Altijd
zijn er leraren geweest, en ze zijn er ook nu nog en
zullen blijven komen, die de mens hebben getoond welke
hoogten hij kan bereiken als hij zijn lichamelijke,
verstandelijke en intuïtieve vermogens ten volle
aanwendt en blijvend op één doel richt.
De menselijke geest verlustigt zich in uiterlijkheden
en richt zich doelloos en kritiserend op de
buitenwereld. Hoe kan hij dan worden geoefend in
standvastigheid?
S'rîmad
Bhâgavatam
Iedereen behoort
zich deze vraag te stellen: Waarom kan ik niet de
volmaaktheid bereiken van de grote en wijze zielen
(Mahatma's, Mahapurusha's) die net als ik
gewone mensen zijn geweest? Wanneer ik hun methoden
toepas kan ik net zo vooruitgaan. Wat win ik ermee als
ik mijn tijd verdoe met het opsporen van de gebreken
en zwakheden van anderen? Het is daarom onze eerste
geestelijke plicht (sadhana) de gebreken en
zwakheden in ons zelf op te sporen, ze te verbeteren
en volmaakt te worden.
Het werk dat we
onophoudelijk elke dag weer doen heeft als doel en
rechtvaardiging dat we vervulling vinden in het
genieten van het goede van onze laatste dagen. Maar op
iedere dag volgt ook weer een nacht. Wanneer de dag is
doorgebracht met heilzaam werk, zal de nacht ons
zegenen met een diepe slaap, de slaap waarvan is
gezegd dat hij verwant is aan een geestelijke toestand
waarin alle dualiteit is overstegen
(samadhi).
De mens leeft maar
een korte tijd op aarde. Maar zelfs in dat korte leven
kan hij, als hij zo wijs is de tijd zorgvuldig te
benutten, goddelijke vreugde verwerven. Van twee
mensen die er eender uitzien, die beiden zo te zien
gewone stervelingen zijn, en die opgroeien in dezelfde
omstandigheden, blijkt de ene een engel te zijn en
blijft de andere in zijn dierlijkheid steken. Waardoor
ontwikkelen zij zich zo verschillend? Dat komt door de
gewoonten, door de gedragingen die daaruit voortkomen
en door het karakter waarin het gedrag zich vastlegt.
De mens is een schepping van karakter.