke arbeid
(shama);
- beheersing van de zintuiglijke organen
(dama);
- persoonlijke plichtsvervulling
(dharma) geduldig verdragen van
tegenstellingen als hitte-kou,
vreugde-verdriet;
- onwankelbaar geloof en vertrouwen
(shraddha);
- eenpuntige gerichtheid
(samadhana)
- Shesha(naga):
Ananta
S'esha.
- Shirdi
Sai Baba:
Eerste incarnatie van de Sai-Avatar
(1835-1918). Hij leefde voornamelijk in het
dorp Shirdi in de buurt van
Bombay.
- Shiva
(S'iva):
('de goedgunstige') halfgod, ookwel
Sankara,
Bhava of
Rudra
genoemd. [ook Mrida (S'iva als 'de
genadige') in SB 10:62-2,4
en Giris'a (S'iva als 'Heer van de berg') en
S'arva].
God der Vernietiging, heerst over de
geaardheid onwetendheid. Mediteert met
Pârvatî op de berg Kailasa.
Ookwel de yogî der yogî's
genoemd. Is voortgekomen uit Brahmâ
met méér eigenschappen dan zijn
'vader' zelf. Bekend met trommel en
japa (mantra-meditatie) en door zijn
kosmische dans ten tijde van het einde van de
schepping.
-
Zuivere toegewijde belast met de vernietiging
van het universum aan het eind van het leven
van Brahmâ, zijn verwekker. [zie
ook Mahashivaratri
en Mahes'vara]
- Shraddha:
Onwankelbaar geloof en vertrouwen
- S(h)ravana:
De zoon van blinde ouders, die per ongeluk
door Dasharatha (de vader van Râma)
gedood werd.
- S'ibi:
Keizer in India, bekend om zijn
grootmoedigheid; Hij bood een pond van zijn
eigen lichaamsvlees aan om de god Agni, in de
verschijning van een duif, te redden van de
god Indra, in de verschijning van een havik.
(SSV-21
en discourse
en geprezen
in SB 1.12:
20
en SB 10.72:
21.)
- S'ibi, Vara, Krimi en Daksha waren de vier
geboren uit Us'înara (SB
9.23:
3-4).
- Siddhi's:
(de
8 perfecties): animâ: klein zijn,
mahimâ: groot zijn, garimâ:
gewicht, laghimâ: lichtheid,
prâpti: vrije toegang,
prâkâmya: op wens handelen,
vasitva: controle over de elementen en
isvara: heerschappij over alles
(SB
3:15-45),
wijsheid (SSV-1)
[De
acht wonderkrachten (siddhi's), waarmee o.a.
Vishnu's dienaar Jezus beschikte, zijn 1.
animâ: het vermogen zich oneindig te
verkleinen (waarvan Jezus gebruik gemaakt zou
hebben om plotseling te 'verdwijnen'); 2.
laghimâ: het vermogen zich oneindig
licht te maken (bijvoorbeeld voor een
wandeling over water); 3. prâpti: het
vermogen alles te voorschijn te brengen wat
men wil (bijvoorbeeld broden en vissen voor
het voeden van een hele menigte); 4.
prâkâmya: het vermogen allerlei
wonderen te doen (zoals water in wijn
veranderen); 5. mahimâ: het vermogen
oneindig groot te worden; 6. ishitâ:
het vermogen alles te vervaardigen of
vernietigen (zoals het opwekken van een storm
of het op slag laten verdorren van een
vijgeboom); 7. vashitâ: het vermogen
over elk wezen te heersen (zoals bij het
uitdrijven van boze geesten); 8.
kâmâvasâyitâ: het
vermogen het onmogelijke te realiseren (zoals
opwekking en opstanding uit de
dood).]
- Siddhânta:
de
slotconclusie van de Veda's
dat realisatie van de svarûpa
in relatie van dienstbaarheid tot
Krishna
het Krishna-bewustzijn van eenheid in
verscheidenheid geeft ofwel het herkennen van
de Godspersoon in de (materiële)
wereld.
- Sikh
(Sikhisme):
Het
woord Sikh betekent letterlijk discipel. Een
Sikh gelooft in één God en in
de leer van de tien Guru's. Deze is terug te
vinden in de Shri Guru Granth Sahib,
het heilige boek van de Sikhs. In het heilige
boek zijn naast de allesomvattende leer van
de tien guru's ook de religieuze teksten van
vijftien heiligen opgenomen. Deze heiligen
geloofden in verschillende religies. Het
heilige boek mag uitsluitend gelezen worden
door iemand, die in het Sikhisme gedoopt
(Amrit) is. Zie Guru Nanak.
- Sîtâ:
De gemalin van Heer Râmacandra, de
incarnatie van Krishna.
- Sloka:
Sanskriet
vers.
- Smaranam:
Voortdurend denken aan Krishna (een van de
negen methoden der toegewijde
dienst).
- Smr(i)ti:
geheugen.
Vedische kennis heette vroeger voordat er
werd geschreven smriti en sruti
te zijn: dat wat gesproken - kennis
rechtstreeks van Hem - en herinnerd wordt -
beschrijvingen door verloste zielen. (zie ook
Veda).
-
Geschriften geboekstaafd door levende wezens
onder bovenzinnelijke leiding, van even groot
gewicht als de sruti
(zie Schriften,
geopenbaarde)
-
Geschriften die verdere uitleg geven over de
vier oorspronkelijke Veda's
en de Upanisads.
[zie purâna's]
- Sneham:
God liefhebben (PV-24)
- Somalatha:
Zeldzaam medicinale kruipplant. In de
vedische tijd konden offers en
vuurceremoniën alleen worden volbracht
als er een soma-kruipplant beschikbaar was.
Het sap werd geofferd aan Indra en Varuna.
Ook wordt de plant verjongingseigenschappen
toegeschreven (Narayana-gufa)
- Sparsan:
Het aanraken van de Heer (PV-31)
- Sraddhâ:
geloof; opvatten van sympathie voor de
bezigheid en de sfeer van de toegewijde
dienst; vertrouwen.
Standvastig geloof (PV-11)
- Srâddha:
ritueel dat gehouden wordt ten bate van de
overleden voorouders.
- Sraddhâ:
geloof; opvatten van sympathie voor de
bezigheid en de sfeer van de toegewijde
dienst; vertrouwen (zie bhâva).
- Sravana(m):
luisteren,
vernemen over de Heer; de eerste van de negen
fasen van toegewijde dienst (zie verder
Bhagavata-dharma)
Het luisteren naar de namen van God
(PV-13)
Luisteren naar heilige teksten en hun uitleg
(PV-24)
- Sravanam
kîrtanam
visnoh:
de toegewijde weg van het luisteren naar
onderricht en verhalen over Heer Vishnu en
het verheerlijken van Zijn roem.
- S'rî:
Heer, het mooiste. Woord dat voor een naam
wordt geplaatst en dat respect en eerbied
uitdrukt; rijkdom, overvloed, majesteit,
schoonheid, glans; genade.
- S'rîmad
Bhâgavatam:
(letterlijk:
het mooiste over Hem die fortuinlijk
is)
Bhâgavatha-Purâna,
of Mahâ-Purâna: Vedisch geschrift
dat verhaalt over het eeuwig spel van
Krishna, de Opperheer, en Zijn zuivere
toegewijden. Het vormt het oorspronkelijke
kommentaar op de Vedânta-sûtra
door de auteur zelf, Vyâsadeva, en
wordt beschouwd als het heerlijkste van alle
Vedische geschriften.
- [SB
10-12]
S'rîla
Prabhupâda
geeft als commentaar: 'Mensen zijn over het
algemeen niet bekend met het geheim van het
succes, en derhalve heeft S'rîla
Vyâsadeva, vol van mededogen jegens de
gevallen zielen in deze materiële
wereld, speciaal in dit tijdperk van Kali,
ons het S'rîmad-Bhâgavatam
gegeven. S'rîmad-Bhâgavatam
purânam amalam yad
vaishnavânâm priyam (Bhâg.
12.13.18). Voor Vaishnava's die enigszins
gevorderd zijn, of die zich volledig bewust
zijn van de heerlijkheden en vermogens van de
Heer, is het S'rîmad-Bhâgavatam
een geliefd Vedisch boek. Per slot van
rekening, moeten we van lichaam veranderen
(tathâ dehântara-prâptih).
Als we ons niet bekommeren om de
Bhagavad-gîtâ en het
S'rîmad- Bhâgavatam, weten we
niet wat ons volgende lichaam zal zijn. Maar
als men vasthoudt aan deze twee boeken -
Bhagavad-gîtâ en
S'rîmad-Bhâgavatam - kan men er
zeker van zijn in het volgende leven de
associatie te verkrijgen (tyaktvâ deham
punar janma naiti mâm eti so 'rjuna
[Bg.
4.9]).
Derhalve, is de distributie van het
S'rîmad- Bhâgavatam over de
gehele wereld een welzijns-aktiviteit voor
theologen, filosofen, transcendentalisten en
yogî's (yoginâm api
sarveshâm [Bg.
6.47]),
zowel als voor de mensen in het
algemeen'.
- Het
S'rîmad Bhâgavatam staat ook
bekend onder de naam 'Paramahamsa
Samhitâ': de verzameling van
verhalen over de Allerhoogste Zwaangelijke
Heer.
S'rî
Krishna: in
Hem verblijven: Waarheidliefde, reinheid,
mededogen, zelfbeheersing, grootmoedigheid,
tevredenheid, openhartigheid, concentratie,
zins-beteugeling, verantwoordelijkheid,
gelijkheid, tolerantie, gelijkmoedigheid en
trouw. En zeker ook kennis, onthechting,
leiderschap, ridderlijkheid, invloed, macht,
plichtsbesef, onafhankelijkheid, vaardigheid,
schoonheid, kalmte en goedhartigheid, zowel
als vindingrijkheid, goede manieren,
beleefdheid, vastberadenheid, expertise,
behoren, genoeglijkheid, vreugde,
onverzettelijkheid, geloof, roem en
waardigheid - al deze en vele andere zijn de
eeuwige kwaliteiten van de Allerhoogste Heer,
de nimmer aflatende hogere natuur welke kan
worden bereikt door diegenen die de grootheid
waardig zijn. [SB,
1-16, verzen 26 tot
30]
- Srinivâsa:
De
Meester van het Verblijf (Vaikuntha)
(SB
- 9:4-60';
Srinivâsa,
Vishnu als de toevlucht van Laxmî
(SB
- C6:18-65).
- Srishti:
worden (SSV-18)
- Srivatsa:
een teken op de borst van Heer Krishna
bestaande uit drie grijze haren.
- S(h)rotriya:
Het is iemand die zich zonder meer houdt
aan de
shruti's
ofwel de
Veda's,
iemand die de daarin voorgeschreven regels
volgt en de beperkingen in acht neemt, en
niet in het minst daarvan zal afwijken.
(SSV-13)
- Sruti:
dat
wat gehoord wordt; het gesproken woord; heeft
betrekking op de mondelinge overlevering van
vedische kennis (zie ook smriti).
-
Schriften welke rechtstreeks van God Zelf
ontvangen zijn, de Veda's
en Upanishad's,
anders dan het geval is met de
smriti.
- Stadia,
vier:
Er zijn vier stadia in het aanvaarden van de
wereldverzakende
orde:
1) Kuthîcaka: men verblijft buiten het
dorp in een hutje, en wat men nodig heeft,
met name iemands voedsel, krijgt men van huis
2) Bahûdaka: men aanvaardt niet langer
meer wat dan ook van huis: in plaats daarvan
vergaart men, mâdhukarî, met "het
beroep van de hommels", wat men nodig heeft,
met name iemands voedsel, van verschillende
plaatsen 3)
Parivrâjakâcârya: men reist
over de gehele wereld rond om de
heerlijkheden van Heer Vâsudeva te
prediken en wat men nodig heeft, met name
iemands voedsel, vergaart men van vele
plaatsen 4) Paramahamsa: hij rondt zijn
preekwerk af en gaat op één
plaats zitten, strikt voor het heil van de
vooruitgang in het geestelijk leven.
- Staf
(drie):
De driestaf wordt gedragen door
vishnuïetische sannyâsi's. De staf
bestaat uit drie stokken die bijeengehouden
worden door een saffraankleurige katoenen
wikkel; een klein, ietwat gebogen stokje is
even onder de top van de drie stokken
ertegenaan gebonden, eveneens met saffraan
omwikkeld. Het stokje vertegenwoordigt de
ziel en de drie stokken symboliseren de
drievoudige zelftucht - ter ere van
S'rî Vishnu - van denken, spreken en
handelen: Een driestaf dragende bedelmonnik
denkt en spreekt slechts over S'rî
Vishnu en handelt slechts in Zijn
dienst.
- Standen,
de vier:
1. de brahmanen: priesters en leraren;
2. de kshatriya's: vorsten, krijgers
en bestuurders; 3. de vais'ya's:
landbouwers, koeherders, geldschieters en
handelaars; 4. de s'ûdra's:
knechten en dienaars. (zie: varna's)
- Sthiti:
Geestelijk
stadium.
- Sthula
Deha:
Het grofstoffelijke lichaam (Prasn-1).
- Sudars'ana
cakra:
('Zijn voelbare aanwezigheid met de orde
van de tijd') Heer Vishnu's wapen in de vorm
van een werpschijf (zie ook cakra
en
kâla).
- Sûdra's:
Arbeiders,
handwerkslieden en artiesten, die de leden
van de drie andere varna's
diensten verlenen. [zie ook
varnâs'rama]
Kaste van de arbeiders (PV-18)
- Sujnana:
Goede kennis die de mens in staat stelt juist
van onjuist en goed van kwaad te
onderscheiden. (SSV-20)
- S'ukadeva
Gosvâmî:
de naam van de eerste geestelijk leraar, de
âcârya, die het S'rîmad
Bhâgavatam,
het verhaal van Krishna
sprak voor Mahârâja
Parîkchit.
De toegewijden van Krishna volgen hem hierin
allemaal na. Hij is de Zoon van
Vyâsadeva
die het Bhâgavatam gestimuleerd door
Nârada
Muni
op schrift stelde.
- Sukshma
(Deha):
Het astrale lichaam (Prasn-1).
Het woord sukshma, dat meestal
vertaald wordt als 'fijnstoffelijk', betekent
in het Sanskriet
'klein'. Het heeft echter nog een betekenis:
'Dat wat opzwelt of uitzet'. Lucht zet
meer uit dan water; de ether heeft een groter
uitzettingsvermogen dan lucht. Vergeleken met
het uitzettingsvermogen van de bevrijde ziel,
lijkt zelfs de ether 'grofstoffelijk'!
(SSV-22)
- Suprabhâtam:
Ochtendgebed
- Sura:
een
god, goddelijkheid, een godheid, de zon maar
ook: een godbewust iemand. Iemand van het
licht, een gelovige, een god-bewust iemand,
een verlichte ziel vrij van materiële
verlangens.
Sura's:
De goeden (PV-22)
- Sûra:
de zon, de verlichte ziel, een wijs geleerd
man, toegewijde, beschaafd mens. Staat
tegenover âsura, boze geest, demon.
Afgeleid van licht, zon de zonnegod. Verwijst
naar het al dan niet verlicht God wel of niet
dienen
(zie asura).
- Sûrya:
de zonnegod, de verpersoonlijking van de orde
van de zon zoals we die kennen van de natuur
(zie S.B. 5.22).
- Sushruta:
Author of Sushruta Samhita (600 BC), an
ayurvedic treatise: Sushruta performed
cosmetic surgery. In fact, his
samhita
describes over 120 surgical instruments, 300
surgical procedures, and classifies human
surgery in 8 categories. The oldest Plastic
Surgery operations probably relate to nasal
reconstruction. In India, Sushruta performed
operations using forehead skin to reconstruct
noses which had been amputated as punishment
for criminals. The earliest written reference
to cataract surgery is found in Sanskrit
manuscripts dating from the 5th century BC.
They are thought to have been written by the
Hindu surgeon Sushruta. He practiced a type
of cataract surgery known as couching or
reclination, in which the cataractous lens
was displaced away from the pupil to lie in
the vitreous cavity in the back of the eye.
This displacement of the lens enabled the
patient to see better. Vision, however, was
still blurred because of the unavailability
of corrective lenses. As recently as the
middle of this century, couching was still
practiced in Egypt, India, and Tibet.
[zie link]
- Sushupti:
Diepe slaaptoestand van een mens.
- Sûta
Gosvâmî:
Zoon
van Romaharshana,
de wijze die de gesprekken tussen
Parîkchit
en S'ukadeva
verhaalde voor de wijzen die bijeen waren
gekomen in het woud van Naimishâranya.
- Sutikshna:
een wijze en leerling van de wijze
Âgastya, die door Râma
werd gezegend. (RRV2-1)
- Sûtra:
een in enkele woorden samengevatte diepe
geestelijke lering. (zie ook sloka)
- Svaha:
Tijdens het uitvoeren van offeranden en
yajñ'a's, wordt regelmatig de
uitdrukking svaha - zo zij
het - gebruikt.
Men zegt bijvoorbeeld: 'kesavaya svaha,
pranaya svaha, indraya svaha'. De
vertaling die meestal gegeven wordt, is:
'Moge dit naar behoren worden verbrand,
mogen de dingen die wij nu in dit heilige
vuur werpen, volledig worden aanvaard en
verteerd, zodat zij door middel van dit vuur
de godheid zullen bereiken waarvoor zij
bestemd zijn: Kes'ava,
Prana,
Indra'
(SSV-23)
- Svapna:
De droomtoestand van een mens.
(SSV-22)
- Svarga:
Hemel (RRV-9)
- Svarûpa:
de oorspronkelijke vorm, de eigenlijke
positie, de eeuwige dienstrelatie met
Krishna, de wezensaard die in ieder leven na
iedere geboorte weer opnieuw wordt opgewekt
ter vervolmaking. Ook: nitya-svarûpa:
de eeuwige band met Krishna
die ieder leven opnieuw moet worden opgewekt
en verder ontwikkeld. Doel van de
zelfverwerkelijking.
- Svarûpa-siddhi:
De
volmaakte realisatie van de wezensaard van de
ziel.
- Swa-dharma:
Draag Gods naam innerlijk in je mee en ga
de goddelijke weg (PV-17)
Eigen
aard, eigen natuur.
- De verworven plichtsbetrachting in
toegewijde dienst.
- De
specifieke op zelfverwerkelijking gerichte
plicht van een bepaald levend wezen
overeenkomstig de religieuze beginselen.
- die taak van vertegenwoordiging van
Krishna's belang die aansluit bij de eigen
aard: de specifiek eigen taak. Het begrip
dharma,
waarmee rechtgeaardheid en religieuze plicht
wordt aangeduid betekent ook 'de wezenlijke
aard', individueel toegepast met het
voorvoegsel sva (= eigen aard, eigen
natuur) aangegeven.
- 'sva
vimarsha
moksha':
'Zelfonderzoek leidt naar bevrijding'
(SSV-14)
- Swami:
Heer,
geestelijk leermeester, iemand die zijn geest
en zintuigen volmaakt in bedwang heeft;
letterlijk: hij die één is met
zijn Zelf. Het is ook de aanspreektitel van
Sathya Sai Baba.
Eretitel
voor geestelijk leraren.
- Swartha:
Het goede (PV-6)
- S'yâmasundara:
(s'yâma
- zwart; sundara - zeer schoon) Een naam van
Krishna in Zijn oorspronkelijke zwarte
gedaante. S'yâmasundar:
Schoonheid van de grijze huid. Hoogste
gedaante van Krishna als jongeling in
Vrindâvana, bekend met pauweveer,
dwarsfluit en gele dhoti.
- Symbolen
van Krishna
(Vishnu):
de
lotus betekent zuiverheid, de knots staat
voor Zijn heerschappij, de cakra voor de orde
van de tijd en de schelphoorn voor de
prediking, de oproep voor de strijd tegen
mâyâ. De symbolen samen zeggen
dus: 'wees zuiver met de orde van de tijd en
verkondig dat terwille van de heerschappij
van het behoud van God en de zijnen.'
|