ramkatha-titel.gif (4275 bytes) 




 





Hoofdstuk 9
De Onderwereld
[
in het Engels]

 

 

  

Râma omhelsde Vibhishana, Hanumân, Nala, Nila en anderen en bracht allen in vervoering met Zijn goddelijke aanraking, die de pijnen die hen kwelden in een oogwenk deed verdwijnen en de wonden op hun lichaam heelde. De Vânara's waren opgetogen bij het aanschouwen van Râma's gelaat, dat straalde van geluk. Râma liet zijn blik vol mededogen rusten op de Vânara's.

Sulochana, de vrouw van Meghanada, had intussen het nieuws van de dood van haar man gehoord van haar dienaressen, die haastig naar haar toe waren gegaan met de tragische boodschap. Râvana sprak: 'Tot vandaag heb ik geloofd dat Meghanada of Kumbhakarna zich zonder moeite van hun lichte taak zouden kwijten. Thans heb ik met eigen ogen gezien dat zij hebben gefaald. Ik schaam mij dat Meghanada het slachtoffer is geworden van een aanval door een apenleger. Hoe kunnen degenen die door apen worden gedood aanspraak maken op heldendom?' Hij trachtte Sulochana te troosten en sprak: 'Geachte schoondochter! Wees niet langer bedroefd. Denk niet dat ik tot dat soort helden behoor. Binnen het uur zal ik je bemoediging en vertroosting brengen. Je kunt van mijn formidabele kracht op het slagveld getuige zijn. Ik zal de hoofden afrukken van degenen die de dood van je echtgenoot hebben veroorzaakt en ze hier naartoe brengen. Zo zal het geschieden, wees daar zeker van!' Aldus snoefde en raasde Râvana in Sulochana's aanwezigheid. Hij was buiten zinnen van woede.

Na het aanhoren van deze woorden, sprak de wijze en deugdzame Sulochana: 'O, tienhoofdige vorst! Is er ook maar een sprankje hoop in uw hart dat u kunt zegevieren? U waart rond in de diepe duisternis van de begoocheling. Ik heb lange tijd mijn verbolgenheid en teleurstelling onderdrukt, omdat ik het ongepast achtte een schoonvader te weerstreven. In dit geval had het bovendien geen zin te trachten u te overtuigen. Het is uw blinde woede die tot de ondergang van de Râkshasa-bevolking van dit eiland heeft geleid. Laat mij u dit zeggen, u kunt onmogelijk deze oorlog winnen. Dat is de waarheid, de onbetwistbare waarheid.' Sulochana stond abrupt op en begaf zich, eenzaam weeklagend, naar de vertrekken van koningin Mandodari, de moeder van Meghanada. Daar aangekomen, wierp zij zich aan de voeten van haar schoonmoeder en sprak: 'Deze rampspoed is veroorzaakt door uw echtgenoot en door niemand anders. Ook u kunt het onheil niet ontlopen dat ons vandaag of morgen zeker zal treffen.' In deze scherpe en wrede bewoordingen stortte zij haar door verdriet verscheurde hart uit. De gedachte aan de boosaardigheid van Râvana's begeerten en hoe hij prat ging op zijn eigen verdorvenheid, pijnigde ook Mandodari. Zij weende in het besef van de afschuwelijke waarheid van Sulochana's woorden. De twee vrouwen zaten lange tijd zwijgend bijeen. Naderhand beschreven zij elkander de deugden en uitmuntende eigenschappen van Râma en het geduld en de kuisheid van Sîtâ. Zij zeiden bij zichzelf dat, als zij maar een glimp zouden kunnen opvangen van dit goddelijke wezen, hun leven de moeite waard zou zijn.

Râvana kon het niet verdragen getuige te zijn van de zielenpijn die zijn schoondochter, de rouwende Sulochana moest doorstaan. Haar woorden doorboorden zijn hart als scherpe pijlen. Zijn smart om het verlies van zulk een schrandere, liefhebbende zoon was zo hevig, dat hij op de grond viel en wanhopig met zijn hoofden tegen de vloer bonsde. Nadat hij was opgestaan, begaf hij zich naar zijn lievelingstempel en liet voor het S'iva-beeld zijn gevoelens van pijn en vrees de vrije loop. Daar, in die tempel, troffen zijn ministers hem aan. Een van hen sprak: 'O, koning, vanwaar deze zinloze droefheid? Zonen, echtgenoten en alle anderen die wij met liefde overladen, zijn allen als de bliksemschicht die de donkere wolk voor even verlicht. Zij komen en gaan. Het leven is kortstondig als een lichtflits. Als u dit ten volle beseft, is het niet juist u in onwetendheid te hullen en te jammeren over het verlies van uw dierbaren. Het is nu tijd om plannen te maken voor de toekomst en de strategie te bepalen voor de vernietiging van de vijand aan onze poorten.' Zij poogden Râvana te troosten en hem met allerlei argumenten te herinneren aan zijn meest voor de hand liggende taak. Tenslotte vouwde Râvana zijn twintig handen en terwijl hij tot S'iva bad, wierp hij zich in nederig eerbetoon op de tempelvloer.

Toen dit alles op aarde geschiedde, kwam Ahiravana, die in de onderwereld verbleef, tot het besef dat Râvana gebukt ging onder een loden last van smart. Hij dacht bij zichzelf: 'Hoe is het mogelijk? Hij heeft de ganse wereld in zijn macht! Niemand kan hem verslaan! Ahiravana vereerde geen andere godheid dan de godin Kamada. Hij begon onmiddellijk met het overpeinzen van haar naam en zij onthulde haar toegewijde waar Râvana zich op dat ogenblik bevond. Zo kwam het dat hij voor Râvana verscheen in de S'iva-tempel. Hij wierp zich aan Râvana's voeten en noemde zijn naam. Ahiravana was niemand anders dan een van Râvana's zonen. Hij vroeg naar de reden van zijn vaders moedeloosheid. Râvana vertelde hem wat er allemaal was voorgevallen sinds de broers Râma en Lakshmana de neus en oren van Surpanakha hadden afgesneden. De geschiedenis bedroefde Ahiravana zeer. Hij sprak: 'Het pad der moraliteit wordt door iedereen waar ook ter wereld, verheerlijkt. Door van dat pad af te wijken en het pad van immoraliteit te verkiezen, doet de vrees zijn intrede in het hart. In plaats van aandacht te schenken aan het verleden en de toekomst en het waarschijnlijke verloop der gebeurtenissen, hebt u zich in deze dwaze en rampzalige oorlog gestort. U hebt dientengevolge uw clan en uw dynastie naar de ondergang gevoerd. U weet niet hoeveel heldenmoed en macht in de mens sluimert. U hebt de grootsten onder hen beschouwd als de minsten en de laagsten. Toch wil ik u thans iets zeggen. Ik zal Râma en Lakshmana gevangen nemen en met mij meenemen naar de onderwereld. Ik zal hen offeren aan de godin Kamada. Daarmee zal ik de Râkshasa-naam oneindige roem verschaffen.' Met deze woorden wierp hij zich ter aarde voor Râvana en betuigde hij zijn eerbied aan de godin Kamada. Toen betrad hij het kamp van Râma, riep met zijn bovennatuurlijke krachten de geest van de duisternis op en omhulde de Vânara's met inktzwarte duisternis. Niemand van hen kon een hand voor ogen zien, zo diep was de duisternis die allen omgaf. In het kamp der Vânara's heerste uiterste waakzaamheid. De dood zelf waagde het niet die plaats te betreden. Hanumân, de Vânara-wachter, kon zijn staart zo enorm verlengen, dat hij het kamp vele malen ermee kon omcirkelen, zodat de windingen van de spiraal boven elkaar een hoge muur vormden, met de vastheid en omvang van een bergwand. Hanumân zelf hield, op elk gevaar bedacht, de wacht bij de enige poort die toegang gaf tot deze ondoordringbare vesting.

Toen Ahiravana deze door een staart gevormde vestingmuur zag, werd hij door grote vrees bevangen. Hij was niet in staat enige strategie te bedenken waarmee hij deze verdediging zou kunnen doorbreken. Toen hem inviel wat te doen, veranderde hij zich in een gedaante met de gelijkenis van Vibhishana en sprak Hanumân aan, die voor de poort stond en sprak: 'Vriend, Râma wacht op mij. Ik ben met zijn goedkeuring buiten het kamp geweest voor mijn avondgebeden en -rituelen. Zij zijn thans volvoerd. Als ik niet onverwijld naar Hem terugkeer, zou ik de zonde begaan van het niet opvolgen van zijn bevel. Laat mij daarom het kamp binnengaan.' Hanumân werd misleid door de stem en het voorkomen van iemand die hem Vibhishana zelf toescheen en hij verleende hem toegang tot het kamp. Ahiravana trof Nala [RRV-5] en Sugriva in diepe slaap aan, aangezien zij uitgeput waren door de strijd van die dag. Ook Râma lag te slapen, hand in hand met zijn broer Lakshmana. De nadering van de pseudo-Vibhishana ging niet onopgemerkt aan Râma voorbij. Râma was geïncarneerd in een menselijk lichaam met als doel het hele Râkshasa-ras te vernietigen en weg te vagen. Doch zolang de nakomelingen van Râvana nog voortleefden in de onderwereld, bleef Zijn taak onvoltooid. Hij speelde dus Zijn rol en deed alsof Hij niets afwist van de list waaraan Ahiravana zich wilde bezondigen. Niemand kon Zijn wegen doorgronden. Hij weet waar, wanneer en met welke middelen de vernietiging zal plaatsvinden. Hij speelt op eigen wijze zijn rol in het drama.

De Râkshasa reciteerde de Mohana-mantra, die iedereen van wie hij dit wilde, in zwijm deed vallen en het bewustzijn verliezen. Het maakte dat de Vânara-helden nog dieper in slaap verzonken. Toen bond hij Râma en Lakshmana vast en voerde hen naar zijn gebied in de ingewanden der aarde, de streek genaamd Pâtâla ('de wereld van de meesterslangen') [zie ook S.B. 5.24: 31].

Na enige tijd ontwaakten de Vânara's. Er heerste grote verslagenheid bij de ontdekking dat Râma en Lakshmana niet langer in hun midden waren. Op de plek waar zij hadden liggen slapen was een diepe kuil ontstaan. Weldra vulde het gehele kamp zich met geschrei en gekerm. De Vânara's voelden zich even ellendig als de hemel zonder maan of lotusbloemen zonder water. Zij begonnen in alle windrichtingen naar de broers te zoeken. Van velen leidde de zoektocht naar de zeekust. Anderen speurden rond in het omliggende gebied van het kamp. Niemand kon enig spoor ontdekken. De Vânara's verloren hun hoop en moed. Ze werden overweldigd door smart en vertwijfeling. 'Alle Râkshasa-krijgers zijn gedood. Slechts Râvana heeft de strijd overleefd doch zijn dagen zijn geteld. Op dit kritieke ogenblik heeft het ongeluk ons ingehaald.' Aldus beweenden de Vânara's hun lot. Sugriva, de koning der Vânara's stortte bewusteloos ter aarde.

Vibhishana, die nog onkundig was van dit incident, keerde in natte kledij terug van zijn rituele wassing in zee van die ochtend. De Vânara's liepen haastig op hem toe en onthulden hem dat Râma en Lakshmana nergens in het kamp te vinden waren. Heel even was Vibhishana diep bedroefd. Maar aangezien hij vertrouwd was met de bovennatuurlijke krachten van de Râkshasa's en de listige streken die zij daardoor konden leveren, vermoedde hij ogenblikkelijk wat de ware toedracht was van het geheime plan. 'Komaan, laat ons het kamp binnengaan', zei hij tot hen. Zijn reactie troostte hen enigszins. Toen hij Hanumân aansprak bij de poort was deze verbaasd en geschokt. Hanumân vroeg: 'Hoe is dit mogelijk? U bent zojuist nog door deze poort het kamp binnengegaan. U hebt mij zelf daarvoor toestemming gevraagd.' Nu werd Vibhishana alles duidelijk. Het stond hem helder voor de geest wat er was geschied. Hij sprak tot de Vânara's: 'Vânara's! Wees niet bekommerd. Ahiravana, Râvana's zoon, is een meester in dergelijke listen. Hij woont in Pâtâla, de onderwereld. Te oordelen naar de diepte van deze kuil, ben ik er zeker van dat hij het is die Râma en Lakshmana naar zijn eigen onderaardse verblijfplaats heeft ontvoerd. Ik heb daarover niet de minste twijfel, want niemand anders is in staat mijn gedaante aan te nemen. Wees niet ontmoedigd. Het zou het beste zijn als een van ons, die daartoe de macht heeft, zich naar die plaats begeeft.' Vibhishana keek om zich heen en toen hij Hanumân ontwaardde, sprak hij: 'Hanumân! Je kracht van lichaam en geest zijn wereldwijd bekend. Ga terstond naar Pâtâla en breng ons deze oceaan van genade, Râma en Lakshmana, weer terug.' Vibhishana beschreef tevens de route die Hanumân moest volgen om Pâtâla te bereiken. Sugriva, Angada en Jâmbavântha omhelsden Hanumân met tranen van vreugde.

Hanumân vroeg toestemming om te vertrekken aan zijn koninklijke meester Sugriva. Voordat hij op weg ging om zijn opdracht uit te voeren, zei hij tot de Vânara's: 'Wees niet bevreesd. Wees in het geheel niet bezorgd. Wie ik ook tegenover mij zal vinden, ik zal hem doden, al zou het mijzelf het leven kosten. Spoedig zal ik met Râma en Lakshmana voor je staan, wees daarvan overtuigd.' Met deze woorden en met de uitroep 'Jai Râma, Jai Râma', nam Hanumân afscheid. Toen hij het Pâtâla-gebied bereikt had, rustte hij even uit onder een boom. Hij hoorde dat er twee vogels boven hem zaten die luid met elkaar spraken. Hanumân kende de taal der vogels, dus luisterde hij naar hun gesprek. 'Mijn beste', sprak de ene vogel, 'Ahiravana heeft twee broers, Râma en Lakshmana, hierheen gebracht en heeft alle voorbereidingen getroffen om hen beiden te offeren aan de godin Kamada, op ditzelfde ogenblik. Na het offer zal hij de beide heilige lichamen wegwerpen. Wij zullen ons naar hartelust tegoed kunnen doen aan deze heilige lichamen. Deze dag is een feestdag voor ons.' Hanumân stond abrupt op van zijn plek onder de boom. Hij siste van woede, als een cobra die op zijn staart is getrapt en schoot naar voren als een reusachtige vlam. 'Ach! Ik heb angst om wat mijn Heer nu reeds kan zijn overkomen', jammerde hij. Hij benaderde de hoofdstad van Ahiravana. Reeds bij de toegangspoort moest hij vechten met Makaradhvaja, de wacht in de gedaante van een aap, en hem overmeesteren. Aangezien de wacht een soortgenoot voor zich zag, vroeg hij echter eerst naar diens afkomst en levensgeschiedenis. Hanumân slaagde erin zijn vertrouwen te winnen en hem bijzonderheden te ontfutselen over het lot van Râma en Lakshmana. Hij kwam bovendien te weten dat de broers in de ochtendstond naar de tempel van de godin Kamada geleid zouden worden om als menselijk offer aan de godin te dienen.

Hanumân vroeg Makaradhvaja, de apenwachter van Pâtâla, waar de wrede opperheer van de onderwereld de twee broers verborgen hield. Makaradhvaja gaf hem een nauwkeurige beschrijving van dat oord. Hij voegde er echter aan toe dat hij hem onder geen beding tot dat gebied zou toelaten, want hij moest zijn meester gehoorzamen en hem en zijn belangen loyaal verdedigen. 'Welk leed ik ook zal moeten verdragen, ik zal je niet binnenlaten', sprak hij. 'Als ik dat zou doen, louter omwille van de omstandigheid dat je een aap bent, zou ik mij daarmee onbetrouwbaar en ondankbaar tonen en zo de gehele apensoort onteren. Mijn heer Ahiravana is voor mij even aanbiddelijk als jouw Heer Râma dat is voor jou. Dus, hoe nauw verwant aan mij je ook mag zijn, ik zal wankelen nog afdwalen. Ik moet mijn plicht vervullen en zijn bevel uitvoeren. Je kunt slechts dan binnengaan nadat je mij in een tweegevecht hebt verslagen', sprak hij.

Hanumân had waardering voor zijn opvattingen en zijn plichtsbesef. Het stemde hem tevreden dat Makaradhvaja het juiste standpunt had ingenomen. Hij nam de uitdaging aan en bond de strijd met hem aan. Na enige tijd fel gestreden te hebben, besloot Hanumân dat het ongewenst was nog langer door te gaan. Dus wond hij zijn staart om het lichaam van Makaradhvaja heen en wierp hem ver weg. Hierna trok hij onverschrokken de hoofdstad binnen. Hij ontwaarde een bloemenverkoper die door de poort liep met een prachtige grote krans van welriekende bloemen. Toen hij besloten had dat hij zodoende de beste kans had de gewenste plaats te bereiken, nam hij eensklaps een onzichtbaar kleine vorm aan en nam plaats op de bloemenslinger. Die werd daardoor geen greintje zwaarder en de bloemenverkoper had geen idee wat er was geschied. Voor hem was er hoegenaamd niets veranderd. De krans werd aan Ahiravana persoonlijk overhandigd, die hem om de hals legde van het Kamada-beeld in de tempel. Hij offerde bovendien allerlei kostelijke spijzen als gewijd voedsel aan het beeld. Zodra hij, vanaf zijn positie op de krans om Kamada's hals, merkte dat het voedsel voor het beeld werd geplaatst, at Hanumân het op. De Râkshasa's zagen het verdwijnen en waren opgetogen dat hun godin zich verwaardigd had hun offerande te aanvaarden. Ook Ahiravana was tevreden bij de gedachte dat 'die dag zijn gebeden waren verhoord en hij het summum van geluk bereikt had'.

Intussen werden de broers Râma en Lakshmana binnengeleid met de versieringen waarmee men gewoonlijk offerdieren tooit. Reusachtige Râkshasa-krijgers hielden hen aan weerszijden aan hun armen vast. Hanumân zag hoe zij gedwongen werden naast het offeraltaar te gaan staan. Vanwaar hij zich bevond, boog Hanumân zich eerbiedig voor Râma en vulde zijn geest met liefde en verering voor Hem. De wachters plaatsten de broers recht voor het beeld en zetten scherpe zwaarden op hun keel. Ahiravana gebood dat het leven van de twee op het altaar geofferd zou worden, onmiddellijk na het zwaaien met de heilige vlam en dat zij zich gereed moesten houden om hun taak ogenblikkelijk uit te voeren.

Râma en Lakshmana, die in werkelijkheid goddelijke wezens waren die de rol van mens speelden, hadden ontdekt dat het Hanumân was die de offergaven had opgegeten die Ahiravana voor de godin had geplaatst. Deze wetenschap bracht hen ertoe de op handen zijnde gebeurtenissen blijmoedig onder ogen te zien. Het dreef Ahiravana tot razernij de broers zo luchthartig en glimlachend te zien. Hij sprak: 'Wel, als de luttele seconden die u nog te leven hebt, u zoveel vreugde verschaffen, zal ik u die niet misgunnen. Wees gelukkig zolang u kunt. Weldra kunt u glimlachen in het rijk van Yama, de god des doods.' Hij keek niet naar de broers, maar lachte om hun lot en bleef wrede woorden uiten om hen nog meer te pijnigen. Daarop verrees de priester die, na zijn meester eer te hebben bewezen, hem liet weten dat de politieke zedenwet vereist dat de slachtoffers toestemming wordt gegeven om, als ze dat wensen, te bidden tot hun beschermer om vrede na de dood. De Râkshasa-opperheer verrees voor zijn zetel en kondigde aan: 'Prinsen! Als er ook maar iemand is die begaan is met uw welzijn, dan is het nu de tijd om uw dankbaarheid daarvoor uit te spreken, aangezien het met uw leven in enkele seconden gedaan zal zijn.' Râma en Lakshmana keken elkaar in het gelaat en glimlachten.

Op dat ogenblik liet Hanumân een verschrikkelijk gebrul horen. Toen zij dat hoorden, veronderstelden de Râkshasa's dat hun godin zich had gemanifesteerd en uitdrukking gaf aan haar gramschap. Hanumân sprong van de bloemenkrans af, nam zijn angstaanjagende vorm aan en greep het zwaard dat de godin in haar hand hield. Met datzelfde zwaard sloeg hij Ahiravana neer en hieuw hem aan stukken. Doch diens lichaam was zo hard als diamant. Bovendien had hij eens een geheimzinnige gunst verworven, die maakte dat de stukken zich weer samenvoegden tot een geheel, zodra zij van elkaar gescheiden werden. Met Râma in zijn geest geprent en met de kreet 'Jai Râma', greep Hanumân tenslotte het hoofd met de ene hand en sneed met de andere Ahiravana's keel door. Voordat hoofd en romp zich weer konden samenvoegen, wierp Hanumân het hoofd in het laaiende vuur in de offerkuil voor het beeld van de godin Kamada.

Op datzelfde ogenblik slaagde Makaradhvaja erin, de tempel en het beeld van de godin te bereiken. Toen hij hem zag, nam Hanumân de gouden kroon van Ahiravana's hoofd en terwijl hij die op het hoofd van Makaradhvaja zette, riep hij hem uit tot heerser van Pâtâla en gaf hem de raad de broers eeuwig dankbaar te zijn en hun immer trouw en toegewijd te blijven. Met Râma en Lakshmana op zijn schouders gezeten, kwam hij met één sprong vanuit Pâtâla veilig terecht temidden van de Vânara-horden, die vurig verlangend naar hen uitkeken. Vibhishana was een van de velen die zijn vreugde niet kon bedwingen toen hij de broers gezond en wel voor zich zag. Zij wierpen zich aan de voeten van Râma en Lakshmana. Zij drukten Hanumân aan het hart en schreiden tranen van dankbaarheid. De Vânara's prezen Hanumân in duizend lofzangen. Zij droegen hem op de schouders, brachten hem voedsel en liefkoosden hem. Zij omhelsden hem en stortten hun liefde over hem uit. Vibhishana stond voor Râma en sprak: 'Heer! Wat moet ik zeggen over Uw lîlâ, uw goddelijk spel? U alleen kunt ons de betekenis van Uw handelingen openbaren. U bent op aarde gekomen met het vaste voornemen de Râkshasa's, zelfs die van de onderwereld, uit te roeien. Ik weet dat dit hele toneelspel ten doel heeft dat plan te verwezenlijken.' [luister naar een loflied voor Hanumân - tekst en zie ook S.B. 5.19: De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha]

Het kwam Râvana ter ore dat Râma en Lakshmana door Hanumân waren teruggebracht uit het koninkrijk van Ahiravana. Hij kreeg tevens het tragische bericht van de dood van zijn zoon Ahiravana. Hij zeeg ineen en viel op de grond. Luid en langdurig beweende hij zijn verlies en uit zijn ogen vloeide een stroom van tranen. Koningin Mandodari zocht hem op en deed haar uiterste best om hem te troosten en zijn smart te verlichten. Hij nam haar woorden niet ter harte, maar werd daarentegen steeds razender door haar vriendelijke raadgevingen. Râvana verzamelde moed en stond plotseling op om een minister te woord te staan die zich bij hem had aangediend. Zijn naam was Sindhuranatha. Hij was een hooggeacht, wijs staatsman en hoogbejaard. Eens onderhield hij nauwe betrekkingen met Vibhishana, toen deze nog in Lankâ verbleef. Hij gaf Râvana goede raad omtrent allerlei deugden en zedelijke beginselen en de vergankelijkheid van mens en materie. Râvana sloeg geen acht op zijn woorden en hoorde ze zelfs met duidelijke afkeer aan. De minister was bedroefd toen hij zag hoe Râvana reageerde. Hij dacht: 'In tijden van tegenspoed wordt ook het verstandelijk vermogen verwrongen. Arme Râvana! Hij gaat zijn ondergang tegemoet en daarom klinkt zelfs vriendelijk advies hem hatelijk in de oren.' Toch zette hij uit mededogen zijn welwillende raadgevingen voort.

Râvana zei bij zichzelf: 'Al mijn vrienden en verwanten zijn afgeslacht. Niemand van hen is nog in leven.' Op dat ogenblik sprak een oude minister: 'Waarom zegt u dat? U hebt nog een zoon, Narantaka, die leeft en 720 miljoen Râkshasa's bij zich heeft. Vraag hem om hulp en zend onmiddellijk een boodschapper naar hem toe. Hij is in staat de vijand te vernietigen, wees daarvan overtuigd.' Râvana raakte opgetogen bij deze woorden. Hij zond de boodschapper, genaamd Dhoomakethu, met de opdracht de schrandere Narantaka mee terug te brengen. De bode beschreef de tragedie die Lankâ had getroffen en bracht het dringende verzoek om hulp van Râvana over. Narantaka begaf zich terstond op weg met zijn horden en zodra hij het slagveld bereikte, stortte hij zich op de Vânara-strijdkrachten. Hanumân zag hem van verre aankomen en ging hem tegemoet. Toen Narantaka Hanumân in zijn verschrikkelijke gedaante aanschouwde, sloeg de angst hem om het hart. Hij vroeg aan Dhoomakethu wie dat was. Deze vertelde hem dat het Hanumân was, de onoverwinnelijke held, die al zijn broers had gedood. Toen hij dit hoorde, viel Narantaka nog feller aan en schoot de ene na de andere pijl op Hanumân af. Deze ving echter alle pijlen in zijn hand op en brak ze in stukken. Hij kwam heel dicht bij Narantaka staan en stompte met zijn gebalde vuisten hard op diens borst. Toen tilde hij hem op, draaide hem enige malen snel in het rond en wierp hem in de diepte van de onderwereld, in een streek genaamd Rasâtala [S.B. 5.24: 30]. Miljoenen van zijn Râkshasa-volgelingen werden in de zee geworpen. Hanumân sloeg de strijdwagens van Narantaka tot gruizels en doodde tevens de wagenmenner.

 

 

 

Râma (vreugde-bron) de Hoogste Genieter of oneindig Gelukzalige.
- Incarnatie van Krishna (Vishnu-tattva), ookwel Râmacandra genaamd: de Vishnu-avatâra die samen met Hanumân en zijn apen-horden en Zijn eeuwige metgezel en broer Lakshmana de demon Râvana, versloeg om Sîtâ te bevrijden, Zijn vrouw die door de demon was ontvoerd (zie S.B.
9. 10 en 9.11).
Sîtâ: de echtgenote van Râma waar het in de Ramâyana allemaal om draait: ze werd ontvoerd door de demon Râvana. Ook Janakî, als de dochter van Janaka genoemd. Ze werd Sîtâ of 'voor' genoemd omdat naar verluid ze uit een voor in de aarde was geboren die door Janaka tijdens het ploegen was gemaakt om de aarde voor te bereiden op een offer door hem ingesteld om nageslacht te krijgen, vandaar haar bijnaam Ayoni-ja, "niet uit de baarmoeder geboren". (Sita, zonder streepjes betekent ook het heldere van het maanlicht, blank, licht, gebonden en verbonden, terwijl het candra van Râmacandra slaat op de maan).
Lakshmana: broer van Râma die met Hem mee de wildernis inging bij Zijn verbanning.
Ayodhyâ: stad van Heer Râma en de koningen van de sûrya
vams'a.
Vams'a: dynastie; Heer Râma verscheen in de sûrya-vams'a van Ikshvâku ofwel de zonnedynastie en Heer Krishna verscheen in de candra-vams'a ofwel de maan-dynastie.   
Ikshvâku: een zoon van Manu, die in het verleden de kennis van de Bhagavad-gîtâ ontving (
S.B. 9.6: 4). Ook bekend onder de naam van zijn dynastie, waarin Heer Râma verscheen.
Râkshasa's: bepaald soort demonen, wildemannen, ookwel asura's genoemd, een begrip met een ruimere betekenis dat een ieder aanduidt die zich niet aan de regels houdt en slechts op genieten uit is en daarnaast ook de demonen aanduidt die zich openlijk tegen de godsdienstige beginselen verzetten en kwaadaardigen die tegen Râma en Krishna vechten. - Mensen-eters.
Lankâ: De stad van Râvana, hoofd van de Râkshasa's, die Heer Râma bevochten en Sîtâ ontvoeren.
Sugriva: Apen-koning, broer van Vali; met zijn apenleger met als leider Hanumân, assisteerde hij Râma om Râvana te verslaan.
Vali: Een grote apen-koning; de broer en tegelijkertijd vijand van Sugriva.
Hanumân: aapgod die Heer Râma's vanâra's (aapachtige bosbewoners) leidde in de strijd tegen de demon Râvana. Hij staat in Arjuna's vaandel als teken van overwinning. (Zie ook het gebed van Hanumân S.B.
5.19 en de Râma-hoofdstukken S.B. 9:10 & 11).
Jâmbavân: 'hij van de Jambû-bomen', de aanvoerder der apen, ook de aanvoerder of koning der beren genaamd. Hij mat zich met Krishna vanwege het syamantaka juweel, werd verslagen en overhandigde zijn dochter Jâmbavatî aan Krishna om mee te trouwen (zie
S.B. 10.56). Een bekend karakter ook vermeld in samenhang met Râma in S.B. 8.21: 8 en in S.B. 9.10: 42-43.
Râvana: de machtige demon genaamd tien-kop, die een trap naar de hemel wilde bouwen en de straten met goud wilde plaveien, maar door Krishna in diens Râma - incarnatie werd gedood nadat hij Sîtâ ontvoerd had.
Vibhishana: Râvana's broer, die Lankâ verlaat om zich bij Râma te voegen.

 

Schilderij van papegaaien-koppeltje door onbekende Indiase artiest

Inhoud van deze Vahini | vorige bladzijde | volgende bladzijde
bhajans