Dit is een e-boek geschikte download. Ga voor de online versie met de illustraties en links naar:
http://vahini.org/nedramakatha/ramakathaned.html

 
RAMAKATHA RASAVAHINI Deel 1

 

Over dit boek door N. Kasturi
De diepere betekenis door Sathya Sai Baba

Hoofdstuk 1: Rama - prins en principe
Hoofdstuk 2: Het keizerlijk geslacht
Hoofdstuk 3: Geen vaderschap voor Dasaratha
Hoofdstuk 4: De zonen
Hoofdstuk 5: De goeroe en de leerlingen
Hoofdstuk 6a: De oproep en de eerste overwinning
Hoofdstuk 6b: De oproep en de eerste overwinning
Hoofdstuk 7a: Het veroveren van Sita
Hoofdstuk 7b: Het veroveren van Sita
Hoofdstuk 7c: Het veroveren van Sita
Hoofdstuk 7d: Het veroveren van Sita
Hoofdstuk 8: Nogmaals een uitdaging
Hoofdstuk 9: Voorbereidingen tot de kroning
Hoofdstuk 10a: De twee gunsten
Hoofdstuk 10b: De twee gunsten
Hoofdstuk 10c: De twee gunsten
Hoofdstuk 11a: Ook Lakshmana
Hoofdstuk 11b: Ook Lakshmana
Hoofdstuk 12: Sita houdt vol en bereikt haar doel
Hoofdstuk 13: In ballingschap gaan
Hoofdstuk 14a: Naar het woud
Hoofdstuk 14b: Naar het woud
Hoofdstuk 15: Bij de kluizenaars
Hoofdstuk 16a: Droefheid in Ayodhya
Hoofdstuk 16b: Droefheid in Ayodhya
Hoofdstuk 17a: De broers ontmoeten elkaar
Hoofdstuk 17b: De broers ontmoeten elkaar
Hoofdstuk 17c: De broers ontmoeten elkaar
Hoofdstuk 18: De sandalen op de troon

Voorwoord door N. Kasturi - Over dit boek

Reeds eeuwenlang is de Ramayana een stroom van heilige nectar (Ramakatha Rasavahini) voor miljoenen mannen, vrouwen en kinderen, een nooit opdrogende bron van vertroosting bij verdriet, van bezieling als zij door weifeling werden overvallen, van klaarheid als zij in verwarring verkeerden en van inspiratie in ogenblikken van neerslachtigheid. Het was hun gids in benarde situaties. Het is een intens menselijk drama, waarin God de rol van mens op zich neemt en op het onmetelijke wereldtoneel ons om zich heen schaart, of wij nu volmaakt of onvolmaakt zijn, menselijk of minder dan menselijk, of wij beest zijn of demon, om ons door zijn leringen en zijn voorbeeld de gave van opperste wijsheid te schenken. Het is een verhaal dat met zijn zachte vingers de snaren van onze ziel beroert, de klare, vloeiende akkoorden oproepend van pathos, medelijden, verrukking, aanbidding, extase en overgave, die ons omvormen van het dierlijke en menselijke tot het Goddelijke, dat de kern van ons wezen is.

Er is niet èèn verhaal in de geschiedenis der mensheid dat zulke diepe sporen heeft nagelaten in de menselijke geest. Het reikt uit boven de mijlpalen van geschiedenis en de grenzen van aardrijkskunde. Het heeft de levenshouding en de gewoonten van generaties gevormd en op een hoger plan gebracht. De Ramayana, het verhaal van Rama, is in een groot deel van de wereld geworden als een geneeskrachtige cel in de bloedsomloop van de mensheid. Het heeft wortel geschoten in het geweten van volkeren en ze geprikkeld en voortgedreven langs het pad van waarheid, rechtschapenheid, vrede en liefde.

Door mythen en legenden, wiegeliederen en vertellingen, dans, toneel en muziek, door schilder- en beeldhouwkunst, en door rituelen, symbolen en gedichten, werd Rama de adem, de gelukzaligheid en de schat van talrijke zoekers en spirituele aspiranten. De figuren in het verhaal van Rama hebben hen genood tot navolging en tot hun eigen verheffing. Met hun roemrijke daden en hun avonturen zijn zij een schitterend voorbeeld geweest; zij hebben de wankelmoedigen gewaarschuwd tegen ondeugd en geweld, tegen hoogmoed en kleinzieligheid en hen aangemoedigd door hun voorbeeld van trouw en standvastigheid. Aan elke taal en elk dialect dat de menselijke tong heeft aangewend om aan zijn hogere verlangens uiting te geven, heeft het verhaal van Rama een unieke, verrijkende liefelijkheid toegevoegd.

Sai (Isa, God) wiens gedachte het universum is en wiens wil daarvan de geschiedenis bepaalt, is de auteur, regisseur, acteur, getuige en waardebepaler van het drama dat zich voortdurend ontvouwt in tijd en ruimte. Hij heeft zich nu verwaardigd om zelf het verhaal te vertellen van dit ene epische bedrijf uit het drama, waarin Hij de rol van Rama op zich heeft genomen. Als Rama heeft Sai zijn tijdgenoten in het treta-tijdperk onderwezen, geïnspireerd en kracht gegeven, gecorrigeerd, getroost en bemoedigd. Als Sai Rama werkt Hij nu aan diezelfde taak. Het merendeel van wat de lezers van Sanathana Sarathi de laatste jaren maandelijks met ijver en welgevallen hebben bestudeerd - als afleveringen van de Ramakatha Rasavahini - moet hun daarom zijn voorgekomen als  'gebeurtenissen en ervaringen van deze tijd' en 'tot henzelf gerichte goede raad die betrekking heeft op hun huidige vraagstukken en moeilijkheden'. Bij het lezen van deze bladzijden zullen de lezers dikwijls verrast zijn dat de Rama van dit verhaal identiek is aan de Sai Rama van wie zij nu getuige zijn.

De natuurwetenschappen hebben deze aarde gemaakt tot iets wat samengeperst is als de capsule van een ruimteschip waarin de mensheid haar lot moet ondergaan. De Sai-wetenschap (Sai-ence) is, zoals wij weten, dit ruimteschip met grote vaart aan het omvormen tot een gelukkig tehuis van liefde. Dit boek moet door Sai zijn gewild als een 'wondermiddel' van de hoogste orde, ter verwijdering van alle kwaad dat deze universele liefde in de weg staat. Het kwaad dat zich manifesteert als de morbide zucht naar sensueel genot, het stijgende gebrek aan eerbied voor ouders, onderwijzers, ouderen, geestelijke leiders en voorgangers, de rampzalige lichtzinnigheid en luchthartigheid in maatschappelijke, huwelijks- en familierelaties, het demonisch vertrouwen in geweld als middel tot het bereiken van een immoreel doel, het gemak waarmee men kiest voor terreur en marteling teneinde voordeel te behalen, als individu of groep, en zoveel meer vormen van kwaad.

In dit boek heeft Sai Rama, in zijn eigen eenvoudige, zoetvloeiende en bezielende bewoordingen, zijn goddelijke loopbaan samengevat, als Rama! Wat een groot geluk dat deze goddelijke vertelling ons in handen gegeven is, opdat zij haar stempel op onze gedachten zou drukken en haar in onze harten zou prenten! Moge de bestudering van dit boek ons tot doelmatige en enthousiaste werktuigen maken die zijn missie, het omvormen van de mensheid tot èèn grote familie, zullen voltooien; moge eenieder van ons tevens beseffen dat Sai Rama werkelijkheid is, de enige werkelijkheid die bestaat. Sai heeft verkondigd dat Hij dezelfde, wedergekomen Rama is, en dat Hij zoekt naar zijn vroegere metgezellen en werkers (bantu, zoals Hij ze noemde in Telugu), om hun een rol toe te wijzen in zijn huidige missie van wederopwekking tot rechtschapenheid en het leiden van de mens naar de veilige haven van vrede. Laat ons bidden, terwijl wij de eerste helft van dit verhaal overdenken, dat ook ons een rol toebedeeld zal worden en dat Hij ons ter beloning een visioen van die haven moge schenken.

N. Kasturi
Redacteur Sanathana Sarathi.

De diepere betekenis door Sathya Sai Baba

Rama is de inwoner van ieder lichaam. Hij is de Atma-Rama, de bron van gelukzaligheid in elk individu. Zijn zegeningen kunnen, als zij opwellen uit die innerlijke bron, vrede en gelukzaligheid schenken. Hij is de waarachtige belichaming van de rechtschapenheid, van alle morele wetten die de mensheid in liefde samenbinden tot eenheid. De Ramayana, het verhaal van Rama, leert ons twee lessen: de waarde van onthechting en de noodzaak tot bewustwording van het Goddelijke in ieder wezen. Geloof in God en onthechting van stoffelijk bezit zijn de sleutels tot de bevrijding der mensheid. Geef zintuiglijke gerichtheid op en je zult Rama gewinnen. Sita gaf de wereld van Ayodhya op en kon daarom, in de jaren van Rama's ballingschap, bij Hem zijn. Toen zij verlangende blikken op het gouden hert wierp en zij er zich onweerstaanbaar toe aangetrokken voelde, verloor zij de aanwezigheid van Rama. Het afzien van wereldse verlangens brengt vreugde; gehechtheid doet lijden. Wees in, maar niet van de wereld. De broeders, kameraden, metgezellen en medewerkers van Rama, zij allen zijn een voorbeeld van mensen die vervuld zijn van dharma, de rechtschapenheid die van alle tijden is. Dasharatha vertegenwoordigt het louter lichamelijke, het gebied van de zintuigen. De drie guna's die het menselijk gedrag bepalen - harmonie (sattva), hartstocht (rajas) en passiviteit (tamas) - zijn de drie koninginnen. De vier levensdoelen - de purushartha's - zijn de vier zonen: Lakshmana is het intellect, Sugriva het onderscheidingsvermogen (viveka), Vali is de wanhoop en Hanuman de belichaming van moed. De brug is gebouwd over de oceaan van de zinsbegoocheling. De drie rakshasa-aanvoerders (demonen) zijn de verpersoonlijking van rajasische (Ravana), tamasische (Kumbhakarna)  en sattvische eigenschappen (Vibhishana). Sita is de Brahmajnana, of het bewustzijn van het universele Absolute, dat het individu moet verwerven en zich opnieuw eigen maken, terwijl hij de vuurproef van het leven ondergaat. Maak je hart zuiver en sterk door diep na te denken over de grootsheid van de Ramayana. Wees onwankelbaar in het geloof dat Rama de werkelijkheid vertegenwoordigt van je bestaan.

-BABA-

Hoofdstuk 1: Rama - prins en principe

De naam 'Rama' is de essentie van de Veda's [de oudste heilige Geschriften van de hindoes]; het verhaal van Rama is een oceaan van melk, zuiver en krachtig. Tot op de dag van vandaag heeft er stellig nooit enig gedicht het licht gezien, in welke taal of waar ter wereld ook, dat met dit epos kan wedijveren in grootsheid en schoonheid; maar het heeft gesproken tot de verbeelding van dichters in elke taal en van elk land. Het is de grootste schat die iedere Indiër zo fortuinlijk was te erven.

Rama is de beschermende Godheid van de hindoes; de lichamen waarin zij huizen en de gebouwen waarin deze lichamen wonen, dragen zijn naam. Men kan gerust zeggen dat er geen Indiër bestaat die nog nooit de nectar van Ramakatha, het verhaal van Rama, heeft gedronken. 

De Ramayana, het epos dat de geschiedenis van de Rama-incarnatie beschrijft, is een heilige tekst die eerbiedig geciteerd wordt door mensen van allerlei gesteldheid, door de geleerde zowel als door de eenvoudige ziel, door de miljonair even goed als door de arme. De naam die in de Ramayana verheerlijkt wordt, zuivert van alle kwaad; hij bekeert de zondaar. Hij openbaart ons de gestalte die deze naam draagt, een vorm die zo bekoorlijk is als de naam zelf.

Zoals de zee de bron van alle wateren op aarde is, zo zijn alle schepselen uit Rama geboren. Een zee zonder water is onbestaanbaar en geen schepsel kan zonder Rama ooit bestaan. De azuren oceaan heeft veel gemeen met de Almachtige.

De oceaan is de verblijfplaats van de Almachtige, zoals de mythen en legenden ons verkondigen; daarin wordt Hij beschreven als rustend op de oceaan van melk. Dit is de reden dat Valmiki (zoon van Prachetas), de grote dichter die het epos geschreven heeft, ieder canto ' kanda' genoemd heeft. Kanda betekent water - een uitgestrektheid van water.

Het betekent ook 'suikerriet'. Hoe krom het ook is, op welk deel ervan je ook kauwt, de zoetheid blijft onaangetast en gelijkmatig verdeeld. De stroom van Rama's verhaal baant zich een weg door vele bochten en kronkelingen - niettemin houdt de zoetheid van het teder mededogen (karuna) onverminderd stand door de hele vertelling heen. De rivier stroomt en wendt zich door droefheid, verwondering, spot, ontzag, angst, liefde, wanhoop en dialectiek, maar de voornaamste onderstroom is de liefde tot de rechtschapenheid (dharma) en het mededogen (karuna) dat erdoor gevoed wordt.

De nectar in het Rama-verhaal is als de rivier de Sarayu, die stil langs de stad Ayodhya stroomt, de stad waar Rama geboren werd en waar hij regeerde. De Sarayu ontspringt in de Manasa-Sarovar in de Himalaya, zoals dit verhaal ontstond in de manasa-sarovar; het meer van de geest. De Ramastroom draagt de zoetheid van karuna; de stroom van Lakshmana, zijn broer en toegewijde metgezel, heeft de liefelijkheid van devotie (bhakti); zoals de Sarayu samenvloeit met de Ganges en de wateren zich vermengen, zo vermengen zich ook de stromen van teder mededogen en devotie (het levensverhaal van Rama en dat van Lakshmana) in de Ramayana. Mededogen (karuna) en liefde (prema) maken samen het beeld van Rama's heerlijkheid volledig. Dat beeld vervult voor iedere Indiër het diepste hartsverlangen en ieder spiritueel streven is erop gericht dat te bereiken.

De inspanningen van het individu reiken slechts tot halverwege zijn doel; de andere helft van de weg daarheen legt hij af bij de gratie Gods. De mens komt tot verwerkelijking door zijn eigen prestaties zowel als door goddelijke zegeningen; zijn zelfverwerkelijking voert hem over de oceaan van dualisme tot het innerlijke en transcendente Zelf.

Niet als het verslag van een menselijke levensweg moet de Ramayana worden gelezen, maar als de vertelling van de nederdaling en de verrichtingen van een Avatar - een goddelijke incarnatie. De mens moet er vastbesloten naar streven om de idealen die in dat verhaal geopenbaard worden door zijn eigen ervaringen te verwezenlijken. God is alwetend, aldoordringend en almachtig. De woorden die Hij spreekt in zijn menselijke verschijningsvorm, de daden die Hij zich verwaardigt te verrichten tijdens zijn verblijf op aarde, zij zijn ondoorgrondelijk en van buitengewone betekenis. De kostbare bronnen van zijn boodschap helpen de mensheid voort op het pad van de verlossing. Beschouw Rama niet als een telg uit de Zonnedynastie, of als de vorst van het keizerrijk Ayodhya, noch als de zoon van keizer Dasharatha. Deze betrekkingen zijn slechts ondergeschikt en toevallig. De lezer van deze tijd maakt gewoonlijk de fout dat hij slechts aandacht besteedt aan de onderlinge verhoudingen en de bloedverwantschap tussen figuren uit het verhaal over wie hij leest, in plaats van dieper in te gaan op de waarden die zij vertegenwoordigen en die zij laten zien. 

Om een aantal voorbeelden te geven van deze verkeerde benadering: de vader van Rama had drie vrouwen, van wie de eerste zus en zo was, de tweede dat en dat karakter had en de derde die en die eigenschappen bezat! Haar kameniers waren van die lelijke creaturen.... De oorlogen die gevoerd werden door de vader, Dasharatha, werden gekenmerkt door die en die merkwaardigheden en bijzonderheden. Op die manier brengt de verbeelding de mens op een dwaalspoor, zodat hij de onbeduidende en kleurige buitenkant ziet en de kostbare inhoud verwaarloost. Mensen beseffen niet dat de bestudering der geschiedenis het leven moet verrijken en er een diepere betekenis en waarde aan moet geven, en geen zucht naar armzalige feiten en onbetekenende ideeën moet bevredigen. De geldigheid en de waarde van de gebeurtenissen liggen diep onder de oppervlakkige feiten verborgen, waar zij stromen als een vruchtbaar makende ondergrondse rivier. Kijk door de bril van eerbiedige overgave (bhakti) en standvastige toewijding (shraddha), dan zullen de ogen die zuivere wijsheid aanschouwen die bevrijdt en eeuwige gelukzaligheid schenkt.

Zoals de mens het sap uit het suikerriet perst en slechts het zoete vocht drinkt, zoals de bij de honing uit een bloem zuigt, ongeacht haar symmetrie en kleur, zoals de mot naar het licht van de vlam vliegt en geen acht slaat op de hitte en het onheil dat onvermijdelijk is, zo zou de spirituele zoeker  (sadhaka) er naar moeten verlangen de tederheid te ervaren, het medelijden en het mededogen (karunarasa), waar de Ramayana zo van doortrokken is, zonder acht te slaan op andere elementen van het verhaal. Als wij een vrucht opgegeten hebben, gooien wij de schil, de pitten en de vezels weg. Dat vruchten deze bestanddelen hebben, ligt in de aard van moeder natuur! Niettemin zal niemand ze toch maar opeten omdat hij er immers voor betaald heeft. Geen mens kan de pitten doorslikken en verteren; ook zal er niemand op de buitenste harde schil gaan kauwen. In deze Rama-vrucht die Ramayana heet, vormen de vertelsels van rakshasa's - demonen, lagere wezens - de schil en zijn de goddeloze daden van deze slechte mensen de harde, onverteerbare pitten. De zintuiglijke en wereldse beschrijvingen en gebeurtenissen vormen de weinig smakelijke, vezelachtige substantie, het omhulsel van het sappige voedsel. 

Zij die zoeken naar de karunarasa in de Rama-vrucht moeten zich meer op de kern van het verhaal concentreren dan op de verfraaiende of soms hinderlijke, toegevoegde details. In die geest naar de Ramayana luisteren is de beste vorm van shravana - het proces van spiritueel luisteren.

Op zekere dag wierp keizer Parikshit zich aan de voeten van de wijze Suka en vroeg deze hem inzicht te verschaffen in een kwestie die tot diepe twijfel geleid had. 'Meester! Er is een raadsel dat mij al jaren kwelt. Ik weet dat u en niemand anders dit voor mij kunt oplossen. Ik heb geluisterd naar de levensgeschiedenissen van mijn voorvaderen, van die van de eerste, de grote Manu, tot die van mijn grootvader en vader aan toe. Ik heb deze verhalen zorgvuldig bestudeerd. Ik constateer dat in de geschiedenis van ieder van hen sprake is van wijzen (rishi's), die in nauwe betrekking staan tot de vorst, enkele geleerde, heilige mannen die verbonden zijn aan het hof, zittingen van de regeringsraad bijwonen en deelgenoot zijn van regeringszaken! Wat is de werkelijke betekenis van deze verrassende verbinding van geleerden ( die alle gehechtheden en verlangens hebben laten varen, die beseft hebben dat de wereld een schaduw en een valstrik is en dat de Ene de enige werkelijkheid is) met keizers en koningen, die een ondergeschikte rol spelen en zich door deze wijzen laten adviseren? Ik weet dat deze vereerde voorgangers zich nooit met iets zullen bezighouden zonder voldoende, grondige redenen en dat hun gedrag altijd zuiver en onbezoedeld zal zijn. Toch neemt dit mijn onzekerheid niet weg. Wees zo goed mij dit alles uit te leggen.'

Suka lachte om die vraag. Hij antwoordde: 'Dat is inderdaad een mooie vraag die u zojuist gesteld hebt. Luister! De grote wijzen en heilige geleerden zullen er altijd hevig naar verlangen hun medemens deelgenoot te maken van de waarheid die zij hebben verstaan en van de heiligende gebeurtenissen die zij hebben ervaren, van de verheffende daden die zij het voorrecht hadden te verrichten en de goddelijke genade die zij als uitverkorenen ontvingen. Zij zoeken het gezelschap van diegenen die het land besturen en van degenen die bedreven zijn in het regeren van volkeren, met de bedoeling hen te gebruiken als instrumenten die vrede en voorspoed op aarde tot stand brengen en deze kunnen waarborgen. Zij bezielen hen met hoge idealen en met een geheiligde leefwijze waarin zij deze kunnen verwezenlijken; zij sporen hen aan tot het verrichten van goede daden die in overeenstemming zijn met rechtvaardige wetten. De vorsten van hun kant juichen hun aanwezigheid toe en nodigen de wijzen uit, zoeken de geleerden op en verzoeken dan dringend of zij naar hun hof willen komen, om van deze mannen de kunst van het regeren te leren en naar hun raadgevingen te handelen. In die tijd was de vorst de meester en de beschermer van zijn volk; daarom brachten de wijzen hun dagen met hem door in hun loffelijk streven om via de vorst hun hartsverlangen te verwezenlijken: Lokasamastah sukhino bhavantu - Moge alle werelden gelukkig zijn. Zij verlangden er vurig naar dat geluk en vrede zich over de hele wereld zouden verspreiden. Daarom trachtten zij de koningen toe te rusten met alle deugden, hun een grondige kennis bij te brengen van alle morele wetten van discipline, hen te wapenen met alle takken van wetenschap, opdat zij doeltreffend en met wijsheid over hun rijk zouden heersen, tot heil van henzelf en van hun onderdanen.

Er waren ook nog andere redenen. Luister! Wetend dat Hij die de mensheid vreugde schenkt, die de raadsman van menselijke zeden, de heerser van de Zonnedynastie en de bewoner van de hemel der eeuwige gelukzaligheid is, geboren zou worden in een koningshuis, verschaften de wijzen, die met hun vooruitziende blik deze gebeurtenissen voorzagen, zich toegang tot de Hoven van regerende vorsten, om de gelukzalige nabijheid van de goddelijke incarnatie te ervaren, zodra deze zou verschijnen. Zij vreesden dat het later moeilijker zou worden Hem zo dicht te naderen en dat hun de gelukzaligheid waarop zij zo vurig hoopten, zou kunnen ontgaan. Dus deden zij hun voordeel met hun toekomstvisioen en vestigden zich in de koninklijke hoofdstad, te midden van de gemeenschap en verlangend naar advent.

Tot deze eerbiedwaardige groep behoorden Vasishtha, Vishvamitra, Garga, Agastya en andere wijzen (rishi's). Zij kenden geen verlangens, maar waren meesters in zelfverloochening, die nooit iets van anderen vroegen. Zij waren immer tevreden. Zij verschenen in de audiëntiezalen van de keizers uit die tijd, niet voor polemiek of voor ijdel vertoon van geleerdheid, ook niet om de kostbare geschenken te vergaren die dergelijke redenaars en gasten werden aangeboden. Evenmin  wensten zij zich te laten vereren met zwaarwichtige titels, zoals die door beschermheren werden verleend aan personen die hun voorkeur hadden. Zij smachtten veeleer naar een visioen van de Heer (darshan) en naar een kans om dharma hoog te houden in alle menselijke aangelegenheden. Dat was hun enige doel.

Ook de koningen uit die dagen waren verdiept in goddelijke gedachten! Zij benaderden de heremieten en wijzen, daar waar dezen afgezonderd van de wereld leefden, om van hen te leren hoe zij hun onderdanen gelukkig en tevreden konden maken; menigmaal nodigden zij hen uit (ten paleize) en raadpleegden hen over de juiste wijze van regeren. Het was een tijd waarin er rishi's waren zonder gehechtheid aan het ego en geleerden zonder begeerte naar macht; dat waren de mannen die de koning van advies dienden. Het resultaat was dat de bevolking van het koninkrijk voldoende voedsel, kleding en huisvesting had en in goede gezondheid verkeerde. Elke dag was een feestdag en alle deuren waren versierd met groene slingers. De vorst beschouwde het als zijn heiligste plicht het welzijn van zijn volk te bevorderen. De onderdanen wisten ook dat de regeerder het hart van de staat was. Zij leefden in het volle vertrouwen dat hij even dierbaar was als hun eigen hart; zoveel betekende hij in hun leven. Zij vereerden hem en in hun dankbaarheid betuigden zij hem hun hulde.'

Aan het grote gezelschap dat zich rondom hem verzameld had zette Suka in heldere en eenvoudige bewoordingen uiteen welke rol de wijzen aan de koningshoven vervulden. 

Hebt u iets bijzonders opgemerkt? Wat de groten der aarde ook doen, welk gezelschap zij ook verkiezen, zij zullen altijd het pad der rechtvaardigheid volgen, het goddelijke pad en hun daden zullen het welzijn van de hele wereld bevorderen! Dus als de Ramayana of andere goddelijke vertellingen worden voorgedragen of gelezen, moet men alle aandacht vestigen op Gods majesteit en Gods mysterie, op de waarheid en de onomwondenheid die aan die verhalen eigen zijn en moet men zich richten op de manier waarop deze kwaliteiten in het dagelijks leven in praktijk worden gebracht. Men moet geen waarde hechten aan bijkomstigheden, want de belangrijkste les die men moet leren is met welke middelen en op welke wijze men zijn plichten vervult.

Als God in menselijke vorm verschijnt voor het beschermen van dharma, gedraagt Hij zich op menselijke wijze. Hij kn niet anders! Want Hij moet de mens het volmaakte leven voorhouden en Hij moet alle mensen een ervaring schenken van vreugde en vrede. Zijn gangen en zijn werken (lila's) mogen sommigen gewoon en alledaags toeschijnen. Maar elke daad die Hij verricht is altijd een uiting van schoonheid, waarheid, goedheid, vreugde en verheffing. Elke verrichting verovert de wereld met haar bekoorlijkheid en het hart dat eraan denkt wordt gezuiverd. Elke handeling verdrijft alle onrust uit de geest en de sluier van illusie (maya) wordt er door verscheurd. Zijn daden vullen het bewustzijn met zoetheid. Er is niets 'gewoons' of 'alledaags' aan het leven van een Avatar. Wat men ziet en als zodanig opvat, is in werkelijkheid 'bovenmenselijk' en 'bovennatuurlijk' en verdient de grootste eerbied!

Het verhaal van Rama is niet het relaas van een individu, maar de geschiedenis van het universum! Rama is de verpersoonlijking van het fundamentele, universele element in alles wat leeft. Hij is in alles, voor eeuwig, in alle werelden. Het verhaal behandelt niet een voorbije periode, maar het heden en een toekomst zonder einde, de beginloze eeuwigheid.

Geen mier kan bijten zonder Rama's wil. Geen blad valt van de tak zonder Rama's aansporing. Ether, wind, vuur, water en aarde - de vijf elementen die samen het universum vormen - gedragen zich zoals ze dat doen uit ontzag voor Hem en in harmonie met zijn bevelen! Rama is het principe dat de ongelijke elementen in de natuur aantrekt en zich door die aantrekkingskracht bemind maakt. Het is de aantrekkingskracht die het ene element op het andere uitoefent; dat is waardoor het heelal kan bestaan en functioneren.

Dat is het Rama-principe; zonder dit principe wordt de kosmos een chaos. Vandaar het axioma: Was er geen Rama, dan zou er geen panorama, of heelal, zijn.

Hoofdstuk 2: Het keizerlijk geslacht

In de smetteloos zuivere Zonnedynastie werd Khatvanga geboren, de zeer machtige, alom vermaarde, invloedrijke, de intens beminde en vereerde heerser. Zijn heerschappij deed opperste gelukzaligheid neerdalen op de onmetelijke bevolkingen waarover hij regeerde en bracht ze ertoe hem eer te bewijzen alsof hij God zelf was. Khatvanga had maar èèn zoon, Dilipa genaamd. De zoon groeide op en blonk uit in kennis en deugd; evenals zijn vader vond hij het een vreugde en een voorrecht de onderdanen tot beschermer en gids te zijn. Hij bewoog zich onder de mensen en verlangde te weten wat hun vreugde verschafte of verdriet deed, hoe hij het beste hun pijn en ellende kon verlichten en hij beijverde zich voor hun welzijn en voorspoed. De vader zag zijn zoon opgroeien tot een man die recht was van lijf en leden, krachtig, deugdzaam en wijs. Hij zocht een bruid voor Dilipa, zodat deze na zijn huwelijk een deel van de lasten der kroon op zijn schouders zou kunnen nemen. Khatvanga zocht die bruid in alle koningshuizen in de wijde omtrek, want zij moest een waardige gezellin van de prins zijn. Uiteindelijk viel zijn keuze op Sudakshina, een prinses uit Magadha. De bruiloft werd gevierd met onovertroffen pracht en praal, onder het vreugdegejuich van volk en hof.

Sudakshina was in ruime mate gezegend met alle vrouwelijke deugden. Zij was vroom en eenvoudig en haar echtgenoot oprecht toegedaan. Zij diende haar heer en overstelpte hem met liefde, alsof hij haar adem zelf was. Zij dacht en handelde volkomen in navolging van haar echtgenoot en week nimmer af van het pad der rechtschapenheid.

Ook Dilipa was de rechtschapenheid zelf en hij zag er dan ook op toe dat geen verlangen of teleurstelling hem ook maar enigszins kon raken. In de wijze waarop hij het keizerrijk bestuurde bleef hij trouw aan de idealen en gebruiken van zijn vader en zo kon het gebeuren dat hij langzamerhand en zonder de  harmonie te verstoren, de volle verantwoordelijkheid voor het bestuur op zich kon nemen. Aldus kon hij zijn vader op diens oude dag een rustig leven bieden. Khatvanga was van vreugde vervuld als hij de grote kwaliteiten van zijn zoon overdacht en zag hoe bekwaam en efficiŒnt hij was en blijk gaf van praktische wijsheid. Zo verstreken er enige jaren. Toen gaf Khatvanga de hof-astrologen opdracht een gunstige dag en het juiste tijdstip voor de kroning van Dilipa te bepalen. Op de dag die zij voorgesteld hadden installeerde hij Dilipa als vorst van het rijk.

Vanaf die dag toonde Dilipa zich in alle luister als de heer en souverein van het keizerrijk, dat zich uitstrekte van zee tot zee en de zeven eilanden van de oceaan omsloot. Zijn heerschappij was zo rechtvaardig en vol mededogen en zodanig in overeenstemming met de geboden die in de heilige geschriften vervat waren, dat de regenval precies naar behoefte was en de oogst rijk en overvloedig. Het gehele keizerrijk was groen en vruchtbaar en bood een feestelijke en welvarende aanblik. Het land weerklonk van het heilige geluid van de Veda's, die in elk dorp werden voorgedragen en van het zuiverende ritme van de mantra's die gezongen werden tijdens de vedische plechtigheden die door het gehele land werden gehouden. Iedere gemeenschap leefde in vrede en harmonie met alle andere.

Toch werd de maharadja blijkbaar gekweld door een of andere geheimzinnige bezorgdheid, waardoor de stralende uitdrukking op zijn gelaat verloren ging. Met het verstrijken der jaren trad er geen verbetering op. De wanhoop trok groeven in zijn voorhoofd die steeds dieper werden. Op zekere dag onthulde hij de oorzaak van zijn somberheid aan zijn gemalin, Sudakshina: 'Lieveling! We hebben geen kinderen en daardoor ben ik door droefheid overmand. Het raakt mij des te dieper als ik bedenk dat ik de laatste telg van deze Ikshvaku-dynastie zal zijn. Deze ramp moet wel veroorzaakt zijn door een zonde die ik begaan heb. Ik ben niet bij machte om zelf te bepalen hoe ik aan dit noodlot kan ontkomen. Ik zou zo graag van de leermeester van onze familie, de wijze Vasishtha, willen vernemen hoe ik de genade Gods kan gewinnen en het kwaad dat ik heb bedreven weer goed kan maken. Mijn smart maakt mij zeer onrustig. Wat denk jij dat ik moet doen om Gods genade waardig te worden?'

Sudakshina bedacht zich geen moment en antwoordde: 'Heer! Dezelfde angstige gedachten zijn ook bij mij opgekomen en hebben mij diep ongelukkig gemaakt. Ik heb die gedachten niet uitgesproken, maar heb ze onderdrukt, want ik weet, mijn Heer, dat ik mijn angst niet kenbaar kan maken als u er mij niet naar vraagt. Ik ben altijd graag bereid u onvoorwaardelijk te steunen en u te helpen een uitweg uit ons verdriet te vinden die u het meest geschikt acht. Waarom zouden wij nog langer wachten, laten wij onverwijld de geëerde Vasishtha raadplegen', sprak Sudakshina. Dilipa liet de wagen inspannen om op bedevaart te gaan naar de hermitage van de leermeester. Hij liet weten die dag geen begeleiding van hovelingen of enig ander escorte nodig te hebben. Hij mende dan ook zelf de wagen en bereikte de eenvoudige hut van zijn geestelijke leidsman.

Toen de kluizenaars, die zich net buiten de ashram ophielden, de wagen hoorden aankomen, spoedden zij zich naar de hut en lieten hun meester weten dat de heerser van het keizerrijk in aantocht was. Zodra de keizer aan de deur verscheen, zegende Vasishtha hem en informeerde liefdevol naar zijn gezondheid en naar het welzijn van zijn onderdanen, zijn familie en zijn verdere verwanten.

Sudakshina wierp zich aan de voeten van Vasishtha's gade, Arundhati, die alle deugden der edelste vrouwen in zich verenigde. Arundhati trok haar naar zich toe en omarmde haar vol genegenheid, waarna zij haar allerlei vragen stelde omtrent haar welzijn en haar toen naar binnen leidde.

Zoals het een vorst betaamt, informeerde Dilipa bij Vasishtha of de offerplechtigheden (yajna's en yaga's) die de asceten moesten uitvoeren als onderdeel van de culturele traditie, wel ongehinderd konden plaatsvinden en of zij voldoende  voedsel konden bemachtigen. Ook wilde hij weten of zij zich onbelemmerd aan hun studie en aan hun geestelijke oefeningen konden wijden en of zij in hun bosrijke omgeving door wilde dieren geplaagd werden. Het lag hem na aan het hart, zo sprak Dilipa, dat zij goede vorderingen zouden maken in hun spirituele ontwikkeling, zonder te worden afgeleid door ongunstige invloeden van welke aard ook.

Bij hun binnenkomst hadden de keizer en zijn gemalin plaatsgenomen tussen de reeds aanwezige wijzen en hun leerlingen. Vasishtha stelde nu voor dat de laatsten zich weer naar hun eigen hut zouden begeven. Daarop vroeg hij Dilipa waarom deze naar hem toe gekomen was, samen met Sudakshina, zonder enige begeleiding. De keizer sprak over de oorzaak van zijn innige verdriet en smeekte om de enige remedie die zijn smart zou kunnen wegnemen, de genade van Vasishtha. 

Terwijl hij naar deze bede luisterde, was Vasishtha in diepe overpeinzing verzonken. Er heerste volkomen stilte. De keizer die in de lotushouding op de kale vloer zat, ging met zijn gedachten op in God en ook zijn gemalin had zich innerlijk op God gericht.

Eindelijk opende Vasishtha de ogen en sprak: 'Majesteit! Geen mens kan Gods wil dwarsbomen, hoe machtig hij ook is. Het ligt niet in mijn vermogen een goddelijk besluit te herroepen. Mijn genade reikt niet ver genoeg om u te zegenen met de zoon die u zich wenst. U hebt een vloek over uzelf afgeroepen. Op een dag toen u op weg was naar huis en de hoofdstad naderde, passeerde u Kamadhenu, de heilige koe, die lag te rusten in de koele schaduw van de heilige boom Kalpataru! U zag haar wel, maar u was zo verstrikt in het warnet van wereldse genoegens dat u haar negeerde en hooghartig uw weg naar het paleis vervolgde. Het bedroefde Kamadhenu dat u haar veronachtzaamde en zij voelde zich gekrenkt omdat u haar geen eer bewees. Als de vorst zelf zijn plicht in dit opzicht verzaakte, zouden wellicht ook zijn onderdanen haar niet langer eren, zo dacht zij. Als heersers, die  verzuimen eerbied te tonen voor de Veda's of voor de Brahmins die deze Veda's bestuderen en in praktijk brengen, of die de koe verwaarlozen die de mens voedsel verschaft, vrijelijk kunnen blijven regeren, zo redeneerde zij, dan zal er geen dharma in het land zijn.

Kamadhenu sprak die dag de vervloeking uit dat u geen zoon zou krijgen om u op te volgen; zij verklaarde echter dat, mocht u naar de raad van uw goeroe luisteren en weer in nederigheid en eerbied de koe verzorgen en haar met dankbaarheid aanbidden zult, de vloek zal worden opgeheven en u met een zoon en erfgenaam zult worden beloond.

Vereer daarom, met uw gemalin, vanaf dit ogenblik de koe, zoals dat is voorgeschreven in de heilige geschriften en dan zal u zeker een zoon geschonken worden. Het uur waarop de koe van de wei naar huis terugkeert, is bijna aangebroken. Mijn geliefde, heilige koe Nandini nadert reeds de hermitage. Ga er heen en bewijs haar eer met toewijding en met een onwankelbaar geloof. Geef haar op de vaste tijden voer en drinken, was de koe en breng haar de wei in en zie erop toe dat haar niets overkomt terwijl zij aan het grazen is.'

Toen werden Dilipa en Sudakshina ingewijd in de rituelen van de eredienst voor de koe, de Dhenuvrata, waarna Vasishtha hen naar de koestal zond met gewijd water en offers voor de eredienst. Zelf wandelde hij naar de rivier om zich te wassen en zijn avondgebed te doen.

Op zekere dag, toen Nandini tevreden aan het grazen was in het oerwoud, werd zij ontdekt door een leeuw die in haar een goede prooi zag waarmee hij zijn lege maag kon vullen. Dilipa zag het gevaar en probeerde uit alle macht te verhinderen dat de leeuw zich op de koe zou werpen; hij besloot zijn eigen lichaam te offeren in ruil voor de koe. Hoewel de leeuw, naar zijn aard, een woest, verscheurend dier was, hield hij zich strikt aan de goddelijke wetten van dharma. Toen hij zag dat de vorst bereid was zichzelf op te offeren om de koe die hij vereerde te redden,  kreeg de leeuw medelijden, liet de koe en de keizer los en ging zijns weegs.

Nandini was vervuld van een onuitsprekelijk gevoel van dankbaarheid en vreugde door dit gebaar van zelfopoffering van Dilipa. Zij sprak: 'Majesteit! Nu is de vloek die op u rustte opgeheven! U zult een zoon krijgen die de hele wereld onderwerpen zal, die de beginselen en de naleving van dharma zal hooghouden en bevorderen, die roem zal vergaren op aarde en in de hemel, die de faam van de dynastie zal verspreiden en die bovenal het Ikshvaku-geslacht zal voortzetten. Uit dit geslacht zal op zekere dag Narayana, de Heer zelf, geboren worden! Moge deze zoon spoedig ter wereld komen.' Nandini zegende de vorst en begeleid door de keizer keerde het heilige dier naar Vasishtha's ashram terug.

Het was niet nodig Vasishtha te vertellen wat er gebeurd was, hij wist alles reeds! Zodra hij de gezichten van de keizer en de keizerin zag, vermoedde hij dat hun wens vervuld was, dus zegende hij hen en gaf hun toestemming om naar de stad terug te keren. Toen wierpen Dilipa en Sudakshina zich ter aarde voor de wijze, waarna zij zich op weg naar het paleis begaven, vol vreugde over de gelukkige wending die in hun leven plaatsgevonden had.

Het kind groeide in de moederschoot, zoals in de zegen was beloofd. Toen de negen maanden verstreken waren, werd de zoon onder een gunstig gesternte geboren. Zodra de blijde mare zich over de stad en het rijk verspreid had, verzamelden zich duizenden opgetogen mensen om het paleis; de straten die met vlaggen en groene bladeren versierd waren, vulden zich met vrolijk dansende groepen mensen, die iedereen uitnodigden om in de feestvreugde te delen. Overal zag men kamfervlammen oplichten en hoorde men de grote menigten op weg naar het paleis 'Jai, Jai' roepen.

Dilipa beval dat de eerste minister zelf de geboorte van de troonopvolger moest aankondigen aan de mensenmassa die zich in de uitgestrekte paleistuinen verzameld had. Zodra hij dit had gedaan, rees uit de menigte het vreugdegejubel hemelhoog op. Er werd luid en langdurig geklapt en het Jai-geroep weerklonk van straat tot straat. Het duurde vele uren voordat de menigte uiteenging om weer naar huis te gaan.

Op de tiende dag nodigde de keizer de goeroe uit om de namakaranam te vieren, de plechtigheid bij de naamgeving van de nieuwgeborene. Raghu was de naam die gekozen werd, vanwege het sterrenbeeld waaronder hij geboren was. De kleine verrukte eenieder met zijn kinderlijk gebabbel en zijn spel; allen mochten de opgroeiende jongen met zijn heldere verstand en zijn charme even graag lijden: Eenmaal volwassen werd hij een dappere, resolute en efficiënte steun voor zijn vader!

Op zekere avond, tijdens een gesprek met zijn gemalin, uitte de vorst gevoelens waarvan niemand het bestaan had kunnen vermoeden en hij sprak tot haar: 'Sudakshina! Ik heb vele overwinningen behaald: Menigmaal heb ik grote rituele offers opgedragen. In menige grimmige veldslag heb ik tegen machtige invallers gestreden, maar ik heb over allen gezegevierd, zelfs over menseneters en titanen! Wij zijn gezegend met een juweel van een zoon. Er blijft niets te wensen over. Laten we de rest van ons leven doorbrengen met het aanbidden van God. Raghu bezit alle deugden en is in elk opzicht geschikt om de verantwoordelijkheid over het keizerrijk op zich te nemen. Laten we hem het rijk toevertrouwen; wij zullen ons terugtrekken in de stilte van het woud en leven van wortels en vruchten. We zullen dienstbaar zijn aan de wijzen die een sober leven leiden, die vervuld zijn van goddelijke gedachten en van een godgericht streven. Wij zullen ieder ogenblik van ons leven heiligen door te luisteren naar de heilige leringen (shravana), door te mediteren over hun diepere betekenis (manana) en wij zullen ons oefenen op het voorgeschreven pad te blijven (nididhyasana). Geen ogenblik zullen wij toegeven aan luiheid en passiviteit die kenmerkend zijn voor de tamo-guna.'

Bij het aanbreken van de nieuwe dag ontbood de keizer zijn eerste minister, die hij opdracht gaf om voorbereidingen te treffen voor de kroning en het huwelijk van de prins. Dilipa, die vervuld was van de geest der onthechting, vroeg Sudakshina naar haar plannen. Met tranen van dankbaarheid en blijdschap sprak zij: 'Er is niets dat mij gelukkiger zou kunnen maken. Uw wens is mijn bevel; ga voort met uw plannen.' Haar geestdrift en gewillige aanvaarding sterkten de keizer in zijn voornemen.

Dilipa riep zijn ministers, geleerden en wijze raadslieden bijeen en bracht hen op de hoogte van de voorgenomen kroning en het huwelijk van zijn zoon; zij stemden van ganser harte met hem in en zo werden de beide plechtigheden met veel pracht en praal gevierd. De vader gaf de prins goede raad aangaande zijn regeringstaken. Hij vertelde hem met nadruk hoe noodzakelijk het was om de studie van de Veda's te bevorderen, om nauwe betrekkingen te onderhouden met de geleerden die zich op de vedische kennis hadden toegelegd en om wetten uit te vaardigen die zouden bijdragen tot het welzijn van zijn volk. Hierna trok hij met zijn gemalin het woud in, vastbesloten de genade Gods te verwerven.

Vanaf die dag regeerde keizer Raghu het rijk overeenkomstig de aanwijzingen van de geleerden en met twee doelstellingen voor allen: het geluk van zijn onderdanen en het bevorderen van de rechtschapenheid onder de mensen. Hij geloofde heilig in deze idealen en achtte ze van levensbelang. Ook van zijn ministers verlangde hij dat zij het pad van dharma zouden volgen. Hoewel Raghu nog jong was, waren zijn deugden talrijk. Hoe moeilijk een probleem ook mocht zijn, hij doorzag het snel en vond er de juiste oplossing voor; hij maakte zijn onderdanen gelukkig en tevreden. Hij trad streng op tegen slechte koningen en gaf hun menige geduchte les. Toch slaagde hij erin deze vorsten voor zich te winnen door zijn verzoenende benadering en zijn intelligente, diplomatieke optreden. Zonodig trok hij tegen hen ten strijde met een klein leger, of hij brak openlijk met hen en versloeg hen vervolgens op het slagveld.

Raghu hield zich bezig met alles wat heilzaam was voor zijn volk en wat kon bijdragen aan de instandhouding van het heilige vedische erfgoed. Onderdanen van alle rangen en standen prezen zijn heerschappij, ongeacht hun leeftijd, hun economische status of hun kundigheid. Zij beschouwden hem als de meerdere van zijn vader in fysieke kracht, in moed, in moreel gedrag en in mededogen. Iedereen zei dat zijn naam in de geschiedenis zou voortleven.

Raghu besteedde er speciale aandacht aan dat de kluizenaars, die in de bossen hun ascetisch leven leidden, werden voorzien van wat zij nodig hadden. Hij zag erop toe dat zij met rust gelaten werden en dat het nodige gedaan werd om hun bescherming en aanmoediging te verzekeren. Zodoende ontving hij rijkelijk hun zegeningen en hun genade.

Op zekere dag kwam Kautsu, de leerling-heremiet en discipel van Varathanthu, die juist zijn studie voltooid had, naar het hof. Hij verzocht de keizer om een bijdrage voor het dankoffer dat hij van zijn leraar moest brengen. Raghu gaf hem het verlangde bedrag. Kautsu was verheugd dat de gift die hij ontvangen had, zuiver was, omdat het volk waarvan het afkomstig was, het van harte en dankbaar had betaald. Want nooit verlangde Raghu ook maar een paisa meer dan absoluut nodig was, omdat hij immer Gods toorn vreesde. Bovendien werd het geld met zoveel liefde en welwillendheid overhandigd, dat zijn hart vervuld werd van vreugde en dankbaarheid. Kautsu sprak liefdevol tot de keizer: 'Moge u spoedig met een zoon gezegend worden die over de hele wereld roem zal oogsten.' Met deze zegewens verliet hij de vorst.

De woorden van Kautsu werden tien maanden later bewaarheid, toen Raghu gezegend werd met een prachtige zoon. De riten van doop en naamgeving werden door de priesters van  het paleis volvoerd waarbij de zoon de naam Aja ontving. Hij was een allerbekoorlijkste baby. Hij groeide op tot een levendige, leergierige knaap, die zeer bedreven was in alle kunsten en wetenschappen. Zijn reputatie van groot geleerde en talentvolle jongeman drong overal in het land door.

Na verloop van tijd voelde Raghu dezelfde behoefte als zijn vader vÛÛr hem, om de scepter aan zijn zoon over te dragen en zich in het woud terug te trekken om zich aan de bespiegeling van God te wijden. Op zijn beurt verzocht hij nu zijn minister maatregelen te treffen voor de gezagsoverdracht door middel van de kroningsplechtigheid, die zou moeten samenvallen met Aja's huwelijk met een passende bruid. Indumathi, de zuster van Bhojaraja, de vorst van Magadha, was de bruid die als levensgezellin voor Aja gekozen werd. Nadat Aja op de troon geïnstalleerd was, vertrokken Raghu en zijn gemalin naar hun hermitage in het bos.

Aja, met de keizerin aan zijn zijde, verkreeg door zijn wijsheid en medeleven de loyaliteit van zijn onderdanen. Zij volgden nauwgezet Raghu's raadgevingen op met betrekking tot het landsbestuur. Aja had liefde en eerbied voor de wereld en haar bewoners en beschouwde hen als een afspiegeling van Indumathi, de vrouw die hij zo innig liefhad; daarom was hij een gelukkig man. Zij brachten samen dagen en soms weken in landelijke afzondering door, genietend van de schoonheid en grootsheid van de natuur.

Toen de keizerin een zoon ter wereld bracht, waren de ouders overgelukkig met deze blijde gebeurtenis. Zij lieten het nieuws aan hun geëerde Vasishtha overbrengen en verzochten hem de ceremoniŒle handelingen te verrichten voor de nieuwgeborene, die de naam Dasharatha kreeg.

Dasharatha was werkelijk de lieveling van ieder die hem zag en het voorrecht had in zijn nabijheid te zijn en hem te liefkozen. Het kind spartelde zo vrolijk en levendig met armen en benen dat het scheen alsof het met ananda gevoed werd en slechts leefde om deze ananda aan iedereen door te geven.

Op zekere dag begaven Aja en Indumathi zich zoals gewoonlijk naar het bos, om zich in de schoot van moeder natuur te verpozen. De stilte en de verhevenheid van die dag hadden een nog grotere aantrekkingskracht dan anders. Zij zaten in de schaduw van een boom vriendelijk met elkaar te praten, toen er een hevige wind opstak, die een onbeschrijfelijk zoete geur en de betoverende klanken van goddelijke muziek met zich meevoerde. Zij stonden op en speurden in het rond naar de oorzaak van deze geheimzinnige gaven. Hoog boven hun hoofd, tussen de wolken aan de hemel, zagen zij Narada, de geestelijke zoon (manasaputra) van Brahma die zich ergens heen spoedde. Terwijl zij hem gadesloegen, raakte er een bloem los uit de krans die Narada in het haar droeg en door een windvlaag belandde deze precies op het hoofd van Indumathi. Het incident verbaasde Aja, maar zijn verbazing sloeg om in ontzetting toen hij zag dat zijn gemalin bezwijmd ter aarde gestort was en haar ogen voorgoed gesloten had!

De dood van de vrouw die hij liefhad als het leven zelf deed de vorst wanhopig veel verdriet. Zijn geweeklaag deed het bos trillen van zoom tot zoom. De aarde beefde uit medegevoel en de bomen stonden roerloos, als aan de grond genageld, bij de smart die het hart van de keizer deed overvloeien.

Narada hoorde de klacht van de vorst, die zich snikkend en kreunend over het ontzielde lichaam van zijn geliefde gebogen had. Hij daalde af naar de keizer om hem in zijn zielenpijn te troosten. 'Majesteit!', sprak hij, 'als de dood toeslaat, is verdriet  vruchteloos, want het lichaam is onderworpen aan geboorte en dood en dat wat het èèn teweegbrengt, veroorzaakt ook het ander. Het waarom daarvan willen weten leidt tot niets. Gods handelingen staan boven de eindeloze reeksen van oorzaak en gevolg. Het is het gewone mensenverstand niet gegeven ze te interpreteren en naar de redenen kan men slechts gissen met de beperkte geestelijke middelen die men heeft. Hoe zou het verstand iets kunnen vatten dat zozeer buiten zijn domein ligt? De dood is een onvermijdelijk gegeven voor elk schepsel dat geïncarneerd is. Aangezien Indumathi's dood echter zo vreemd en onverklaarbaar lijkt, moet ik u de reden ervan vertellen', sprak Narada. Hij trok Aja naar zich toe en zei: 'Luister! In het verleden leefde de wijze Thrnabindu in uiterst strenge ascese en Indra - de koning der goden - besloot zijn mate van onthechting en gelijkmoedigheid te toetsen. Hij stuurde èèn van zijn hemelse verleidsters, Harini genaamd, om hem in de wereld der zinnelijkheid terug te lokken. Maar de wijze was immuun voor haar verlokkingen en bleef onberoerd. Hij opende zijn ogen en sprak: "U bent blijkbaar geen gewone vrouw! Misschien bent u zelfs wel een goddelijk wezen. Maar, wie u ook bent, u zult de straf niet ontgaan voor het meewerken aan de verwezenlijking van zo'n slecht, gemeen plan. U zult als een menselijk wezen geboren worden dat uit de hemel verdreven is. Ondervind dan wat het zeggen wil een sterfelijk mens te zijn." Na deze vervloeking sloot de wijze zijn ogen weer en verzonk in meditatie.

Harini trilde van angst en stortte bittere tranen van berouw; zij bad om vergeving en smeekte dat haar verbanning uit de hemel ongedaan gemaakt mocht worden en de vloek opgeheven. Dit alles vertederde de wijze een weinig en hij sprak: "0, zwak schepsel! Ik kan mijn woorden niet herroepen. Maar ik zal u zeggen wanneer u van de vloek verlost zult worden. Luister! Op het moment dat van hierboven een bloem op uw hoofd valt, zult u uw menselijk lichaam verlaten en naar de hemel terugkeren." Dit goddelijk schepsel was Indumathi en vandaag is zij bevrijd. Toen een bloem die ik droeg op haar viel, ontsnapte zij aan de vervloeking. Waarom zou u hierover treuren? Het zal u niet baten. 'Narada sprak over de plichten en de verantwoordelijkheid van een vorst en het goede voorbeeld dat hij aan iedereen moet geven; hij sprak over de vergankelijkheid van het leven en over het mysterie van de dood, het uiteindelijk lot van allen die geboren worden. Hierna begaf Narada zich op weg naar zijn hemelse verblijf.

Daar hij onmachtig was om zijn geliefde te redden, volvoerde Aja de dodenriten en keerde toen naar de hoofdstad terug. Zijn hart was zwaar van verdriet en prins Dasharatha was de enige die hem enigszins kon troosten en hem zijn wil om verder te leven kon teruggeven. Aja bracht zijn dagen door in wrok en treurnis. Daar Dasharatha inmiddels volwassen geworden was, kon Aja de regering aan hem overdragen, waarna hij zich aan de oever van de rivier de Sarayu zette, vastbesloten de belofte van anashana, van het weigeren van alle voedsel, na te komen. Doordat hij zich geheel van eten onthield, ebde zijn leven langzaam uit hem weg.

Zodra Dasharatha het nieuws hoorde, spoedde hij zich naar de Sarayu-oever en beweende het verlies van zijn geliefde vader. Hij trof meteen voorbereidingen voor de dodenriten met de troostende gedachte dat zijn vader afstand van zijn leven gedaan had door middel van een religieuze gelofte. Daar putte hij kracht uit en hij hervatte zijn regeringstaken, in het volle bezit van zijn vele geestelijke vermogens.

In korte tijd verlichtte Dasharatha's roem alle landstreken, als de stralen van de rijzende zon. Hij had de onverschrokkenheid en de behendigheid van tien wagenmenners in zich verenigd en deed dus zijn naam Dasharatha, hetgeen de 'tien-wagen-held' betekent, alle eer aan. Niemand hield stand tegen de stormloop van zijn machtige strijdwagen! Iedere heerser uit die dagen zag bevreesd naar hem op en betuigde hulde aan zijn heerschappij. De wereld prees hem als de held die zijns gelijke niet had, als een toonbeeld van deugd en als een staatsman van de hoogste orde.

Hoofdstuk 3: Geen vaderschap voor Dasaratha

Toen Dasharatha's naam en faam Ravana, de demonenkoning van Lanka, ter ore kwamen, werd hij zo van afgunst vervuld dat hij besloot om, hoe dan ook, Dasharatha ten val te brengen. Ravana zocht naar een voorwendsel om Dasharatha tot een gevecht uit te dagen. Op zekere dag liet hij Dasharatha door een boodschapper weten dat, als deze hem geen hulde wilde bewijzen, hij hem, Ravana, op het slagveld tegenover zich zou vinden, waar hij maar moest bewijzen dat hij in de strijd zijn meerdere was. Deze oproep druiste in tegen alle internationale zedelijke beginselen, maar wanneer had een demon (rakshasa) ooit enige morele wetten gerespecteerd?

Toen Dasharatha de woorden van de boodschapper hoorde, begon hij onmiddellijk spottend te lachen. Waar de bode bij stond, schoot Dasharatha scherpe, dodelijke pijlen af, die helemaal in het verre Lanka doel troffen en de poorten van de stad hermetisch afsloten.

Daarna wendde Dasharatha zich tot de gezanten en sprak: 'Zo, heren! Ik heb zojuist de poorten van uw vestingstad afgesloten en het zal uw meester niet gelukken ze open te krijgen, hoe hij ook zijn best doet; dat is mijn huldebetoon aan uw onbeschaamde heer.' Bij hun terugkeer brachten de gezanten verslag uit aan Ravana, die verbijsterd reageerde toen hij alle deuren onwrikbaar gesloten vond. De wanhopige pogingen van Ravana en al zijn mannen liepen op niets uit - zij konden de poorten niet open krijgen. Toen Ravana echter door plotselinge schaamte bevangen werd, keerden de pijlen vreemd genoeg naar Ayodhya terug en vlogen de poorten open.

Ravana had zich echter voorgenomen alle heersers van de wereld aan zich te onderwerpen en, in het besef dat hij hierin alleen zou slagen als hij Gods genade kon verwerven, begaf hij zich diep in het woud, waar hij een gunstige plek uitzocht om in ascese te leven.

Ravana beoefende de ascese op een dermate intense en overtuigende wijze, dat de God Brahma wel voor hem moest verschijnen en gedwongen werd hem elke gunst te verlenen die hij zou verlangen. 'Ravana! Vraag me wat je maar wilt! Ik zal je hartewens vervullen', sprak Brahma. Ravana overdacht hoe Dasharatha hem beledigd had en overwoog de kans dat Dasharatha misschien zelfs nÛg machtiger zonen zou krijgen, van wie hij nog meer zou moeten verdragen, dus vroeg hij: 'Heer! Zegen mij met deze gave van uw genade: laat er geen kind uit Dasharatha's lendenen geboren worden.' Hierop sprak Brahma: 'Het zij zo', en verdween terstond, uit vrees dat Ravana een tweede boosaardig verzoek zou kunnen bedenken als Hij in zijn nabijheid bleef. Ravana stapte parmantig rond, hoogmoedig en onbevreesd en met een gevoel van triomf over zijn eigen dapperheid en zijn succes.

Intussen kwam er een volgend plan bij hem op! Hij dacht bij zichzelf: 'Dasharatha is nu een jongeling op huwbare leeftijd; als ik iets kan bedenken waardoor hij helemaal niet trouwt, ben ik dubbel zo veilig.' Met de geestelijke vermogens die hij als koning der Rakshaka's bezat, zag hij dat Dasharatha naar alle waarschijnlijkheid de dochter van de koning van Kosala zou huwen. Dus besloot hij deze prinses te doden! Als de mens zelf met de ondergang bedreigd wordt, wijkt zijn verstand van het rechte pad! Heimelijk drong hij in vermomming het koninkrijk van Kosala binnen en ontvoerde de prinses. Hij legde haar in een houten kist en gaf deze prijs aan de golven der zee.

De waarheid dat niets ooit kan geschieden buiten Gods wil, ontging Ravana. Brahma beschikte anders: de golven wierpen de kist terug op het strand. De plek waar de kist belandde, was een gebied dat rijk was aan natuurschoon. De volgende dag bezocht Sumanthra, Dasharatha's eerste minister, toevallig deze plaats voor een korte vakantie waarin hij in alle rust staatsproblemen kon overdenken. Toen zijn oog op de kist viel, bracht hij deze in veiligheid en opende hem. Tot zijn verbazing trof hij daarin een bekoorlijk meisje aan, met mooie  glanzende ogen en omgeven met een stralenkrans van goddelijke pracht. Sumanthra werd overstelpt door medelijden en sprak zacht en liefdevol tot het meisje: 'Kleine meid! Hoe ben je in deze kist terechtgekomen?' Zij antwoordde: 'Grote heer, ik ben de prinses van Kosala, mijn naam is Kausalya. Ik weet niet hoe ik in deze kist terechtgekomen ben, noch wie mij erin heeft gestopt. Ik was in de paleistuin met mijn vriendinnen aan het spelen en herinner mij niet wat er met mij gebeurd is.'

Sumanthra was ontroerd door haar eenvoudige en oprechte woorden. Hij sprak: 'Alleen Rakshasa's nemen hun toevlucht tot dergelijke barbaarse listen; daar hebben gewone mensen geen weet van! Ik zal je naar je vader brengen en je weer aan hem toevertrouwen. Ga met me mee, laten wij onverwijld gaan.'

Sumanthra zette het meisje in zijn wagen en ging op weg naar Kosala. Daar aangekomen, gaf hij haar aan de koning terug en deelde aan het hof alle bijzonderheden mee die hem bekend waren.

De koning stelde Sumanthra nu ook allerlei vragen. Hij ontdekte dat hij niemand minder dan de eerste minister aan het hof van Dasharatha, de keizer van Ayodhya, voor zich had en dat diens meester nog niet gehuwd was. Die ontdekking vervulde hem met blijdschap. Hij sprak: 'Excellentie! U hebt mijn kind bij mij teruggebracht en haar van de ondergang gered. Ik heb derhalve besloten mijn dochter aan uw meester zelf uit te huwen. Wees zo goed de keizer van mijn aanbod in kennis te stellen.' Hij bewees Sumanthra de formele eer die hem toekwam en zond hem heen in gezelschap van de hofpriester en met passende geschenken.

Sumanthra vertelde Dasharatha in geuren en kleuren wat er gebeurd was. Als bevestiging dat hij het aanbod van de koning van Kosala aanvaard had, liet Dasharatha de priester van Kosala vergezellen door zijn eigen hofpriester, aan wie hij vele goede gaven meegaf. Dag en uur van de huwelijksvoltrekking werden vastgesteld en zo ging Dasharatha op weg naar de hoofdstad van Kosala, begeleid door een schitterende stoet van olifanten, strijdwagens, cavalerie en infanterie. De muziek van lofzangen uit de stoet steeg ten hemel en weergalmde tot aan de horizon. Het huwelijk van Dasharatha en Kausalya werd met grote pracht en praal gevierd. De koning van Kosala nam Sumanthra terzijde en sprak: 'U bent degene die deze heerlijke gebeurtenis teweeggebracht hebt, al geschiedt natuurlijk nimmer iets buiten Gods wil. Niettemin vraag ik mij af hoe ik u kan belonen en u mijn dankbaarheid kan tonen. Wees zo goed mijn aanbod te aanvaarden en deze dag ook zelf in mijn hoofdstad in het huwelijk te treden. Als u hierin toestemt, zal ik vandaag nog voorbereidingen treffen voor die vreugdevolle gebeurtenis.'

Dasharatha en Sumanthra betuigden hun instemming met het voorstel. Sumanthra werd in de echt verbonden met de dochter van Viradasa, uit het geslacht van Ganga. Het nieuws dat zowel de keizer als de eerste minister in dezelfde stad en op dezelfde dag in het huwelijk waren getreden, ging als een lopend vuurtje door stad en land en bracht overal blijde verbazing en verrukking teweeg. De feestelijkheden hielden drie dagen aan; het volk werd vergast op muziek, toneel, dans en vele andere vermakelijkheden. Dag en nacht heersten overal opwinding en vreugde.

Op de vierde dag keerde Dasharatha met zijn gemalin en zijn hofhouding terug naar Ayodhya, tezamen met Sumanthra, diens bruid en hun gevolg. Bij het binnenrijden van de stad werden zij door de bevolking met toejuichingen begroet. Dasharatha's onderdanen waren opgetogen over het huwelijk van hun keizer en dat van de eerste minister; zij dansten in de straten en riepen: 'Jai, Jai', tot zij er schor van werden. Zij stonden langs de kant van de weg om hun keizerin te zien; zij sprenkelden rozenwater op de toegangswegen en zwaaiden met kamfervlammen om de stoet te verwelkomen.

Dasharatha hervatte zijn regeringstaken en heerste over zijn rijk met liefde en toewijding. Vaak trok hij samen met zijn gemalin naar de bossen waar hij onbezorgde dagen doorbracht. Maar naarmate de tijd voortsnelde en er dagen, maanden en jaren verstreken, tekenden zich donkere schaduwen van droefheid af op het gelaat van de keizer, want zijn kinderloosheid bedrukte hem meer en meer.

De keizer raadpleegde priesters, geleerden en ministers en toen hij eenmaal wist dat hun wens overeenkwam met Kausalya's vurige bede, huwde hij een tweede vrouw, Sumitra genaamd. Sumitra deed haar naam eer aan, want zij bezat inderdaad alle goede eigenschappen van een vrouw die in de omgang vriendschap kon wekken. De banden van genegenheid die Kausalya en Sumitra verbonden, waren veel sterker dan die tussen een moeder en haar kind. Wederzijds verlangden zij er vurig naar de ander vreugde te bereiden en beiden waren bezield met zedelijke moed, onthechting en mededogen. Maar, hoewel er vele jaren verstreken, waren er geen tekenen die erop wezen dat de keizer op een troonopvolger mocht hopen. Door wanhoop gedreven huwde Dasharatha op aandrang van de twee vorstinnen een derde vrouw. Haar naam was Kaikeyi en zij was de gracieuze, bekoorlijke dochter van de koning van Kekaya in Kashmir.

De koning van Kekaya stelde echter bepaalde voorwaarden aleer hij toestemde in de echtverbintenis! Hij stond erop dat, wanneer Kaikeyi een zoon zou baren, deze het recht van troonopvolging zou krijgen; mocht de keizer van Ayodhya het hiermee niet eens zijn, zo verklaarde hij, dan zou hij geen toestemming tot het huwelijk geven. Met deze boodschap keerde Garga, de hofpriester, terug naar Ayodhya. Kausalya en Sumitra zagen in hoe vurig de keizer ernaar verlangde de prinses van Kekaya, wier schoonheid door eenieder werd bezongen, tot vrouw te nemen. Zij achtten het de plicht van elke liefhebbende vrouw om ook aan de geringste wens van hun echtgenoot te voldoen en om zich voor het verwezenlijken van die wens volledig in te zetten. Ook waren zij zich er terdege van bewust dat het keizerlijk geslacht van Ayodhya nooit ontheiligd zou worden door een zoon die de morele wetten zou schenden. Al zou Dasharatha beloven dat de zoon van zijn derde vrouw de troon mocht bestijgen, dan nog zou de zoon die uit Kaikeyi in de dynastie geboren werd stellig de belichaming van rechtschapenheid zijn en vrij zijn van een dergelijke smet. Met eerbiedig gevouwen handen smeekten zij Dasharatha: 'Heer! Niets maakt ons gelukkiger dan uw geluk. Aanvaard de condities van de koning van Kekaya en trouw met zijn dochter, zodat de voortzetting van het keizerlijk geslacht van Raghu veiliggesteld is. U hoeft er geen seconde over na te denken.'

De woorden van Kausalya en Sumitra wakkerden het vuur van zijn verlangen nog meer aan, daarom zond de keizer Garga terug met vele geschenken en met de boodschap dat de voorwaarden geaccepteerd waren. Dasharatha liet de koning weten dat hij spoedig zou komen voor de huwelijksvoltrekking. De plechtigheid zelf werd met grote luister gevierd.

Dasharatha keerde naar zijn hoofdstad terug, stralend als de maan te midden van de sterren, toen hij in optocht door de straten reed, vergezeld van zijn drie gemalinnen. De keizer behandelde ieder van hen met evenveel egards, terwijl ook zij voor elkaar en voor de keizer evenveel liefde en hetzelfde respect aan de dag legden. Zij aanbaden de keizer en waren bevreesd hem te mishagen. Zij deden hun uiterste best om zijn wensen te vervullen en zijn verlangens niet te dwarsbomen, want zij eerden hem als hun God, zoals het een liefhebbende echtgenote betaamt. De vrouwen leefden in zoveel innige, wederzijdse liefde met elkaar, dat het leek alsof zij gedrieën als èèn ademden, ofschoon zij in drie afzonderlijke lichamen rondliepen!

De jaren gingen voorbij. De keizer en zijn drie vrouwen hadden hun jeugd achter zich gelaten en waren de middelbare leeftijd gepasseerd. Hun oude dag naderde en nog steeds waren er geen tekenen die wezen op de komst van een zoon. Daarom werden de vorstinnen innerlijk verscheurd door onrust, zorg en wanhoop, al waren de vrouwenvertrekken in het paleis nog zo geriefelijk ingericht om hun bestaan te veraangenamen.

Op zekere avond zaten de keizer en zijn vrouwen bijeen in èèn van de kamers van het paleis en spraken urenlang met grote bezorgdheid over de toekomst van Ayodhya en hoe de voorspoed en de veiligheid van de stad in de toekomst konden worden gewaarborgd. Ieder van hen trachtte een intelligente en sympathieke oplossing te vinden, maar toen zij daar uiteindelijk niet toe in staat bleken, stonden zij ontmoedigd op. Zij besloten de leidsman van de familie, Vasishtha, te raadplegen en dan zijn advies op te volgen.

Bij het aanbreken van de dag werd Vasishtha eerbiedig verzocht aanwezig te zijn en ook talrijke geleerden en raadslieden werden uitgenodigd. De keizer legde hun het probleem voor: hoe vinden wij een opvolger die het onmetelijke rijk tussen de twee zeeën, het keizerrijk onder de heerschappij van de Raghu-dynastie, zal kunnen regeren? Overmand door wanhoop bad Dasharatha de wijze mannen in klagende bewoordingen om een voorstel waar iedereen wel bij zou varen.

Vasishtha bleef lang in gedachten verzonken. Tenslotte opende hij de ogen en sprak: 'Majesteit! U hoeft niet zo bedroefd te zijn, want Ayodhya zal niet zonder meester zijn, noch zal zij als weduwe achterblijven. Dit rijk zal vrolijk, gelukkig en voorspoedig zijn, en zal ononderbroken in feeststemming verkeren en altijd met groene slingers versierd zijn. Ayodhya zal de rechtschapenheid beschermen en zal altijd weergalmen van muziek en uitingen van blijdschap. Ik zal niet toestaan dat een prins van een andere dynastie tot de troon van Ayodhya zal worden verheven. De genade Gods is een ondoorgrondelijke gave. De belofte van rechtschapenheid, waaraan u zich zo trouw hebt gehouden, zal u vast en zeker de opperste vreugde van het vaderschap van een zoon schenken. Talm niet langer! Nodig de wijze Rshyasrnga, de zoon van Vibhandaka, uit en draag met hem als hogepriester het heilige offer op genaamd putrakameshti, de yaga die voorgeschreven is voor degenen die een zoon wensen te verwekken. Tref onverwijld alle nodige ceremoniële en rituele voorbereidingen voor de yaga. Uw wens zal stellig vervuld worden.'

De vorstinnen luisterden naar deze geruststellende woorden, met grote beslistheid door Vasishtha uitgesproken en gelukzaligheid vervulde hen. Er begon nieuwe hoop in hun harten op te bloeien. Zij trokken zich in hun verblijven terug en gaven zich over aan vurig gebed.

De keizer zocht in zijn hofhouding naar de meest geschikte persoon die hij als afgezant naar Rshyasrnga, zoon van Vibhandaka, kon zenden met de opdracht deze naar de keizerlijke hoofdstad te noden. Uiteindelijk riep hij zijn oude vriend, Romapada, koning van Anga, bij zich en zond hem heen met de nodige instructies en volledig uitgerust. Intussen werd aan de oevers van de heilige rivier de Sarayu alles voor de yaga in gereedheid gebracht. Er werden volgens de heilige voorschriften fraaie offeraltaren opgericht; de stad werd versierd met vlaggen en slingers. Zoals allen hadden gehoopt en verwacht en tot ieders verrukking, kwam de grote wijze Rshyasrnga met zijn gemalin Santha naar de stad Ayodhya.

Keizer Dasharatha verwelkomde de wijze aan de hoofdpoort van het paleis. Hij gaf de eminente heilige een ceremoniële voetwassing, waarna hij een weinig van het door de voeten geheiligde water op zijn eigen hoofd druppelde. Toen wierp hij zich aan de voeten van Vasishtha en bad hem aan Rshyasrnga te vragen wat de juiste handelwijze zou zijn bij de voorgenomen yaga.

Rshyasrnga wenste dat de ministers en geleerden plaatsnamen in de aangewezen volgorde en wees ook de keizer naar zijn plaats op de troon. Toen beschreef hij de verschillende handelingen van de plechtigheid, opdat de hofpriesters zouden weten wat hun te doen stond. Hij gaf zulke nauwkeurige aanwijzingen dat iedereen al precies wist waar hij in de offerzaal moest gaan zitten.

De wijze besliste dat de yaga de volgende dag, klokslag zeven uur, moest beginnen. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje door de stad. Nog vÛÛr zonsopgang was elke straat versierd met groene slingers en baanden grote drommen mensen zich een weg naar de uitgestrekte open plek aan de oever van de Saraya waar de yaga volvoerd zou worden. Langs de rivier zag het zwart van de opgetogen mensen.

Rshyasrnga en zijn gemalin Santha betraden de speciaal voor deze gelegenheid gebouwde offerhal (yaga mantap), met de keizer en diens gemalinnen, onder de klanken van vedische gezangen en de muziek van hoorns, trompetten en klarinetten en begeleid door het gejuich van het volk. Rshyasrnga werd geïnstalleerd als 'Brahma', oftewel hoofdorganisator van de yaga; hij wees de geleerden ieder naar rang hun verschillende taken aan, zoals het voorgaan in gebed, de schriftlezing, het voorzingen, het zoenoffer enzovoort. De offeranden werden door Rshyasrnga zelf met de voorgeschreven formules in het heilige vuur geplaatst, met angstvallige nauwkeurigheid, met grote toewijding en een diep geloof.

Uit het vuur dat volgens de heilige Geschriften brandend gehouden werd, rees voor de ogen van alle aanwezigen een goddelijke gestalte op, die straalde met de verblindende pracht van een bliksemflits. In zijn handen hield Hij een schitterende kom. Toen de grote menigte, waaronder ook de priesters, dit zagen, verstijfden zij van schrik, verbazing, ontzag en blijdschap. Door de plotselinge golf van gelukzaligheid en mysterie waren zij volkomen overweldigd. De keizer en zijn gemalinnen stortten tranen van vreugde; zij sloegen hun ogen op naar het goddelijke wezen en baden tot Hem met de handen gevouwen.

Rshyasrnga zette het ritueel voort met onverstoorbare gelijkmoedigheid, zoals de Geschriften gebieden, en offerde de gaven in het vuur. Plotseling klonk een stem uit het hemelgewelf, als op de dag van eenwording met God. Rshyasrnga hield vol verbazing op, om naar de boodschap uit de hemel te luisteren. 'Maharadja! Neem deze kom aan en verdeel het heilige 'payasam' voedsel dat u hierin gebracht wordt in gelijke porties onder uw drie gemalinnen', verkondigde de stem. Nadat Hij de kom aan de keizer overhandigd had, verdween de geheimzinnige gestalte weer in de vlammen waaruit Hij te voorschijn gekomen was.

De vreugde van het volk en van de prinsen, geleerden en priesters die getuige waren van deze grootse manifestatie, kende geen grenzen. Zodra de laatste riten volvoerd waren, keerde de maharadja in optocht terug naar het paleis, met in zijn handen de heilige kom die hem door de Goden geschonken was.

Hoofdstuk 4: De zonen

Nadat de vorstinnen hun ceremoniële bad hadden genomen, op aanwijzingen van Vasishtha, traden zij de paleistempel binnen, waar zich het altaar van de familiegod bevond. Vasishtha volbracht er de rituelen van de eredienst. Het 'payasam' dat de goddelijke verschijning had geschonken, werd toen verdeeld over drie gouden kommen. Vasishtha verzocht Dasharatha naderbij te komen en sprak: 'Raja! Geef deze kommen aan uw vrouwen - eerst èèn aan Kausalya, de volgende aan Sumitra en de laatste aan Kaikeyi.' De keizer deed wat hem opgedragen was. Zijn gemalinnen namen de hemelse spijs aan en wierpen zich aan de voeten van Vasishta en Dasharatha. Vasishtha bepaalde dat zij eerst de voeten moesten aanraken van Rshyasrnga, die de yaga verricht had, alvorens het voedsel tot zich te nemen.

Voor de veiligheid lieten Kausalya en Kaikeyi hun kommen achter in de tempel, waarna zij hun haren lieten drogen en zich lieten kappen door hun kameniers. Intussen betrad Sumitra het terras en plaatste de kom op de lage ommuring. Zij liet haar haar in de zon drogen en dacht onderwijl steeds aan de bijzondere positie waarin zij verkeerde: zij was de tweede gemalin van de keizer! De zoon van de oudste vorstin is de rechtmatige troonopvolger; de zoon van Kaikeyi, de derde vrouw, kan ook de troon bestijgen, volgens de belofte die de keizer heeft gedaan bij zijn huwelijk met haar. Maar, vroeg Sumitra zich af, wat gaat er gebeuren als Ìk een zoon krijg? Hij heeft helemaal geen rechten! Wat heeft het voor nut een zoon ter wereld te brengen die nooit enige status of soevereiniteit zal kennen? Het ware beter gèèn zoon te baren dan èèn die wordt achtergesteld bij de anderen. Deze stemming duurde echter maar een ogenblik; spoedig verzoende zij zich met de wetenschap dat wat de Goden hebben beslist, zal moeten geschieden; dat kan niemand tegenhouden. Zij herinnerde zich wat haar geestelijk leidsman en ook de keizer haar hadden opgedragen, dus liep zij naar de kom toe, met het voornemen de inhoud ervan op te eten, toen er plotseling als uit het niets, een adelaar verscheen, die de kom met zijn snavel weggriste en hoog in de lucht verdween. Het berouwde Sumitra dat zij niet beter op de kostbare spijs gepast had, omdat zij wel wist hoe ontsteld de keizer zou zijn als hij vernam wat er voorgevallen was. Zij wist zich geen raad; zij ging regelrecht naar haar zuster Kausalya en vertelde haar de hele geschiedenis. Kaikeyi had zojuist haar gedroogde haar opgebonden en voegde zich bij hen, met in haar handen de gouden kom. De drie vrouwen bejegenden elkaar met innige genegenheid, als waren zij zusters die door een enkele draad van liefde met elkaar verbonden waren.

Om het droeve nieuws maar niet aan de keizer te hoeven vertellen, lieten zij nog een gouden kom brengen, waarin Kausalya en Kaikeyi ieder een deel van hun eigen payasam deden, zodat zij alle drie hun plaats in de tempel konden innemen. Zij nuttigden de heilige spijs, terwijl Rshyasrnga zijn zegen uitsprak en andere wijzen en geleerden toepasselijke vedische gezangen zongen. Daarna dronken de vorstinnen gewijd water en wierpen zij zich ter aarde voor het altaar; zij knielden neer aan de voeten van Rshyasrnga en begaven zich vervolgens ieder naar hun eigen paleis.

Na verloop van tijd verspreidde zich het nieuws onder het volk dat de vorstinnen zwanger waren. Hun lichaam scheen meer en meer als door een stralend licht omgeven. De tiende maand brak aan; kameniers en bakers wachtten de blijde gebeurtenis af en waakten nauwlettend en zorgzaam over de aanstaande moeders. Zodra zij hoorden dat Kausalya barensweeën had, spoedden zij zich naar haar paleis; terwijl zij nog onderweg waren, vernamen zij dat de keizerlijke gade reeds bevallen was van een prins! De volgende dag schonk Kaikeyi het leven aan een zoon. Het heuglijke nieuws vervulde het gehele vrouwenverblijf met blijdschap. De dag daarop beviel Sumitra van twee zonen.

Overal bespeurde men tekenen die wezen op de goedgunstigheid der Goden. Het blijde nieuws gaf alle mensen onmetelijke vreugde. De aarde hulde zich in het groen en de bomen stonden plotseling in volle bloesemtooi. De lucht was vervuld van muziek. Uit de wolken vielen zachte, geurige regendruppels, maar alleen op de daken van die vertrekken waar de pasgeborenen in hun wiegjes lagen! Dasharatha's vreugde kende geen grenzen. Na de lange jaren waarin hij ten prooi was geweest aan hevige zielenpijn omdat hij zelfs niet èèn zoon had, schonk de geboorte van zijn vier zonen hem een onmetelijke voldoening en onbeschrijfelijk veel geluk.

De keizer nodigde brahmanen uit, die hij rijkelijk begiftigde met goud, koeien en land. Hij zorgde ervoor dat er geld en kleren aan de armen werd uitgedeeld; bovendien schonk hij huizen aan de daklozen. Zij die honger leden gaf hij te eten. Waar men ook keek, zag men hoe de blijde gebeurtenis met gejuich werd ontvangen en hoorde men het Jai, Jai-geroep van het volk. De onderdanen dromden bijeen om uiting aan hun vreugde te geven in muziek en dans. 'Wij hebben nu prinsen voor de troonopvolging', zeiden zij trots tegen elkaar; zij waren nu zelfs nog opgetogener dan destijds over de geboorte van hun eigen zonen. De vrouwen hielden erediensten om God te danken voor dit blijk van zijn genade, want zij wisten zeker dat de geboorte van de zonen van hun keizer een buitengewone gunst was, een teken van Gods barmhartigheid.

Dasharatha verzocht de spirituele leidsman van de keizerlijke dynastie, Vasishtha, naar het paleis te komen; op diens voorstel liet Dasharatha een geleerde astroloog komen om de horoscopen van de pasgeborenen op te maken. Vasishtha deelde de aanwezigen mede dat het kind van Kausalya onder een zeer gelukkig gesternte geboren was, op een bijzonder tijdstip: in het goddelijke halfjaar (Uttarayana), in de maand Chaitra (maart-april), in de periode van de wassende maan (tussen nieuwe en volle maan), op de negende dag van de nieuwe maan, onder de Punarvasu ster, [de onder deze ster geborenen zijn verlichte zielen, Avatars. Ook Sai Baba is onder deze ster geboren] op maandag, met de ascendant in Leeuw (Simhalagna) en in de periode van Abhijit-overwinning, toen de wereld in zalige rust verkeerde en het weer aangenaam was, noch te heet, noch te koud. Kaikeyi's zoon werd de volgende dag geboren - in Chaitra, in de lichte periode, op de tiende dag, op dinsdag, Gandhayoga. De derde dag werd de tweeling geboren - in Chaitra, in de lichte periode, de elfde dag van de nieuwe maan, onder de Aslesha ster, Vriddhiyoga. Deze bijzonderheden werden medegedeeld aan de astroloog die de opdracht kreeg om op wetenschappelijk verantwoorde wijze de horoscopen te trekken en de keizer van zijn gevolgtrekkingen op de hoogte te brengen.

Toen bad Dasharatha Vasishtha om een gunstig tijdstip te bepalen voor de naamgevingsceremonie van de kinderen. Deze was daarop enige ogenblikken stil in meditatie verzonken; door de helderziendheid die hij als yogi bezat, werd hem een blik gegund in de komende jaren. Zichzelf terugroepend tot het normale bewustzijn sprak hij: 'Maharadja! Uw zonen zijn geen gewone stervelingen. Zij hebben hun gelijke niet en dragen vele namen. Zij zijn niet van menselijke oorsprong, maar zij zijn goddelijke wezens die een menselijke gestalte hebben aangenomen. Het zijn goddelijke verschijningen. Het is 's werelds gelukkige gesternte dat hen hierheen gevoerd heeft. Ik beschouw het als een groot voorrecht dat ik de naamgevingsceremonie mag leiden van deze goddelijke kinderen.' Er waren weliswaar drie moeders, maar er was slechts èèn vader, dus bepaalde Vasishtha dat de tiendaagse periode van 'onreinheid' zou beginnen te tellen vanaf de dag dat Kausalya haar kind ter wereld had gebracht. De elfde dag na de geboorte van Kausalya's zoon zou daarom een gunstig tijdstip zijn voor het naamgevingsritueel, zo verklaarde de wijze ziener. Uit dankbaarheid voor deze gunst wierp de keizer zich aan Vasishtha's voeten en daarop vertrok deze naar zijn hermitage.

Ook de astroloog stemde in met het gekozen tijdstip en hij stelde een lijst op van alle benodigdheden voor het ritueel. Hij overhandigde deze aan de hoofdpriester, waarna hij vertrok, beladen met de vele gaven die de keizer hem geschonken had. Dasharatha liet uitnodigingen schrijven voor de ceremonie en zond deze naar de onderkoningen, edelen, hovelingen, wijzen en geleerden in het gehele keizerrijk; hierbij richtte hij zich tot eenieder op de wijze die paste bij zijn rang en stand. De boodschappers die deze uitnodigingen overbrachten waren Ûf ministers, hofgeleerden, officieren Ûf brahmanen; van ieder van hen was de eigen status afgestemd op die van de genodigden.

Er gingen tien dagen voorbij. De hoofdstad Ayodhya werd zo in feestkledij gestoken en verfraaid dat zij een allerbekoorlijkste aanblik bood. Het ganse rijk weergalmde van muziek en zang, zodat de mensen zich gingen afvragen of zij de engelen des hemels hoorden zingen. De straten werden besprenkeld met welriekende stoffen. De stad kon nauwelijks mèèr bezoekers herbergen. Alleen de wijzen en hovelingen werden toegelaten tot de privè-vertrekken van het paleis. Voor alle anderen, of zij nu prinsen of eenvoudige lieden waren, had men aparte voorzieningen getroffen. Er werden grote feesttenten (pandals) opgezet in de paleistuinen, die plaats boden aan alle gasten en genodigden. Vanaf hun plaatsen hadden zij een goed zicht op de naamgevingsceremonie en alle verrichtingen die daarbij hoorden.

Reeds spoedig klonk er muziek vanuit de ontvangstzaal en kon men de brahmanen de vedische gezangen horen reciteren. De drie vorstinnen traden de fraai versierde zaal binnen, met de prinsjes in hun armen. Zij straalden als goddelijke moeders, die de Goden Brahma, Vishnu en Shiva droegen. De gelukzaligheid en innerlijke schoonheid die zij uitstraalden, zijn niet in aardse termen te vatten.

Zodra de mensen hen zagen verschijnen, welden de toejuichingen van 'Jai' op uit hun harten. De vrouwen zwaaiden met kamfervlammen. Er waren drie speciale zetels voor de koninginnen klaargezet. Kausalya was de eerste die haar plaats innam, daarna volgden Sumitra en Kaikeyi. Dasharatha zat ter rechter zijde van Kausalya.

De brahmanan maakten een aanvang met de ceremonie, erop toeziend dat alle rituelen nauwgezet werden uitgevoerd. Zij ontstaken het heilige vuur, waarin zij offeranden wierpen onder het uitspreken van de bijbehorende mantra's. Er werd rijst gestrooid en uitgespreid op gouden schalen; over de rijst werden zachte zijden doeken gespreid en daarop vlijden de moeders hun baby's neer. Kausalya's kind staarde Vasishta aan alsof hij iemand voor zich had die hij goed kende! De baby strekte zich naar hem uit, als was hij het liefst zo dicht mogelijk bij hem! Iedereen vroeg zich af wat dit wonderlijke gedrag te betekenen had. Vasishtha zelf werd door vreugde overweldigd en was tot tranen bewogen. Hij droogde zijn vreugdetranen en hervond met grote moeite zijn zelfbeheersing. Hij nam een paar korrels rijst in zijn hand en sprak: 'Majesteit! Het kind dat ter meerdere vreugde van Kausalya geboren is, zal evenzo het geluk van de gehele mensheid bevorderen. Zijn deugden zullen een ieder vertroosting en tevredenheid, blijdschap en geluk brengen. Hij zal de yogi's en de zoekenden op het geestelijke pad tot een rijke bron van gelukzaligheid zijn. Daarom zal, vanaf dit ogenblik, zijn naam Rama zijn, hetgeen betekent: hij die behaagt.' De wijzen vonden deze naam zeer toepasselijk en vol diepere betekenis en riepen uit: 'Voortreffelijk, uitmuntend!'

Toen liet Vasishtha zijn blik rusten op de tweeling van Sumitra. Hij voorvoelde dat de eerstgeborene een held en een dappere strijder zou zijn, die met onmetelijke rijkdom zou zijn begiftigd. Vasishtha wist dat hij behagen zou scheppen in dienstbaarheid aan Vishnu en aan zijn gade Lakshmi; voor hem zou deze dienstbaarheid zijn als zijn levensadem zelf. Dus koos Vasishtha voor deze prins de naam Lakshmana. Zijn jongere broer zou een geducht vernietiger van vijanden worden en bovendien zou hij niet anders wensen dan in de voetstappen van zijn oudere broer te treden. Dit alles wist Vasishtha, daarom zegende hij dit kind met de naam Shatrughna, dat 'doder der vijanden' betekent.

Vasishtha richtte nu de ogen op het kind dat Kaikeyi's bron van vreugde was. Van dit kind zag Vasishtha dat het aller harten met liefde en blijdschap zou vullen; dat zijn ongelofelijke trouw aan dharma allen versteld zou doen staan en dat het met diep mededogen en grote genegenheid over zijn onderdanen zou heersen. Daarom gaf hij het de naam Bharata - hij die regeert. De mensen waren gelukkig toen zij de wijze heilige deze bijzonderheden over de glorierijke toekomst van de kinderen hoorden vertellen. Zij waren vervuld van liefde voor de prinsen en noemden hen vanaf die dag bij de namen die hun gegeven waren: Rama, Lakshmana, Shatrughna en Bharata. 

Voor allen die de plechtigheden hadden bijgewoond had Dasharatha een uitgebreid feestmaal laten aanrichten. Hij gaf iedereen die die dag gekomen was een reden om blij en dankbaar te zijn; hij bood aan elk van zijn gasten de gastvrijheid en de geschenken die hun naar rang en stand toekwamen. Hij schonk overvloedig aan liefdadige doeleinden en als rituele boetedoening deelde hij koeien, stukken land, goud en andere kostbaarheden uit onder de armen en de behoeftigen. Niemand werd teleurgesteld of tekortgedaan, want Dasharatha had aan ieders behoeften gedacht. Na afloop van de plechtigheden gaf hij hun met gepaste hoffelijkheid verlof om naar huis terug te keren. Dankzij de liefdevolle zorg van hun moeders groeiden de kinderen voorspoedig op. Er was echter iets merkwaardigs aan de hand, dat al spoedig opviel. Reeds in de eerste levensmaanden merkte men dat Lakshmana altijd Rama zocht en Shatrughna altijd Bharata! Vanaf de dag van zijn geboorte huilde Lakshmana schier onophoudelijk! De kindermeisjes en andere verzorgsters beproefden allerlei middeltjes en foefjes om hem te sussen, maar niets kon zijn smart verlichten of een einde maken aan zijn gekerm. Men vermoedde dat hij inwendige pijn had en diende hem alle mogelijke medicijnen toe, die evenwel niets uitrichtten. Sumitra was er daarom van overtuigd dat de pijn van het kind niet door medicinale hulp weggenomen kon worden, dus liet zij de wijze Vasishtha komen. Zodra deze de kamer binnentrad, viel Sumitra aan zijn voeten. 'Meester', smeekte zij, 'Lakshmana huilt al sinds zijn geboorte en schreeuwt om iets waarvan ik niet weet wat het zou kunnen zijn. Ik heb doktoren geraadpleegd en hun adviezen opgevolgd. Toch wordt het gehuil met de dag erger en hij wil zelfs geen moedermelk drinken! Van slapen is al helemaal geen sprake. Hoe kan hij ooit gedijen als dit nog langer doorgaat? Wees zo goed mij te zeggen waarom Lakshmana zich zo gedraagt en zegen hem, opdat hij met dit voortdurende gehuil ophoudt.'

Vasishtha was enige tijd in gedachten verzonken. Toen sprak hij: 'Majesteit! Lakshmana's pijn heeft een buitengewone oorzaak en u tracht die te genezen met gewone middeltjes en medicijnen! Het is stervelingen niet gegeven ooit zijn verlangen te verstaan. Als u doet wat ik zeg zal uw kind rustig en tevreden zijn. Hij zal onmiddellijk ophouden met huilen en lustig beginnen te spartelen en trappelen. Neem hem uit zijn bedje en leg hem naast Rama, het kind van Kausalya. Dat is het wondermiddel.' Daarop vertrok Vasishtha, na moeder en kind gezegend te hebben. Gehoorgevend aan zijn woorden nam Sumitra haar kind op, bracht het naar de wieg van Rama en legde het naast Rama. Vanaf dat ogenblik hield het huilen op en begon Lakshmana te kraaien van plezier!

Zij die getuige waren van de totale verandering beschouwden deze als een groot wonder. Lakshmana, die tot dusver zo deerniswekkend was geweest, begon nu blij te brabbelen, met zijn voetjes te trappelen en zijn handjes te zwaaien, vrolijk spartelend als een vis die weer in het water teruggeworpen is. Hij was nu in het bijzijn van Rama, in gelukzaligheid ondergedompeld en zich bewust dat Rama's genade op hem neerdaalde.

Met Shatrughna gebeurde iets dergelijks: hij was droevig en lusteloos en wilde niet eten. Het leek of hij zwak en vermoeid was. Sumitra maakte zich zorgen over deze ontwikkeling. Dus noodde zij de familieleidsman naar het paleis en vroeg hem wat de oorzaak zou kunnen zijn. Vasishtha glimlachte en sprak: 'Moeder! Uw kinderen zijn niet van het gewone soort. Zij kwamen ter wereld om een goddelijk spel op te voeren! Leg Shatrughna in hetzelfde bed als Bharata, dan zal zijn leven elke dag vol vreugde en geluk zijn. U kunt uw bezorgdheid laten varen.' Vasishtha zegende haar en vertrok. Sumitra volgde onverwijld zijn aanwijzingen op. Vanaf dat ogenblik was Shatrughna altijd in Bharata's nabijheid. De kinderen waren bijeen in grenzeloze gelukzaligheid en gingen lichamelijk en geestelijk met sprongen vooruit. Hun schranderheid en majesteit namen toe van uur tot uur, als de luister van het zonlicht.

Sumitra hoefde nu niets meer voor haar kinderen te doen, maar omdat zij haar tweeling liefhad als haar eigen leven bracht zij beurtelings haar tijd door met Kausalya en met Kaikeyi, om de kinderen te liefkozen en te verzorgen. Zij ging van het ene paleis naar het andere en deze nederige taak als kindermeisje verrichtte zij met groot genoegen. 'De moederrol is niet voor mij weggelegd', zo mijmerde zij soms als zij alleen was. Menigmaal vroeg zij zich af hoe deze vreemde situatie was ontstaan, dat haar kinderen gelukkig waren bij die andere moeders in plaats van bij haar.

Ten einde raad wendde zij zich tenslotte tot Vasishtha en smeekte hem haar gerust te stellen. Hij openbaarde haar de diepere oorzaak: 'Moeder! Lakshmana is een 'deel' van Rama en Shatrughna is een 'deel' van Bharata.' Nog terwijl hij deze woorden uitte, riep Sumitra: 'Ja, ja! Nu besef ik dat dit de waarheid is. Ik ben blij dat u me die verteld hebt.' Zij wierp zich aan Vasishtha' s voeten en begaf zich toen naar de binnenvertrekken.

Sumitra dacht bij zichzelf: 'Toen de adelaar wegvloog met in zijn snavel de kostbare hemelse spijs, door de goddelijke boodschapper geschonken, beangstigde het vooruitzicht mij zÛ dat de keizer vertoornd zou zijn over mijn nalatigheid, dat ik Kausalya en Kaikeyi van dat rampzalige voorval op de hoogte stelde. Zij gaven mij elk een deel van de payasam uit hun kom, daarom ben ik de enige van ons drieën die een tweeling heeft gekregen, doordat het voedsel dat ik heb genuttigd bestond uit twee aan mij afgestane porties. Ach, wat is Gods wil toch een mysterie. Niemand kan zijn macht en majesteit bevatten. Wie zou ooit aan zijn besluit kunnen tornen?'

'Ja, het is waar', zo troostte zij zichzelf, 'dat ik hen negen maanden heb gedragen en de barensweeën heb doorstaan. Maar hun werkelijke moeders zijn Kausalya en Kaikeyi, dat lijdt geen twijfel.' Gesterkt in dit geloof, vertrouwde zij van harte haar kinderen toe aan Kausalya en Kaikeyi en hielp hen met de liefdevolle verzorging van de baby's.

De kindermeisjes en de vele verwanten van de keizerlijke familie vonden het heerlijk om naar de kinderen te komen kijken. Zodra ze weer weg waren drong Kausalya er gewoonlijk op aan dat de riten om het boze oog af te wenden met uiterste nauwkeurigheid werden uitgevoerd. Zo groot waren haar toewijding en haar zorg voor de kinderen, dat zij nauwelijks merkte hoe de dag in de nacht overging of dat er een nieuwe dag was aangebroken. Nog geen seconde wilde zij de kinderen uit het oog verliezen! Altijd waren haar gedachten bij hen; of zij zich nu baadde of in de tempel aan een eredienst deelnam, zij wist niet hoe snel zij weer naar hen terug moest gaan. Bij al haar werkzaamheden haastte zij zich, om maar zoveel mogelijk tijd aan de verzorging van de kinderen te besteden. 

Op zekere dag deed zij Rama en Lakshmana in bad; zij bewerkte hun krullen met geurige rook om ze te drogen en te parfumeren. Zij droeg hen naar hun gouden bedjes, zij zong lieve slaapliedjes en wiegde hen in slaap. Toen zij zag dat de kinderen sliepen, vroeg zij de kindermeisjes om een wakend oog op hen te houden en begaf zich naar haar eigen vertrekken, waar zij het spijsoffer aan God gereedmaakte, om in haar eigen puja-kamer de riten te volbrengen die een onderdeel waren van haar dagelijkse gebed. Zij nam de gouden schaal met het voedsel en offerde het aan God. Enige tijd later ging zij de gebedskamer weer binnen om de schaal weg te halen en een kleine hoeveelheid van het geofferde voedsel aan de kinderen te geven. Wie schetst haar verbazing toen zij Rama daar aantrof, die voor het altaar op de grond zat, met de offerande voor zich, genietend van het voedsel dat zij aan God had opgedragen? Zij kon haar ogen niet geloven! Kausalya vroeg zich af: 'Wat zie ik nu? Bedriegen mijn ogen mij? Is het waar, ja, k·n het waar zijn? Hoe kon deze baby, die in zijn wieg lag te slapen, naar de tempel komen? Wie heeft hem hierheen gebracht?' Zij vloog terug naar Rama's wieg en keek erin en wat zag zij? Een slapende Rama! Zij hield zichzelf voor dat alles op een zinsbegoocheling berustte en begaf zich naar de tempel om de kom met het voedsel, dat zij daar voor de godenbeelden neergezet had, weg te halen. De kom was leeg! Hoe was dit nu mogelijk? Wellicht hadden haar ogen haar bedrogen toen zij het kind in de tempel meende te zien, maar hoe kon zij de lege kom verklaren? Dat kon toch zeker geen gezichtsbedrog zijn?

Zo werd zij heen en weer geslingerd tussen verbazing en ongeloof. Zij pakte de schaal, die nog een kleine hoeveelheid van de offerande bevatte, en repte zich naar de wieg waarin de twee baby's lagen. Zij merkte dat Rama iets in zijn mond had dat hem goed scheen te smaken; zij keek geamuseerd naar zijn gezicht, toen zij inèèns daarin het ganse universum bewegen zag. Kausalya vergat zichzelf en haar omgeving; zij stond als aan de grond genageld en staarde verbijsterd naar het unieke panorama dat zich openbaarde. 

De dienaressen waren ontsteld over haar gedrag en zij slaakten bezorgde kreten maar Kausalya hoorde ze niet. Eèn van de vrouwen hield Kausalya's voeten vast en schudde haar door elkaar tot zij zich weer van haar omgeving bewust werd. Met een lichte siddering kwam zij in een oogwenk weer tot zichzelf. Het drong tot haar door dat de dienaressen om haar heen stonden. Nog geheel in de ban van wat zij zojuist aanschouwd had, zette zij zich op een slaapplaats neer. Zich tot de vrouwen wendend, vroeg zij: 'Hebben jullie goed op dit kind gepast?' Zij antwoordden: 'Ja, wij zijn steeds hier geweest en hebben het geen moment uit het oog verloren.' 'Is jullie soms een verandering in hem opgevallen?', drong Kausalya aan. We hebben niets van een verandering kunnen merken en zoals u ziet is het kind in diepe slaap', was hun antwoord. Het was Kausalya een raadsel: was wat zij aanschouwd had waan of werkelijkheid? Als het waar gebeurd was, waarom was het dan de dienaressen geheel ontgaan? Zij dacht diep na en troostte zich tenslotte met de redenering dat, aangezien de kinderen waren voortgebracht door goddelijke genade, men ook moeilijk anders dan een goddelijke openbaring van hen kon verwachten. Zij verzorgde en voedde de kinderen met intense moederlijke zorgzaamheid. Zij groeiden met de dag en hun stralende schoonheid nam toe, gelijk de schittering van de wassende maan. Kausalya putte er onmetelijke vreugde uit hen te liefkozen en hen aan te kleden en met sieraden te tooien. 

Rama's kinderjaren waren onbekommerd en vormden een sublieme en prachtige periode in zijn leven. Menigmaal wierp Kausalya zich aan zijn voeten, vergetend dat Hij haar kind was en vouwden haar handen zich voor Hem, omdat zij wist dat Hij goddelijk was. Terstond vroeg zij zich dan angstig af wat anderen wel zouden zeggen als zij haar zagen knielen voor haar eigen kind en haar in aanbidding zijn voeten zagen aanraken. Om haar verwarring te verbergen, sloeg zij haar ogen ten hemel en bad hardop: 'Heer! Behoed mijn kind voor kwaad en onrecht.' Steeds sloot zij haar ogen in innerlijke beschouwing van het goddelijke kind en bad God dat zij niet zou wankelen in haar geloof door de grillen van zijn maya, de macht der illusie. Zij werd getroffen door de stralenkrans om Rama's gezicht. Zij vreesde dat de anderen wellicht aan haar geestelijke gezondheid zouden gaan twijfelen als zij het geheim van haar ervaringen zou onthullen. Maar deze belevenissen voor zichzelf bewaren kon ze evenmin. Kausalya was zo in verwarring dat zij zich vaak eigenaardig gedroeg, alsof zij in vervoering geraakte door het goddelijke spel van haar zoon. Soms snakte zij ernaar om bij Sumitra of Kaikeyi haar hart uit te storten, als die in haar nabijheid waren; maar zij beheerste zich, want zij mochten eens aan de echtheid van haar ervaringen twijfelen en die toeschrijven aan overdrijving, of aan het verlangen om haar eigen zoon op te hemelen.

Uiteindelijk vatte zij moed en vertelde Dasharatha de hele wonderbaarlijke en ontroerende geschiedenis. De keizer luisterde aandachtig en sprak: 'Geliefde! Dit is niets anders dan de vrucht van je verbeelding; omdat je ·l te veel van het kind houdt, geloof je dat hij goddelijk is en beschouw je iedere beweging en handeling van hem in dat licht en komt hij je ongewoon en wonderbaarlijk voor, dat is alles.' Dit antwoord bevredigde Kausalya niet, dus troostte de keizer haar met wat drogredenen en zond haar heen naar haar eigen vertrekken. Dasharatha's beweringen hadden Kausalya niet kunnen overtuigen; zij was immers degene die de wonderlijke voorvallen met eigen ogen aanschouwd had? De woorden van de keizer hadden haar niet tot andere gedachten kunnen brengen.

Daarom wendde zij zich tot de wijze Vasishtha en raadpleegde hem over de echtheid van haar ervaringen. Hij hoorde haar relaas aan en sprak: 'Majesteit! Wat u hebt gezien is de zuivere waarheid en is niet aan uw verbeelding ontsproten. Uw zoon is geen gewoon mensenkind. Hij is goddelijk. U hebt hem tot zoon ontvangen als beloning voor vele verdienstelijke levens. Dat de verlosser der mensheid geboren werd als de zoon van Kausalya, is de unieke, gelukkige lotsbeschikking van de burgers van Ayodhya.' Vasishtha schonk Kausalya overvloedig zijn zegen en vertrok. De vorstin besefte dat de wijze ziener de waarheid gesproken had! Zij wist dat haar zoon de Goddelijkheid zelf was en het gaf haar diepe vreugde het kind gade te slaan.

Maanden gleden voorbij. Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna konden nu zitten en kruipen. Het waren zeer beweeglijke kinderen, daarom werd ervoor gezorgd dat er altijd iemand was om op hen te letten, zodat ze niet konden vallen en zich bezeren. Er werd allerhande speelgoed voor hen aangeschaft, waarmee ze naar hartelust konden spelen. Zonder enig besef van tijd brachten de moeders met hun kinderen en de kinderen met hun moeders en kindermeisjes de dagen door, als was het èèn groot feest. Allengs konden de kinderen zich oprichten en blijven staan als zij de hand van èèn van de moeders of kindermeisjes vasthielden. Weer wat later konden zij zonder hulp overeind komen en zetten zij hun eerste stappen. Hun eerste pogingen en de geleverde prestaties bezorgden hun moeders grote vrolijkheid. Het grappige en lieve nabrabbelen van de kleinen deed hen in lachen uitbarsten. De moeders leerden de kinderen bapu en amma (papa en mama) zeggen en waren blij als  zij de woorden goed uitspraken.

Bij het aanbreken van de nieuwe dag werden de kinderlijfjes eerst ingewreven met welriekende medicinale olie en dan met zuiverende poeder, waarna ze werden gebaad in het heilige water van de Sarayu. Hun krullen werden gedroogd in geurige wierook en hun ogen gedruppeld met collyrium, een medicinale ooglotion. Men bracht stippen aan op de wangen om het boze oog af te wenden en rituele stippen op hun voorhoofd. Zij werden gekleed in fraaie, zachte zijde en dan in schommelbedjes gelegd, waar zij sliepen als rozen bij het gezang van welluidende slaapliedjes. Als zij deze aangename taken vervulden, hadden de moeders het gevoel dat de hemel niet een plaats is die ver weg lag in ruimte en tijd, maar dat zij zich er middenin bevonden!

En dan de sieraden die de kinderen droegen! Iedere nieuwe dag nÛg weer andere en mooiere: enkelbandjes, om de heupen rinkelende snoeren van goud en edelstenen en om hun hals kettingen die bezet waren met de negen juwelen. Uit vrees dat deze harde voorwerpen de tere lijfjes konden bezeren, werden de sieraden op zachtfluwelen band en op linten vastgezet.

Het valt nauwelijks te beschrijven hoe heerlijk de kleine jongens speelden en zich op allerlei manieren vermaakten. Zodra zij konden lopen werden er jongens van hun leeftijd uit de stad gehaald om mee te spelen. De speelmakkertjes uit de stad werden verwend met heerlijke spijzen en met speelgoed. Zij werden bovendien overladen met cadeautjes. Zelfs de kindermeisjes die hen naar het paleis brachten werden rijkelijk gevoed. Kausalya, Kaikeyi en Sumitra bekommerden zich niet om hun eigen gezondheid of om enig ongemak bij het grootbrengen van hun kinderen; zo gelukkig waren zij met hen.

De eerste jaren, waarin alle aandacht werd geschonken aan het lichamelijk welzijn en de groei van de kinderen, speelden zich binnen in het paleis af. Nu ze inmiddels drie jaar oud waren, was de tijd gekomen dat de kindermeisjes hen mee naar buiten namen, waar ze op de speelplaats naar hartelust konden rennen en stoeien. Bij hun terugkomst werden zij door hun moeders verwelkomd en met grote liefde en zorg omringd. Op zekere dag, toen Dasharatha zich met zijn gemalinnen onderhield, merkte hij op dat de kinderen van de omgang met de kindermeisjes weinig zouden opsteken. Op deze manier kregen hun intelligentie en hun talenten weinig kans zich te ontplooien. Dus werd een gunstig tijdstip uitgezocht om hen in de letteren in te wijden en werden leermeesters naar het paleis gehaald om hen de basisbegrippen bij te brengen.

Vanaf die dag namen de bekoorlijke kleintjes hun intrek in het huis van hun leraar; zij legden hun kostbare prinselijke gewaden af en hulden zich in eenvoudige omslagdoeken, èèn om de heupen en èèn over de schouder. Kinderen kunnen in hun vooruitgang worden belemmerd als zij uitsluitend onder de invloed van ouderlijke liefde en zorg blijven. Daarom was het beter dat zij bij hun leraar woonden, om dag en nacht van hem te leren. Want men leert meer van ondergeschiktheid en dienstbetoon aan zijn leraar, door hem goed te observeren en zijn voorbeeld te volgen. De kinderen moesten zich voeden met de spijzen die de leraar hun voorzette. Zij straalden als de belichaming van het brahmacharin-ideaal, van de zoekers naar waarheid. Als de scheiding van hun kinderen de moeders te veel werd en zij er naar verlangden hen te zien, gingen zij naar het huis van de leraar. Het maakte hen gelukkig te merken hoe goed de kinderen vooruitgingen.

De leraar was niet minder tevreden omdat zijn leerlingen blijk gaven van standvastigheid en geestdrift. Hun intelligentie en hun verbluffend geheugen verrasten en verblijdden hem. Het viel hem op dat van alle vier Rama het meest in zijn lessen geïnteresseerd was. Rama was zo vlug van begrip dat hij elke les foutloos kon herhalen, na hem slechts eenmaal te hebben gehoord. Zijn scherpe verstand deed de leraar versteld staan en deed hem besluiten dat Rama's ontwikkeling niet geremd mocht worden door de noodzaak om de andere drie op zijn niveau te brengen. Dus zette hij de anderen bij elkaar en gaf individuele aandacht aan Rama, die buitengewoon snelle vorderingen maakte.

Hoewel Lakshmana, Bharata en Shatrughna eveneens zeer vlijtige pupillen waren, was hun verlangen naar Rama's gezelschap en zijn kameraadschap zÛ groot, dat, zodra deze uit het gezicht was, zij alle belangstelling verloren in hun lessen en in hun plichten tegenover hun leraar. Dit had tot gevolg dat zij Rama niet konden bijhouden en enkele lessen bij hem achter waren.

Lakshmana was weleens zo vermetel om tegen zijn leraar te zeggen dat zij geen lessen of boekengeleerdheid nodig hadden. Het gezelschap van Rama alleen zou hen meer dan gelukkig maken! Voor Lakshmana was Rama het leven zelf. De leermeester bemerkte hoe merkwaardig de verstandhouding tussen de twee kinderen was en als hij er dieper over nadacht putte hij hieruit inspiratie. Het bracht hem de uitspraak van de wijze Vasishtha in herinnering, dat zij niemand anders waren dan Nara en Narayana, de onafscheidelijke goddelijke krachten.

Hoofdstuk 5: De goeroe en de leerlingen

De broers woonden bij de leraar in huis en dienden hem met grote toewijding. Zij hadden de geriefelijkheden van het paleis afgezworen en doorstonden blijmoedig de ontberingen en ongemakken in hun nieuwe omgeving. Nederig en getrouw gaven zij gehoor aan de wensen van hun meester. Binnen zeer korte tijd was hun studie voltooid en beheersten zij de vakken die hun onderwezen waren. Op zekere dag begaf keizer Dasharatha zich met zijn minister naar het huis van de leraar. Hij was buiten zichzelf van vreugde toen hij hoorde hoe zijn zonen de vedische hymnen voordroegen en hoe de heilige mantra's duidelijk en zonder haperen van hun lippen rolden, gelijk een waterval van glanzende parels. Het verheugde hem dat zijn zonen zoveel hadden geleerd.

 

Rama stond op, liep op zijn vader toe en wierp zich aan zijn voeten. Toen zij dit zagen, kwamen ook de drie broers naar voren en wierpen zich voor hun vader ter aarde. Vasishtha nodigde de keizer en zijn minister uit om plaats te nemen op banken die met hertevel bekleed waren. Dasharatha begon een gesprek met de leraar om van hem te vernemen hoever de kinderen met hun studie gevorderd waren. Rama gaf zijn broers een teken dat het gesprokene niet voor hun oren bestemd was. Nadat hij daartoe van zijn goeroe toestemming had gekregen, verliet Rama de kamer met zijn boeken onder de arm en beduidde de anderen hem te volgen. In alles richtten de broers zich naar Rama, wiens geringste wenk voldoende was om hen stilzwijgend te doen gehoorzamen.

Dit voorval was Vasishtha en Dasharatha niet ontgaan. Zij waren vol waardering voor het rechtschapen gedrag van Rama, omdat hij de strekking begreep van het onderhoud tussen leraar en ouder en voor de nederigheid waarmee hij had gereageerd, zowel als voor de wijze waarop hij zich gedroeg als een voorbeeld en een ideaal ter navolging voor zijn drie broers. Het verheugde hun dat de prinsen zoveel discipline hadden geleerd.

Vasishtha kon zijn gevoelens niet langer voor zich houden. Hij sprak: 'Maharadja! Uw zonen beheersen alle takken van de spirituele wetenschap. Rama kent alle morele wetten en religieuze Geschriften (Shastra's). Hij is geen gewone sterveling. Zodra ik Hem voordeed hoe Hij de Veda's moest opzeggen, herhaalde Hij ze, alsof Hij ze reeds kende. Slechts Hij die zelf deze gezangen geïnspireerd heeft, kan ze op deze wijze nazeggen; dat kan niemand anders. De Veda's zijn geen 'boeken' die Hij in zijn vrije tijd heeft kunnen doorlezen. De Veda's zijn openbaringen aan grote zieners die door goeroes zijn doorgegeven aan hun leerlingen. Zij zijn louter door mondelinge overlevering bewaard gebleven en worden daarom aangeduid met 'shruti', hetgeen betekent 'dat wat gehoord is'. Men kan ze nergens anders dan bij de leraar vinden! Het is de goddelijke adem die vorm heeft gekregen in deze mantra' s. Nog nooit heb ik iemand gezien die de Veda's beheerst zoals Rama dat doet. Waarom zou ik 'gezien' zeggen? Ik heb zelfs nog nooit van iemand 'gehoord' die deze opmerkelijke prestatie heeft geleverd.

Ik zou u over nog veel meer bovenmenselijke verrichtingen van uw zoon kunnen vertellen. Maharadja! Als ik eraan denk hoe gelukkig ik mij mag prijzen dat ik deze jongens tot leerling mocht hebben, dan heb ik het gevoel dat het mijn beloning is voor mijn jarenlange ascese. De prinsen hoeven niet verder te leren. Nu moet hun de kunst van het boogschieten worden bijgebracht en van soortgelijke bedrevenheden die bij hun prinselijke status horen. Zij hebben hun studie onder mijn leiding voltooid en hebben zich bekwaamd in al wat ik hun kan onderwijzen. Bovendien is deze dag bijzonder gunstig voor het nemen van de volgende stap. Neemt u de prinsen nu maar mee terug naar het paleis.'

Dasharatha, die maandenlang zeer onder de scheiding van zijn zonen geleden had, stortte tranen van blijdschap bij deze woorden. Hij kon zijn vreugde niet bedwingen. Hij wendde zich tot de minister naast hem en droeg hem op het goede nieuws aan de vorstinnen over te brengen en hun te verzoeken om naar de hermitage te komen met de geschenken die leerlingen hun leraar moeten aanbieden bij het einde van de periode waarin zij onder zijn hoede geweest zijn. Sumanthra haastte zich naar het paleis en deelde het nieuws mede. Hij maakte de geschenken gereed en keerde eerder terug dan verwacht.

Intussen hadden de jongens, op aanraden van Vasishtha, hun eigendommen laten inpakken en op de wagen laten laden. Op aanwijzingen van hun vader bewezen de kinderen de goeroe eer volgens de voorgeschreven riten, gaven hem de geschenken en wierpen zich aan zijn voeten. Toen vroegen zij hem toestemming om naar huis te gaan.

Vasishtha trok de jongens naar zich toe, vatte hun handen en gaf hun een zacht klopje op hun hoofd. Hij zegende hen en gaf hun node toestemming om te vertrekken. De pijn van het afscheid deed de tranen in zijn ogen opwellen. Hij begeleidde zijn leerlingen naar de wagen en zag hoe zij erop klommen en wegreden. De jongens draaiden zich om en keken lange tijd met gevouwen handen in de richting van de goeroe. De leraar keek hen na van waar hij stond en tranen rolden over zijn wangen. Dasharatha zag hoe sterk de band was tussen de leraar en zijn pupillen, en dat verheugde hem zeer.

Terwijl de prinsen op weg naar huis waren, tradVasishtha met bezwaard gemoed de kluizenaarshut binnen. Waarheen zijn blik zich ook wendde, zag hij duisternis, zonder een sprankje licht. Hij vreesde dat de gehechtheid die zich bij hem ontwikkeld had, hem voorgoed zou kunnen ketenen en hij besloot zich aan meditatie over te geven om de opkomende vloed van de herinnering te bedwingen. Al spoedig had hij de illusie van de buitenwereld achter zich gelaten en was hij opgegaan in innerlijke gelukzaligheid. Hij besefte dat de prinsen de belichaming waren van dharma, artha, kama en moksha - de vier levensdoelen van de mens: rechtschapenheid, materiële voorspoed, vervulling van verlangen en tenslotte bevrijding - en dat zij de menselijke vorm hadden aangenomen om deze grootse idealen van een harmonieus en gezegend leven op aarde tot nieuw leven te wekken. Deze wetenschap verschafte hem volkomen vrede.

Dasharatha besloot het onderwijs dat de jongens hadden genoten aan te vullen door hen te oefenen in het gebruik van wapens. Hij ontbood dus deskundige boogschutters en andere experts om de prinsen de technieken van aanval en verdediging bij te brengen. Maar wie kan beweren dat hij iets te leren had aan deze jongens, die reeds grootmeesters waren op elk wetenschappelijk terrein? Zij speelden slechts de rol van menselijk wezen en deden alsof zij iets te leren hadden.

Wie zou Hem, die de leiding heeft van dit aardse marionettenspel, kunnen leren hoe Hij de touwtjes moet bedienen? Mensen die niet in staat waren onder de camouflage van maya hun eigen werkelijkheid te herkennen, trachtten hen op te leiden en hen te bekwamen in praktische vaardigheden die voor het materiële leven van nut zijn. De prinsen waren gekomen om de wereld voor rampspoed te behoeden; daarom moesten zij in en van de wereld zijn en de conventies van de wereld respecteren, voorzover deze aan hun doel dienstbaar waren. Gewone stervelingen konden hun handelingen niet begrijpen, want die gingen het menselijk verstand en de menselijke verbeeldingskracht verre te boven. Zij zouden machteloos zijn geweest als hun gevraagd was die daden te verklaren. Doch de mensen moesten zich de idealen eigen maken die deze prinsen in praktijk brachten. Daarom toonde Rama zich aan de buitenwereld als een gloeiende sintel die overdekt is met as, als een vijver met een dik tapijt van kroos, of als de maan die achter een wolkengordijn verscholen gaat. En de broers volgden Rama's voorbeeld.

Rama en Lakshmana toonden een inzicht in en kennis van krijgslisten en strategische vaardigheden die zelfs hun deskundige leraren onbekend waren. Zij waren erdoor verbijsterd en zelfs enigszins beangstigd. Maar nooit schoten de prinsen hun pijlen af naar vogels of andere dieren. Nooit verbraken zij hun plechtige gelofte om slechts bij dringende noodzaak hun wapens te gebruiken en niet om de sport van het doden of verwonden. Hun leraren namen hen dikwijls mee naar het woud voor trektochten en voor de jacht; doch wanneer zij meenden een geschikte prooi te zien en de prinsen aanspoorden te schieten, protesteerden dezen en zeiden: 'Deze pijlen mogen niet worden gebruikt tegen enig onschuldig doelwit, maar uitsluitend ter bescherming van de welvaart en het welzijn van de wereld en tot dienst aan de mensheid. Dat is het doel waartoe wij ze bij ons dragen en wij zullen ze niet beledigen door ze voor dit dwaze tijdverdrijf te gebruiken', zo verzekerden zij en legden pijl en boog neer. De leraren moesten hun argumenten wel accepteren. Met ieder woord en elke daad gaf Rama blijk van mededogen. Soms, als Lakshmana zijn pijl op een vogel of ander dier richtte, kwam Rama tussenbeide en protesteerde: 'Lakshmana, wat heeft dit dier jou of de wereld misdaan? Waarom wil je er zo graag op schieten? Het druist geheel in tegen de morele gedragscode waaraan koningen zich te houden hebben, om onschuldige wezens iets aan te doen; weet je dat niet?'

Menigmaal als de keizer zitting hield met zijn ministers, waren ook de prinsen daarbij aanwezig. Er werden staatkundige problemen besproken, er werd gediscussieerd over rechtspraak en over de praktische toepassing van morele principes in het besturen van het rijk. De keizer vertelde verhalen over hun grootouders en over anderen uit het keizerlijk geslacht; hoe zij de liefde en de trouw van hun onderdanen verwierven, hoe zij ten strijde trokken tegen 'demonen' en voor hun 'Goden' en hoe hun streven werd beloond met de genade en de steun van God. Zowel de vader als zijn zonen raakten opgetogen door deze vertellingen. Menigmaal namen de ministers om de beurt deze aangename taak op zich.

Naarmate de jaren verstreken en de prinsen opgroeiden, raakten de ministers ervan overtuigd dat hun bepaalde regeringstaken konden worden toevertrouwd. De mensen droomden ervan dat, als de prinsen meerderjarig werden en de teugels van het bewind zouden overnemen, er een hemel op aarde zou komen. Als de mensen de prinsen zagen, voelden zij hoe er spontaan een hechte band van liefde tussen hen ontstond. De gesprekken die zich dan tussen hen ontsponnen, werden gekenmerkt door zoete harmonie. Er was niet èèn sterveling in de stad Ayodhya die deze eenvoudige, nederige, rechtschapen en onzelfzuchtige prinsen niet liefhad, of die er niet naar verlangde in hun nabijheid te zijn. Voor de kinderen van Ayodhya waren de prinsen even dierbaar als hun eigen lichaam en voor de stad waren zij zo kostbaar als haar eigen hart.

Toen zij ongeveer twaalf jaar oud waren, ontbood Dasharatha op zekere dag minister Sumanthra, een man die rijk aan deugden was, en droeg hem op voorzieningen te treffen om de prinsen te onderrichten in de paravidya, de hogere kennis der bevrijding. Hij zei dat, hoezeer men ook bedreven is in de lagere, wereldlijke wetenschappen (aparavidya), men slechts in de paravidya de kracht kan vinden die men nodig heeft om een leven van rechtschapenheid (dharma) te leiden. Juist op deze jonge leeftijd moest deze morele cultuur van de hoogste orde aan hen worden overgedragen.

Het slagen of falen in het latere leven wordt bepaald door de indrukken en de ervaringen die zijn opgedaan in de eerste stadia van het leven. In die jonge jaren worden de funderingen gelegd voor de woning van later. Daarom sprak Dasharatha: Leid de prinsen rond in het koninkrijk en laten zij niet alleen kennisnemen van de levensomstandigheden van het volk, maar ook van het ontstaan van onze heilige plaatsen. Vertel hun waarom deze plaatsen heilig zijn, leer hun de geschiedenis van de tempels en van de heiligen en wijzen, die door hun aanwezigheid deze tempels hebben geheiligd en laat hen de goddelijke atmosfeer inademen die deze plaatsen hun wijding verleent. Ik denk dat het goed is als zij dit alles ervaren. Als zij opgroeien zullen zij geneigd zijn om toe te geven aan zinnelijke verlangens en driften. Aleer zij aan dergelijke neigingen ten prooi kunnen vallen doen wij er goed aan hun eerbied en ontzag in te prenten en het zaad van de toewijding te zaaien aan het goddelijke principe dat immanent is in het universum. Alleen hierdoor kunnen zij ervoor worden bewaard dat zij zich verlagen van het menselijke niveau tot het dierlijke. Voor hen die een koninkrijk besturen is dit van wezenlijk belang. Raadpleeg Vasishtha en de leraren en begin terstond met de voorbereidingen voor de reis.'

Alle nodige maatregelen werden getroffen, tot volle tevredenheid van Sumanthra, die opgetogen was bij het vooruitzicht dat de prinsen deze prachtige kans kregen; hij maakte zich gereed om hen te vergezellen. Het nieuws van de bedevaart van hun zonen kwam ook de vorstinnen ter ore. Het verheugde hen zeer dat de prinsen deze heilige tocht gingen ondernemen en zij maakten allerlei voorbereidselen om de reis zo gelukkig en nuttig mogelijk te laten verlopen. Zij zorgden ervoor dat een paar kindermeisjes meegingen en ook enkele leeftijdgenootjes van de prinsen. De laatsten waren buiten zichzelf van vreugde bij het vooruitzicht dat zij de heilige plaatsen van het rijk zouden bezoeken. De prinsen brachten hun geestdrift over op hun metgezellen; ook voor hen vroegen zij de keizer om passende kleding en andere benodigdheden voor de reis.

De volgende dag, toen het uur was aangebroken dat als het gunstigste tijdstip speciaal was uitgekozen om de reis aan te vangen, bogen de prinsen zich voor hun ouders en raakten met het voorhoofd hun voeten aan. Daarna wierpen zij zich aan de voeten van hun geestelijk leidsman. Hun moeders brachten heilige stippen aan op hun voorhoofd en hun wangen, om het boze oog af te wenden en hen tegen onheil te beschermen. De jongens legden hun koninklijke kledij af en trokken pelgrimsgewaden aan, dat wil zeggen, zijden dhoti's om het middel en zijden shawls om de schouders. Na van iedereen afscheid te hebben genomen klommen zij op de wagen. Het paleis weergalmde van de overwinningskreten uit de kelen van duizenden burgers die samengedromd waren om de prinsen uitgeleide te doen. De wagen, met gardes voor- en achterop, zette zich in beweging.

Dagen, weken en zelfs maanden gingen voorbij! De prinsen en hun begeleiders bezochten elke tempel en iedere gewijde plaats en dronken diep de heiligheid in van elke plek. In iedere tempel die zij bezochten, namen zij met geloof en toewijding deel aan de erediensten en kwamen zij door hun diepgaande vragen alles te weten over de voorgeschiedenis van elke plaats en over de antecedenten van elk heiligdom. Gedurende deze hele, lange periode wilden de prinsen aan niets anders denken of zich met iets anders bezig houden dan met hun spirituele tocht. Sumanthra beschreef hun de heilige plaatsen met zoveel levendigheid en bezieling dat hij hun harten met ontroering vervulde. De prinsen overstelpten hem met vragen en wilden steeds meer en steeds verdergaande bijzonderheden weten over hetgeen hij hun vertelde. Sumanthra was verrukt over het niet te stillen, diepe verlangen van de jongens en bleef steeds weer vertellen en inspireren.

Zo trokken zij van Kanyakumari naar Kashmir en van de oost- naar de westkust; een tocht die meer dan drie maanden vergde. In welke streek van het keizerrijk zij zich ook bevonden, overal hadden zij een open oog voor het lijden van de bevolking en voor de ontberingen van de pelgrims. Daar waar zij misstanden aantroffen, smeekten zij minister Sumanthra om een goede oplossing te vinden en de nodige voorzieningen te treffen.

Het was aan hen te danken dat vele tempels werden hersteld en herbouwd, dat er bronnen voor drinkwater werden geslagen en dat er bomen werden geplant langs de openbare wegen; ook werden er centra geopend waar water werd verstrekt aan dorstige voetreizigers, werden er herbergen gebouwd en klinieken gevestigd. Telkens wanneer Rama de wens te kennen gaf dat er dergelijke voorzieningen zouden komen, stemde Sumanthra zonder aarzelen toe en zorgde ervoor dat alles terstond tot zijn tevredenheid in orde gebracht werd. Het bemoedigde de prinsen zeer dat het keizerrijk een minister had die zo loyaal en efficiënt was als Sumanthra; zij zeiden tegen elkaar dat, als zij eenmaal zulke ministers zouden hebben, zij verzekerd konden zijn van welvaart en voorspoed in het rijk.

De berichten over de pelgrimstocht van de prinsen werden naar Ayodhya overgebracht door speciale koeriers die zich in estafette heen en weer spoedden met het nieuws dat zij hadden vergaard. Bij elke vertraging die optrad, waren de vorstinnen dodelijk ongerust. Dan smeekten zij hun geestelijk leidsman Vasishtha om hun de juiste feiten over hun zonen mede te delen. Vasishtha had het yogische vermogen om te zien wat er met hen gebeurde en hij bracht de moeders dan altijd het geruststellende nieuws dat de jongens gelukkig en gezond waren en dat zij weldra naar de hoofdstad zouden terugkeren. Dit gaf de moeders weer moed en vertrouwen. Vasishtha zegende hen en trok zich weer terug in zijn kluizenaarshut.

Toen brachten de koeriers een blij bericht. Zij zeiden dat de prinsen dicht bij Ayodhya waren en zeker binnen twee dagen in de hoofdstad zouden aankomen! Daarom werden er voorbereidingen getroffen aan de hoofdpoort van Ayodhya om in de keizerlijke hoofdstad de vier prinsen te verwelkomen die hun lange en zware pelgrimage met zoveel succes hadden volbracht en zich op zulk een verdienstelijke wijze roem hadden verworven door hun toewijding en mededogen tijdens hun triomftocht. De straten werden met rozenwater besprenkeld, zodat het stof niet kon opwaaien, en met bogen en slingers getooid. Aan weerszijden van de weg stonden vrouwen met schalen waarop zij lampen gezet hadden die helder opvlamden; daarmee wilden zij hun hulde betuigen als de prinsen voorbijkwamen.

Zoals aangekondigd was, kwamen de prinsen bij de stadspoort aan; voor hen uit zwaaiden de mensen in eerbetoon met hun lampen. Zij reden over de hoofdweg, die met geurige bloemblaadjes bestrooid was, voorafgegaan door een zich langzaam voortbewegende stoet van muzikanten en minstrelen die welkomstliederen zongen. Brahmanen reciteerden gezangen om Gods zegen af te smeken over deze opmerkelijke telgen van de keizerlijke familie. Sumanthra voegde zich bij de prinsen, wier gezichten straalden met een bovenaardse gloed.

Toen zij bij de paleispoorten aankwamen, werden allerlei riten uitgevoerd om de invloed van het boze oog af te wenden, waarna de prinsen naar de binnenvertrekken geleid werden. Hier wachtten hun moeders, die zo verlangend waren hen weer te zien; de jongens renden naar hen toe en wierpen zich aan hun voeten. Hun moeders hielden hen overeind en hielden hen minutenlang vast in innige omhelzing, waarbij zij geheel opgingen in de vreugdevolle ontroering die moeder en zoon omvat hield in de gelukzaligheid van de èènwording met het Goddelijke. De tranen die over de wangen van de moeders rolden door de opwelling van liefde, vloeiden op de hoofden van hun zonen. Zij namen de slip van hun sari en droogden daarmee de hoofden van hun jongens. Zij streelden hun haar, liefkoosden hen, namen hen op schoot en voerden hen liefdevol zoete rijst en rijst gemengd met gestremde melk.

De opwinding en verrukking van de moeders was niet te beschrijven! Nu kon de pijn van de scheiding, die hen drie maanden lang had gekweld, enigszins worden verzacht, enkel en alleen omdat zij de kinderen voor korte tijd onder hun hoede hadden en hen dag en nacht konden verzorgen. Zij wilden van hen het relaas van hun pelgrimstocht horen en de jongens vertelden in zoete, eenvoudige en ernstige bewoordingen over de heiligheid van elke gewijde plaats, zoals Sumanthra hun deze had uitgelegd. De moeders luisterden naar de vertellingen met zoveel vuur en diep geloof dat ook zij de vreugde en verheffende invloed leken te ervaren die de ware pelgrim bij elke tempel beleeft.

Dasharatha vierde de terugkeer van de jonge prinsen van hun heilige tocht door offeranden aan de Goden te brengen en door een luisterrijk feestmaal te laten aanrichten voor alle brahmanen die de bedevaart naar Kasi en Prayaga volbracht hadden. Ook bedacht hij de laatsten met gaven in geld.

Zo volgden, sinds de geboorten van de prinsen, de religieuze feesten en festivals elkaar op, in de hoofdstad en in het gehele keizerrijk. Ayodhya was het stralende middelpunt van onafgebroken vreugdebetoon. Door deze festiviteiten werd de bevolking aaneengesmeed tot èèn grote familie, met elkander verbonden in liefde en dankbaarheid. ledere maand, op de geboortedagen van de kinderen ( de negende, tiende en elfde dag van de wassende maan) werden deze heuglijke gebeurtenissen met schitterend ceremonieel herdacht. Zelfs toen de jongens op pelgrimstocht waren, werden deze dagen op even grootse wijze gevierd alsof ze in de hoofdstad waren. Behoudens die gelegenheden waarbij hun fysieke aanwezigheid vereist was, ging al het andere met dezelfde geestdrift door - de religieuze feesten, de spelen, het dansen en de geschenken.

De ouders bemerkten dat de pelgrimstocht de jongens veranderd had. De transformatie was hoogstverwonderlijk en zij hoopten dat met het verstrijken van de tijd de vreemde gewoonten die hun zonen hadden aangenomen wel zouden slijten. Zij sloegen hun gedrag en hun houding met grote aandacht gade. Maar hun levenswijze veranderde niet en het liet zich ook niet aanzien dat dit stond te gebeuren.

Rama bleef meestal binnenshuis. Hij baadde zich niet meer op vaste tijden, zoals hij altijd gedaan had. Hij wilde geen koninklijke gewaden dragen en weigerde lekkernijen. Nimmer zat hij op de gouden troon en hij scheen geheel verdiept te zijn in de beschouwing van het Absolute, van datgene wat de zintuigen en het verstand te boven gaat. Omdat Rama zo gemelijk leek en ogenschijnlijk zat te mokken, bleven zijn drie jongere broers altijd dicht bij hem. Zij lieten hem nooit alleen om te gaan spelen, of om enige andere reden.

De vier jongens kwamen gewoonlijk in èèn vertrek bijeen en vergrendelden de deur. De moeders moesten van tijd tot tijd op hun deur kloppen om hun eten binnen te brengen! Hoe zij ook trachtten te ontdekken waarom hun zonen zich zo gedroegen, de reden ervan werd nooit onthuld! Alleen Rama verwaardigde zich hun vragen aldus te beantwoorden: 'Dit is mijn aard, waarom zoudt u willen weten om welke reden ik ben zoals ik ben?'

Al spoedig bekroop de moeders het gevoel dat deze situatie niet langer voor de buitenwereld verborgen kon blijven. Zij lichtten Dasharatha in, die liet weten dat de jongens bij hem gebracht moesten worden. Maar toen hij merkte dat de zonen, die voorheen zouden komen aansnellen, hem lange tijd lieten wachten, werd hij vervuld met verbazing en zorg. Hij stond reeds op het punt om zelf naar hun kamer te gaan, toen de komst van de prinsen werd aangekondigd! De vader werd overweldigd door gelukzaligheid; hij omhelsde hen en hield hen stevig aan zijn borst gedrukt. Hij zette zich neer, met zijn zonen aan weerszijden en stelde hun allerlei vragen, van zowel luchtige als ernstige aard. Voorheen plachten de jongens wel op tien vragen antwoord te geven als hij er slechts èèn gesteld had, maar op die dag beantwoordden zij nauwelijks èèn vraag van de tien die hij stelde.

Dasharatha trok Rama op zijn knie en smeekte hem vol liefde: 'Mijn zoon! Waarom weiger je te spreken? Waarom dit stilzwijgen? Wat zijn je wensen? Wat heb ik in de wereld behalve jou? Zeg me wat je nodig hebt. Ik zal onmiddellijk aan je verlangen voldoen, zonder mankeren. Sinds je je niet meer met je broers bemoeit en niet meer zoals vroeger met hen speelt, zijn ook zij ongelukkig.' Ofschoon de keizer liefdevol over Rama's wangen streek en hem vol aanzag, zei Rama alleen dat hij volkomen tevreden was en niets nodig had! Terwijl hij deze vreemde gedragingen gadesloeg, werd Dasharatha bezorgd en onrustig en er welden tranen in zijn ogen. De jongens bleven onbewogen onder zijn verdriet. De vader sprak in liefdevolle bewoordingen tot hen over hoe zonen zich behoren te gedragen en zond hen daarna heen naar hun eigen vertrekken in het paleis.

Hij riep Sumanthra bij zich om met hem te beraadslagen. Hij vroeg hem of zich iets had voorgedaan tijdens de bedevaart dat de jongens van streek kon hebben gemaakt, of dat hij hen wellicht te vroeg weer terug had gebracht, terwijl zij zelf verlangend waren geweest om nog naar andere plaatsen te gaan waar zij belang in stelden. Dasharatha vuurde zoveel vragen op hem af dat Sumanthra steeds verbaasder en bezorgder werd. Zijn lippen trilden toen hij antwoordde: 'Er is niets voorgevallen tijdens de reis dat de prinsen had kunnen mishagen en er waren geen moeilijkheden. Aan al hun wensen werd voldaan. Ik heb zoveel aan liefdadige doelen weggegeven als zij maar wensten en zonder aarzeling of uitstel huizen voor pelgrims laten bouwen waar hun dat goeddunkte. Nooit hebben zij tegen mij gerept over enige gebeurtenis die hun niet beviel. Noch heb ik zelf daarvan ooit iets gemerkt. De bedevaart was een aaneenschakeling van vreugde en aanbidding.'

Dasharatha kende zijn minister goed. Tenslotte sprak hij: 'Sumanthra! U bent een groot en goed mens. Ik weet zeker dat u, niet tot onachtzaamheid of vergissingen in staat bent. Maar om onnaspeurlijke redenen hebben de jongens een transformatie ondergaan na hun pelgrimage. Zij hebben een afkeer gekregen van voedsel en van plezier. Hoezeer de mensen in zijn omgeving ook hebben gepoogd hem te overreden, Rama geeft geen antwoord, noch geeft hij een verklaring voor zijn ongewone gedrag. Hij is verzonken in het besef van de bedrieglijkheid der uiterlijkheden. Dit verbaast mij. Ook hun moeders hebben zich dit alles zo aangetrokken dat zij verteerd worden door bezorgdheid.' Toen Dasharatha zo tot Sumanthra sprak, antwoordde de trouwe minister: 'Zo u mij toestaat zal ik naar de kinderen toegaan en trachten vast te stellen wat eraan schort.' Dasharatha sprak: 'Uitstekend! Ga er onmiddellijk heen. Als we eenmaal de oorzaak gevonden hebben, is de remedie niet moeilijk te vinden en is de genezing nabij.'

Met een bezwaard gemoed spoedde Sumanthra zich naar de kinderkamer. Hij trof de deuren van binnenuit vergrendeld aan, met de schildwachten ervoor geposteerd. Toen Sumanthra aanklopte, opende Lakshmana de deur en liet hem binnen. Hij sloot de deur achter zich en sprak langdurig met de jongens over diverse onderwerpen, om hun de oorzaak van hun kwaal te ontlokken. Maar ook hij was niet bij machte het geheim te doorvorsen. Hij merkte duidelijk het verschil tussen de vertrouwelijke geest van kameraadschap die hij gedurende de bedevaart had genoten en de afstandelijkheid van de laatste maanden. Hij smeekte Rama met tranen in de ogen om hem de oorzaak van zijn neerslachtigheid te onthullen. Rama glimlachte en sprak: 'Sumanthra! Wat voor reden kan ik geven voor iets dat mijn ware aard is? Ik heb behoeften noch wensen. U hoeft zich wat dat betreft geen zorgen te maken.' Sumanthra, die verder niets kon uitrichten, begaf zich naar Dasharatha en zette zich naast hem neer. 'Ik denk dat wij er goed aan doen om morgen goeroe Vasishtha uit te nodigen en met hem te overleggen welke maatregelen wij kunnen nemen', sprak hij en verliet de kamer, na toestemming te hebben gekregen om te vertrekken.

Dasharatha gaf zich over aan verdriet; hij verwaarloosde al zijn plichten. Hij negeerde zijn keizerlijke verantwoordelijkheden en ontwikkelde talloze theorieën om een verklaring te vinden voor het gedrag van de kinderen. Zo langzamerhand zijn hun jongelingsjaren aangebroken en dan is een dergelijke ommekeer in de gemoedstoestand normaal, zo vermoedde hij. Hij maakte zijn gemalinnen deelgenoot van zijn overdenkingen en zo stelde hij zichzelf gerust, althans voor korte tijd.

Toen zij vernamen dat Vasishtha in aantocht was, troffen de vorstinnen de nodige voorbereidingen, waarna zij hem opwachtten in de paleistempel. Op dat moment arriveerde de goeroe en allen wierpen zich aan zijn voeten. Zij bedolven hem onder dringende vragen omtrent de vreemde kwaal die de jongens getroffen had en over de verandering die zich aan hen voltrokken had. Allen waren in tranen. Vasishtha, die zag hoe onrustig en bezorgd de keizer en de vorstinnen waren, richtte zijn blik naar binnen en zocht door innerlijke schouwing naar de oorzaak van hun smart. Door de indringende kracht van zijn zuivere geest werd de waarheid hem terstond geopenbaard. Hij wendde zich tot de moeders en verzekerde hun: 'Er scheelt de jongens niets, maar dit zijn geen gewone kinderen. Alle wereldse verlangens zijn hun volkomen vreemd. Hun geest is onbezoedeld. Maakt u zich niet ongerust. Breng hen bij mij; u kunt nu naar uw vertrekken teruggaan.'

De keizer en zijn gemalinnen waren gelukkig toen Vasishtha hun deze verzekering had gegeven. Zij lieten de prinsen ontbieden en gingen heen. Lakshmana, Bharata en Shatrughna maakten zich snel gereed om naar de goeroe te gaan toen hun ter ore kwam dat deze hen verwachtte. Alleen Rama legde geen enkele haast aan den dag. Hij was, zoals gewoonlijk, in zichzelf verzonken. Daarom raakte Lakshmana zijn voeten aan en bad hem: 'Wij moesten maar niet talmen, anders zal het onze ouders nog bedroeven dat wij het gewaagd hebben om ongehoorzaam te zijn aan het bevel van onze goeroe.' Lakshmana smeekte Rama dringend en langdurig en voerde allerlei argumenten aan. Tenslotte slaagden Lakshmana, Bharata en Shatrughna erin zich met hun oudste broer naar de familietempel te begeven. Daar wierpen zij zich aan de voeten van Vasishtha en bleven in eerbiedige houding voor hem staan.

Toen hij de jongens zag, vroeg Vasishtha hun vol genegenheid om naderbij te komen en aan zijn zijde plaats te nemen. Zij gingen allen vlakbij hem zitten, maar Vasishtha wilde dat Rama nog dichterbij kwam. Hij liefkoosde Rama, speelde met zijn haar en klopte hem zachtjes op zijn rug. 'Rama! Waarom ben je zo stil en zwijgzaam geworden? Je ouders gaan gebukt onder verdriet en angst en weten zich geen raad met deze ondoorgrondelijke verandering. Je moet hun geluk toch ook voor ogen houden, nietwaar? Je moet door je eigen daden de geldigheid aantonen van de kostbare beginselen: Behandel de moeder als God (matridevo bhava) en: Behandel de vader als God (pitridevo bhava), is dat niet zo?' Vasishtha gaf Rama vele van dergelijke lessen en waarheden ter overweging.

Rama hoorde de goeroe glimlachend aan. Toen deze was uitgesproken, zei Rama rustig: 'Meester! Gij spreekt over 'moeder' , maar wie is dat precies, 'moeder' ? Wie is dat eigenlijk, 'zoon'? En dan, wat is precies 'lichaam' en wat het 'individu' (jivi)? Is deze stoffelijke wereld de werkelijkheid, of is het allerhoogste Bewustzijn echt? Dit lichaam is slechts de afspiegeling van de universele Ziel, nietwaar? De vijf elementen waaruit de entiteit die 'lichaam' heet is samengesteld, vormen ook de entiteit van het ganse universum. Dit universum is slechts de aaneenschakeling van de vijf elementen, nietwaar? Deze elementen blijven bestaan, ondanks alle omzettingen en combinaties. Zij hebben dan ook een diepere grondslag. Als men dit niet beseft en men ziet het universum zoals het geschapen is aan voor de werkelijkheid, als men bezwijkt voor de begoocheling van deze leugen en de waarheid terzijde schuift ten behoeve van de leugen, wat moeten wij dan van een dergelijke kolossale onwetendheid zeggen? Wat heeft het individu erbij te winnen als het voorbijgaat aan de eeuwige, absolute, hoogste werkelijkheid, aan het Atma?'

Vasishtha observeerde Rama nauwlettend toen deze zulke diepzinnige filosofische vraagstukken te berde bracht en zag hoe er een heldere stralenkrans van spirituele pracht uit hem voortkwam en zijn gelaat omgaf! Vasishtha wist dat dit licht duidde op de Goddelijkheid, die zich een weg baande naar buiten. Daarom wilde hij dat Rama zelf de antwoorden zou geven op de vragen die hij zojuist gesteld had. En de antwoorden en verklaringen die Rama gaf, waren waarachtig de stem Gods, dat zag Vasishtha duidelijk in. Hij boog zijn hoofd voor Rama, maar uit vrees dat iemand het zou zien, deed hij het slechts in gedachten. Hij sprak: 'Zoon! Vanavond kom ik weer terug', en verliet het paleis, zonder zelfs Dasharatha te groeten, zo overweldigd was hij door het juiste inzicht dat hij door deze gebeurtenis had ontvangen. In gedachten liefkoosde hij de kinderen met een blij gevoel van dankbaarheid en liefde.

Even later zag Dasharatha de prinsen en ook hij aanschouwde de vreemde gloed van Godsbewustzijn die van hun hele wezen straalde. Hij kon niet begrijpen hoe dat gekomen was en dus wachtte hij op de komst van Vasishtha die avond. Zodra deze de tempel binnenkwam, wierpen de kinderen, de moeders en Dasharatha zich aan zijn voeten, waarna zij plaatsnamen, met de handpalmen voor de borst gevouwen in nederige gebedshouding.

Plotseling begon Rama, tot ieders verbazing, een hele reeks vragen te stellen: ' Jivi, deva, prakriti - individu, God, uiterlijke wereld: wat is hun onderlinge relatie? Zijn deze drie èèn, of zijn het afzonderlijke entiteiten? Indien zij èèn zijn, hoe zijn zij dan drie verschillende entiteiten geworden en met welk doel? Wat is het onderliggende, verbindende principe? Welk nut heeft het als men ze als onderscheiden herkent en dan de wetenschap laat varen dat er eenheid bestaat?' De ouders waren verbijsterd door de diepzinnigheid van deze vragen van de nog zo jonge Rama. Zij werden volledig meegevoerd in deze stortvloed van lering en onderzoek; deze bracht een stroom van kostbare, onomstotelijke waarheden voort die de aangesneden vraagstukken verduidelijkten, alsof de hemel antwoord gaf op vragen die de aarde stelde. Zij vergaten dat Rama hun eigen kind was; de nachtelijke uren gleden voorbij onder het analyseren en het leren begrijpen van de diepe monistische wijsheid (berustend op het beginsel dat er slechts èèn God is). Vasishtha zag in dat de woorden die uit Rama's mond vloeiden werkelijk druppels van de nectar der onsterfelijkheid waren, die de mensheid vrede kunnen geven; hij zegende de keizer en zijn gemalinnen en keerde naar zijn kluizenaarsverblijf terug.

De dialogen tussen Rama en Vasishtha vormen de tekst van de 'Yogavasishtha', een verhandeling vol betekenis en mildheid. Deze wordt ook wel de Rama-gita genoemd.

Verdiept in de Vedanta - de vedische leringen - bracht Rama zijn dagen door; zichzelf innerlijk onderhoudend, in zichzelf pratend als Hij alleen was, zwijgend in gezelschap en menigmaal lachend om niets in het bijzonder. Dasharatha werd verontrust. Hij vroeg zich bezorgd af hoe het met de broers verder zou gaan. Hij poogde de drie jongsten van Rama gescheiden te houden, maar die lieten zich nooit van Rama afzonderen, dus moest men hen altijd in zijn nabijheid laten.

De keizer en zijn gemalinnen waren zeer terneergeslagen, want al hun dromen van vreugde en glorie waren op niets uitgelopen. Zij waren wanhopig omdat zij geen tekenen van herstel of verandering in hun zonen bespeurden. Zij telden de uren en minuten, hun tijd doorbrengend in angstig gebed. Rama toonde zelfs geen belangstelling voor eten. Door zijn onregelmatige en schamele maaltijden zag Hij er zwak en zeer ongezond uit.

Hoofdstuk 6a: De oproep en de eerste overwinning

Ten oosten van de keizerlijke hoofdstad Ayodhya leefde in die tijd de wijze Vishvamitra, die zich in strenge ascese afgezonderd had. Hij had besloten tot het volvoeren van een heilige offerceremonie, die bekend stond als yajna, de ritus waarbij alle slechte neigingen in het vuur worden verbrand. Doch, telkens als hij de ritus aanving, ontwijdden demonen het offer en bezoedelden de heiligheid van de ceremonie. Zij lieten stukken vlees op de gewijde plaats neervallen en maakten die ongeschikt voor een dergelijke vedische plechtigheid. Op alle mogelijke manieren belemmerden zij hem de heilige taak te verrichten. Vishvamitra was ten einde raad. Hij ging naar de hoofdstad Ayodhya om de keizer zelf op te zoeken.

 

Toen het bericht kwam dat de wijze man in aantocht was, zond de keizer zijn ministers op weg om hem met gepast eerbewijzen naar het paleis te begeleiden. Zij verwelkomden hem aan de stadspoort en brachten hem tot aan de paleisdeuren. Binnen in het paleis reciteerden brahmanen vedische gezangen, terwijl Dasharatha Vishvamitra's voeten waste en, zoals voorgeschreven is in de heilige Geschriften en de gewoonte is bij bezoeken van wijzen, sprenkelde hij enkele druppels van het aldus gewijde water op zijn hoofd. Vishvamitra werd naar de binnenvertrekken gebracht en naar een hoge stoel geleid, waar de leden van het keizerlijke hof in eerbiedige houding omheen stonden. 'Dit is waarlijk een grote dag!', riep Dasharatha uit. Hij betuigde zijn blijdschap over de onverwachte komst van deze heilige man en over de hem gegeven kans deze te dienen en eer te bewijzen. Vishvamitra gebood de keizer en zijn ministers plaats te nemen en zij gehoorzaamden hem.

De wijze informeerde hoffelijk naar de gezondheid en het welzijn van de keizer en zijn familie en naar de vrede en welvaart in het keizerrijk. Hij vroeg Dasharatha of diens bewind werd gekenmerkt door krachtdadigheid en veiligheid en of zijn regering borg stond voor een blijvende vooruitgang van de onderdanen. Dasharatha antwoordde dat, dankzij Gods genade en de zegen van heiligen en wijzen, zijn onderdanen met plichtsbetrachting en vreugde hun eigen taken vervulden zonder angst voor mislukking en dat de regering immer de gestage bevordering van het welzijn van de bevolking voor ogen had. Hij zei dat zijn regering op velerlei wijze het geluk en de veiligheid van het volk trachtte te bevorderen en te bewaren. Dasharatha verlangde er vurig naar te weten wat de reden was van Vishvamitra's komst. Hij verzekerde Vishvamitra dat hij altijd voor hem klaarstond om iedere wens, hoe gering ook, te vervullen. Hij verklaarde met grote toewijding dat hij zich van elke taak die de wijze hem mocht opleggen, ijverig zou kwijten. Hij hoefde slechts te weten wat hij voor de wijze kon doen. Vishvamitra knikte goedkeurend.

Hij wendde zich tot Dasharatha en sprak: 'Ik zal nu in uw aanwezigheid niet mèèr zeggen dan dat u een zeer rechtschapen heerser bent die gasten en smekelingen eerbiedigt en dat u de belichaming bent van geloof en toewijding. Het feit dat het keizerrijk gelukkig is onder uw bestuur is daarvan voldoende bewijs. Het welzijn der onderdanen hangt af van het karakter van hun vorst. Het volk leeft in vrede, of in angst en bezorgdheid, al naargelang hij die regeert goed of slecht is. Waar ik ook mijn oor te luisteren heb gelegd, overal werd mij verteld dat Ayodhya de enige plaats is waar het volk vervuld is van liefde en trouw aan zijn souverein en waar de vorst grote genegenheid en achting koestert voor zijn onderdanen. Tot in alle uithoeken van uw keizerrijk heb ik deze bemoedigende boodschap vernomen! Ik weet derhalve dat uw woorden rechtstreeks uit het hart komen. Daaraan twijfel ik geen ogenblik; u zult uw belofte gestand doen. U zult uw eens gegeven woord nakomen.'

Deze woorden van de wijze ontroerden Dasharatha diep. 'Grote mannen houden zich slechts bezig met werken die de gehele wereld ten goede komen. En wat zij ook doen, zij zullen nimmer de uitdrukkelijke geboden der heilige Geschriften overtreden. Voor al hun plannen moeten zij een grondige reden hebben, want al hun daden worden hun door Gods wil ingegeven. Dus ben ik steeds bereid om u te dienen en ook uw geringste wens te vervullen, met alle middelen die mij ter beschikking staan', antwoordde hij. Dasharatha zwoer keer op keer dat hij het bevel van de wijze zou uitvoeren.

Dit verheugde Vishvamitra zeer. 'Ja! Zoals u aangaf, komen wij niet uit ons kluizenaarsverblijf te voorschijn zonder reden. Ik ben tot u gekomen met een verheven doel! Als ik naar uw geestdriftige reactie luister, ben ik des te meer verheugd! Ik ben vervuld van vreugde dat mijn missie vruchtbaar blijkt te zijn. U blijft toch bij uw belofte, nietwaar?', vroeg Vishvamitra. Dasharatha antwoordde zonder aarzelen: 'Meester! Deze vraag zou u misschien anderen moeten stellen, maar Dasharatha is er de man niet naar om een eens gegeven woord te breken! Hij zou eerder zijn leven geven dan zichzelf te schande te maken door op zijn belofte terug te komen. Wat groter schat heeft een vorst dan moraliteit en integriteit? Zij alleen verlenen hem de kracht om zich van zijn vele verantwoordelijkheden te kwijten. Als deze twee deugden verloren gaan, wordt het keizerrijk als een woning zonder licht, als een wildernis geteisterd door aperij en door partijstrijd. Dan wordt het verscheurd door anarchie en terreur. Uiteindelijk zal de keizer zijn ongeluk tegemoet gaan. Ik ben ervan overtuigd dat tot in lengte van dagen mijn dynastie van een dergelijke ramp verschoond zal blijven. Laat daarom elk spoor van twijfel varen en vertel mij welke missie u naar Ayodhya gevoerd heeft en aanvaard die diensten die deze toegewijde dienaar u bereid is aan te bieden.'

Vishvamitra sprak: 'Neen, neen! Er was geen twijfel in mijn hart. Ik sprak die woorden slechts omdat ik van uzelf wilde horen, hoe standvastig u de waarheid trouw zou blijven! Ik weet dat de Ikshvaku-heersers zeer verknocht zijn aan de plicht het gesproken woord in daden om te zetten. Welnu! Ik verlang slechts èèn ding van u. Ik vraag niet om rijkdom of grond, noch om wapens of koeien, noch om regimenten of bedienden. Al wat ik wens is dat twee van uw zonen, Rama en Lakshmana, mij vergezellen. Wat hebt u daarop te zeggen?', vroeg de wijze.

Toen hij dit hoorde, verloor Dasharatha zijn evenwicht en viel achterover. Het kostte hem enige tijd om zich te herstellen. Nadat hij weer tot kalmte was gekomen, raapte hij al zijn moed bijeen om een paar woorden te spreken. Hij sprak: 'Meester! Wat voor nut kunnen deze jongens voor u hebben? De opdracht waarvoor u deze jongens wilt meenemen, kan ik beter vervullen dan zij, denkt u niet? Geef mij die kans. Stel mij in de gelegenheid in mijn leven iets te doen dat waarde heeft. Zeg me wat uw missie inhoudt; het zal mij vreugde schenken.' De wijze antwoordde: 'Het is mijn vaste overtuiging dat de taak die deze jongens kunnen volbrengen, door niemand anders ondernomen kan worden. Zij alleen kunnen deze taak tot een goed einde brengen; noch uw miljoenen onderdanen kunnen dat, noch uzelf bent daartoe in staat! Kinderen als zij zijn nooit eerder op aarde verschenen. Evenmin zullen dergelijke jongens in de toekomst ooit weer geboren worden. Dat is mijn diepe overtuiging. Luister! Ik besloot tot het volbrengen van een vuurofferceremonie (yajna) maar telkens wanneer ik met de inleidende handelingen begin, komen er boze geesten en demonen als uit het niets bijeen en plegen heiligschennis. Zij onderbreken de plechtigheid en stapelen de ene stoornis op de andere. Ik wil dat de jongens deze demonen afweren en de yajna tegen zulke walgelijkheden beschermen, zodat ik de ceremonie tot een goed einde kan brengen. Dat is mijn doel en mijn wens. Wat zegt u nu?', vroeg Vishvamitra ernstig met luide en zware stem.

De keizer antwoordde: 'Meester! Hoe kunnen deze tere, kleine jongens een dergelijke reusachtige taak uitvoeren? Ik sta hier klaar en ik ben ten volle bereid. Ik zal meegaan met mijn strijdwagens, infanterie, cavalerie en strijdolifanten en ik zal zowel de offerplaats als uw kluizenaarsverblijf bewaken. Ik zal erop toezien dat de yajna tot een goed einde wordt gebracht, zonder onderbrekingen. Ik heb enige ervaring in het strijden tegen deze demonische legers, want zoals u weet, heb ik aan de zijde der Goden tegen ze gevochten; ik heb de Goden de overwinning gebracht. Het zal me geenszins zwaar vallen. Ik zal terstond maatregelen treffen om u te vergezellen. Sta mij toe dit te doen', smeekte hij.

Toen hij deze woorden hoorde, sprak de wijze: '0 majesteit! Ondanks alles wat u hebt gezegd, ben ik niet gerustgesteld. Ik verzeker u nogmaals dat u tegen deze taak niet bent opgewassen. Beseft u niet dat deze opgave zelfs mijn vermogens te boven gaat, hoewel ik geprezen word als nagenoeg almachtig en alwetend? Hoe kunt u dan deze taak op uw schouders nemen en verwachten dat u zult slagen? U beschouwt deze jongens als gewone kinderen. Dat is een vergissing die voortkomt uit de genegenheid die u als vader voor hen koestert. Ik ben er diep van doordrongen dat zij de goddelijke Macht zelf zijn, in menselijke vorm. Aarzel niet. Houdt u aan uw plechtig gegeven woord en geef ze nu ogenblikkelijk met mij mee. Zo niet, dan legt u zich erbij neer dat u geen man van uw woord bent en ik zal heengaan. Het is het èèn of het ander. Beslis snel; dit is geen aangelegenheid die weifeling of uitstel duldt!' De keizer schrok van de scherpe toon in Vishvamitra's stem. Hij werd door angst overweldigd. In zijn wanhoop vroeg Dasharatha om bijstand van zijn familieleidsman. Vasishtha kwam naar het hof en toen hij en Vishvamitra elkaar zagen, glimlachten zij en wisselden enige woorden waaruit wederzijds respect klonk. Van de keizer hoorde Vasishtha wat er voorgevallen was. Natuurlijk wist Vasishtha wel degelijk dat de prinsen goddelijke wezens waren. Dus besloot hij de keizer te adviseren zich niet de minste zorgen te maken, maar de jongens met vreugde aan de liefdevolle hoede van de wijze Vishvamitra toe te vertrouwen.

Dasharatha voerde ter verdediging aan dat de gezondheid van de jongens de laatste maanden te wensen overliet en dat ze zelfs niet het lichamelijke uithoudingsvermogen bezaten om zich in de strijd tegen demonen te begeven. 'Wij maken ons reeds geruime tijd zorgen om hun gezondheid en nu dit van hen gevergd wordt, is het alsof men ons zout in een open wond strooit. Mijn verstand verzet zich tegen het idee dat ik de jongens op weg moet sturen om tegen demonen te vechten. Ik zal mijn kinderen verdedigen, al kost het mij mijn eigen leven', jammerde de keizer.

Vishvamitra onderbrak hem en sprak: 'Sire! Waarom dit dwaze gelamenteer? U had geen belofte moeten doen die u niet kon nakomen. Een heerser begaat een zware zonde als hij zijn woord geeft zonder eerst de voor- en nadelen af te wegen en, als hem wordt gevraagd zijn belofte gestand te doen, om de daad dan uit te stellen, zijn woord terug te nemen of zelfs te handelen in strijd met zijn gegeven woord. Dit is vorsten als u volkomen onwaardig. Ik wijs de hulp die u aanbiedt vol droefheid af. De hulp die men geeft, ook de geringste, die voortkomt uit een diep verlangen naar dienstbetoon dat opwelt uit het hart, is van evenveel waarde als het geven van zijn leven. Halfhartige en aarzelende hulp, hoe omvangrijk ook, is verwerpelijk. Ik heb niet de wens u leed te berokkenen en uw hulp af te dwingen. Welnu! Leef in vrede met uzelf en met uw zonde, ik ga heen.' Vishvamitra stond op en maakte aanstalten om te vertrekken. De keizer wierp zich aan zijn voeten en bad om meer licht en meer tijd. Hij hoopte dat hij mocht inzien wat zijn plicht was. Hij smeekte de wijze of deze hem wilde overtuigen van de redelijkheid van zijn eis, opdat hij zijn plan ten uitvoer kon brengen.

Toen hij dit hoorde riep Vasishtha Dasharatha bij zich en gaf hem raad. Hij sprak: 'Majesteit! U verhindert door uw houding een op handen zijnde kosmische onthulling, een machtige vervulling. Omdat uw hart door ouderlijke genegenheid wordt beïnvloed, is de waarheid voor u versluierd. Er zal uw zonen geen kwaad geschieden. Neen, nooit ofte nimmer. Er is geen heldendaad die hun vermogen te boven gaat. Zij vertegenwoordigen formidabele goddelijke Krachten die deze menselijke vorm hebben aangenomen, met het vooropgezette doel demonen en demonische krachten te vernietigen. Talm daarom niet langer en laat de jongens ontbieden. Het is nu niet de tijd om u in hun fysieke kracht of de mate van hun intelligentie te verdiepen. Sta liever stil bij de Goddelijkheid die iedere minuut van hun leven uit hen opbruist. Er bestaat geen kracht die daartegen opgewassen is, vergeet dat niet!' Na nog meer raadgevingen van deze aard, liet Vasishtha de prinsen Rama en Lakshmana komen. Zodra zij hoorden dat de wijze zieners Vishvamitra en Vasishtha hen wilden spreken, kwamen zij aangesneld. Toen zij de troonzaal betraden, bogen zij eerbiedig. Eerst wierpen zij zich aan de voeten van hun vader, vervolgens aan die van Vasishtha, hun leraar, en tenslotte aan die van Vishvamitra. Met een glimlach om de lippen wendde Vishvamitra zich tot de jongens toen zij overeind kwamen en eerbiedig terzijde stonden. Hij sprak: 'Jongens, willen jullie met mij meegaan?' De prinsen waren opgetogen bij het vooruitzicht.

Bij deze woorden raakte Dasharatha nog meer ontmoedigd en hij verbleekte. Rama zag hoezeer het zijn vader bedroefde dat hij met Vishvamitra's voorstel had ingestemd. Hij kwam zachtjes naderbij en sprak: 'Vader! Waarom bent u treurig als ik met deze grote wijze meega? Bestaat er een betere manier om dit lichaam te benutten dan om het in dienst te stellen van anderen? Dit lichaam is juist voor dat doel aan ons gegeven. En is dit niet een verheven middel om mij nuttig te maken, als ik deelneem aan de heilige taken van de asceten en hen van hun kwelgeesten kan verlossen? Niets is ons onmogelijk, wel? Wij zullen de demonen (rakshasa's) vernietigen, hoe woest zij ook mogen zijn, en de wijzen vrede brengen. Als u ons dit toestaat, zijn wij bereid nu direct op weg te gaan.' Deze moedige woorden deden Dasharatha's bezorgdheid enigszins afnemen.

Maar de keizer worstelde nog met zichzelf en wist niet wat hij moest zeggen. Hij trok Rama naar zich toe en sprak: 'Zoon! De rakshasa's zijn geen gewone vijanden! Men zegt dat zich Sunda, Upasunda, Maricha en Subahu onder hen bevinden. Zij zijn afgrijselijk wreed. Hun fysieke verschijning is te afschuwelijk voor woorden. Zulke afschrikwekkende gestalten heb je tot nu toe nooit hoeven aanschouwen. Ik moet er niet aan denken dat je oog in oog met hen zult staan. Hoe kun je vechten tegen zulke bedriegers, die zo bedreven zijn in vermomming en gedaanteverwisseling? Tot dusver heb je zelfs van het woord 'strijd' niet gehoord of ooit een veldslag meegemaakt. En nu wordt er plotseling van je verwacht dat je tegen zulke geduchte vijanden gaat vechten! Helaas! Het noodlot is werkelijk uitermate wreed. Ach! Moeten mijn zonen, die op de drempel van het leven staan, deze monsterlijke beproeving ondergaan?'

Terwijl deze gedachten hem door het hoofd maalden, stortte Dasharatha een vloed van tranen door de zielenangst die hem kwelde. Lakshmana bespeurde de morele zwakheid van zijn vader. Hij sprak: 'Vader! Vanwaar deze tranen? Wij zijn geen bangelijke meisjes! Het slagveld is onze rechtmatige arena, oorlog is onze legitieme plicht en bescherming van de rechtschapenheid is onze ware verantwoordelijkheid. Dienstbetoon aan de wijze zieners en het handhaven van de zedelijke gedragsregels zijn als onze adem zelf. Het verbaast mij dat u bedroefd bent terwijl wij zo'n glorierijke missie gaan ondernemen. De wereld zal u uitlachen om dit vertoon van zwakheid. Laat ons gaan met uw liefde en uw zegen. Ook ik zal mijn broer vergezellen en terugkeren met de glorie van de overwinning.'

Rama zag dat zijn vader overmand werd door genegenheid voor hem. Hij liep naar de troon en nam liefdevol zijn vaders hand in de zijne. Hij sprak: 'Vader! Het schijnt dat u vergeten hebt wie u bent. Herinner u weer wie u bent, in welke keizerlijke familie u werd geboren, welke voorvaderen deze familie onsterfelijk hebben gemaakt en hoeveel roem zij hebben vergaard. Dan zult u niet langer schreien. U bent een telg uit de Ikshvaku-dynastie. Tot de dag van vandaag hebt u uw jaren doorgebracht als de belichaming van dharma. De drie werelden (hemel, aarde en hel) hebben u geprezen als degene die plichtsgetrouw zijn plechtige geloften is nagekomen, die de rechtschapenheid heeft betracht en beschermd, en die zich heeft bewezen als de meest geduchte held op het slagveld, of waar ook. U zult zich ervan bewust zijn dat er geen grotere zonde is dan een eens gegeven woord terug te nemen. Het verbreken van een belofte, aan de wijze Vishvamitra gedaan, zal uw eerlijke naam bezoedelen. Uw zonen kunnen deze slechte reputatie niet dulden. Als uw daden in tegenspraak zijn met uw woorden zult u geen deel hebben in de verdienste van de offers die u hebt gebracht of zelfs maar van nuttige daden zoals het slaan van bronnen of het planten van bomen. Waartoe zal ik nog uitweiden? Wij, uw zonen, zien het als een schandvlek waarvoor wij beschaamd het hoofd moeten buigen, als wij alleen maar horen zeggen dat Dasharatha zijn plechtige belofte heeft gebroken. Dat is een onuitwisbare smet op de reputatie van de dynastie. Uw genegenheid voor uw zonen is blind; deze aanhankelijkheid is niet gebaseerd op onderscheidingsvermogen. Zij zal straf over ons brengen in plaats van bescherming. Als het werkelijk genegenheid jegens ons is die u drijft, dan zou u aandacht moeten schenken aan het verbreiden van onze reputatie, nietwaar? Het is natuurlijk niet aan ons om u raad te geven. U weet dit alles zelf maar al te goed. Uw aardse liefde heeft u in dit moeras der onwetendheid getrokken; nu kost het u moeite te erkennen wat uw plicht is. Wat ons betreft, wij hebben geen spoor van vrees. De bruid van de overwinning zal ons gewis omhelzen. Aarzel niet, zegen ons en vertrouw ons toe aan de zegen van Vishvamitra.' Aldus pleitte Rama; vervolgens boog hij diep en raakte met zijn hoofd zijn vaders voeten aan.

 

Dasharatha trok Rama naar zich toe en streelde zijn hoofd. Hij sprak: 'Zoon! Alles wat je gezegd hebt, is waar. Je woorden zijn als kostbare juwelen. Ik zal niet zo dwaas zijn ze te ontkennen. Ik zal nu onmiddellijk met mijn volledige krijgsmacht overgaan tot de strijd en de heilige ceremonie van deze wijze beschermen, met inzet van al wat ik bezit. Maar mijn verstand kan het idee niet aanvaarden om je in de armen van die demonische rakshasa's te drijven; juist nu jullie pas sinds korte tijd worden opgeleid in de krijgskunde en het gebruik van wapens. Geen vader zal willens en wetens de zonen die hij verwekt heeft aan de klauwen van een tijger overleveren. En vind jijzelf het juist om ons in droefenis te dompelen? We hebben jullie door onze streng-zedelijke leefwijze verworven en jullie gekoesterd als onze eigen adem. Ach! Wat kan een mens uitrichten als het lot tegen hem is? Ik zal niet jullie of wie ook de schuld geven; het gebeurde is de vrucht van de zonden door mijzelf begaan.'

Zo klaagde Dasharatha zijn leed, met de hand op zijn voorhoofd. Rama glimlachte en sprak: 'Vader! Wat is dit voor zwakheid? U spreekt alsof u ons eigenhandig in de muil van een tijger zou drijven. Beseft u dan niet dat wij geen offerdieren zijn? Beschouw ons als leeuwenwelpen en laat ons op deze heilige missie gaan met uw zegen. Koningen en keizers mogen een heilige opdracht niet uitstellen!' Bij het horen van deze tamelijk scherpe opmerkingen van Rama stond Vasishtha op en sprak: Uitstekend! Dasharatha, hebt u het gebrul van de leeuw gehoord? Waarom zouden wij daar het gehuil van de jakhals op laten volgen? Sta op! Zend een boodschap naar hun moeders en laat hen hierheen komen; stel uw zonen ten dienste van Vishvamitra.' Bij deze woorden besefte Dasharatha dat hem niets anders overbleef dan te gehoorzamen, dus liet hij zijn gemalinnen ontbieden.

De koninginnen verschenen met gesluierd hoofd; zij raakten de voeten aan van de twee wijzen en van Dasharatha, waarna zij zich bij hun kinderen voegden en hen liefkozend over hun haren streelden. Vasishtha richtte als eerste het woord tot hen. Hij sprak: 'Moeder! Onze Rama en Lakshmana zijn gereed om met Vishvamitra mee te gaan, opdat zij zijn yajna-ceremonie behoeden voor verstoring en tegenwerking door demonische horden. Zegen hen voor zij vertrekken.' Zodra zij dit hoorde hief Kausalya het hoofd en vroeg verbaasd: 'Wat hoor ik nu? Moeten deze jonge kinderen de yajna die de grote wijze wil volvoeren, bewaken en beschermen? Mij is verteld dat mantra's met hun goddelijke kracht de beste wapenrusting zijn. Hoe durft een gewone sterveling de last op zich te nemen om de yajna tegen kwade invloeden te beschermen? De verantwoordelijkheid voor het welslagen van de yajna berust bij de deelnemende priesters; hun rechtschapenheid is daarbij doorslaggevend.'

Dit kwam Vasishtha juist voor, maar toch leek het hem goed wat meer licht op de situatie te werpen. 'Kausalya! Moeder! De yajna van Vishvamitra is geen alledaagse ceremonie! De ritus wordt door allerlei belemmeringen getroffen en deze veroorzaken grote onrust.' Vasishtha werd in zijn uitleg onderbroken door Kausalya, die sprak: 'Ik ben werkelijk verbijsterd te horen dat yajna's die door wijzen en zieners worden uitgevoerd, overschaduwd kunnen worden door angst en onzekerheid. Ik geloof stellig dat geen enkele macht bestand is tegen enig heilig voornemen. De wijze koestert zijn verlangen en dorst naar de vervulling ervan, opdat het goddelijk Licht en de goddelijke Vrede zich zullen manifesteren, zo vermoed ik. Het is mogelijk dat hij dit verzoek heeft gedaan om de gehechtheid van de keizer aan zijn kinderen te testen. Hoe kunnen we anders geloven dat deze tedere loten van de keizerlijke stam de yajna tegen het kwade kunnen beschermen, terwijl deze wijze die de ritus wil volbrengen, zelf met alle mystieke en mysterieuze krachten begiftigd is?'

Zo sprak Kausalya, terwijl haar hand Rama's hoofd liefkoosde. Tot Dasharatha, die aandachtig naar haar luisterde, drong plotseling in een flits de waarheid door en hij nam een kloek besluit. Hij sprak: 'Ja! Kausalya's woorden brengen de diepere waarheid aan het licht. Dit alles is slechts bedoeld om mij op de proef te stellen, daar ben ik zeker van. Meester! Hoe kan ik, zwakkeling, uw proef weerstaan? Ik zal aan uw verlangen voldoen, wat het ook zijn moge!' Met deze woorden wierp Dasharatha zich aan Vasishtha's voeten. Deze keek hem aan en sprak: 'Maharadja! U hebt u waardig getoond. Deze jongens zijn niet van het gewone soort. Hun vaardigheden en vermogens kennen geen grenzen. Wij weten dat. Anderen weten dat niet. Deze gebeurtenis is niet meer dan een inleiding tot hun zegetocht. Het is de proloog tot de geschiedenis van hun zegevierende loopbaan. Zij leggen hiermede de plechtige gelofte af van dharma-rakshana, het bewaken van de rechtschapenheid. Spoedig zullen zij terugkeren met de 'bruid der overwinning' aan hun zijde. Geef hen daarom met vreugde en zonder verdere  bedenkingen over aan Vishvamitra.'

Vasishtha riep de jongens bij zich en legde zijn zegenende hand op hun hoofd, onder het opzeggen van mantra's waarmee hij zijn zegen bevestigde. De jongens wierpen zich aan de voeten van hun moeders en ontvingen ook hun zegen. Zij stonden gereed om op weg te gaan.

Dasharatha zag hoe hun gelaat straalde van vreugde en moed en onderdrukte de smart die in hem opwelde. Hij legde zijn handen op de schouders van de jongens en liep op Vishvamitra toe, wierp zich aan diens voeten en sprak: 'Deze twee, o meester, zijn vanaf vandaag uw zonen en hun welzijn en geluk zijn in uw handen. Mocht u bevelen dat er een paar persoonlijke lijfwachten met hen meegaan, dan zal ik gaarne aan dat bevel voldoen.'

Hierop barstte Vishvamitra in lachen uit. '0 Sire, u hebt werkelijk alle bezinning verloren! Wie zou hen kunnen bewaken, deze helden die de yajna van obstakels zullen bevrijden? Hebben zij lijfwachten nodig om hen te beschermen? Maar uw aanhankelijkheid heeft u natuurlijk verblind. Sire! Ik zal ze bij u terugbrengen, zodra de opdracht waartoe ik ze heb meegenomen, is vervuld. Wees niet bezorgd. Neem uw regeringstaken weer ter hand zonder u te laten afleiden en wees rechtvaardig.'

Vishvamitra rees op van zijn zetel en allen bogen eerbiedig voor de grote wijze. Hij verliet als eerste de zaal, op de voet gevolgd door de twee prinsen. Zodra zij de hoofdpoort van het paleis hadden bereikt, hoorde men tromgeroffel en klaroengeschal weerklinken uit de hemel. Een regen van bloesems viel op Vishvamitra en de prinsen neer. Waar zij gingen, klonk de muziek van schelphoorns uit ieder huis en langs de weg klonk om de paar meter trompetgeschal. Zij kwamen de mannen, vrouwen en kinderen voor als twee welpen die achter een oude leeuw aan trippelden. Niemand wist waarom de prinsen blootsvoets liepen, of wat de reden was dat zij met de wijze uit het paleis waren vertrokken. Dus vroeg eenieder aan zijn buur of die wist waarheen zij op weg waren. De ministers, hovelingen en burgers begeleidden hen slechts tot aan de stadspoort, want zo luidde het keizerlijk bevel. Daar namen zij afscheid van de prinsen en keerden om.

Zo vervolgden de drie hun weg, Vishvamitra voorop, op de voet gevolgd door Rama, en Lakshmana sloot de rij. Zij zagen de bekoorlijke bomenrijen aan weerszijden van het pad en laafden zich aan de schoonheid van de natuur, zoals die zich voor hun ogen ontvouwde. Nadat zij een flink eind hadden gelopen, kwamen zij bij een wildernis die niet door menselijke wezens bewoond werd. Vishvamitra gelastte hun vanaf dat ogenblik leren pols- en vingerbeschermers te dragen. Ook moesten zij de pijl en boog, die ze tot dusver op de schouder hadden gedragen, ter hand nemen en ze voor gebruik gereed houden. Zo toegerust drongen zij het stille, angstwekkende woud binnen door het dichte struikgewas, onbevreesd en stralend alsof zij de vorsten van dit domein waren. Spoedig bereikten zij de rivier de Sarayu. De zon zou weldra ondergaan, dus riep Vishwamitra Rama en Lakshmana bij zich en sprak hen in zachte, zoete bewoordingen aan: 'Lievelingen! Ga onverwijld naar de rivier voor de rituele handen- en voetenwassing. Ik zal je nu twee mystieke formules (mantra's) geven, die de kroonjuwelen onder alle mantra's zijn. Zij heten balam en athi-balam (kracht en superkracht). Beide zijn geladen met buitengewone energie. Zij zullen jullie weer verkwikken, hoe uitgeput je ook mag zijn. Zij zullen uitputting voorkomen, hoezeer je je ook inspant. Zij zullen alle ziekten weghouden en je behoeden voor demonische krachten. Als op reis deze mantra's voortdurend in je gedachten zijn, zullen ze bovendien honger en dorst verrre van je houden, je een stralende gezondheid verlenen en overvloedig vreugde en geestdrift schenken. Ze zullen lichaam en geest sterken. Rama! Deze twee mantra's zijn verheven boven alle andere; hun pracht en werkzaamheid overtreffen die van alle overige.' Vishwamitra weidde lange tijd uit over de macht van de mantra's. Het hoefde Rama allemaal niet verteld te worden; hijluisterde schijnbaar verrast en met wijd open ogen van verwondering. Lakshmana sloeg intussen de wijze en Rama gade en hij lachte inwendig!

Dit incident is een goede les voor de wereld, waarin Rama was verschenen om dharma tot nieuw leven te wekken. Het is een les die Rama ons leerde, niet zozeer met woorden als wel door zijn gedrag. 'Aan maya - de oerillusie - ontkomt geen sterveling, hoe groot hij ook is. In een oogwenk zet zij zijn wereld op zijn kop. Maya zal haar greep niet laten verslappen zolang haar slachtoffer volhardt in het geloof dat hij het 'lichaam' is; maya laat zich niet afschrikken door naam of faam, of door de vaardigheid of intelligentie van de persoon die zij poogt te strikken. Slechts dan, wanneer het individu naam en vorm opgeeft, zichzelf bevrijdt van het lichaamsbewustzijn en zich verankerd weet in de Ziel (Atma) het ware Zelf, kan hij ontsnappen aan de dwalingen waarmee maya hem teistert.' Dat was de les die hieruit getrokken moest worden! Want let wel: Vishvamitra beheerste deze twee krachtige mantra's en hij had een schat aan spirituele rijkdom vergaard. Hoewel hijzelf wijd en zijd bekende vermogens bezat, had hij beseft dat alleen Rama de vereiste kracht had om de demonische horden te verschalken en vernietigen, die erop uit waren de yajna te verstoren die hij wilde opdragen. Hij had Dasharatha gewaarschuwd tegen zijn al te grote genegenheid voor zijn zoon, die hem blind maakte voor de goddelijke Majesteit van Rama. Hij had verkondigd dat Rama de beschermer was van de gehele wereld; hij geloofde dat er geen heldendaad zo groot was of Rama kon die verrichten. En toch wilde hij diezelfde prinsen inwijden in een paar mystieke mantra's alsof zij gewone stervelingen waren! Vishvamitra werd ongetwijfeld zelf geketend door maya! Hij had zich laten misleiden door zijn oordeel op uiterlijke kenmerken te baseren.Rama bracht aan het licht hoe maya de wijze in haar wurgende greep hield. Want het was Rama die Vishvamitra's geest versluierd had en hem vol trots zijn inwijdingsriten had laten beginnen!

Rama en Lakshmana voerden hun rituele wassing uit in de rivier, zoals Vishvamitra hun had opgedragen. De wijze ging naar Rama toe en wijdde hem in in de twee mantra's. Rama zei de leraar de formules na en boog het hoofd, zoals het een leerling betaamt als hem een mantra geleerd wordt. Lakshmana volgde zijn voorbeeld. Beiden bogen het hoofd alsof zij erin toestemden om Vishvamitra's 'discipelen' te zijn. Spoedig werd het donker en kozen de jongens zich de dikke grasmat tot bed. Nadat zij waren gaan liggen, zette Vishvamitra zich naast hen neer en vertelde hun verhalen uit aloude tijden. Het leek er weldra op dat de jongens in slaap waren gevallen. Blijkbaar waren zij uitgeput doordat zij zulke lange afstanden te voet hadden afgelegd. Vishvamitra hield op met vertellen en verzonk in gedachten over zijn eigen lotsbestemming.

Langzaam gloorde de nieuwe dag. In de boom waaronder de twee broers lagen te slapen vlogen bonte vogels van tak naar tak. Zij zongen het hoogste lied, alsof zij de bedoeling hadden Rama en Lakshmana te wekken. De muziek van de vliegende minstrelen kon echter de slapenden niet wakker maken! Dus schudde Vishvamitra Rama zachtjes en liet hem weten dat de morgen was aangebroken. 'Ontwaak', sprak hij. Rama kwam overeind. Hij wekte Lakshmana die naast hem lag en beiden wierpen zich aan Vishvamitra's voeten. Zij voerden hun rituele ochtendwassing uit in de rivier de Sarayu; met hun handen schepten zij het heilige water en lieten het weer wegvloeien, onder het voordragen van gezangen ter ere van de Godin van de rivier. Toen dompelden zij zich onder in de stroom, waarna zij de sandhya-ritus volbrachten, de ritus waarbij de Gayatri-mantra [Om Bhur Bhuva Svaha/Tat Savitur Varenyam/Bhargo Devasya Dhimahi/Dhiyo Yo Nah Prachodayat] wordt opgezegd. Weldra waren zij gereed voor de reis en stonden zij met de armen gevouwen voor de wijze. Vishvamitra vroeg: 'Beminde kinderen! Kunnen we nu naar de hermitage gaan?' En Rama antwoordde: 'Wij wachten op uw orders!' Zo zetten zij zich in beweging, Vishvamitra voorop, gevolgd door de jongens. Spoedig kwamen zij aan bij de plek waar de Sarayu samenstroomt met de Ganges. De gebroeders wierpen zich languit op de grond voor de heilige rivier en lieten hun blikken dwalen over de heilige plaats. Zij ontdekten een kluizenaarsverblijf en merkten dat de gehele omgeving doordrongen was van een hemelse sfeer. Het kwam hun voor dat de hermitage zeer oud was, met tal van tekenen die wezen op een grijs verleden. Lakshmana vroeg de wijze: 'Meester! Wie woont er in dat heilige kluizenaarsverblijf? Wat is de naam van het heilige personage dat daar verblijft?' De wijze moest glimlachen bij die vraag. Hij sprak: 'Lieve kinderen!

De God Shiva kwam hier langgeleden met zijn goddelijke dienaren, om zich enige tijd in strenge soberheid af te zonderen, voordat Hij met Parvati in het huwelijk zou treden. Terwijl Hij vanaf deze plaats zijn goddelijke plichten vervulde, kwam Manmatha (God van aardse liefde) tussenbeide en verstoorde zijn spirituele arbeid. Dit deed woede opwellen in het goddelijk hart. Hij opende zijn 'derde oog'; dit stootte zulke verterende vlammen uit, dat Manmatha tot as verbrandde. Zijn lichaam werd vernietigd en zo kennen wij hem nu als Ananga, dat 'zonder ledematen' betekent. Het woord voor lid is anga; omdat Manmatha zijn ledematen hier verloor, is dit gebied sindsdien bekend als Anga! Dit is een rijke streek. Deze ashram werd eens door Shiva bewoond en is sinds die dagen vele generaties lang gebruikt door zijn toegewijden. Ieder van hen is èèn geworden met Shiva, als gevolg van strenge ascese. Slechts zij kunnen hier wonen, die strikt het pad van dharma volgen. Als jullie dat wensen zullen we hier de nacht doorbrengen en morgen onze weg vervolgen, nadat wij een bad in de Ganges hebben genomen.' Rama en Lakshmana raakten buiten zichzelf van vreugde toen Vishvamitra dit plan opperde. Zij riepen uit: 'Wij zijn zeer gelukkig' en namen zijn voorstel aan. Zij baadden zich in de heilige Ganges. Intussen had zich onder de bewoners van deze heilige plaats het nieuws verspreid dat Vishvamitra in de buurt was en dat hij twee heldhaftige zonen van de keizer bij zich had; velen haastten zich om hen welkom te heten en hen in hun eigen kluizenaarshutten te ontvangen.

Die nacht verbleven Vishvamitra en de prinsen in de Shiva-ashram; zij voedden zich met vruchten en wortels en sloegen met belangstelling de verrichtingen in de ashram gade. De prinsen luisterden naar de verhalen die Vishvamitra vertelde. Zij werden zo overstroomd door gelukzaligheid, dat de tijd snel vergleed. Zodra de dag aanbrak, begaven zij zich naar de rivier voor hun bad en de rituele reiniging, waarna zij liefdevol afscheid namen van de kluizenaars. Toen gingen zij weer op weg, de goeroe gevolgd door zijn twee discipelen. Zij moesten de Ganges oversteken, dus roeiden enkele mannen uit de streek hen naar de overkant. Daar aangekomen zeiden de mannen eerbiedig vaarwel en wierpen zich aan Vishvamitra's voeten, alvorens terug te keren. Vishvamitra was aangenaam getroffen door hun hulpvaardigheid; hij besefte hoe intens hun toewijding was en hun gevoel van overgave. Hij overlaadde hen met zegeningen en stond hun toe te vertrekken.

Op dat moment hoorden zij een oorverdovend lawaai alsof een rommelende, onderaardse rivier oprees uit de diepte en het land teisterde. Zij zagen hoe het razende water van de rivier steeg en hoe lange slierten wit schuim zich vormden op de toppen der golven. Rama vroeg aan Vishvamitra: 'Meester! Hoe komt het dat deze woedende vloedgolf plotseling de rivierbedding deed volstromen en hoe konden de golven in zo korte tijd zo hoog worden?' De wijze antwoordde: 'Rama! Op deze plaats stort zich de ziedende Sarayu met volle kracht in de kalme, stille Ganges, vandaar dit gedreun en dat daverende lawaai!' De wijze sprak deze woorden op kalme toon, als terloops. Hij had dit tafereel reeds zo dikwijls aanschouwd. Hij vervolgde: 'Rama! Eens, eeuwen geleden, beschikte Brahma dat zich een groot meer zou vormen nabij de berg Kailas, en zo geschiedde terstond. Het meer staat bekend als het Manasa-sarovar, wat betekent: het meer (sarovar) van de geest (manasa). De Goden hebben het meer die naam gegeven. Als de sneeuw smelt en als het regent, stroomt het meer over en uit het overstromende water vormt zich de rivier de Sarayu, die langs Ayodhya naar de Ganges loopt. De Sarayu is een heilige rivier, want het water is afkomstig uit het meer dat is geschapen door Brahma zelf.' Terwijl zij hun weg vervolgden, luisterden de prinsen naar Vishvamitra's boeiende verhalen, die een bijzonder licht wierpen op de geschiedenis van elke rivier en elk stuk land.

Nu kwamen zij bij een dichtbegroeid, donker bos. Het woud deed hen huiveren. Rama vroeg de meester: 'Niets wijst erop dat ooit enig menselijk wezen hier een voet heeft gezet!' Nog voor zijn vraag beantwoord kon worden, werd aller aandacht in beslag genomen door een onheilspellende reeks brullende geluiden uit de woedende kelen van een reusachtige kudde dieren - tijgers, leeuwen, luipaarden en vele andere, kleinere, wilde dieren. Het was alsof de aarde werd opengereten! Zij zagen ook wilde dieren die met elkaar een gevecht op leven en dood voerden. Sommige vluchtten het dichte struikgewas in om aan een gewelddadige dood te ontkomen. Het woud was dichtbegroeid met hemelhoge bomen - waringins, reusachtige vijgenbomen met luchtwortels (banians), himalayaceders (deodars), pijnbomen en heilige vijgenbomen - die een diepe schaduw op de bodem wierpen.

Hoofdstuk 6b: De oproep en de eerste overwinning

Er liep geen pad dat zij konden volgen, dus moesten zij zich een weg banen. Lakshmana kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen; hij vroeg Vishvamitra: 'Meester! Wie heerst er over dit ontzagwekkende woud? Hoe heet dit bos?' De meester antwoordde: 'Lakshmana! Hier, waar nu oerwoud is, waren eens twee koninkrijkjes, Malada en Karosa. Zij schitterden als waren zij het verblijf der Goden; de mensen zeiden dan ook van dit gebied dat het speciaal geschapen was en gekoesterd werd door de Goden. Er gaat een verhaal over deze streek. Toen Indra, de Heer der hemelbewoners, de demon Vritra gedood had, was Hij door zonde besmet en dit had tot gevolg dat Hij werd bezocht door de kwelling van een onverzadigbare honger. In die beklagenswaardige toestand werd Indra door wijze mannen naar deze streek gebracht en gewassen in de heilige Ganges. Na de onderdompeling goten zij de ene kruik Gangeswater na de andere leeg over zijn hoofd en reciteerden daarbij heilige gezangen en mantra's. De zonde die het doden van een persoon van een hoge kaste immers inhield, werd hiermee weggewassen.

Brahma was zeer verheugd dat de smet van zonde (mala) was weggenomen en de kreet (krosa) van honger was opgehouden. Daarom gaf Hij deze koninkrijken de namen Malada en Karosa. Beide rijken werden door zijn zegen tot roem gebracht. De wil van de Goden beschikte dat deze twee gebieden overvloedig graan en goud voortbrachten, alsmede alle andere bewijzen van rijkdom.

Na enige tijd verscheen een wrede menseneetster, Thataki genaamd, in dit gebied en zij ving aan het rijke en vredige land te verwoesten. Zij was een yakshini, die zich in elke gewenste gedaante kon veranderen. Het gerucht gaat dat zij reeds bij haar geboorte de kracht van duizend olifanten bezat! Zij baarde een zoon, Maricha genaamd. Hij evenaarde Indra zelf in macht en heldenmoed. Samen richtten moeder en zoon enorme schade aan en brachten groot onheil over het land. Het oerwoud waarin dit laaghartige monster verblijft ligt anderhalve yojana (± 25 km) hiervandaan. Zij heeft de eens zo welvarende valleien van Malada en Karosa in deze verschrikkelijke wildernis veranderd. Bij haar nadering vluchtten de arbeiders, die het vruchtbare land bewerkten, in doodsangst weg en zo drong het oerwoud steeds verder op. De eens dichtbevolkte steden en dorpen werden verlaten en verwoest; elk spoor van menselijke bewoning werd uitgewist. Het was onmogelijk Thataki te vangen of te doden, want zij wist te ontkomen aan alle pogingen om haar te verdelgen. Tot dusverre heeft nog niemand het aangedurfd om een einde aan haar verwoestingen te maken. Ik kan mij behalve jullie niemand voorstellen - dat zegt mijn intuïtie mij heel duidelijk - die dit monster met zoveel overweldigende kracht kan doden. Deze twee zijn het, de kwaadaardige moeder en haar zoon, die de demonen aanvoeren en hen aansporen tot het verstoren en bezoedelen van de yajna's en de heilige rituelen van de kluizenaars.'

Vishvamitra's woorden wekten bij Rama hevige emoties op. De boosheid die in hem opwelde, moest zich uiten. Hij sprak met diepe nederigheid en eerbied: '0 grote asceet onder de asceten! Ik heb horen zeggen dat de Yaksha's slechts geringe kracht bezitten; bovendien is deze Thataki een vrouw en is zij dus van het zwakke geslacht. Hoe is het mogelijk dat zij hele gemeenschappen zÛ kon terroriseren? Vanwaar heeft zij al die macht? Hoe kon zij dit gebied zo volkomen te gronde richten, terwijl de streek toch door Brahma en de Goden gezegend was? Dat is werkelijk ontstellend en welhaast ongelofelijk.' Vishvamitra sprak: 'Rama! Ik zal het uitleggen. Luister! Er was eens een yaksha die Sukethu heette. Zijn deugden waren even talrijk als zijn vermogens. Hij had geen kind dat hem kon opvolgen en daarom legde hij zichzelf een streng-eenvoudige levenswijze op om de Goden gunstig te stemmen en hun zegen te mogen ontvangen. Tenslotte was Brahma tevreden over zijn strikt morele gedrag; Hij verscheen aan Sukethu. Hij zegende hem met de belofte dat hij een dochter zou krijgen met buitengewone lichaamskracht, intelligentie en vaardigheid. Sukethu was opgetogen over deze gunst, alhoewel het een dochter zou worden en geen zoon.

Sukethu keerde naar huis terug en zoals verwacht, werd hem een dochter geboren. Het kind groeide voorspoedig op. Hoewel zij van het zwakke geslacht was, had zij, door Brahma's genade, de kracht van duizend olifanten. Zij ging haar eigen gang zonder zich iets van wetten of beperkingen aan te trekken, alsof al wat zij zag haar toebehoorde! Zij was een zeer bekoorlijk meisje en dus zocht Sukethu overal naar een even aantrekkelijke bruidegom voor haar. Sukethu vond tenslotte de juiste man, wiens naam Sunda was, en gaf hem zijn dochter ten huwelijk. Drie jaar later beviel zij van een zoon; dat is de Maricha over wie ik je al verteld heb. Moeder en zoon zijn onoverwinnelijk geworden in de strijd. Sunda begon zijn demonische wandaden te verrichten en poogde de yajna's van de wijzen te verstoren. Hierdoor haalde hij zich de gramschap van de grote Agasthya op de hals; deze sprak een vloek uit over de verachtelijke jongeman, die hem dodelijk trof, zodat de wijzen verder leed bespaard bleef. Uit wraak viel Thataki, die haar zoon meegenomen had, de hermitage van Agastya aan. Agastya was vooraf gewaarschuwd voor deze aanval, daarom sprak hij een vloek over hen beiden uit, waardoor zij tot een leven als mensenverslindende monsters verlaagd werden. Dit wakkerde hun woede nog meer aan; zij brulden beledigingen en stormden als furies, met van bloed doorlopen ogen, op Agastya af! Deze voelde dat ieder uitstel nu gevaarlijk kon zijn; hij sprak over Thataki de vloek uit dat zij haar bekoorlijke uiterlijk zou verliezen en in een afzichtelijk schepsel zou veranderen. Het was Agastya's wil dat zij een kannibaal werd! Thataki liet zich door de vervloeking geenszins uit het veld slaan, doch hervatte de aanval met hernieuwde razernij. Dus ontvluchtte Agastya het verwoestende geweld en begaf zich naar veiliger oorden. Thataki, die deze teleurstelling niet konverkroppen, liet in deze landstreek - Malada en Karosa - haar toorn de vrije teugel, waarbij zij de oogst en de velden zo grondig vernietigde, dat er tenslotte slechts een oerwoud overbleef.'

Toen dit verhaal ten einde was, sprak Rama: 'Meester! Aangezien Thataki werd geboren ten gevolge van Brahma's zegen en als beloning voor versterving, bezat zij al deze kracht en vaardigheden; zij misbruikte deze gaven en riep gramschap en vervloeking over zichzelf af. Volgens de heilige Geschriften is het doden van een vrouw wel een zeer zware zonde. Dat moet de ware reden geweest zijn dat Agastya bij zijn vervloeking niet verder ging dan een afzichtelijk uiterlijk. Anders had de grote wijze die de dood van haar man teweeg had gebracht, toch ook de vrouw kunnen ombrengen? Ik heb gehoord dat krijgslieden zich niet mochten verlagen tot het doden van vrouwen. Zeg mij wat mij te doen staat; ik ben bereid te doen wat u zegt.'

Vishvamitra was verheugd dat Rama deze gewetensbezwaren naar voren bracht, die hem door dharma waren ingegeven. 'Ik ben niet onkundig van het feit dat het doden van een vrouw een afschuwelijke zonde is. Niettemin is de bescherming van de spiritueel-gevorderden - van brahmanen en van deugdzame mensen, maar ook van alle andere schepselen - van groot belang. Dharma is onlosmakelijk verbonden met deze drie niveaus van leven. Er is geen sprake van zonde, als de daad begaan wordt om daarmee dharma te bevorderen en adharma - de ondeugd - te vernietigen. Ken je het gezegde niet: "Dharma behoedt degenen die dharma behoeden" (Dharmo rakshati  rakshitaram)? Dit is geen geweld dat gebruikt wordt ter verheerlijking van jezelf. Als geweld wordt aangewend om vrede en voorspoed in de wereld te handhaven, dan kan het geen kwalijke gevolgen hebben, dat verzeker ik je. Bovendien worden met schepping, instandhouding en ontbinding goddelijke wetten ten uitvoer gebracht; zij geschieden naar Gods wil. Zij zijn niet gebonden aan menselijke willekeur. Jullie zijn goddelijke Manifestaties. Je hebt de bevoegdheid en de plicht om dit te doen. Aan vuur blijft geen vuil kleven; evenmin kan God door zonde worden besmet. De scheppingsdrang die tot stand brengt en beschermt, kan ook de plicht tot straffen volbrengen. De straf voor de zonden door moeder en kind begaan, kan niet worden afgewend; Thataki mag van geluk spreken dat haar leven vandaag door jouw toedoen beëindigd wordt, voor zij nog meer zonden kan toevoegen aan de vele waarvoor zij zozeer zal moeten boeten. Je zult veeleer haar belang dienen en dat van dit land; dat is verkeerd noch zondig. Als je nu je medegevoel zou laten spreken, zou dat de wereld eindeloze schade berokkenen. Hierdoor zou het verval van dharma worden bespoedigd en Thataki zou zich aan verdere wandaden kunnen bezondigen. Waarom zou ik nog langer bij dit onderwerp stilstaan en duizend argumenten aanvoeren? Ik heb alles reeds voor mijn geestesoog aanschouwd; jij bent geïncarneerd in menselijke gedaante om het rakshasa-gebroed te verdelgen. Dat is jouw opdracht, die je vandaag en in je gehele aardse loopbaan hebt te vervullen. Het zijn juist de bescherming van dharma en de vernietiging der rakshasa's (mensen met demonische neigingen) die je hebben bewogen om ter wereld te komen! Ik kende deze waarheid; dat is de reden dat ik mij haastig tot jou heb gewend om hulp. Waarom zou ik anders jouw steun en bemiddeling verlangd hebben? Kluizenaars, asceten en zij die zich toeleggen op versterving en zich daartoe in het woud hebben terug getrokken, zij allen smeken om de hulp van de heersers van het land, voor de gehele wereld en niet slechts voor zichzelf. Zij laten alle gehechtheid  varen en voeden zich met de wortelgewassen en de vruchten die zij vinden; nadat zij zich enige maanden of jaren aan deze leefregels hebben gehouden, leggen zij zichzelf een nog strengere levenswijze op, opdat zij alle bewustzijn van hun lichamelijkheid verliezen en opgaan in het Licht. Waarom zouden zulke mensen zich zorgen maken over wat er met de wereld gebeurt? Doch de wijzen die de Verwerkelijking hebben bereikt en zichzelf hebben verlost, doordat zij verlicht zijn door de openbaring van de hoogste werkelijkheid, trachten bovendien anderen het pad te wijzen dat zijzelf zijn gegaan. Zij vertellen over de glorie van het doel dat zij hebben bereikt, om anderen te bewegen ook de discipline te beoefenen die henzelf ontvankelijk heeft gemaakt voor de waarheid. Als de wijzen zich louter om zichzelf en hun bevrijding bekommeren, wat moet er dan van de wereld worden? De mensheid zal alleen maar steeds dieper in zonde verzinken. Dharma zal ten onder gaan. Dat is de reden dat kluizenaars betrekkingen onderhouden met de buitenwereld; dat doen zij niet om enig persoonlijk verlangen te bevredigen. Zij leven als een lotusbloem die op het water drijft. Het schijnt alsof zij verwikkeld zijn in wereldse aangelegenheden; zij zijn echter geenszins aan de wereld gehecht en zullen zich niet door de wereld laten bezoedelen. Zij hebben slechts èèn doel en dat is de spirituele vooruitgang en het welzijn der mensheid. Al hun zorg en aandacht is gewijd aan het behoeden van dharma. Zij vertrouwen op God alleen.'

Toen Vishvamitra met deze woorden de waarheid had onthuld, reageerde Rama alsof hij een novice was en alsof al wat hij zojuist gehoord had, hem onbekend was. Hij sprak: 'De wereld zal niet begrijpen dat in de woorden van heremieten en wijzen een heilige betekenis besloten ligt. Ik heb u gevraagd naar de morele aspecten van het doden van Thataki, opdat wij zullen weten hoe u deze daad zult rechtvaardigen. U moet verder niets achter mijn vraag zoeken. Mijn vader, Dasharatha, gebood mij de wijze Vishvamitra te gehoorzamen en te doen wat hij mij opdraagt. Ik wil de bevelen van mijn vader opvolgen. U bent een groot rishi. U hebt strenge ascese ondergaan. Wanneer iemand als u verklaart dat men Thataki mag doden zonder dat men een zonde op zich laadt en dat de daad rechtvaardig en moreel is, dan weet ik dat ik geen kwaad doe. Ik ben bereid tot elke taak die u mij oplegt om dharma te behoeden en het welzijn van de mensheid te bevorderen.' Aldus sprekend nam Rama de boog ter hand en beproefde de spanning van de pees; het geluid dat hij daarmee maakte, deed een echo weergalmen uit verschillende richtingen. Het hele woud werd wakker geschud; de wilde dieren vluchtten her en der. Thataki werd onaangenaam verrast door het ongewoon harde en ontzagwekkende geluid. Zij ontstak in woede over dit storende verschijnsel en rende naar de plek waar het geluid vandaan kwam. Rama zag hoe het monster op hem af stormde als een plotselinge lawine of als een reusachtige wilde olifant in de aanval. Rama glimlachte en zei tot Lakshmana: 'Broeder! Kijk eens naar het enorme gedrocht! Zou een gewone sterveling de aanblik van zo'n duivels personage overleven? Alleen al de uiterlijke verschijning is een verschrikking! Wat dan te denken van de kracht van dit monster. En het is nog een vrouw ook! En toch, als ik mij voorneem Thataki te doden, kan mijn geest zich niet geheel en al met die gedachte verenigen. Ik denk dat dit monster wel zal sterven als haar handen en voeten worden afgehakt; meer is misschien niet nodig.'

Thataki stormde met uitgestrekte armen op Rama af om hem te kunnen grijpen en hem in haar mond te stoppen als een stuk koek! Zij brulde uitzinnig, in vreesaanjagende opwinding. Vishvamitra bad, met de ogen gesloten, dat de broers geen kwaad zou overkomen in de strijd. Thataki naderde Rama steeds dichter, maar met toenemende aarzeling, want in zijn nabijheid voelde zij een vreemde schok. Zij was enige malen vlakbij Rama, maar moest zich snel terugtrekken. In razernij sprong zij in het rond, woedend op zichzelf! De stof die zij deed opwaaien, verduisterde de lucht en verstikte de atmosfeer. Rama, Lakshmana en Vishvamitra hielden zich een poosje stil en namen een afwachtende houding aan. Thataki was bedreven in de kunst der misleiding en vernietiging. Zij deed een regen van grote keien neerdalen. Rama besloot nu dat het de menseneetster niet langer vergund moest zijn op aarde te leven; zij mocht niet vrijuit gaan op grond van haar vrouwelijkheid! Dus spande hij zijn boog en schoot een pijl af naar het lichaam van Thataki, dat zich aan aller oog onttrokken had. Rama wist echter precies waar zij zich op dat ogenblik bevond. Na deze aanval stormde Thataki opnieuw op Rama af. Haar beide armen waren door Rama's pijlen getroffen. Zij viel ter aarde, schreeuwend van folterende pijn. Lakshmana hakte èèn voor èèn haar ledematen af. Doch Thataki kon naar believen de ene vorm na de andere aannemen. Dus liet zij de oude gestalte varen en wist zich snel te veranderen en weer voor hen te verschijnen in een nieuwe, furieuze gedaante! Zij deed alsof zij dood was, maar het bleek al spoedig dat zij springlevend was! Zij nam tegelijkertijd velerlei vormen aan en begon weer haar bekende streken uit te halen. Wederom liet zij het keien regenen en spreidde al haar boosaardige kunsten ten toon. Hoe zij ook op hun hoede waren, toch liepen Rama en Lakshmana enige verwondingen op. Toen Vishvamitra dat zag, wist hij dat ieder uitstel nu uit den boze zou zijn en Thataki onverwijld ter dood gebracht moest worden. Hij sprak: 'Rama! Aarzel niet! Dit is niet het juiste moment om aan haar vrouwzijn te denken en je toegefelijk te tonen! Het heeft geen nut alleen haar ledematen weg te nemen. Zolang er nog leven in hun lichaam is, kunnen deze rakshasa's zoveel gedaanten aannemen als zij maar wensen. Daarom zul je haar moeten doden! Als de avond nadert, zal haar blinde razernij nog verder toenemen. Na zonsondergang wordt het onmogelijk rakshasa' s het hoofd te bieden, voor wie dan ook. Zij moet vÛÛr dat tijdstip gedood worden.' Na deze woorden sprak Vishvamitra enige heilige mantra's uit die bescherming en veiligheid bieden.

Ook Rama wist nu wat hem te doen stond. Door zijn vermogen om pijlen naar de oorsprong van een geluid te leiden, wist hij waar Thataki zich bevond, waarop hij snel een pijl op zijn doel afschoot. De pijl had zich door haar ledematen geboord en deze zo vast aan elkaar bevestigd dat zij zich niet kon bewegen. Hierop brak Thataki uit in woest gekrijs en haar verschrikkelijke tong uitstekend, trachtte zij zich op Rama en Lakshmana te storten en hen onder haar gewicht te verpletteren. Toen wist Rama dat verder uitstel nog vreselijker gevolgen zou hebben; hij schoot een dodelijk scherpe pijl af en trof haar recht in het hart. Zij viel ter aarde en gaf de geest.

Op de plek waar Thataki gevallen was, vertoonde de aarde een enorme krater. Bomen werden ontworteld door de daverende klap waarmee deze reusachtige massa de grond raakte. Zij wentelde zich in folterende pijn. Haar laatste ademtocht klonk zo griezelig en luid, dat de wilde dieren in het woud op de vlucht sloegen; hele kudden dieren renden hals over kop weg. Toen de verschrikkelijke demon dood neerviel, riep Vishvamitra Rama bij zich en hem liefdevol over de haren strijkend, sprak hij: 'Zoon! Was je bang? Neen, neen! Hoe zou de redder aller werelden bevreesd kunnen zijn? Met deze heldendaad is de fundering gelegd die de stabiliteit van het huis verzekert. Kom, je zult wel vermoeid zijn. De zon is ook reeds ondergegaan. Voer eerst de avondrituelen uit en ga dan wat rusten. Kom met mij mee.' Vishvamitra nam de jongens mee naar de rivier en daarna zei hij tot hen: 'Kinderen! We zullen hier overnachten en bij het aanbreken van de dag onze weg naar de hermitage vervolgen.' De rest van de avond luisterden Rama en Lakshmana naar de verhalen die Vishvamitra hun vertelde en naar de onthullingen van de meester over hun eigen vermogens en hun verborgen majesteit.

De nieuwe dag brak aan. De wijze volvoerde de rituele ochtendreiniging en liep op de slapende broers toe met een vriendelijke glimlach. Hij sprak tot hen in zachte en zoete  bewoordingen. 'Rama! Ik ben zeer verheugd over je heldenmoed! Toen je die demon Thataki overwon, heb ik de waarheid doorgrond dat jij de Absolute Macht bent. Ik ben waarlijk door het fortuin gezegend.' Vishvamitra stortte tranen van blijdschap. Hij haalde alle mystieke wapens die hij bezat te voorschijn en vertelde over de mantra's die de wapens hun vorm en kracht geven; met een spontaan gebaar van toewijding legde hij ze alle in Rama's handen. 'Ik ben niet bevoegd om deze wapens te hanteren; wat voor nut hebben ze voor mij, al heb ik ze in mijn bezit? Jij bent de meester en bezitter van alle wapens. Het zal ze zeker verheugen bij je te zijn, want bij jou zullen zij het meest tot hun recht komen. Luister goed! Vanaf dit ogenblik zullen alle wapens waarover ik tot dusverre beschikte instrumenten zijn die jou ten dienste staan bij de missie waarvoor je op aarde bent gekomen' , sprak Vishvamitra. Hij liet er heilig water over stromen en reciteerde passende mantra's die moesten duiden op de onherroepelijke overdracht van eigendom.

Aldus schonk hij Rama de dandachakra, de dharmachakra, de kalachakra, de indrastra, de vajrastra, de door Shiva geïnspireerde trishula - drietand, de brahmasirastra, de aishikastra en de machtigste en meest vernietigende van alle: de brahmastra. Toen zweeg hij en zat korte tijd stil met de ogen gesloten. Hij stond op met de woorden: 'En wat moet ik nu nog hiermee?', en overhandigde Rama twee machtige scepters, modak en sikhar. Hij sprak: 'Zodra wij in onze ashram zijn, zal ik ook mijn andere wapens te voorschijn halen - de agni-astra (vuurpijl), de krauncha-, de narayana- en de vayu-pijl en soortgelijke'. 'Zoon', sprak hij, 'al deze wapens staan altijd ten dienste van de meester; zij zijn van een verbazingwekkend grote kracht.' Fluisterend in Rama's oor, onthulde Vishvamitra de mystieke formules waardoor deze wapens gematerialiseerd en geactiveerd konden worden en met onvoorstelbaar woeste kracht naar hun doel worden geleid. Hij vroeg Rama de mantra's onder zijn leiding uit te spreken. Het duurde niet lang, of Rama kon de Godheden voor zich zien, die elk van deze heilige wapens besturen; hij nam hun dankbare huldebetuigingen in ontvangst. Iedere Godheid verscheen voor Rama en wierp zich voor hem ter aarde. Zij allen spraken: 'Rama! Van nu af aan zijn wij uw dienaren. Wij allen beloven en bevestigen hierbij dat wij uw bevelen zullen gehoorzamen.' Toen verdwenen zij, in afwachting van een nadere oproep.

Rama was verheugd over deze loop der gebeurtenissen; hij raakte Vishvamitra's voeten aan, zeggend: 'Meester! Uw hart is een schatkamer der zelfverloochening. Ik besef dat u de heilige belichaming bent van tyaga (zelfverloochening) en yoga (overwinning op de zintuigen). Of zou iemand anders van een dergelijke verzameling machtige, zwaar bevochten wapens afstand doen en ze ten geschenke geven? Meester! Wees zo goed mij te adviseren over de wijze waarop ik de wapens weer kan terugroepen nadat zij de beoogde verwoesting hebben aangericht. U hebt mij zojuist de mantra's geleerd die de aanval moeten ontketenen. Ik zou graag willen weten hoe ik ze kan terugkrijgen.' Vishvamitra voelde grote blijdschap bij deze woorden en sprak: 'Krachten en wapens zoals sathyakirti, drishta, rabhasa, pitrisomasa, krisana, virasya, yugandha, vidhuta, karaviraka en jrimbhaka komen eigener beweging terug, wanneer de boogschutter die ze gebruikt zijn wilskracht aanwendt door middel van mantra's die ik je nu zal leren.' Daarop werd Rama ook in deze heilige formules ingewijd. Zodra zij werden uitgesproken, verschenen de aldus gunstig gestemde Godheden en wierpen zich languit aan de voeten van hun nieuwe meester. Rama zei hun dat zij gereed moesten zijn als zij werden opgeroepen en dat zij het zich intussen gemakkelijk konden maken.

Vishvamitra stelde hierna voor de reis te hervatten en zo begaven de drie zich weer op weg. Zij hadden nog niet lang gelopen of zij kwamen in een bergachtig gebied met steil uitstekende toppen; hun oog viel op een bekoorlijke tuin, waarvan de heerlijke geuren hen verwelkomden en verfristen naar lichaam en geest. De broers wilden graag weten aan wie deze liefelijke plek toebehoorde. Zij vroegen Vishvamitra hun daarover klaarheid te verschaffen. Deze antwoordde: 'Zoon! Dit is de heilige plaats die de Goden uitkiezen als zij op aarde nederdalen om door versterving bevrediging te vinden van hun spirituele verlangens. De grote Kasyapa deed hier boete en bereikte zijn doel. Hier wordt elke heilige inspanning met overwinning bekroond. Daarom wordt deze plaats Siddashram genoemd, de ashram der voleinding. Ik heb zelf deze hermitage tot verblijfplaats gekozen met het oogmerk toewijding en overgave te ontwikkelen. Dit kluizenaarsverblijf is het mikpunt van de aanvallen der demonen, die ieder heilig ritueel dat hier wordt opgedragen, onderbreken en bezoedelen. Jij moet ze vernietigen wanneer zij hun goddeloze oorlogsspel gaan spelen.' Al sprekend betrad Vishvamitra de hartverwarmende verblijfplaats der vrede. Vol genegenheid sloeg hij zijn arm om Rama's schouder en sprak: 'Vanaf heden is deze ashram evenzeer de jouwe als hij tot nu toe de mijne is geweest.' De oude wijze man stortte tranen van voldoening bij deze woorden. Op het moment dat zij de eerste stappen zetten in de Siddashram kwamen de bewoners verlangend toegesneld om de voeten van de meester te wassen en om Rama en Lakshmana water te brengen voor hun ceremoniële wassing.

Zij strooiden bloemen op het pad naar Vishvamitra's verblijfplaats en geleidden hen naar de deur. Zij boden hun fruit aan en een zoete, koele dronk. Zij stelden Rama en Lakshmana voor om wat uit te rusten in een speciale hut, die voor hun gebruik in gereedheid was gebracht. Aldus geschiedde en na de rust, die hen zeer verkwikt had, wasten zij zich de voeten en het gezicht en begaven zij zich naar Vishvamitra om nadere instructies te ontvangen. Zij stonden voor hun leraar met gekruiste armen en spraken: 'Meester! Kan de openingsplechtigheid voor de yajna, die naar uw wil uitgevoerd zal worden, morgen plaatsvinden?' Vishvamitra was opgetogen over deze vraag en antwoordde: 'Ja! Alles is gereed, zoals altijd in deze Siddashram. We hoeven niet te wachten tot de voorbereidingen zijn voltooid. Wij zijn altijd voorbereid. Ik zal bij zonsopgang de voorgeschreven gelofte afleggen.' Het nieuws verspreidde zich en eenieder hielp mee om al het nodige te verzamelen voor de grote gebeurtenis. De dag brak aan. Vishvamitra legde de inwijdingsgelofte af en de yajna nam een aanvang. Terwijl Skanda en Visakha op wacht stonden voor de Goden, betoonden de broers Rama en Lakshmana zich vastberaden om allen het hoofd te bieden die het zouden wagen het verloop van de plechtigheid te verstoren. Omdat het onbetamelijk was Vishvamitra aan te spreken, nu hij met de offerceremonie bezig was, gebaarde Rama naar de oudere priesters om van hen te weten te komen wanneer de demonische horde verwacht kon worden en vanuit welke richting. Zij konden slechts antwoorden: 'Het is onmogelijk te zeggen wanneer en waar zij vandaan zullen komen! De demonen houden zich nooit aan een vaste tijd; zij kunnen zich ieder moment op ons werpen. Wie zou het uur van hun woeste aanval durven voorspellen?' In hun verhalen aan Rama had elk van de kluizenaars zo zijn eigen mening over het karakter en de gewoonten van de demonen.

Rama was verheugd dat de kluizenaars hem zo uitvoerig antwoordden; hij besloot dat hij er verstandig aan zou doen voortdurend waakzaam te blijven en zich paraat te houden om de aanval van het duivelse leger af te slaan als dat trachtte de heilige ceremoniën van de heremieten te dwarsbomen. Hij maande ook Lakshmana om waakzaam te zijn. Zij keken goed uit naar alle kanten en waren bedacht op het geringste geluid dat op een naderend gevaar zou kunnen duiden. Toen zij inzagen hoe moedig en vastbesloten de broers waren, vervulde dit de asceten met grote vreugde en ontzag; Rama en Lakshmana waren immers nog zo pril van jaren en hadden de kinderblos nog op het gelaat. Zij waren de kwajongensstreken nauw ontgroeid!

Vijf dagen en nachten lang hielden de broers onverdroten de wacht over de offerplaats en de ashram, zonder een oog dicht te doen of een moment te rusten. De zesde dag begon als alle vorige dagen. Vishvamitra werd in beslag genomen door de yajna en legde zich met de vereiste rituele precisie toe op elk onderdeel van de ceremonie. De ritvij's - zij die de gezangen voordragen en andere priesters - kweten zich van hun diverse taken zoals het brengen van offeranden en het reciteren van mantra's. Plotseling werden zij opgeschrikt door een donderend lawaai dat losbrak uit de hemel, alsof het firmament zelf in stukken uiteenbarstte! Er sloegen vlammen uit alles wat zich op de offerplaats bevond - het kusa-gras, de schalen en kelken, de gewijde kommen met daarin rituele voorwerpen, de droge stokjes die in het heilige yajna-vuur geofferd moeten worden, de bloemen, de kumkum en andere benodigdheden die voor de eredienst bijeengebracht waren. Overal laaiden de vlammen op!

Weldra was de hemel overdekt met duistere, dreigende wolken en veranderde de zonnige dag in stikdonkere nacht. Geheimzinnige, kwade dampen joegen naar de plek waar de yajna gaande was. Uit de onheilspellende wolken begon het bloed te regenen en als de druppels neervielen, werden zij verwelkomd door de vlammentongen die oplaaiden om hen te ontvangen. Rama en Lakshmana trachtten temidden van dit schimmenspel van wreedheid en haat de plaats te bepalen waar de demonen zich ophielden. Door zijn goddelijke helderziendheid wist Rama waar Maricha en Subahu, de aanvoerders der menseneters, zich bevonden en hij schoot de manasa-pijl in die richting af. De pijl trof Maricha in de borst en maakte voorgoed een einde aan diens duivelse streken. Vervolgens schoot hij met de agni-astra (het vuurwapen) op Subahu en het boorde zich in Subahu's hart. Rama begreep dat, als hun lichaam op heilige grond zou vallen, de ashram zelf verontreinigd zou worden; om die zondige aanraking te voorkomen, droegen Rama's pijlen de verdorven lichamen  honderden mijlen verder en wierpen ze in de oceaan! Maricha en Subahu gilden en kreunden van ondraaglijke pijn en worstelden wanhopig te midden der golven; maar sterven deden zij niet. De andere aanvoerders der demonische horden vluchtten in doodsangst en verdwenen achter de horizon. Lakshmana zei dat het niet raadzaam was om ook maar èèn van de demonen in leven te laten, hoe laf zij nu ook schijnbaar waren, want zij zouden stellig weldra hun boosaardige praktijken hervatten. Dus spoorde hij Rama aan de hele bende uit te roeien. De asceten die deze grootse heldendaad gadesloegen, waren opgetogen van bewondering; zij geloofden heilig dat de broers in werkelijkheid Shiva zelf belichaamden in zijn vreesaanjagende, wensenvervullende gedaante. Zij bogen eerbiedig voor Rama en Lakshmana - zij het slechts in gedachten, want de broers waren nog te jong om hun huldebetuiging te aanvaarden.

Het volgende ogenblik werd het ganse woud overgoten met licht en blijdschap. Zonder zich door deze gebeurtenissen te laten afleiden, ging Vishvamitra kalm en onverdroten voort met het mediteren op de Godheden en het voordragen van de heilige gezangen, zoals die voor de yajna waren voorgeschreven. Hij zat volkomen roerloos en ook zijn geest was geheel verstild, zo diep was zijn concentratie! De afscheidsofferande in het heilige vuur werd naar behoren volvoerd met grote dankbaarheid. Toen liep Vishvamitra glimlachend op Rama en Lakshmana toe. '0, lofwaardige helden! Door jullie heb ik mijn gelofte kunnen laten zegevieren! Mijn innigste wens heb ik dankzij jullie kunnen verwezenlijken. De naam van deze ashram is gerechtvaardigd; zij is waarlijk de ashram der voleinding geworden!' sprak hij. De wijze stortte tranen van vreugde; hij drukte de jongens tegen zich aan en liefkoosde hen. Hij begaf zich naar het kluizenaarsverblijf, zijn handen rustend op de schouders van Rama en Lakshmana. Daar aangekomen gaf hij hun een deel van de gewijde gaven van het offervuur. Hij stelde de broers voor even te gaan slapen, opdat de rust hen zou verkwikken.

Hoewel de vervulling van de missie waarvoor zij gekomen waren op zich reeds het meest doeltreffende middel was om nieuwe kracht aan lichaam en geest te schenken, vonden de broers het ongepast om het verzoek van hun meester te negeren, dus legden zij zich ter ruste en waren lange tijd in diepe slaap verzonken. De meester verwijderde zich en ging naar de andere hut, om hen ongestoord te laten slapen; hij droeg bovendien enkele mannen op om de wacht te houden, opdat niemand de jongens door onopzettelijk lawaai zou wekken. Terwijl de broers sliepen, dacht Vishvamitra met verrukking aan de voorspoedige afloop van de yajna en aan de goddelijke macht die Rama en Lakshmana hadden gemanifesteerd. Toen de broers ontwaakten, wasten zij hun gezicht en hun handen en voeten, aleer zij naar buiten gingen. Voor hun deur troffen zij de zonen der kluizenaarsfamilies aan die ervoor hadden gezorgd dat hun slaap niet verstoord werd. Zij kregen de boodschap dat de meester in een andere hut met de asceten in gesprek was. Dus begaven zij zich daarheen en wierpen zich aan de voeten van de wijze. Toen zij overeind kwamen, stonden zij met de armen gevouwen en spraken: 'Grote leraar! Als wij, uw dienaren, enig andere taak moeten uitvoeren, wees dan zo goed ons dit te laten weten en wij zullen ons gaarne van die opdracht kwijten.' Bij deze woorden stond èèn der asceten uit de groep op en richtte zich tot de broers: 'Met de verdelging der demonen is alles gedaan wat gedaan moest worden. Wat zou er nog meer moeten gebeuren? De jarenlang gekoesterde wens van de meester is in vervulling gegaan. Er is geen daad die verhevener is dan deze. Jullie beiden hebben de gedaante van Shiva-Shakti, in onze ogen. Jullie zijn geen gewone stervelingen. Wij zijn zo fortuinlijk dat we je hebben mogen aanschouwen. We zijn je oneindig dankbaar.' Na deze woorden raakten de bewoners eerbiedig de voeten van Rama en Lakshmana aan.

 

Hoofdstuk 7a: Het veroveren van Sita

Intussen kwam er een jonge leerling-discipel aangesneld met een bundel geschriften op palmbladeren, die hij Vishvamitra in handen gaf. Deze sloeg enkele bladen om en gaf ze toen door aan een eerbiedwaardige, oude kluizenaar die naast hem zat. De meester vroeg de oude man de tekst hardop te lezen, opdat allen het konden horen.

Hij las voor dat keizer Janaka van Mithila zich had voorgenomen een beroemde yajna te volvoeren, een yajna die de hoogste glorie van de rechtschapenheid tot uitdrukking brengt. De keizer verzocht Vishvamitra hem de eer aan te doen om daarbij samen met zijn discipelen aanwezig te zijn. Toen zij dit hoorden, riepen alle aanwezigen: 'Shubham, shubham (moge dit in vervulling gaan). 'Vishvamitra sprak: 'Zonen! Nu wij zonder vrees voor demonische benden door het woud kunnen trekken, heb ik besloten dat wij direct morgen de reis naar Mithila zullen aanvangen, met alle bewoners van de ashram.'

Toen Rama deze woorden hoorde, sprak hij: 'Meester! Dit is werkelijk reden tot grote vreugde. Aangezien er niets is waarvoor u ons verder nodig hebt, zullen wij naar Ayodhya terugkeren, als u ons dit toestaat'. Hierop sprak Vishvamitra: 'Ik heb Dasharatha nog enkele andere beloften gedaan, waaraan ik mij eveneens heb te houden! Ik heb je vader beloofd je persoonlijk bij hem terug te brengen en jullie kunnen derhalve niet zonder mij terugkomen! De yajna die in de stad Mithila zal plaatsvinden, is ongeëvenaard. De tijd is te kort om je eerst naar Ayodhya te brengen en voor de aanvang van de yajna in Mithila te zijn. Als je me beiden naar Mithila vergezelt, kun je er de yajna bijwonen en van daaruit verder reizen naar Ayodhya.'

Toen hij deze woorden hoorde, die zonder de minste aarzeling of twijfel werden uitgesproken, antwoordde ook Rama op besliste toon, zonder verdere afwegingen: 'Meester! Daar gehoorzaamheid aan mijn vaders bevelen de eerste gelofte is die ik moet nakomen, moet ik u een vraag voorleggen.' Vishvamitra vroeg: 'Kom! Zeg me, wat is die vraag?' Rama antwoordde: 'Mijn vader droeg mij op de yajna van Vishvamitra te behoeden voor ontwijding en heiligschennis, en om de grote wijze gelukkig te maken. Hij vroeg ons als overwinnaars terug te keren; hij heeft niets gezegd over het bijwonen van yajna's die elders plaatsvinden. Moet ik dan geen speciale toestemming van mijn vader hebben om naar Mithila te gaan?'

Hierop antwoordde Vishvamitra: 'Rama! Dat was niet alles wat Dasharatha zei! Neen. Hij zei ook: "Ga heen en volg alle bevelen van de wijze gehoorzaam op; wijk zelfs geen strobreed van zijn geboden af'. Tot mij sprak hij: "Meester! U moet zelf de volle verantwoordelijkheid voor mijn kinderen op u nemen; u zelf moet hen weer bij mij terugbrengen". Je hebt geluisterd naar wat je vader zei toen wij Ayodhya verlieten. Doe dus zoals ik zeg en ga mee naar Mithila. Vandaar zullen wij doorreizen naar Ayodhya; ik zelf, jullie beiden en al mijn discipelen.' Rama was zich bewust van de waarheid die achter die woorden lag. Hij knikte instemmend, zeggend: 'Wij zullen doen wat u verlangt.'

Iedereen kreeg de boodschap zich vÛÛr zonsopgang gereed te maken voor de reis naar Mithala. Vishvamitra stond vroeg op en leidde de jongens naar de rivier voor de rituele wassing. Hij was overgelukkig in de gelegenheid te zijn om hun precies te vertellen hoe, in het verleden, al zijn pogingen tot het opdragen van yajna's door de demonen waren gedwarsboomd en hoe al zijn tegenmaatregelen hun doel hadden gemist. Hij uitte zijn dankbaarheid over de verdelging der demonen, omdat zo de veiligheid van de ashram en het omliggende gebied verzekerd was. Hij beschreef hun hoe opgelucht de bevolking nu was en dat zij van angst verlost voortaan in onverdeelde vrede en blijdschap kon leven.

Er heerste een weldadige stilte en rust op die plek aan de rivier. Zittend in het zachte zand vertelde Vishvamitra aan de twee broers, die hij dicht naar zich toe had getrokken, iets over de bijzondere kenmerken van de yajna die keizer Janaka van plan was te volvoeren en hoe groot het belang van deze plechtigheid was.

Tijdens het beschrijven van die ceremonie noemde Vishvamitra ook een kostbare boog die Janaka in zijn bezit had. Een boog die ongeëvenaarde kracht bezat en die schitterde in zeldzame pracht. Zij moesten die beslist zien, zo verklaarde hij. Hierop vroeg Rama hoe de boog bij Janaka terecht was gekomen. Vishvamitra antwoordde: 'Luister, mijn zoon! Vele jaren geleden volbracht de keizer van Mithila, Devaratha genaamd, een yajna die zo groots was, dat geen gewone sterveling het zou wagen een soortgelijke plechtigheid te houden; het was een yajna die een bijzonder heilzame, spirituele werking had en die de Goden zÛ welgevallig was, dat zij hem, als teken van waardering, deze goddelijke boog schonken. Het is de boog van Shiva. Iedere dag wordt hij door Janaka met gepaste rituelen vereerd. Janaka offert bloemen en sandelhoutpasta en zwaait met kamfervlammen en wierook te zijner ere. Hij zet eetwaren en fruit neer voor de goddelijke aanwezigheid in de boog, in eerbiedig huldebetoon. De boog is zÛ met Goddelijkheid geladen, dat niemand hem kan opheffen en spannen, of hij nu Godheid, demon, engel of geest is. Menige prins die poogde hem te spannen, wachtte een smadelijke teleurstelling. Rama! Jullie zijn waardige helden; je kunt hem rustig onderzoeken. Tijdens de komende yajna zal de boog hoogstwaarschijnlijk worden getoond, dus dat lijkt me een goede gelegenheid.' Vishvamitra beschreef vervolgens de wonderbaarlijke kracht van de boog. Lakshmana keek om zich heen alsof hij naar de richting zocht waarin Mithila lag. Onderwijl sprak Rama opgetogen: 'Absoluut! Die boog moeten wij zien. Wij zullen morgen met u meegaan.' Zijn woorden verheugden Vishvamitra zeer.

De duisternis viel in. Vishvamitra en de prinsen stonden op en begaven zich naar Siddashram. Vishvamitra riep alle ashrambewoners bijeen en gelastte hun zich bij het aanbreken van de dag gereed te maken voor de reis naar Mithila. Toen vroegen enkelen hem: 'Meester! Hoe kunnen de dagelijkse bezigheden, die volgens de vaste ashramregels moeten worden verricht, zonder onderbreking doorgang vinden als hier niemand achterblijft?' De wijze antwoordde: 'Als eenieder zijn taak blijft vervullen, waar hij zich ook bevindt, dan is dat op zichzelf de juiste inachtneming van de ashramregels. Er bestaat geen speciale ashramroutine als de bewoners afwezig zijn. Degenen die ondersteuning (ashraya) zoeken, zij zijn het die de ashram vormen. Zonder de ashrita's (zij die van deze steun afhankelijk zijn) zou er geen ashram zijn. Als de ashrita's bij mij zijn, waarom zou je je dan zorgen maken over het dagelijks leven in de ashram? De discipelen, zij die de gedragsregels moeten naleven, d·t zijn degenen voor wie gezorgd moet worden. Nu wij bovendien van de demonen geen enkel gevaar meer te duchten hebben, kan de ashram geen kwaad geschieden. De Schepper van alles en allen is onze ashrayam (toevlucht) en als we ons op Hem verlaten, zal Hij ons behoeden.' Vishvamitra, sprekend in deze vrij ongewone trant, vervolgde: 'Neem alles mee wat je nodig hebt voor je dagelijkse rituelen en ook alle gereedschap en vaatwerk uit de ashram; het is niet nodig hier iets achter te laten.'

 

Sommige leerling-discipelen vroegen: 'Meester! Hoelang duurt het eer wij hier weer terug zijn? Als u ons dat vertelt kunnen wij zoveel bijeen zoeken als wij voor die periode nodig hebben; waarom zouden wij onszelf belasten met meer dan het allernoodzakelijkste?'

Vishvamitra antwoordde: 'De tijd is geen dienaar van het lichaam; het lichaam is de dienaar van de tijd. Daarom kan men nooit zeggen wanneer! Zal ik hier terugkeren of niet? Niets is zeker!' Toen zij dat hoorden, waren alle bewoners tot in het diepst van hun ziel geschokt. Zij lieten van schrik alles uit hun handen vallen. Zij waren met stomheid geslagen en wisten niet hoe zij moesten reageren. Protesteren konden zij niet, noch hadden zij de moed om de meester vragen te stellen. Dus bonden zij kusa-gras, gewijde stokjes voor het offervuur en ceremoniële schalen en gietlepels bijeen, zoveel zij konden dragen. De betekenis van Vishvamitra's woorden was een mysterie, daarom legde ieder ze op zijn eigen wijze uit.

De nacht vergleed en de dag brak aan. Allen waren gereed; toen men de deuren achter zich sloot en men ze wilde vergrendelen, sprak Vishvamitra: 'Doe de deuren niet op slot! Laat ze open! De ashram is niet van ons; hij moet te allen tijde toegankelijk zijn voor iedereen. Vandaag zijn de banden tussen ons en deze ashram verbroken. Moge van nu af aan uw geluk bloeien, gij beschermgoden van deze streek! Ik heb mijn streven met succes bekroond gezien; aanvaard daarvoor mijn dankbare waardering. Ge zult niet meer worden lastig gevallen door demonische horden; nu kunt ge in vrede leven, met een rijk nageslacht, in voorspoed en geluk. Ik verlaat voorgoed de Siddhashram en doe er afstand van. Ik heb besloten mij te vestigen in de omgeving van het Himalaya-gebergte, ten noorden van de heilige rivier de Ganges.' Vishvamitra wierp zich ter aarde ten teken van eerbied voor de Goden van het woud.

Toen ging hij op weg, samen met Rama en Lakshmana en de oudere monniken van de Siddashram. De bewoners van de hermitage beseften dat hun plaats bij Vishvamitra was, waar deze zich ook bevond, en niet langer in het woud, of in de hutten waar zij al die jaren gewoond hadden. Zij gevoelden dat ook voor hen het Himalaya-gebied een passende omgeving zou zijn, daarom betuigden ook zij hun dankbaarheid en eerbied aan de Goden, zeiden de strohutten vaarwel en volgden Vishvamitra en de anderen.

Terwijl zij in noordelijke richting voortgingen, zagen zij achter zich hoe duizenden herten, pauwen en andere vogels en wilde dieren uit het oerwoud hun spoor volgden, rennend met geheven staart, gedreven door smachtend verlangen. Vishvamitra stond stil en zich naar hen toekerend, sprak hij: '0, bewoners van het oerwoud! De plaatsen waar ik naar toe ga bieden geen geschikt leefklimaat en zijn voor jullie niet veilig. Dit woud is jullie natuurlijke omgeving. Wees niet treurig om dit afscheid en volg ons niet, maar blijf waar je bent. God zal je vrede en vreugde schenken.' Ook de dieren zei hij vaarwel, aleer hij de reis hervatte.

Een dag lang reizen bracht hen aan de oevers van de rivier de Sona, waar zij noodgedwongen de nacht moesten doorbrengen. Zij namen een bad in de rivier en volbrachten de rituele wassing voor de avond. Daarna schaarden allen zich om de meester, verlangend om zijn verhalen te horen. Rama vroeg: 'Meester, dit gebied komt mij rijk en welvarend voor; ik zou gaarne de naam en de geschiedenis ervan vernemen.' Vishvamitra antwoordde: 'Rama! Brahma had een zoon, door niets dan zijn heilige wil geschapen. Deze zoon, Kusa genaamd, was een groot asceet die standvastig en strikt zijn geloften nakwam, die zich heldhaftig in het spirituele avontuur begaf en zeer onderlegd was in de zedenleer. Hij huwde de dochter van de edele heerser van Vidarbha. Het paar was zich ten volle bewust van de vier levensdoelen van de mens: rechtschapenheid, voorspoed, vervulling van verlangens en bevrijding (dharma, artha, kama, moksha). Zij kregen vier zonen: Kusamba, Kusanabha, Adhurtharajaka en Vasu. Allen waren even rijk aan deugden als hun vader en bezaten in hoge mate de edele eigenschappen van de kaste der krijgslieden, zoals rechtschapenheid en integriteit. 

Kusa verdeelde de wereld in vier delen en wees elk van hen een deel toe, met deze opdracht: 'Zonen! Heers over het deel dat je is toegewezen en vaar wel!' De zonen namen daarop hun nieuwe taken ter hand en handelden naar hun vaders bevel. Ieder van hen begon met het bouwen van een hoofdstad voor zijn koninkrijk - Kusamba bouwde Kausambi, Kusanabha bouwde Mahodaya, Adhurtharajaka's stad werd genaamd Dharmaranya en die van Vasu heette Girivraja. Rama! Dit gebied behoort tot Vasu's koninkrijk. Rondom liggen vijf heuvels, daarom is deze stad Girivraja genoemd, hetgeen 'verzameling van heuvels' betekent. Deze voorspoed-brengende rivier de Sona staat ook bekend als de Sumagadhi, vandaar dat deze streek Magadha genoemd is. De Magadhi stroomt hier van het oosten naar het westen en slingert als een guirlande van jasmijn door de bergvalleien. Dankzij Vasu's macht en majesteit heeft het land aan weerszijden van deze rivier zoveel regen ontvangen dat het altijd vruchtbaar is en zich mag verheugen in overvloed.

De tweede zoon, Kusanabha, was geheel doordesemd van dharma; zijn rechtschapenheid was onwrikbaar. Kusanabha had wel een aantal dochters, maar geen zoon. Hij leerde hun zich goed te gedragen, volgens de regels en leringen die zijn vastgelegd in de heilige Geschriften. Hij drukte hun op het hart dat verdraagzaamheid het grootste geschenk is dat men elkander kan geven. Het is de spirituele oefening die de meeste vruchten afwerpt, de deugd die meer dan enig andere de oprechtheid bevordert en zij is de kern van alle goede gedachten en daden. Hij leerde hun deze les reeds in de dagen dat zij nog aan de moederborst dronken. Later werden zij allen uitgehuwelijkt aan de heerser van de stad Kampilya, genaamd Brahmadatta. Toen zijn dochters naar die stad vertrokken waren, werd zijn huis leeg en vreugdeloos.

"Ach", klaagde hij, "dit huis, dat eens zo vol licht en leven was, dat weergalmde van kwinkslagen en gelach, is nu in duisternis en in stilte gehuld en van een doffe droefgeestigheid. Hoeveel dochters ouders ook hebben, eens moeten zij hun huis verlaten, waardoor dit alle kleur en glans verliest. Had ik maar een zoon, dan was mij deze ellende bespaard gebleven." Zo bleef het vurig verlangen naar een zoon aan Kusanabha knagen.

Juist toen hij in deze stemming was, kwam zijn vader, Kusa, op bezoek. Deze vroeg waarom hij er zo treurig en bekommerd uitzag. Kusanabha stortte zijn gemoed bij zijn vader uit en maakte hem deelgenoot van zijn zorgen. Kusa berispte hem, omdat hij bezorgd was zonder geldige reden; hij zegende hem en sprak de belofte uit dat hij spoedig een zoon zou krijgen. Aldus geschiedde; de zoon die geboren werd, kreeg de naam Gadhi. Hij groeide op tot een zeer gelovige, deugdzame prins. Aangezien hij een nakomeling van Kusa was, werd hij meestal Kousika genoemd.

Zijn zusters verloren na enige tijd hun echtgenoot en zoals het gehoorzame vrouwen betaamt, offerden zij zich en bereikten de hemel. Zij werden wedergeboren in het Himalaya-gebergte, als heilige rivieren die samenvloeiden en zo de beroemde rivier de Kousiki vormden. Kousika was zeer aan Sathyavati, zijn oudste zuster, gehecht, daarom koos hij de oever van deze rivier tot verblijfplaats en vestigde zich in de Siddha-ashram. Daar droeg hij de yajna op waartoe hij had besloten; hij verrichtte alle ceremoniën nauwgezet en gewetensvol.

Rama! Dankzij jouw onmetelijke heldhaftigheid heb ik de yajna waartoe ik zo vastbesloten was, met succes kunnen volbrengen. Je moed heeft vruchten afgeworpen, want mijn strenge geloften zijn nu vervuld.'

Toen de monniken die zich om de wijze geschaard hadden dit hoorden, riepen zij uit: '0, hoe heerlijk! Wij zijn waarlijk gezegend dat we mochten luisteren naar de geschiedenis der eerbiedwaardige voorvaderen van onze meester! 0, wat een bron van vreugde is dit verhaal! Het nakomelingschap van Kusa is voorwaar geheiligd. Wat zijn wij fortuinlijk dat wij deze unieke kans krijgen om de wijze Vishvamitra te dienen, hij die de zichtbare belichaming is van al wat dit geslacht vertegenwoordigt. Het kan niet anders of dit is onze beloning voor verdiensten uit vele vorige levens.'

Vishvamitra onderbrak hen en sprak: 'Ik zou bij dit alles niet zo uitvoerig hebben stilgestaan, ware het niet, Rama, dat je vragen mij tot antwoorden noopten; ik treed niet in details over dit lichaam en zijn voorgeschiedenis. Het is reeds nacht, laten we ons ter ruste begeven. Als we nog later gaan slapen, zijn we morgen wellicht niet voldoende uitgerust voor de reis. Rama! Kijk! De maan gluurt door de takken van gindse boom om je even te zien! Zij zendt haar koele stralen naar beneden om de aarde te verfrissen die zo lang de hete zonnestralen heeft moeten verduren.' Die nacht waren aller gedachten nog eens bij de verhalen over de voorvaderen van de meester.

Zij ontwaakten vroeg in de ochtend en baadden zich. Na tevens de dagelijkse rituelen te hebben volbracht, waren zij gereed om de reis te vervolgen. Zij naderden tot Vishvamitra en wierpen zich aan zijn voeten. Toen stelden zij zich achter elkaar op terzijde van Vishvamitra en wachtten op zijn bevelen. Rama sprak: 'Meester! De rivier de Sona is hier niet diep. Het water is helder en wij kunnen naar de overkant waden. We hebben geen boot nodig.' Vishvamitra antwoordde: 'Zoon! Je bent hier vreemd en weet dus niet precies waar de rivier doorwaadbaar is. Ik zal voorop gaan; volgen jullie mij maar.' De wijze begaf zich in de rivierbedding en liep naar de oever aan gene zijde. Iedereen droeg zijn bundel op de schouder. Zij vorderden slechts langzaam en het was reeds middag toen zij de rivier de Jahnavi bereikten.

De zachte roep van zwanen, papegaaien en andere vogels aan haar oevers vertelde hun dat zij de rivier naderden. Ieders hart raakte in vervoering bij de aanblik van de betoverende schoonheid van het landschap. Zij baadden zich in de zuivere, heldere stroom en, daar zij zich bewust waren van de heilige geschiedenis der rivier, brachten zij offeranden aan hun voorvaderen en hun Goden. Zij ontstaken het heilige vuur en brachten rituele offers zoals die in de Shastra's zijn voorgeschreven. Toen plukten zij de eetbare vruchten van de omringende bomen en na hiermee hun honger gestild te hebben, laafden zij zich aan het kostelijke water van de Jahnavi.

Rama en Lakshmana liepen naar de boom toe waaronder Vishvamitra in de schaduw rustte en zetten zich eerbiedig naast hem neer. Rama vroeg: 'Meester! Waarom wordt er van de Ganges gezegd dat zij vloeit als drie stromen in de drie werelden? Hoe bereikt de Ganges de oceaan, die de Heer is van alle rivieren, groot en klein, in heel de wereld? Wees zo goed mij dat te vertellen, dat zou mij vreugd doen!' Vishvamitra antwoordde: 'Zoon! Het Himalaya-gebergte is de basis van deze gehele wereld: van alle dieren en alle gewassen is dat gebergte het oorspronkelijk tehuis. Het heeft twee dochters, Ganga en Uma, van wie Ganga de oudste is. Zij worden beiden door de ganse wereld aanbeden. De Goden verlangden dat Ganga aan hen gegeven zou worden, opdat zij in voorspoed zouden leven. Dus schonk Himavat, de Godheid van de Himalaya, Ganga aan de Goden om zich van hun zegeningen te verzekeren en de drie werelden heil te brengen.

De jongste dochter, Uma, gaf zich over aan een leven van uiterst strenge ascese. Zij onderwierp zich geheel aan zware spirituele oefeningen; zij werd gedreven door een volkomen onthechting aan alle aardse verlangens. Dus trachtte Himavat haar in de wereld een echtgenoot te bezorgen; ondanks zijn onverdroten inspanningen slaagde hij daar lange tijd niet in. Tenslotte wist hij Rudra (Shiva) te overreden en deze was bereid haar te huwen. Zo kwam het dat ook zij het recht verwierf om door de drie werelden te worden aanbeden.

De Ganges die je voor je ziet is de Ganga die de Goden hebben meegebracht, die naar de aarde afgedaald is en drie niveaus heeft: èèn in de hemel, èèn op de aarde en de derde onder de aarde.'

Zo reisde de wijze Vishvamitra naar de stad Mithila, met Rama en Lakshmana, benevens enkele van zijn discipelen; hij vergastte hen de ganse dag en zelfs tot diep in de nacht op levendige verhalen over zijn eigen voorgeschiedenis, over de historische gebeurtenissen met betrekking tot de plaatsen waar ze doorheen trokken en van de verschillende dynastieën die heersten over de gebieden die zij doorkruisten. Die avond zat Vishvamitra, na de rituele wassing, aan de oever van de Ganges. 

Rama herinnerde hem eraan dat ze graag meer wilden weten over de oorsprong van deze heilige stroom. Vishvamitra gaf ten antwoord: 'Ramachandra! Dat de Ganges nedergedaald is naar de aarde danken wij aan jouw voorvaderen. Ten gevolge van hun goede daden kunnen thans de volkeren der aarde zich louteren door te baden in de heilige wateren en er de ochtend- en avondrituelen en wassing in te volbrengen. De Ganges kent als stroming van goddelijke zuiverheid haar gelijke niet. Haar goddelijke wateren kunnen de mens onsterfelijkheid verlenen. Eens waren de verwarde lokken op Shiva's hoofd haar verblijfplaats. Daarom is zij zeer goedgunstig; zij verleent al wat heilzaam is.' Horend hoe Vishvamitra de rivier prees in dergelijke superlatieven, vroeg Ramachandra: 'Hoe zijn mijn voorouders erin geslaagd om een rivier met zoveel wonderbaarlijke kracht en zuiverheid naar de aarde te leiden? Als u ons haar geschiedenis zou kunnen verhalen, zou ons dat grote vreugde bereiden.'

Toen Vishvamitra dit verzoek hoorde, dat met zo grote nederigheid werd gedaan, sprak hij: 'Rama! Luister! In lang vervlogen tijden werd Ayodhya geregeerd door keizer Sagara. Deze was een rechtvaardig heerser en een dappere held. De koning van Vidarbha, bekoord door Sagara's kwaliteiten van hoofd en hart, gaf hem zijn geliefde dochter Kesini ten huwelijk. Ook zij volgde strikt de wetten van dharma en nimmer week zij af van het pad der waarheid.

Toen het paar echter na verloop van vele jaren nog niet met nageslacht gezegend was, nam Sagara, met Kesini's instemming, de bekoorlijke dochter van Arishtanemi, Sumathi geheten, tot zijn tweede echtgenote. Ook zij bleek onvruchtbaar te zijn en daarom besloot de koning de rest van zijn leven in ascese door te brengen. Hij begaf zich naar de oever van een rivier waaraan de wijze Bhrigu zijn ashram had en samen met zijn twee vrouwen gaf hij zich geheel over aan de uiterst strenge leefwijze van de kluizenaars.

 

Aldus verstreken vele jaren. Op zekere dag verscheen bij zonsopgang de wijze Bhrigu, die een onwrikbare handhaver der waarheid was, aan Sagara en sprak: "0 koning! Maak toch een eind aan deze foltering van uw lichaam, aan deze ascese. U zult ongekende roem vergaren in deze wereld. Het zal niet lang duren of u zult gezegend worden met een zoon!" Zodra hem deze woorden van mededogen en genade ter ore kwamen, opende Sagara de ogen en hij zag de wijze voor zich staan. Hij wierp zich terstond aan Bhrigu's voeten en beduidde zijn vrouwen dat eveneens te doen. Hij smeekte de wijze hem zijn zegen te willen geven.

De oudste koningin, Kesini, boog diep het hoofd en viel aan zijn voeten neer, terwijl haar lippen spontaan het ene loflied na het andere voortbrachten. Bhrigu vroeg haar: "Moeder! Wenst u zich èèn zoon, opdat de draad der continuïteit niet verbroken worde, of verlangt u naar een groot aantal zonen, die begiftigd zullen zijn met grote lichaamskracht en enorme moed, die wijd en zijd roem oogsten?" Zij antwoordde dat zij met èèn zoon tevreden zou zijn en bad dat haar wens mocht worden ingewilligd. Bhrigu nam haar bede aan en sprak hierover zijn zegen uit.

Toen de tweede koningin, Sumathi, zich voor hem ter aarde wierp, stelde Bhrigu haar dezelfde vraag. Zij verlangde vurig naar een groot aantal sterke, moedige en gevierde zonen, dus willigde de wijze haar wens in en sprak de zegen uit dat deze zou worden vervuld.

Opgetogen door de zegeningen van de wijze Bhrigu, keerde Sagara vergezeld door zijn vrouwen, naar zijn hoofdstad terug. Hun gedachten werden geheel en al in beslag genomen door de zegen die zij hadden ontvangen en zo maakten zij een gelukkige tijd door. Binnen enkele maanden waren beide koninginnen in blijde verwachting. Toen de negen maanden verstreken waren, beviel Kesini van èèn zoon, terwijl Sumathi vele zonen ter wereld bracht.

De tijd verstreek snel en al spoedig stoeiden en speelden de zonen naar hartelust met hun leeftijdgenootjes. Later gingen zij ook buiten het paleis op zoek naar speelkameraadjes. De zoon van Kesini, Ashvamanja genaamd, nam zijn speelmakkers mee naar het strand van de rivier de Sarayu; hij schepte er behagen in de kinderen in de rivier te gooien. Als ze dan verdronken lachte hij met onverholen vrolijkheid! Weldra stond hij bekend als de grootste misdadiger in het koninkrijk!

Tegen hun twintigste jaar koos Sagara voor elk van zijn zonen een geschikte bruid van koninklijken bloede uit en regelde hun huwelijken. Ashvamanja volhardde echter in zijn goddeloze gedrag en de inwoners van Ayodhya werden verscheurd door verdriet door zijn onverbeterlijke boosaardigheid. Op zekere dag wendden zij zich tot Sagara en onder luid geweeklaag brachten zij hem de gruweldaden van zijn oudste zoon onder het oog. Hierop gelastte de koning Ashvamanja's onmiddellijke verwijdering uit de stad en zijn verbanning naar het woud. Ashvamanja was inmiddels vader van een zoon. Dus moest hij, behalve zijn ouders, ook vrouw en kind achterlaten.

Er gingen jaren voorbij. Ashvamanja's zoon, Amsumanta, groeide op en verwierf wereldvermaardheid als beminnelijk, deugdzaam en moedig man. Eens besloot Sagara om het grootse 'offer van het paard' (ashvamedha) te volvoeren en stelde een gunstig tijdstip vast voor de aanvang der riten.' Op dit punt van zijn vertelling gekomen, werd Vishvamitra onderbroken door Rama's vraag: "Meester! Werd het offer van het paard in Ayodhya volvoerd, of koos Sagara een of andere heilige rivieroever voor dit doel?' Vishvamitra glimlachte en antwoordde: 'Rama! Ik besef hoe serieus je alle offerceremoniën neemt en hoe eerbiedig je houding is ten opzichte van wijze mannen! Omdat je dat wenst, zal ik je alle bijzonderheden van de ashvamedha beschrijven. Luister! Tegenover het Himalaya-gebergte ligt op enige afstand een heilige bergketen, de Vindhya-keten genaamd. Het tussenliggende gebied is heilige grond voor alle yajna's en yaga's. Het was daar dat het offer van het paard werd volvoerd. Deskundigen in het voordragen van vedische gezangen kwamen er bijeen en de bergen weergalmden van de luide en zuivere voordracht van de voorgeschreven rituele formules (mantra's). De unieke ceremonie werd door duizenden mensen met diepe vreugde gadegeslagen. Toen werd het fraai opgetuigde paard binnengeleid en aanbeden. Later mocht het vrij rondlopen. Het was een symbolische handeling die de aspiratie van hun vorst moest verbeelden om het vrijheidsstreven van zijn onderdanen tegen te gaan. Daarom volgde Amsumanta het dier op de voet, met zijn leger, dat volledig was uitgerust om alle onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden. Nadat het ongehinderd door het gehele gebied had gelopen werd het paard teruggeleid. Het juiste ogenblik waarop, volgens de orthodox-vedische traditie, het offer moest worden gebracht, kwam naderbij en men wilde het dier binnenbrengen.

Maar het paard was in geen velden of wegen te bekennen! Er staat geschreven dat het verloren gaan van het offerdier en het ontbreken ervan op het gunstige tijdstip een slecht voorteken is voor degenen die het initiatief tot de yajna hebben genomen! Daarom was Sagara natuurlijk zeer van streek; hij zond de talrijke zonen van zijn tweede vrouw gewapend en wel erop uit om het paard te zoeken en het naar het offeraltaar terug te brengen. De zonen vroegen zowel de Goden als de demonen om bijstand en zochten overal. Zij groeven zelfs in de aarde om te zien of het paard daar beneden soms door de dieven verborgen was. Maar zij moesten onverrichterzake terugkeren.

Sagara ontstak in grote woede over het mislukken van de opdracht: "Wat voor nut heeft dit talrijke nageslacht als je me niets dan je onmacht hebt te melden? Wat sta je hier voor mij met door schande verduisterde gezichten? Ga heen en kom mij niet onder ogen aleer je het paard gevonden hebt."

De zonen reageerden geschrokken op deze boze woorden; zij trokken opnieuw de wereld in, vastbesloten geen enkele plek over te slaan op hun zoektocht. Bergen, heuvels, meren, rivieren, grotten, steden en dorpen, wouden en woestijnen - waarom de lijst nog langer gemaakt; iedere meter grond werd uitgekamd. Terwijl zij aldus voortgingen, stuitten zij plots op een kluizenaar, die in diepe meditatie verzonken was. En daar, vlakbij hem, ontwaarden zij het paard, dat rustig liep te grazen!

Zij werden overweldigd door grote vreugde toen zij het paard zagen, maar ook door boosheid toen hun oog op de kluizenaar viel. Zij werden heen en weer geslingerd tussen deze twee tegenstrijdige gevoelens. Door hun onbedwingbare emotie raakten zij buiten zichzelf. Zij verloren hun gezonde verstand en werden innerlijk hard als steen. Zij schreeuwden de kluizenaar toe: "Gemene bruut! Je hebt ons paard gestolen en in je achtertuin verborgen!" De wijze Kapila opende langzaam de ogen en keek om zich heen. Hij was omringd door Sagara's zonen, die beledigingen over zijn hoofd uitstortten; enkelen van hen stonden zelfs op het punt hem een geduchte aframmeling te geven.

Kapila besefte dat woorden en argumenten tegen deze vechtersbazen niets zouden uitrichten en hij besloot hen anders aan te pakken. Door slechts zijn blik op hen te werpen, verbrandde hij hen tot as. Sagara, die hevig verontrust was door de ongewone vertraging die tijdens de offerceremonie ging ontstaan, doordat zijn zonen niet teruggekomen waren, verkeerde in grote opgewondenheid. Hoe kon hij nu de plechtigheid afbreken nu deze reeds halverwege gevorderd was? Hoe kon hij doorgaan en het offer tot een goed einde brengen? Ziende hoe het zijn grootvader te moede was, wierp Amsumanta zich aan diens voeten en bood aan naar het paard en naar zijn ooms op zoek te gaan en hem te laten weten wat er gebeurd was; zijn grootvader hoefde hem slechts die opdracht te geven en hij zou gaan. Sagara zegende Amsumanta en zond hem heen. Dag en nacht ging Amsumanta voort op zijn speurtocht, tot hij er tenslotte in slaagde het paard te vinden. Ook vond hij aanwijzingen dat er van zijn ooms niets dan een hoopje as was overgebleven! Hij deed zijn uiterste best om voor de overledenen de dodenriten te volbrengen, maar zag geen enkele bron, waterreservoir, meer of rivier, waarin hij de voorgeschreven offeranden voor de doden kon neerlaten. Diepbedroefd liep hij door, totdat een eerbiedwaardige oude man zijn pad kruiste. Deze sprak tot hem: "Laat je niet meeslepen door je verdriet, mijn zoon! Het is de wijze Kapila die je ooms tot as verbrand heeft; deze heeft daarmee ook het welzijn van de wereld voor ogen gehad! Stel je niet tevreden met het voldoen aan rituele verplichtingen in aardse wateren. Neem daarvoor het heilige water van de hemelse Ganges. Haal de Ganges naar beneden, naar de aarde toe en laat dat heilige water over de as stromen. Dan zullen de zielen der afgestorvenen verlost worden. Maar neem eerst het paard mee en voer de offerplechtigheid tot haar glorieuze einde. Daarna kun je je bezinnen op de wijze waarop je het beste de hemelse Ganges naar de aarde kunt brengen." Amsumanta wierp zich aan de voeten van de kluizenaar en spoedde zich toen naar zijn grootvader. De yajna was inmiddels opgeschort wegens het ontbreken van het offerdier.

Door angstige spanning uit de slaap gehouden, had Sagara dag en nacht gewacht op de komst van het paard. Toen het paard dan ook teruggebracht werd, waren hij en de ritvij's (de vedische geleerden die als priester fungeerden; priesters die zich hebben toegelegd op rituele tradities) vervuld van grote vreugde. Het leek Amsumanta niet gepast te gewagen van het voortijdig einde van zijn ooms door Kapila's vloek, zolang de geestelijke plechtigheid nog voortduurde. Dus wachtte hij tot de slotceremonie beëindigd was en priesters en gasten hun deel van de votiefgeschenken hadden ontvangen.

Toen beschreef Amsumanta nauwkeurig wat er met zijn ooms gebeurd was en spoorde zijn grootouders aan om de hemelse Ganges, die van ongeëvenaarde heiligheid is, naar de plaats te laten neerdalen waar de stoffelijke resten lagen. Sagara was zeer verheugd over Amsumanta's voorstel. Hij gaf zich over aan allerlei verstervingen en rituele ceremoniën die, volgens de oude wijzen, de Ganges ertoe zouden bewegen hem de gewenste gunst te verlenen. Al zijn inspanningen waren echter vergeefs. Zijn gezondheid ging van dag tot dag achteruit door het verdriet om de dood zijner zonen en doordat zijn pogingen om hen van een goede toekomst te verzekeren hadden gefaald. Tenslotte wierp hij zijn lichaam af en stierf als een teleurgesteld man.

Rama! De ministers hebben toen Amsumanta gekroond, in overeenstemming met de wil van het volk. Amsumanta regeerde over het koninkrijk zonder de geringste feilen of tekortkomingen, want hij was een man van grote morele en spirituele kracht. Hij koesterde zijn onderdanen als waren het zijn eigen kinderen. Toen de ouderdom hem bekroop, gaf hij de kroon over aan Dilipa, zijn zoon, en trok het Himalaya-gebergte in om zich aan de streng-ascetische leefwijze te houden, die hij zichzelf vrijwillig oplegde. Zelfverwerkelijking was niet zijn enige doel; hij streefde er tevens naar de Ganga naar de aarde te laten afdalen, opdat zijn gestorven ooms zouden worden verlost. Doch ook Amsumanta moest zijn lichaam prijsgeven aleer deze wens in vervulling was gegaan.

Dilipa koesterde dezelfde wens, want hij wist hoezeer zijn vader en grootvader hadden verlangd naar de verwezenlijking van hun ideaal: het naar de aarde voeren van de Ganga! Hij ondernam allerlei pogingen. Op aanraden van diverse wijzen volvoerde hij menig geheim offerritueel. Het verdriet om de onbereikbaarheid van dit hoogste familie-ideaal begon aan hem te knagen, en ondermijnde zijn gezondheid. Voelend hoe zijn lichaamskracht en zijn mentale uithoudingsvermogen afnamen, plaatste hij zijn zoon Bhagiratha op de troon; aan hem vertrouwde hij de opdracht toe die zijn eigen krachten te boven was gegaan: het naar de aarde brengen van de Ganga. Spoedig daarop verliet ook Dilipa de wereld.

Bhagirata, die straalde van spirituele grootsheid, zwoer dat hij de taak zou volbrengen die zijn vader hem had  opgedragen. Ofschoon het regeren over zijn rijk hem grote voldoening schonk, was hij bedroefd dat hij geen kinderen had die het geslacht zouden voortzetten. Dit gemis en ook zijn verheven opdracht om de Ganges te doen neerdalen, noopten hem de teugels van het bewind aan zijn ministers over te dragen en zich terug te trekken in de stilte van de befaamde Gokarna Kshetra (het heilige berggebied van Gokarna). Daar stond hij, dag in dag uit, in strenge boetedoening; hij verduurde de hitte van de zon en nam slechts eenmaal per maand voedsel tot zich! Toen God zich tenslotte liet vermurwen door Bhagiratha's ascese, verscheen Hij voor hem en sprak: "Zoon! Bhagirata! Vraag om elke gunst die je maar wilt en zij zal je verleend worden."

Bhagirata ontving het visioen van de Ene die schittert als duizend zonnen. Overweldigd door dankbaarheid en devotie wierp hij zich ter aarde. Hij bad: "Heer! Doe de hemelse Ganges naar de aarde stromen, opdat mijn voorouders verlost mogen worden uit de hel en tot de hemel mogen terugkeren. En zegen mij met kinderen, opdat het keizerlijk geslacht van Ikshvaku niet, uitsterve met mij als laatste telg, doch laat het voortbestaan in voorspoed." Hij hield de voeten van de Heer omklemd, terwijl hij zijn smeekbede tot Hem richtte.

De Heer antwoordde: "Zoon! Je eerste wens is zeer moeilijk te vervullen. Ik zal je die gunst niettemin verlenen. En wat het keizerlijk geslacht betreft: Ja, je zult een edele zoon krijgen en je dynastie zal in stand blijven en bloeien. Sta op!" Bhagirata stond op en de Heer vervolgde: "Bhagirata! De Ganges is een gezwollen en snelvlietende stroom; als zij rechtstreeks uit de hemel viel, zou de aarde deze stortvloed niet kunnen verwerken. Dus moet je, als heerser der aarde, over dat probleem nadenken en overwegen hoe dit vreselijk onheil kan worden afgewend. Als de Ganges zich op de aarde stortte, dan zou dat rampzalige gevolgen hebben. Je moet dus bewerkstelligen dat de rivier eerst over Shiva's hoofd stroomt, om de eerste schok op te vangen; vandaar kan het water met verminderde vaart naar de aarde geleid worden. Dat is, gezien het belang der aardebewoners, de beste weg. Denk hier goed over na." Na deze woorden verdween de Heer.

Vanaf dat ogenblik onderwierp Bhagirata zich aan de discipline die vereist was om Shiva gunstig te stemmen. Tenslotte wist hij Shiva ertoe te bewegen de Ganges uit de hemel op zijn hoofd op te vangen. En zo geschiedde het dat de Ganges op Shiva neerdaalde en vanaf zijn hoofd stroomde in zeven afzonderlijke rivieren - de Hladini, Nalini en Pavani naar het oosten, de Subhikshu, Sitha en Sindhu in westelijke richting en de zevende rivier in het spoor van Bhagirata, naar de plek waar de as van zijn overgrootvaders lag, wachtend om uit de hel verlost te worden. [Zie ook: Srîmad Bhâgavatam, Canto 5, Hoofdstuk 15: Hoe de Ganges naar beneden komt] 

Zij stroomde langs de route die Bhagirata nam en overal waar zij kwam, vonden de mensen baat bij de heilige rivier en zuiverden zij zich. Zij werden verlost van de gevolgen hunner zonden door de reinigende werking van de hemelse Ganges. Ook de overgrootvaders werden verlost door haar gewijde water en doordat nu voor hen de dodenriten konden worden uitgevoerd aan de oever van deze drievoudig geheiligde rivier.

Omdat door Bhagirata's toedoen de Ganges naar de aarde was gekomen, kreeg de rivier de naam Bhagirati. Zodra de ceremoniën voor de geesten der afgestorvenen waren beëindigd, keerde Bhagirata terug naar Ayodhya. In het gelukkige besef dat hij, door goddelijke genade, de vurigste wens van zijn vader en grootvader had mogen verwezenlijken, regeerde hij nog vele jaren over het keizerrijk en ontving hij de spontane huldeblijken van zijn tevreden onderdanen. Tenslotte verliet ook hij zijn lichaam.

 

Hoofdstuk 7b: Het veroveren van Sita

Rama en Lakshmana waren èèn en al aandacht toen Vishvamitra de geschiedenis van hun voorvaderen vertelde; de twee broers raakten in vervoering bij het relaas van hun lotgevallen. Het was echter intussen middernacht geworden en de wijze stelde voor dat zij zouden gaan slapen. Dus bogen zij ten afscheid diep voor hun leermeester en legden zich ter ruste in het mulle zand van de rivierbedding. Rama en Lakshmana konden de slaap niet vatten; zij waren louter uit gehoorzaamheid aan hun meester gaan liggen en niet omdat zij er behoefte aan hadden om uit te rusten! In gedachten zagen zij die wonderbaarlijke gebeurtenis voor zich: het neerdalen van de Ganges uit de hemel naar de aarde. Tot zij merkten dat de morgen al was aangebroken! Zij verrichtten de rituele wassing en andere ochtendrituelen in de rivier en maakten zich gereed om verder te reizen. Zodra enkele jonge discipelen aankondigden dat de veerboot reeds lag te wachten, begaven allen zich erheen, namen hun plaatsen in en staken de heilige rivier over. Zij bereikten de noordelijke oever, vanwaar zij hun reis vervolgden, vol bewondering voor het fraaie boslandschap waardoor hun weg voerde.

Na een eind gelopen te hebben, ontwaarden zij een grote stad, vol prachtige gebouwen. Rama wendde zich tot Vishvamitra en vroeg hem: 'Meester! Vanuit dit schitterende woud kunnen wij een enorm grote stad zien liggen. Tot welk koninkrijk behoort die stad?' De wijze antwoordde: 'Rama! Het lijkt zo dichtbij, maar in werkelijkheid duurt het nog uren eer wij daar zijn! Misschien komen we er vanavond aan. Als we er eenmaal zijn, zal ik je de ontstaansgeschiedenis en de verdere wetenswaardigheden van die stad vertellen. Laat ons nu onze weg vervolgen.' Rama hoorde deze woorden aan en zag hoe Vishvamitra ze uitsprak met een glinstering in zijn ogen en een glimlach om zijn mond; hij begreep deze aanwijzing en liep verder zonder nog iets te zeggen.  

Tijdens de afdaling naar de vallei konden zij geen spoor ontdekken van enige stad of woonplaats, doch zodra zij weer uit het dal klommen, konden zij de stad heel dichtbij zien liggen! Niettemin bleek het onmogelijk haar te bereiken, ofschoon de avond nabij was. Zoals Vishvamitra reeds eerder had gezegd, was de stad nog ver weg! Toen de duisternis inviel, onderbraken zij hun tocht; zij baadden zich en verrichtten het in de Shastra's voorgeschreven avondritueel. Aleer zij zich ter ruste begaven, kwam Rama weer terug op de vraag die hij al eerder had gesteld. 'Meester! Wilt u zo goed zijn om ons over de stad te vertellen?' Daarop antwoordde Vishvamitra: 'Rama! Ik dacht er zojuist zelf ook aan! Ofschoon ik weet dat jij ieders gedachten kent, wordt dit feit toch verhuld door de sluier van maya die ons de schijn voor werkelijkheid doet houden, en worden wij misleid. We kunnen niet allen meester zijn over onze gedachten. Wanneer het voor mensen zoals ik al onmogelijk is om onze gedachten te beheersen, hoeven we niet verder uit te weiden over het lot van de gewone sterveling. Op hetzelfde ogenblik dat mij te binnen schoot dat jij had vergeten mij over de geschiedenis van de stad te vragen, vroeg je mij erom! Hoe zou ik een beter bewijs kunnen verlangen van je alwetendheid?

Er leefde, Rama, in de oudheid een man, Kasyapa geheten, die twee vrouwen had, Aditi (onbegrensd) en Diti (begrensd). Diti's zonen waren begiftigd met grote fysieke kracht en Aditi's zonen met grote morele macht. Met iedere dag werden zij sterker en machtiger. Het gaf hun ouders grote vreugde hen zo voorspoedig te zien opgroeien.

Op zekere dag kwamen de zonen van Diti en Aditi bijeen en hielden een gedachtenwisseling over de wijze waarop zij het oud-worden zouden kunnen vermijden. Uiteindelijk kwamen zij tot de conclusie dat de amrita - nectar - die wordt verkregen door het karnen van de 'oceaan van melk', de lichamelijke ellende van ziekte, seniele aftakeling en dood zou kunnen voorkomen. Kort daarop zetten zij zich aan deze taak. De berg Mandara (mandara - vast geloof in de eenheid van de schepping) werd van zijn plaats gelicht en in de oceaan geplaatst om als karnstok te dienen; zij kozen de slang Vasuki om als touw dienst te doen; zij wonden haar om de stok om die zodoende sneller te kunnen ronddraaien. Toen het karnen maar bleef doorgaan, begon Vasuki haar gif te spuwen. Zij was zo razend van de pijn, dat haar giftanden tegen de harde rots van de berg sloegen. De gifdamp raasde als een reusachtig vuur over de oceaan!

De zonen van Diti en Aditi werden doodsbang; zij vreesden tot as te zullen verbranden in die helse vuurzee! Zij baden tot de Heer om hulp. Toen God Vishnu voor hen verscheen, smeekten Diti's zonen op meelijwekkende toon: "Heer! Red ons! Maak een einde aan deze verschrikkelijke ramp." De Heer veranderde in Shiva en sprak: "Geliefden! Ik ben de oudste der Goden en heb er daarom recht op als eerste de resultaten van dit karnproces in ontvangst te nemen." Met deze woorden dronk Hij onmiddellijk in èèn teug het halahala-vergif op dat zoveel paniek had veroorzaakt.

Hierna gingen de zonen van Diti en Aditi voort met het karnen van de oceaan. Nu dreigde er echter een nieuwe rampspoed: de berg Mandara begon te zinken! Opnieuw riepen zij de God Vishnu aan. Deze verscheen wederom en stelde hen gerust: "Lieve kinderen, heb maar geen angst!" De Heer nam de gedaante van een schildpad aan, schoot onder de berg en nam deze op zijn rug. Hij hield hem veilig op zijn harde schild tot het karnen afgelopen was. Kasyapa's zonen waren intens dankbaar en gelukkig. Zij prezen de Heer uitbundig.

Ui de 'oceaan van melk' verrees een God die een stok (danda) en een waterkan (kamandalu) in zijn handen hield! Zijn naam was Dhanvantari. Nauwelijks hadden Diti's en Aditi's zonen Hem aanschouwd, of er kwam 'rasa' uit de oceaan naar boven, een dik, zoet sap, dat zich tot een bal vormde die groter en groter werd en vervolgens openbarstte. Daaruit kwam een groep jonge maagden te voorschijn. Daar zij uit rasa geboren waren, werden zij apsara's genoemd. Zij trachtten op allerlei manieren de zonen van Diti en Aditi over te halen om hen te huwen; doch hoe zij ook baden en smeekten, al hun pogingen waren vergeefs; dus bleven wij ongehuwd en leidden een vrij en wisselvallig bestaan. Toen verrees Varuni, dochter van de watergod Varuna, uit de golven; zij had een kelk gevuld met bedwelmende drank bij zich. Diti's zonen weigerden er ook maar een druppel van te nemen, maar Aditi's zonen dronken de kelk met lange teugen leeg. Degenen die de wijn (sura) afsloegen, werden asura's genoemd en zij die ervan hadden gedronken sura's.

Ten langen leste ontstond uit die 'oceaan van melk' de amrita-godendrank. Wie moesten deze nectar drinken? Deze vraag gaf aanleiding tot een hevig conflict tussen de zonen van Diti en Aditi. In de felle strijd die daarop ontbrandde, begonnen Aditi's zonen die van Diti te doden. Het gevecht dreigde uit te lopen op een vernietigingsslag. De aarde beefde onder het wapengeweld van die strijd. Vrees en bezorgdheid verspreidden zich als donkere wolken over de wereld. Plotseling verscheen Vishnu voor de strijdende partijen als een betoverende jonge vrouw, die aller harten stal en hun gedachten afleidde van het gevecht waarin zij verwikkeld waren. Zij kwamen allen onder haar bekoring, doch gedurende haar verschijning verdween de kostbare amrita! Alle zonen van Diti waren omgekomen. Hun moeder was ontroostbaar. Kasyapa slaagde er niet in haar tot rede te brengen. Zijn pogingen haar de voorbijgaande aard der dingen te doen inzien, waren vergeefs; zij liet zich niet overtuigen. Zij jammerde luidkeels en klaagde hartverscheurend, als was het einde van de wereld gekomen.

Eindelijk kwam Diti weer tot zichzelf; zij ging naar Kasyapa toe en haar zielenpijn diep in zich verbergend sprak zij: "Heer! Is dit rechtvaardig? Aditi en ik hadden beiden kinderen van u. Nu heb ik al mijn kinderen verloren. Is dat nu eerlijk? Moet ik nu eeuwig in verdriet verzonken blijven? Niet èèn van mijn zoons is nog in leven. Eèn zoon die lang leeft ware te verkiezen boven velen die slechts kort leven, nietwaar?" Toen zij aldus haar lot beweende, troostte Kasyapa haar en stelde haar voor tapas te beoefenen (strenge ascese die de Goden gunstig moet stemmen), opdat zij een zoon mocht krijgen die lang zou leven. Hij raadde haar aan haar smart te laten varen, daar deze nimmer zou kunnen leiden tot de bevrediging van haar verlangen. Bemoedigd en gezegend door Kasyapa, vertrok zij onmiddellijk en begon aan haar spirituele oefeningen (tapas) met het vaste voornemen de gunst der Goden te verwerven en een zoon te krijgen die de koning der Goden, Indra zelf, zou kunnen verslaan!

Kasyapa waarschuwde haar: "Tapas is geen gemakkelijke discipline. Men moet tot het einde toe zuiver blijven; men moet alle voorgeschreven geloften en vastenperioden in acht nemen, zonder daarop enige inbreuk te doen. Slechts dan vermag men de Goden te behagen en hun gunst te verkrijgen."

Diti bereikte het gebied dat bekend staat als Kusaplava en gaf zich over aan een uiterst streng-ascetische levenswijze. Indra, die wist welk doel zij beoogde, besloot haar op de proef te stellen en bezocht haar, in de gedaante van haar dienaar. Diti's gebed werd verhoord: zij werd zwanger door goddelijke goedertierenheid. Dagen, weken, maanden gingen voorbij en Indra was aan haar zijde als haar bediende! Op zekere dag werd zij, in de hitte van het middaguur, door slaap overmand; zij lag op haar bed met de haren los en met haar hoofd aan het voeteneinde. Dit druiste in tegen de strenge regels van ceremoniële reinheid, waaraan zij zich met volharding had te houden. Nu zag Indra zijn kans schoon; Hij merkte dat zij in een houding lag die afweek van en in strijd was met de voorschriften van de Shastra's. Daarom strafte Hij haar, door de vrucht in haar schoot in stukken te doen breken. De brokstukken in haar schoot begonnen te schreien om de afgebroken ledematen en lichaamsdelen; de dienaar, Indra, sprak zachtjes tegen hen: 'Ma rudra' - niet huilen. Diti kreeg hevige bloedingen; zij beweende haar lot en schreide hartverscheurend.

Indra stond voor haar met de handpalmen tegen elkaar en verklaarde zich aldus: "Moeder, vergeef mij. U handelde in strijd met de regels van ceremoniële zuiverheid en verbrak zodoende uw gelofte. Uw haar was niet opgebonden maar hing los en u lag op het bed met uw hoofd daar waar de voeten horen te liggen. Door zo te liggen slapen, ontheiligde u uw tapas. Als de vijand, die op een goede gelegenheid wacht om uw levensgeluk te verstoren, zijn kans schoon ziet, zou hij die dan niet benutten? Ik ben lndra, in de gedaante van uw dienaar. U hebt om een zoon gebeden, die mij zou moeten doden, nietwaar? Het was de bedoeling dat de foetus die nu in uw schoot is mij later zou ombrengen en daarom heb ik de kans aangegrepen om mijn tegenstander voor te zijn. Ik heb daarbij geen laakbare methode gebruikt. U weet dat een strikte naleving van uw gelofte van fundamenteel belang was voor het welslagen van uw plan; u moet er voor zorgen de voorschriften niet te schenden. De foetus is in zeven stukken gebroken, die ik heb toegesproken met de woorden 'Ma rudra'. Daarom zullen zij ter wereld komen als de zeven goddelijke Maruta's - windgoden; deze gunst zij u hierbij verleend." Zo sprak Indra en Hij keerde naar de hemel terug.

Rama! Dit is de plaats waar de dialoog plaatsvond tussen Indra en Diti en waar zij tot deze overeenkomst kwamen. Hier schonk Alamba Devi lkshvaku een zoon, Visala geheten, naar wie dit koninkrijk is genoemd. Visala kreeg een zoon, Hemachandra, de machtige. Deze verwekte Subhadra, die Dumraswa tot zoon kreeg, wiens zoon was genaamd Srnjaya. Srnjaya's zoon was Sahadeva.

Sahadeva was zeer rijk en welvarend; hij was een toonbeeld van deugdzaamheid en rechtschapenheid; hij was een waardig heerser die vele jaren over zijn koninkrijk regeerde. Zijn zoon Lomadatta was de vader van Kakustha; deze heldhaftige vorst werd gezegend met een zoon, Sumathi, die eveneens een zeer oprecht en deugdzaam heerser zou worden. Hij evenaart de Goden in zuiverheid en heiligheid. Rama! Vandaag zullen wij deze stad Visala binnengaan en er de nacht doorbrengen. Morgen zullen wij de stad van keizer Janaka bereiken.'

Allen waren gelukkig toen zij dit hoorden. Het nieuws van Vishvamitra's komst werd door boodschappers aan Sumathi overgebracht; deze ging snel met zijn gevolg van hovelingen,  ministers, geleerden en priesters de wijze tegemoet, hopend dat Vishvamitra naar de stad zou komen en het koninklijk paleis door zijn bezoek zou heiligen.

 

Vishvamitra was verheugd over Sumathi's nederigheid en eerbied. Hij informeerde vriendelijk naar diens welzijn en naar zijn koninkrijk. Zij waren reeds enige tijd in gesprek over aangelegenheden betreffende het koninkrijk en het vorstenhuis toen Sumathi's oog viel op Rama en Lakshmana. Hij was zo bekoord door hun charme en hun waardige houding, dat hij Vishvamitra vroeg wie deze 'leeuwenwelpen' waren. Vishvamitra antwoordde: 'Sumathi! Dat is een lang verhaal; ik heb nu geen tijd om dat te vertellen. Zodra wij in het paleis zijn, zal ik u de hele geschiedenis onthullen.' Toen zei Vishvamitra de monniken en asceten die hem vergezelden, benevens Rama en Lakshmana, dat zij naar de stad Visala moesten gaan; hijzelf stond ook op en begaf zich op weg, samen met Sumathi, die onderwijl voortdurend met hem sprak over regeringsaangelegenheden. Bij de stadspoort aangekomen, kwamen de klanken van muziek en zang hun tegemoet; brahmanen reciteerden welkomstgezangen en heilwensen uit de heilige Geschriften.

Na het bijwonen van de feestelijke ontvangst, hun door de koning van Visala bereid, gaf Vishvamitra aan het gezelschap van koninklijke familieleden, priesters en geleerden een levendige beschrijving van zijn eigen siddhashram en de yajna die hij daar verricht had; ook schilderde hij de heldhaftige wijze waarop Rama en Lakshmana de wacht hadden gehouden, teneinde de offerplaats te verdedigen tegen plunderende demonen. Allen die het relaas aanhoorden over de bijzondere vermogens en de moed der prinsen waren vervuld van ontzag en mateloze gelukzaligheid. Zij zagen de prinsen vol bewondering aan en wisten dat deze de wedergeboren Nara-Narayana waren. Overweldigd door gevoelens van eerbied wierpen zij zich voor de prinsen ter aarde.

Aangezien het reeds laat was, knielden Rama en Lakshmana voor Vishvamitra en na daartoe diens toestemming te hebben gevraagd, begaven zij zich naar het huis dat speciaal voor hun overnachting in gereedheid was gebracht. Nog vÛÛr zonsopgang stonden zij op, baadden zich, verrichtten de ochtendrituelen en kwamen bij hun meester, om tijdig de reis te kunnen vervolgen. Zij betuigden hun dankbaarheid aan koning Sumathi en begonnen de tocht naar Mithila.

Sumathi vergezelde hen een eindweegs en nam toen afscheid van de wijze en enkele anderen. Vishvamitra liep voort met zijn discipelen en de prinsen; tegen het middaguur kwamen zij bij een uitgestrekt park. Het had er alle schijn van dat in het park, vele jaren geleden, verscheidene kluizenaarsverblijven hadden gestaan, doch deze waren ingestort. Ook zag men nog de overblijfselen van altaren, die eens met liefdevolle zorg werden onderhouden, en plaatsen waar eens offervuren werden ontstoken. Rama voelde duidelijk dat het een plek was die door asceten en wijzen geheiligd was en maakte Vishvamitra deelgenoot van deze veronderstelling. Vishvamitra glimlachte en sprak: 'Rama! Dat heb je goed gezien! Daar ben ik zeer verheugd over. Ik zal je vertellen waarom de edele persoon die hier woonde, zijn verblijfplaats verliet en wegtrok. Luister!

Zelfs de Goden waren ingenomen met deze ashram; eens was het de verblijfplaats van Gautama Maharshi, die er vele jaren met zijn vrouw Ahalya gewoond heeft. Hij onderwierp zich met vreugde aan de strengste ascese en verrichtte menige uitgebreide yajna. Dit park ademde de sfeer van spirituele grootsheid; het straalde vrede en vreugde uit. Voor de mensen hier was iedere dag een heilige dag. Ahalya, Gautama's echtgenote, was een buitengewoon deugdzame vrouw, van ongeëvenaarde schoonheid. Er was niemand die met haar kon wedijveren in uiterlijke schoonheid en charme; daarom verloor Gautama haar nimmer uit het oog en beschermde hij haar met grote waakzaamheid. Op zekere dag kwam, tijdens Gautama's afwezigheid, Indra, de koning der Goden, de ashram binnen. Hij had de gedaante van Gautama aangenomen! De zedige echtgenote zag Hem voor haar heer aan en diende Hem met toewijding en eerbied. Doch de echte Gautama kwam binnen en meende te ontdekken dat zij ontrouw was. Hij herkende Indra, ondanks diens vermomming, en ontstak in grote woede. "Booswicht", schreeuwde hij; doch Indra was plotseling verdwenen.

In zijn toorn keerde Gautama zich tegen Ahalya en brulde: "Zo, dus jij hebt je voorgenomen deze ashram te gronde te richten door je over te geven aan onzedelijk gedrag? Ik zal hier geen minuut langer blijven. Ik kan je aanblik niet verdragen. Kruip maar ergens in het struikgewas en leef van de lucht als een geest, zonder eten of drinken. Ik ga." Gautama haatte de plek, nu die door haar bedrog ontheiligd was.

Ahalya schreide hartverscheurend en verklaarde dat zij onschuldig was aan enige zonde, dat de vermomming haar had misleid en zij slechts werd bewogen door eerbied jegens haar heer; dat zij zich had laten meeslepen door haar gevoelens van loyaliteit aan haar echtgenoot. Zij hield zijn voeten vast en smeekte om genade. Gautama ontdooide enigszins door haar aanhoudende smeekbeden en de ware toedracht werd hem duidelijk. Doch eens gesproken woorden kunnen niet herroepen worden, dus sprak hij: "Ahalya! Je weet dat ik heb gezworen nimmer te handelen in strijd met een eenmaal gesproken woord. Je zult daarom in het struikgewas moeten verblijven in droefheid en zonder voedsel, totdat Rama, Dasharatha's zoon, deze kant op komt. Als Hij je ziet zal Hij je overvloedig zijn genade schenken, je toestaan zijn voeten aan te raken, en je met diep mededogen toespreken. De darshan, sparshan en sambarshan - het zien, aanraken en horen van de Heer - zullen je schoonwassen en je zult weer stralen in je ware gedaante en in al je bekoorlijkheid. Dan zal ik mij weer bij je voegen." Hierop verliet Gautama deze plaats en spoedde hij zich  naar het Himalaya-gebergte. Vanaf dat ogenblik verloor Ahalya haar naam en haar gewone uiterlijk; zij leeft sindsdien van de lucht en is geheel in boetedoening verzonken, vol verlangen naar de hereniging met haar heer. Dit eens zo prachtige park is nu in verval geraakt.'

 

Toen Vishvamitra dit verhaal vertelde, toonde Ramachandra zich uiterst verbaasd: 'Wat zegt u mij nu, wacht Ahalya op mij? Arm schepsel! Als u mij kunt zeggen waar ze is, in boetedoening verdiept, ... zeg het mij.' Rama liep voort, op enige afstand gevolgd door Vishvamitra en Lakshmana. Hij baande zich een weg door dicht struikgewas en kwam bij een hut, achter doornstruiken verscholen. Rama trad de hut binnen; tot dat ogenblik was Ahalya verdiept in ascese, ver uit het gezicht van Goden, demonen en mensen; zij had haar naam vergeten en haar gedaante verloren; zij bekommerde zich niet om voedsel en slaap. De vloek van Gautama had haar in steen veranderd! Zij was als de maancirkel, verscholen achter de wolken, of als het offervuur, door dikke rookwolken aan het oog onttrokken! Toen Rama naderbij kwam, raakte hij met zijn voet Ahalya aan en bracht haar weer tot leven.

Ahalya hief het hoofd op en toen zij de goddelijke, bekoorlijke gedaante van Rama aanschouwde, hield zij zijn voeten vast, in vervoering uitroepend: "0 God, U bent gekomen om mij van de zonde te verlossen! Eindelijk is uw hart bewogen." Zij toonde haar dankbaarheid in een stroom van lofzangen. Zij stond op, en zij was als de maan die van achter de wolken verschijnt, stralend en als herboren. Op dat ogenblik verscheen ook Gautama, die een meester was in de geheimen van de yoga en daardoor wist dat Rama gekomen was en zijn vrouw verlost had. Hij aanvaardde haar weer nu zij gezuiverd was door strenge boetedoening en gezegend door Rama. Man en vrouw wierpen zich ter aarde voor Rama en Lakshmana, die beiden overweldigd waren door de gelukzaligheid die hen beving. Gautama bewees hulde en eerbied aan Vishvamitra. De groep discipelen stond versteld van het wonder waarvan zij zojuist getuige waren geweest; zij staarden met grote ogen vol ontzag naar de twee broers. Vishvamitra nam afscheid van Gautama en vervolgde zijn weg in noordoostelijke richting, met Rama en Lakshmana aan zijn zijde.

Tegen de avond naderden zij een stad. Vishvamitra wees van verre reeds naar de stad en sprak: 'Dat is nu Mithila, die weidse ruimte vol schitterende gebouwen! ' Hierop dansten de broers samen met Vishvamitra's discipelen van vreugde, zo gelukkig waren zij. Vanaf dat ogenblik zetten zij, hun vermoeidheid vergetend, de pas erin en zij bereikten dan ook al spoedig de hoofdpoort van de stad.

Waar zij zich ook wendden of keerden, overal zagen zij asceten en brahmanen die verdiept waren in het reciteren van de Veda's. In vele huizen werd het offervuur gevoed met rituele offeranden. In de schaduw van elke boom zaten mensen geschaard rond de ossenwagens die hen van het platteland naar de stad gebracht hadden. Mannen, vrouwen, jong en oud, met kinderen en van iedere kaste en uit alle beroepen; op elke straathoek zag men mensen bijeen van elke leeftijd en levensfase. Het was alsof men werd meegevoerd in een stroom van vreugde. De stad was tot barstens toe gevuld met geestdriftige mensen die kriskras door de straten liepen. Vishvamitra en zijn volgelingen kwamen bij de oever van een waterreservoir, waar het wat minder druk was dan elders; zij moesten immers een plek vinden waar zij de nacht konden doorbrengen en wisten nog niet waar. Het was al bijna tijd voor de ceremoniële avondwassing, dus lieten zij hun eigendommen op de oever achter, namen hun bad en verrichtten de voorgeschreven rituelen.

Aangezien de yajna op handen was, mengden zich hovelingen en krijgslieden van het paleis onder de monniken die gestaag de stad bleven binnenstromen, om te weten te komen hoe zij heetten, bij welke goeroes en ashrams zij behoorden, wat hun spirituele status was en of zij speciaal voor de gelegenheid waren uitgenodigd. Keizer Janaka stond erop dat al deze informatie hem zo spoedig mogelijk doorgegeven zou worden.

Vishwamitra had inmiddels de avondrituelen verricht en zat nu aan de oever met zijn discipelen en Rama en Lakshmana, die er uitzagen als twee sterren uit de hemel die op de aarde waren nedergedaald. De wijze schilderde hun de gloriën van Mithila. Toen kwam er een koerier van het Hof naderbij, die hen op uiterst beleefde wijze aansprak en vroeg: 'Meester, wilt u mij vertellen wie u bent? Waar komt u vandaan? Wij zijn boodschappers van de keizer. Wij voeren slechts zijn bevelen uit en doen onze plicht. Als u ons uw naam zegt, kunnen we de keizer van uw komst verwittigen.'

De boodschapper spoedde zich direct naar het paleis en vertelde keizer Janaka dat de wijze Vishvamitra aangekomen was. De keizer trof voorbereidingen om de grote meester op passende wijze te ontvangen en zond de meest vooraanstaande brahmanen, priesters en schriftgeleerden van het hof, met hun leider Sathananda, naar de plek waar Vishvamitra zich bevond.

De afgevaardigden van het paleis naderden de oever, onder het reciteren van vedische welkomstgezangen en heilwensen. Vishvamitra besefte dat zij gekomen waren om hen allen bij de keizer te brengen. Hij beduidde Rama en Lakshmana zich gereed te maken om hem te vergezellen. Het gehele gezelschap maakte nu aanstalten om te gaan. Intussen bewees Sathananda, in overeenstemming met de vedische traditie, Vishvamitra alle eer die een groot meester toekomt. Hij wierp zich aan zijn voeten; hij bood hem door mantra's gewijde spijs en drank aan en deelde hem met voorbeeldige nederigheid mede dat hij en de anderen op last van de keizer gekomen waren om hem, Vishvamitra, en al degenen die bij hem waren, van ganser harte welkom te heten. Zij lieten een draagstoel achter om de bagage van het gezelschap te vervoeren en brachten de wijze en de anderen naar de stad, voorafgegaan door groepjes spelende muzikanten.

Zodra zij de weg naar het keizerlijk paleis op kwamen, trad keizer Janaka in eigen persoon hen tegemoet, in gezelschap van ministers, hovelingen en zijn naaste familie. Janaka wierp zich aan Vishvamitra's voeten en sprak: 'Heer! Vandaag wordt mijn grootste ideaal verwezenlijkt. Met uw komst heeft Mithila uitzonderlijke glorie verworven.' Daarop informeerde hij naar het welzijn van zijn wijze gast, naar zijn leerlingen en zijn discipelen. Zijn oog viel op de twee jongens, Rama en Lakshmana. Zij kwamen hem voor als het stralende zonlicht zelf. Even was hij sprakeloos en gedesoriënteerd. Met grote moeite hervond hij voldoende besef van zijn omgeving om aan Vishvamitra te vragen: 'Meester! Wie zijn deze jongens? Zij komen mij voor als de Ashvinideva's, (zij vertegenwoordigen hemel en aarde, zon en maan, ook wel dag en nacht; zij zijn eeuwig jong en schoon en weldoeners der mensheid) de Tweeling-Goden. Het lijkt wel of zij zojuist uit de hemel zijn neergedaald om mij hun genade te schenken. Zij bezitten de jeugdige, goddelijke bekoorlijkheid van die twee Goden. Of zijn zij wellicht de zon en de maan, die naar de aarde zijn gekomen? Hoe zijn deze jonge belichamingen van schoonheid hier terechtgekomen? Zijn zij meegelopen met de groep waarvan u de begeleider bent? Of hebben zij u hier in de omgeving ontmoet en zich bij u aangesloten?' Janaka overstelpte Vishvamitra met vragen, alsof hij hardop dacht en had vergeten waar hij was, of wat hij eigenlijk wilde weten.

Vishvamitra zag hoe het Janaka te moede was en kon een glimlach niet onderdrukken. Hij sprak: 'Zij zijn de zonen van keizer Dasharatha van Auodhya. Zij heten Rama en Lakshmana. De heldenmoed en de vaardigheden van deze jongens zijn verbazend en wonderbaarlijk.' De wijze wilde nog veel meer zeggen, maar besloot dat het beter was te wachten tot zij in hun gastenverblijf waren. Dus liepen zij door naar de verblijfplaats die voor Vishvamitra en zijn gevolg ingericht was.

Het was een aantrekkelijk, nieuw gebouwtje dat op een tempeltje leek, middenin een prachtige tuin; er waren smaakvolle versieringen aangebracht van groene takken en bloemslingers. Er  heerste diepe stilte; het was alsof de vrede er in zware stromen heen werd gevoerd, op de vleugels van hemelse genade. Het gebouwtje stond niet ver van het koninklijk paleis. Nadat Janaka Vishvamitra en de anderen had binnengelaten, wierp hij zich wederom aan de voeten van de wijze en sprak: 'Uw komst heeft mij onmetelijke kracht en vreugde geschonken. Ik ben ervan overtuigd dat ik dit geluk te danken heb aan mijn verdiensten in vele vorige levens. Ik zal u nu alleen laten. Volgens de ritvij's (priesters die zich hebben toegelegd op rituele tradities) duurt het nog twaalf dagen eer de yajna begint. Wees daarom zo goed om in de stad Mithila te blijven en mij uw zegen te geven.' Vishvamitra verzekerde hem geen bezwaar tegen zijn voorstel te hebben en nam alle ongerustheid daaromtrent bij Janaka weg. Rama en Lakshmana keken elkaar aan alsof ze zeggen wilden dat dit een tè lange tijd was om van huis weg te zijn!

Er werd voor gezorgd dat zij konden uitrusten en die nacht ongestoord konden slapen; zij werden vanuit het paleis van melk, fruit en andere behoeften voorzien. 'Morgenvroeg kom ik bij u voor darshan', sprak Janaka voor hij wegging. 'Het is ongepast u nog langer van uw rust af te houden, want u hebt een lange en vermoeiende tocht achter de rug.' Janaka keerde met de geleerden, priesters en asceten terug naar het paleis.  

Rama en Lakshmana spraken samen over de toewijding en nederigheid van Janaka en over de vrede en blijdschap die van zijn gezicht straalden. Zij zaten aan hun meesters zijde en nuttigden wat fruit en melk. Na daartoe zijn toestemming te hebben verkregen, trokken zij zich voor de nacht terug in hun eigen vertrekken.

Zij genoten een goede nachtrust. Toen het daglicht zich langzaam over de stad verspreidde, klonk van nabij de muziek van fluiten en trommels; brahmanen reciteerden vedische gezangen. Rama en Lakshmana stonden op, en nadat zij zich hadden gebaad en de ochtendrituelen hadden verricht, begaven zij zich naar hun meester. Vishvamitra gaf hun ieder een kom melk en sprak: 'Zonen! Janaka kan elk moment hier zijn. Ga ontbijten en maak je gereed.' Weldra keerden zij, samen met Vishvamitra's jongere leerlingen, naar hun eigen vertrekken terug en ontbeten met fruit en melk. Zij wasten hun handen en schaarden zich daarna stil en eerbiedig rond hun meester.

Inmiddels wist men dat keizer Janaka, vergezeld van de keizerlijke leermeester, in aantocht was voor het eerbetoon, want het blazen op trompetschelpen en de muziek van de traditionele negen instrumenten kondigden de naderende vorst aan. Eerst trad Janaka, die sandelpasta en rijstkorrels meebracht - symbolen van voorspoed -, de heilige verblijfplaats binnen, gevolgd door Sathananda en zijn entourage. Met vreugde, hem door dankbaarheid ingegeven, waste Janaka de voeten der wijze.

Nadat Janaka zich voor Vishvamitra ter aarde had geworpen, ging hij naast de hoge zetel staan, die voor de wijze op een podium was klaargezet. Op Vishvamitra's aanwijzingen nam Janaka plaats op zijn eigen zetel. Rama en Lakshmana zetten zich op het kleed dat rechts van hun meester op de vloer was gelegd. Janaka sprak: 'Vereerde meester! Wat zijn uw bevelen? Ik sta geheel tot uw dienst. Wees zo goed mij te zeggen wat uw bevelen zijn en ik zal ze opvolgen.' Janaka bracht in eerbiedige afwachting de handen bijeen. Vishvamitra glimlachte en sprak: 'Gisteravond had ik geen gelegenheid in detail te treden. Ik zal u thans de geschiedenis verhalen van deze prinsen, Rama en Lakshmana, aangezien u die zo graag wilde horen. Als het u nu niet schikt, vertel ik het verhaal wel een andere keer.' Janaka riep uit: 'Meester! Wat zou er nu belangrijker voor mij kunnen zijn dan de geestvervoering te ervaren die een gesprek met u mij kan geven? Dat ik deze kans krijg, kan niet anders dan de vrucht van eeuwenlange boetedoening zijn. Ik ben vervuld van ananda bij het vooruitzicht dat u mij over hen zult vertellen; ik beschouw dat als een groot geluk.'

Toen beschreef Vishvamitra alle gebeurtenissen die zich hadden voorgedaan; vanaf zijn komst aan Dasharatha's hof tot aan de yajna en de heldhaftige wijze waarop de jonge prinsen de wacht hadden gehouden en alle pogingen der demonen om de rituelen te ontwijden, hadden verijdeld. Hij beschreef de moed en de bekwaamheid der prinsen in hun strijd tegen de demonen en roemde hun prestaties. Tijdens zijn relaas welden er tranen van blijdschap en dankbaarheid op in Vishvamitra's ogen, die hij geregeld moest afwissen met een slip van zijn gewaad.

Terwijl hij Vishvamitra's woorden aanhoorde en zijn blik zich verzadigde aan de majesteit en de innemende schoonheid van de jongens, ervoer Janaka een opperste gelukzaligheid, gelijk aan de ananda die hij dikwijls ondervond in samadhi! Hij besefte dat de prinsen in werkelijkheid de belichaming waren van goddelijke heerlijkheid. Ofschoon hij menigmaal trachtte zijn blik af te wenden, dorstten zijn ogen slechts naar de aanblik van deze gezichten die bekoorlijk waren als lotusbloemen, een aanblik die hem overstelpte met het licht van Brahma zelf! Het kostte Janaka grote moeite zijn geestvervoering niet al te zeer te tonen; nederig en eerbiedig hield hij zijn blik op hen gevestigd. Geen moment dacht hij eraan dat hij keizer was en dat deze jongens de zonen waren van een andere keizer. Hij kon niet aan de indruk ontkomen dat zij uit de hemel waren nedergedaald naar de aarde; dat gevoel werd nog versterkt door het verslag van hun bovennatuurlijke verrichtingen. Janaka besefte dat zij zeldzame wezens waren, aan Godzelf gelijk; zij waren er immers in geslaagd een yajna tegen onheil te beschermen, die zelfs de grote Vishvamitra niet ongehinderd had kunnen volbrengen. Nochtans waren zij amper dertien jaar oud. Welk een wonder!, zei Janaka tot zichzelf.

Vishvamitra vatte de draad van zijn verhaal weer op bij het begin van de tocht naar Mithila. De historische achtergronden waarover de wijze onderweg de broers had verteld, werden nu ook aan Janaka uitgelegd. Toen de geschiedenis aan de orde kwam van de zuivering en bevrijding van Ahalya, de gade van de Wijze Gautama, in de nabijgelegen ashram, kon Sathananda zijn oren nauwelijks geloven. Hij riep uit: 'Wat zegt u? Is mijn  moeder van de vervloeking bevrijd? Hebben deze goddelijke wezens mijn moeder geheiligd en haar weer met mijn vader verenigd? 0! Zij moèten wel goddelijk zijn.' Terwijl de tranen van dankbaarheid en vreugde hem over de wangen stroomden, " werd hij zodanig door emoties overmand, dat hij als versteend was en zich niet meer kon bewegen. Vishvamitra keek aandachtig naar hem en sprak: 'Zoon! Wees niet zo overweldigd door de onbelangrijke gebeurtenissen die zich tot dusver hebben voorgedaan. Zij zijn niets vergeleken bij wat ons de komende dagen te wachten staat; de bovenmenselijke glorie van die gebeurtenissen zal iedereen verbijsteren en tot grote vervoering brengen. Ook uw ouders zullen dezer dagen in Mithila aankomen. U kunt dan uit hun mond het wonderbaarlijke verhaal over Rama en Lakshmana horen. Kom tot uzelf.'

Hierop sprak keizer Janaka: 'Meester! Hoe gelukkig mogen de ouders zich prijzen van zonen die zo met Goddelijkheid begiftigd zijn! 0! Wat een geluk valt mij te beurt, dat zij mijn huis hebben betreden, toen hun die gedachte werd ingegeven!' Hij wendde zich tot Rama en Lakshmana en richtte het woord tot hen: 'Lieve jonge mensen! Vergeef me, als de vertrekken die ik voor je in gereedheid heb laten brengen, nieti naar wens zijn, of niet geheel in overeenstemming met je status. Wanneer je dat wenst, zal ik onverwijld een passender verblijf in orde laten maken. Als je wilt, zal ikje laten rondleiden in de stad, aangezien je vreemd bent in Mithila; wat je ook nodig mocht hebben, aarzel niet erom te vragen; slechts dan zal ik gelukkig zijn.' Rama reageerde op deze woorden, die met voorbeeldige goedheid en ootmoed werden uitgesproken, op een wijze die blijk gaf van het respect dat hij Janaka wilde betonen.

Hij sprak: 'Maharadja! Wij zijn nog maar jongens. Er ontbreekt niets aan de voorzieningen die voor ons zijn getroffen. Wij zijn zeer tevreden. Doe toch wat ons betreft geen moeite om elders een verblijf in gereedheid te laten brengen, of anderszins meer voor ons te doen. Indien u echter een zo diepe genegenheid voor ons koestert, kunt u èèn wens van ons vervullen...' en zonder te zeggen wat deze wens inhield, keerde hij zich tot de meester, Vishvamitra. Deze sprak toen: 'Janaka! De tocht die deze prinsen op zich namen toen zij Ayodhya verlieten om met mij mee te gaan, was volbracht zodra de yajna waartoe ik had besloten eenmaal zonder enige ontwijding was volvoerd. Rama en Lakshmana smeekten toen om naar huis terug te mogen keren. Ik had intussen uw uitnodiging ontvangen om de yajna bij te wonen die u van zins was te verrichten; dus vroeg ik ook de jongens mij te vergezellen naar Mithila. Rama aarzelde toen of hij nog verder mee moest gaan en zodoende langer weg zou blijven dan zijn vader hem had toegestaan. Zijn vader had hem immers slechts afgevaardigd om de yajna in mijn ashram van onheil te vrijwaren. Ik vertelde hun echter over de vele goddelijke wapens die u bezit, en zij zijn natuurlijk zeer verlangend deze voorwerpen te zien en te hanteren. Ik beschreef hun de boog die u hier hebt, de Shiva-boog, die zij toch zeker gezien moeten hebben. Ik heb hun de geschiedenis van die boog verteld. Toen stemden zij in met mijn plan en vergezelden mij hierheen, vol verlangen de boog met eigen ogen te aanschouwen. Zij geven er niet om de stad te bezichtigen of bezienswaardigheden te bezoeken; pijlen, bogen en wapens die de rechtvaardigen beschermen en de goddelozen straffen - daarnaar gaan hun gedachten allereerst uit.' Janaka wist genoeg. Hij sprak: 'In dat geval zal ik ervoor zorgen dat de boog spoedig naar de yajna-hal gebracht wordt.' Hij gaf last de leermeester, Sathananda, te raadplegen omtrent een gunstig tijdstip voor het overbrengen van de boog.

Hoofdstuk 7c: Het veroveren van Sita

Zodra Janaka uitgesproken was, vroeg Rama hem: 'Maharadja! Als u ons vertelde hoe die goddelijke boog in uw bezit is gekomen, zou u ons zeer gelukkig maken.' Janaka ging gretig in op Rama's verzoek; met kennelijke vreugde sprak hij: 'Lievelingen. Zes generaties na Nimi, de grote voorvader van onze dynastie, regeerde keizer Devaratha over dit rijk. De Goden gaven de boog van Heer Shiva in bewaring in zijn paleis. Sedertdien is hij in ons bezit; aangezien het een wapen der Goden is, beweer ik dat het geen gewone boog is! Hij weegt duizenden tonnen! Niemand heeft hem tot nu toe rechtop kunnen houden. Want wie zou dat gewicht kunnen optillen? Ik heb in het verleden menigmaal getracht iemand te vinden die de boog kon spannen en hanteren, of die hem kan vasthouden om hem aan het volk te tonen. Ik heb menigeen de gelegenheid gegeven zijn krachten te beproeven, maar tot dusver is niemand geslaagd. Iedere koning of prins die een poging waagde, heeft gefaald en is vernederd naar zijn land teruggekeerd. Zij konden de boog niet spannen, of er zelfs maar enige beweging in krijgen. Op zekere dag, toen ik het veld aan het omploegen was, op een plek waar ik een yajna wilde verrichten, werd in de voor een pot zichtbaar. Toen ik de aarde verwijderde en erin keek, zag ik een lieftallig kind van het vrouwelijk geslacht. Aangezien de kleine tot ons kwam uit de voor (= sita), noemden wij haar Sita en voedden haar op als ons eigen kind. Op zekere dag, toen zij met haar kameraadjes aan het spelen was, rolde haar bal onder de langwerpige kist waarin zich de boog bevond; hoe harder men probeerde de bal terug te halen, met allerhande hulpmiddelen, hoe verder die onder de kist rolde. Maar ons kind, Sita, lachte om de verwarring van haar speelkameraadjes en van de paleiswachten. Met haar zachte handje duwde zij de kist opzij en pakte tot ieders verbijstering haar speelgoed weer op! Dit voorval kwam mij ter ore door mijn gemalinnen, die het weer gehoord hadden van de verblufte omstanders die er getuige van waren. Het was op die dag dat ik besloot Sita uit te huwelijken aan degene die zich harer waardig toont door deze boog te spannen. Vele prinsen hebben sindsdien gepoogd de boog op te heffen en te spannen, teneinde Sita te veroveren, doch hun allen wachtte een smadelijke nederlaag! Zij voelden zich gekwetst en in hun eer getast; zij beweerden dat ik hen opzettelijk vernederd had en in hun verbolgenheid en wanhoop sloten zij zich aaneen en vielen met hun samengevoegde legers deze stad aan. De belegering duurde een heel jaar. Dit had tot gevolg dat mijn gehele wapenvoorraad uitgeput raakte; het lot van de stad vervulde mij met zorg. Ik nam mijn toevlucht tot boetedoening, om de goddelijke genade te verwerven. Mijn versterving behaagde de Goden; zij zegenden mij door versterkingen te zenden van troepenmachten te voet en te paard, met olifanten en strijdwagens. Dat wil zeggen: ik kreeg hulp uit gebieden die achter de belegeringstroepen lagen; toen die troepen in de rug werden aangevallen, werden zij uiteengedreven. De boog heb ik tijdens die wraakoefeningen kunnen beschermen; ik verloor hem geen moment uit het oog. Zijn geheimzinnige kracht tart elke beschrijving.

Rama! Ramachandra! Ik zal je de vervulling van je wens niet onthouden; je hoeft het maar te zeggen en de boog zal naar de yajna-hal gebracht worden. Ik zal tevens aankondigen dat eenieder die een poging wil wagen om de boog op te tillen en te spannen, dat mag doen.' Toen Janaka sprak met zoveel gezag in zijn stem, keken Rama en Lakshmana elkander aan, maar zij zeiden niets, want zij wachtten de aanwijzingen af van de meester, door wie zij zich immer hadden laten leiden.

Daarop zei Vishvamitra - die wist hoever de vermogens en de kracht van de broers reikten - dat er geen bezwaar was tegen Janaka's plan en dat deze geen enkele hindernis had te duchten. Bovendien kondigde Janaka aan dat hij Sita ten huwelijk zou geven aan hem die de boog kon opheffen en spannen, want hij had gezworen dat Sita slechts de man mocht huwen die daartoe in staat was. Vishvamitra keurde ook dat voorstel goed.

Janaka nam afscheid van Vishvamitra en keerde terug naar het paleis. Hij zette zich aan zijn taak de boog naar de yajna-hal over te brengen. Er werd officieel afgekondigd dat de boog te bezichtigen was; alle bereikbare koningen en prinsen werden van de proclamatie op de hoogte gebracht. Een groep stoere Zwaargewichten duwde en trok uit alle macht om de achtwielige wagen waarop de boog stond binnen de omheining te krijgen, doch men kwam geen stap verder. Dus moesten er nog meer mannen van reusachtig postuur te hulp worden geroepen. Zij trokken aan de zware kettingen die aan de wagen bevestigd waren en duwden de wagen van achteren aan. Toen de boog eindelijk de gewijde ruimte werd binnengereden, reciteerden de priesters welkomstgezangen.

De nieuwe dag brak aan. De negen traditionele muziekinstrumenten lieten eendrachtig een triomflied klinken, dat oprees naar het hemelgewelf. Er werd luid op trompetschelpen geblazen. De belofte van die dag kwam tot uiting in zang en ritueel. Keizer Janaka betrad de afgezette ruimte, vergezeld van een groep priesters en dienaren die de benodigdheden droegen voor de rituele verering van de goddelijke boog. Reeds lang tevoren had de ruimte zich gevuld met koningen, prinsen, ministers, hovelingen, wijze mannen en vedische schriftgeleerden. Zodra Janaka binnentrad, stonden alle aanwezigen op om eer te bewijzen aan de heerser van het keizerrijk. De vedische geleerden reciteerden op luide toon gezangen die de Goden genade afsmeekten; in koor rezen hun stemmen ten hemel. Anderen reciteerden passages uit de Veda's. Alle overige aanwezigen waren zo vol verwachting, dat zij met wijdopen ogen vol ontzag toekeken.

Janaka liep eerbiedig om de wagen heen waarop de boog rustte en bewees hem hulde met bloemen, terwijl mantra's werden gereciteerd om hem gunstig te stemmen. Hij knielde voor de goddelijke boog en wendde zich daarop tot het voorname gezelschap. Hij sprak: 'Ootmoedige verering aan de wijzen! Ik heet allen die hier samengekomen zijn welkom! Zoals u weet, wordt deze goddelijke boog reeds vele jaren aanbeden. Hij is niet alleen door mijn voorvaderen, maar ook door vele andere vorsten vereerd. Het is bovendien alom bekend dat niemand tot dusverre de boog heeft kunnen opheffen, overeind houden of spannen - of hij nu God of demon is, yaksha, rakshasa, Garuda (Vishnu's rijdier) of Gandharva (Godheid die de geheimen des hemels en de goddelijke waarheid kent en openbaart), Kinnara (paardmens) of Mahoraga (slang). Allen die het gewaagd hebben, zijn vernederd weggegaan. Niettemin heb ik wederom besloten vandaag de boog naar deze gewijde plaats te brengen. Als er iemand onder u is die denkt de boog te kunnen opheffen en spannen, er een pijl op te kunnen zetten of het gewicht van de boog te kunnen houden, dan mag hij naar voren treden en zijn geluk beproeven; de boog ligt voor u gereed. Na deze woorden maakte Janaka een buiging voor de aanwezigen, met de handpalmen bijeen, en nam plaats op de leeuwentroon.

Vamitra wierp glimlachend een blik naar Rama. Rama liep snel naar de wagen toe en tilde met zijn linkerhand het ijzeren deksel op. Met zijn rechterhand hief hij onbekommerd en zonder enige inspanning de boog uit de kist! Terwijl hij de boog rechtop hield, keek hij om zich heen en zag alom de verbijsterde gezichten! De duizenden die van het wonder getuige waren - burgers, koningen en prinsen, wijzen en geleerden - hieven zulke luide toejuichingen aan, dat de hemel weergalmde van het gejubel! Toen spande Rama de sublieme boog! Het was kostelijk om te zien met hoeveel gemak hij een pijl opzette! Hij haalde de pees geheel naar achteren om de pijl af te schieten. Doch de boog brak!

Alle toeschouwers werden door het vreemde geluid van deze onverwachte explosie in angstige verwarring gebracht. Velen vielen in onmacht; sommigen schreeuwden van angst en enkelen vluchtten in paniek. De wijze mannen verlieten zich in hun gebeden op God. Waartoe nog verder uit te weiden? Alle aanwezigen, behalve Janaka, Vishvamitra en de broers Rama en Lakshmana, werden gegrepen door een onverklaarbare, hevige ontzetting.

Janaka verrees van zijn troon; hij wierp zich ter aarde voor Vishvamitra en sprak: 'Meester! Geen sterveling kan beweren sterker te zijn dan Rama; een zodanige kracht is niet van de aarde. Ik zal mijn belofte nakomen en Sita uithuwen aan hem die deze boog heeft opgeheven, gespannen en gebroken.'

Vishvamitra antwoordde: 'Janaka! Het zou het beste zijn als dit nieuws aan keizer Dasharatha werd overgebracht en als de gelukkige gebeurtenis werd gevierd in zijn aanwezigheid. Dit is mijn wens; Rama is zulk een plichtsgetrouwe zoon, dat hij niet in het huwelijk zal toestemmen, aleer hij daartoe Dasharatha's toestemming heeft verkregen.' Dus liet Janaka de brahmaanse hofpriesters bij zich ontbieden, tegelijk met enkele ministers. Hij zond hen bij het aanbreken van de dag op weg naar Ayodhya. Drie dagen en nachten spoedden zij zich voort, in wagens die door snelle paarden werden getrokken; zij bereikten Ayodhya in de ochtend van de vierde dag. Zij brachten hun wagens tot stilstand vlak voor de ingang van het keizerlijk paleis, zodat zij onverwijld hun nieuws aan de keizer konden overbrengen. Toen de paleiswachten naar hun naam vroegen en naar het doel van hun komst, verzochten de ministers hen om de keizer mede te delen dat zij uit Mithila waren gekomen om hem te spreken. Dasharatha werd ogenblikkelijk op de hoogte gebracht en Janaka's afgezanten werden daarop terstond het paleis binnengeroepen en bij de keizer toegelaten.

Ondanks zijn hoge leeftijd ging van Dasharatha's verschijning goddelijke kracht en luister uit, in de ogen van de brahmanen en ministers van Mithila die hem op zijn troon zagen. Bij het aanschouwen van dat stralende, eerbiedwaardige gelaat wierpen zij zich zonder aarzeling of terughoudendheid aan zijn voeten. Zij stonden op en spraken: 'Maharadja! Wij zijn boodschappers van keizer Janaka van Mithila. Hij heeft ons opdracht gegeven te informeren naar uw welzijn en naar dat van uw onderdanen. Wij zijn hierheen gezonden door Maharadja Janaka, met goedkeuring van de wijze Vishvamitra en met de instemming van de grote Sathananda, de geestelijk leidsman van het keizerlijk Hof, om u een belangrijke boodschap over te brengen.'

Een glimlach verhelderde Dasharatha's gelaat; zijn zelfverzekerdheid werd door deze woorden niet aan het wankelen gebracht. Hij werd getroffen door de nederigheid en de goede manieren der afgezanten uit Mithila. Hij sprak: 'O grootste onder de brahmanen! O ministers van het hof van Mithila! Het bestuur van het keizerrijk van Ayodhya kent geen onvolkomenheden. Rituelen als het vuuroffer (agnihotra) verlopen zonder hindernissen. Het geluk van al mijn onderdanen duurt onverminderd voort en er bevinden zich geen obstakels, van welke aard ook, op het pad van hun morele en spirituele ontwikkeling. Mijn onderdanen leven in voorspoed en zij gaan gestaag voorwaarts naar het hoogste doel. Het verheugt mij u dit te kunnen zeggen. Ik zou gaarne willen weten hoe het staat met de gezondheid en het welzijn van Janaka, de keizer van Mithila, en of in zijn rijk het verrichten van de religieuze riten, die zijn voorgeschreven in de Veda's, nog immer voortgaat. De boodschap die u hebt meegekregen, kunt u mij zonder enige terughoudendheid overbrengen. Ik verlang er vurig naar uw tijding te horen.'

Toen Dasharatha zo zachtmoedig en vriendelijk zijn toestemming gaf, gaven de ministers de brahmanen een teken dat zij mochten spreken. De opperpriester stond op van zijn zetel en sprak de boodschap aldus uit: 'Groot souverein heerser! Onze maharadja Janaka heeft gezworen dat hij zijn dochter Sita Devi slechts zal uithuwen aan iemand van zeer grote heldenmoed en kracht; u bent hier ongetwijfeld van op de hoogte. U weet wellicht ook dat vele prinsen hebben gepoogd hun dapperheid te bewijzen en dat zij in verslagenheid Mithila verlieten. Het was Gods wil dat uw twee zonen Rama en Lakshmana de wijze Vishvamitra vergezelden en vurig verlangden de grote yajna bij te wonen, die onze maharadja aan het volvoeren is. 

Zo geschiedde het dat uw oudste zoon, Rama, door zijn weergaloze heldenmoed Sita Devi veroverde! Maharadja! Wat moeten wij daarover zeggen? Hoe kan men zoiets beschrijven? Voor de ogen van het voorname gezelschap van wijzen, koningen en prinsen hief Rama, die het toppunt van heldhaftigheid bereikt heeft, de boog van Shiva, hield hem in het midden vast, hield hem vervolgens overeind en spande hem! Sterker nog: hij brak, als was het een spel, de onbedwingbare, heilige boog in tweeën! Aangezien Sita Devi zal worden uitgehuwelijkt aan hem die de boog van Shiva kan hanteren, hebben de wijzen die bijeengekomen waren, evenals onze maharadja, besloten om haar ten huwelijk te geven aan Rama.

Wij zijn naar u toegezonden om uw toestemming te vragen en te verkrijgen, om u te laten weten dat u van harte welkom zult zijn en u naar de stad Mithila uit te nodigen met uw familieleidsman Vasishtha, priesters, ministers, hovelingen, vrienden en verwanten, dienaren en volgelingen. Onze maharadja wenst het huwelijk van zijn dochter niet te vieren aleer hij uw darshan heeft ontvangen. Hij zond ons naar u toe om u hiervan op de hoogte te brengen.'

De priesters en ministers stonden met gevouwen handen eerbiedig te wachten op het antwoord van Dasharatha. Doch voordat Dasharatha ook maar een woord uitte, overwoog hij zeer zorgvuldig zijn antwoord en raadpleegde hij de wijzen Vasishtha, Vamadeva en anderen. Bovendien nodigde hij de meest vooraanstaande brahmanen van het Hof uit. Toen allen aanwezig waren, verzocht Dasharatha hen om commentaar. Doch eerst wierp hij zich aan Vasishtha's voeten en bad om diens goedkeuring. Vasishtha, Vamadeva en anderen reageerden met blijde uitroepen: 'Dit voorspelt alle goeds! Zeer veelbelovend!' Zij vroegen: 'Waarom zouden wij hier nog over moeten nadenken? Laten we ons gereedmaken voor de reis naar Mithila!'

De ministers dansten van blijdschap; het nieuws van Rama's aanstaande huwelijk verspreidde zich als een lopend vuurtje door de gehele stad en drong door tot de binnenvertrekken van het paleis, waar Dasharatha's gemalinnen  verbleven. In hun opgetogenheid lieten de burgers luide vreugdekreten van ' Jai, Jai' horen. Dienaren maakten snel alles in gereedheid voor de reis. Juwelen, kostbare zijden stoffen en andere geschenken werden in grote hoeveelheid en verscheidenheid ingepakt en op talloze reiswagens geladen.

De keizer en het keizerlijke escorte, Vasishta, geestelijk leidsman van het Hof, de hoofdpriesters en andere brahmanen en geleerden bestegen de triomfwagens en namen hun plaats in. Het was alsof heel Ayodhya op weg was naar Mithila, om getuige te kunnen zijn van het huwelijk. Voor al degenen die mee wilden gaan, trof Dasharatha de nodige voorzieningen. Niemand die graag mee wilde, hoefde achter te blijven! De paarden leken wel te delen in de vreugde die de harten vervulde van de inzittenden der wagens, want zij liepen in snelle draf, zonder ook maar een moment hun vaart te verminderen of tekenen van vermoeidheid te tonen. Zij waren twee dagen en nachten onderweg en bereikten Mithila de derde nacht.

Maharadja Janaka verwelkomde keizer Dasharatha reeds aan de hoofdpoort van de stad. Hij ontving de ministers, wijzen en priesters in overeenstemming met hun rang en stand. Hij zorgde ervoor dat zij zich ter ruste konden begeven in de hun toegewezen verblijven. Zodra de dag aanbrak ontbood Dasharatha de ritvij's (priesters die zich toegelegd hebben op de rituele traditie), de vorstinnen en de familieleden en maakte hen erop attent dat zij beschikbaar moesten zijn zodra hun aanwezigheid verlangd werd. Intussen was Janaka aangekomen bij het huis waar Dasharatha verbleef; hij nam hem mede naar het omheinde veld waar men de yajna aan het verrichten was. Er waren zitplaatsen gereserveerd voor de leermeesters en de keizer en zijn gevolg, ieder naar zijn maatschappelijke positie en zijn moreel gezag. Toen allen hun plaatsen hadden ingenomen, begroette Janaka Dasharatha met de woorden: 'Uw komst naar Mithila, samen met deze grote wijzen en vooraanstaande brahmanen, met uw familie en uw gevolg, is voor ons de voorbode van een hoogst-gelukkige lotsbeschikking. Het duidt op de beloning van onze goede daden in vorige levens. Ik weet zeker dat uw hart vervuld is van grote vreugde over de heldhaftigheid en de overwinning van uw zoon. Ik sta op het punt een verbintenis aan te gaan met de grote Raghu-dynastie, die met luister omgeven is door de mateloze heldenmoed van haar telgen. Door deze familiebanden zal mijn vorstenhuis meer dan ooit geheiligd worden. Ik geloof stellig dat dit het gevolg is van de zegen die mijn voorvaderen, over mij uitgestort hebben. Maharadja! De yajna die wij hebben verricht zal vanmorgen worden beëindigd. Ik heb overwogen de huwelijksvoltrekking tussen Sita en Rama te laten plaatsvinden na afloop van de yajna. Ik smeek u hierin toe te stemmen.' 

Dasharatha werd met gelukzaligheid vervuld en een blijde glimlach verhelderde zijn gelaat. Hij sprak: 'Maharadja! U bent de gever; er is ons geleerd dat een geschenk ontvangen dient te worden naar het goeddunken en genoegen van de gever. Dus ben ik alleen bereid het geschenk te aanvaarden wanneer het u welgevallig is.' Door Dasharatha's gevatte en wijze antwoord, gegeven met zoveel hartverwarmende genegenheid, werd Janaka overmand door de gevoelens van gelukzaligheid die in hem opwelden.

Op dat moment betraden Rama en Lakshmana de omheinde ruimte, samen met de wijze Vishvamitra; de broers wierpen zich ter aarde voor hun vader en hun leermeesters - Vasishtha, Vamadeva en anderen. Dasharatha's ogen straalden van blijdschap toen hij de zonen weerzag die hij zolang had gemist. Hij trok de jongens naar zich toe, legde zijn handen op hun schouders en drukte hen aan zijn borst. Toen de brahmanen en ministers de gelukzaligheid van de vader zagen, terwijl deze zijn zonen liefkoosde, vergaten zij alles om zich heen, in het besef van Dasharatha's innige genegenheid. Zij waren een en al bewondering.

Dasharatha sprak vertrouwelijk met zijn zonen en luisterde naar hun ontwapenend eenvoudig verslag van de yajna die zij hadden behoed voor ontwijding door demonische krachten; zij vertelden hem over al wat was voorgevallen tijdens de reis van Vishvamitra's ashram naar de stad Mithila. Hun relaas werd tevens aangehoord door Vasishtha, Vamadeva en andere wijze mannen en bovendien door Bharata en Shatrughna, Sumantra en vele ministers, hovelingen en edelen. De hele avond werd besteed aan deze samenvatting van alle wonderen en wonderbaarlijke gebeurtenissen die de hoofdbestanddelen vormden van hun voorbije avonturen.

Janaka werd onderwijl in beslag genomen door de voorbereidingen van het huwelijksfeest. Meestal was hij in het paleis te vinden. Daar ontving hij Sathananda, de opperpriester, die hij eerbiedig verzocht om een begin te maken met het bijeenroepen van wijzen, geleerden en priesters en de benodigdheden te verzamelen voor de diverse rituelen die voorafgaan aan de huwelijksplechtigheid zelf. De wijze antwoordde: 'Maharadja! De yajna is zojuist beëindigd. Er zijn, zoals ik zie, in de eerstvolgende paar dagen enkele uren die zeer gunstig zijn voor de plechtigheden. Mocht u precies willen weten wanneer, dan kan ik u dat vertellen.'

Hierop sprak Janaka, die na eerbiedige groet met gevouwen handen voor Sathananda stond: 'Meester! Gisteravond heeft keizer Dasharatha zijn instemming betuigd met het huwelijk. Wij zijn waarlijk zeer door het fortuin gezegend. Mijn jongere broer Kusadhvaja is nu niet hier; de afgelopen dagen is hij steeds drukdoende geweest de hogepriesters van alle benodigdheden voor de yajna te voorzien, elke keer als zij hem daarom vroegen. Ik zou niet gaarne deze zo gelukkige gebeurtenis vieren zonder hem aan mijn zijde. Ik wil hem zijn deel van de feestvreugde niet onthouden. Ik heb stappen ondernomen om hem zo spoedig mogelijk hierheen te laten komen. Naar mijn mening kunnen wij het beste dag en uur van de plechtigheid vaststellen na zijn aankomst.' Sathananda antwoordde: 'Goed! Uitstekend! Dat zal ons allen buitengewoon gelukkig maken!' Daarop verliet hij het paleis.

Janaka zond boodschappers op weg met de opdracht zijn broer zo snel mogelijk naar Mithila te brengen. Zij troffen hem reeds spoedig aan in zijn hoofdstad Sankasya, want zij waren daarheen gegaan op snelvoetige paarden die ongewoon hard konden lopen. Zij vertelden hem tot in de kleinste bijzonderheden over de recente gebeurtenissen in Mithila; Kusadhvaja werd overweldigd door de golf van ananda die in hem opwelde. Zo snel hij kon riep hij zijn familie, vrienden en gevolg bijeen; hij liet reiswagens volladen met geschenken, offeranden en kostbare stoffen. Hij vertrok nog diezelfde avond en bereikte weldra Mithila.

Janaka haastte zich zijn broer te verwelkomen, want hij had in afwachting de minuten geteld. Hij omarmde zijn broer vol genegenheid; hij was vervuld van onuitsprekelijke blijdschap. Kusadhvaja wierp zich aan de voeten van zijn oudere broer en evenzo aan die van Sathananda; toen namen zij alle drie plaats op een verhoogde zetel en beraadslaagden over de te volgen procedure. Zij gingen bij elkander te rade en toen zij uiteindelijk besloten wat hun te doen stond, lieten zij Sudhama komen, de zeer hooggeachte raadsman in staatszaken, en zeiden tot hem: 'Excellentie! Begeef u ter audiëntie naar Dasharatha en verzoek hem hierheen te komen, naar dit paleis, met zijn ministers, priesters, hovelingen, familieleden en wie hij ook verder nog wenst mee te brengen. Begeleid hem hierheen met gepast eerbetoon.'

Sudhama liet zich vergezellen door hovelingen, geleerden en hofpriesters; hij liet smaakvol versierde triomfwagens voorkomen om het keizerlijk gezelschap op te halen en begaf zich naar het paleis dat Dasharatha tot gastverblijf diende. Daar aangekomen bracht Sudhama hoffelijk en vriendelijk de boodschap over die hem was meegegeven en nodigde Dasharatha met diepe eerbied uit naar Janaka's hof. Dasharatha en zijn gevolg waren gereed; zij vertrokken en weldra bereikten zij Janaka's paleis, waar zij in de audiëntiezaal werden ontvangen. Eenieder werd begroet op een wijze die eer deed aan de gelegenheid en aan ieders rang en stand en nam de hem aangewezen plaats in.

Toen stond Dasharatha op en sprak: 'Janaka! Voor de Ikshvaku-dynastie is de wijze Vasishtha gelijk God op aarde! Hij is onze hoogste leermeester, die als geen ander de traditie van ons vorstenhuis kent.' 

Zodra Dasharatha weer ging zitten, stond Vasishtha op en sprak de aanwezigen als volgt toe: 'Koninklijke wijze! Luister, u allen die hier bijeengekomen bent! Brahman, de onzichtbare Allerhoogste, de Eeuwige, de Zuivere, schiep door het uitoefenen van zijn wil Marichi; Marichi's zoon was Kasyapa (water) en diens zoon was Surya (de zon); Surya's zoon was Manu (wetgever der mensheid), die een zoon had genaamd Vaivasvata Manu; deze regeerde over het volk en verwierf de titel Prajapati - Heer van alle schepselen. Hij kreeg een zoon, lkshvaku - stamvader van het zonneras; deze was de eerste opperheer van Ayodhya. Zo geschiedde het dat deze dynastie het lkshvaku-geslacht werd genoemd. lkshvaku's zoon was Kukshi; Kukshi's zoon was genaamd Vikukshi. Diens zoon was Bana; Bana's zoon was Anaranya; deze had een zoon genaamd Trisanku. Trisanku's zoon was Dhundhumara; Dhundhumara's zoon heette Yuvanaswa; Mandhata, Yuvanaswa's zoon, had een zoon Susandhi, die twee zonen kreeg: Daivasandhi en Presenjit. De befaamde Bharata was de zoon van Daivasandhi; Bharata's zoon was Asitha geheten; toen Asitha het rijk regeerde, viel een verenigd leger van Haihaya's, Thalajangha's en Sasibindu's het keizerrijk binnen en moest Asitha met zijn twee gemalinnen de wijk nemen naar het Himalaya-gebied. Hij zocht toevlucht in de streek Bhrgu Prasravana, waar hij enige jaren later ook overleed. 

Zijn beide gemalinnen waren zwanger toen hij stierf. Zij zochten onderdak in de ashram van Chyavana; deze werd met mededogen vervuld toen hij zag in welke benarde toestand zij zich bevonden; hij troostte hen, zeggend: 'Moeders! Wees niet bevreesd. Dit is uw tehuis. Uw bevalling zal voorspoedig zijn en u zult sterke, schitterende en fortuinlijke kinderen baren.' Zijn zegewensen werden bewaarheid. Binnen enkele dagen beviel de oudste vorstin van een zoon die Sagara genoemd werd; deze werd gekroond als keizer van Ayodhya.

Sagara's zoon was Asamanja, die een zoon had genaamd Amsumantha; diens zoon was Dilipa; Dilipa's zoon was Bhagiratha, die een zoon kreeg, Kakustha genaamd. Kakustha's zoon was Raghu, wiens zoon Pravardha was. Pravardha had Sudarsana tot zoon en Sudarsana weer Agnivarna. Sighraga was de naam van Agnivarna's zoon. Sighraga's zoon was genaamd Maru. Na hem ging de troon over van vader op zoon: achtereenvolgens naar Prasusruka, Ambarisha en Nahusha.

Nahusha's zoon was Yayati en Yayati's zoon was Nabhaga; deze had Aja tot zoon. Aja's oudste zoon, Dasharatha, kreeg vier zonen: Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna, ieder van hen een kostbaar juweel. Het is Rama, de oudste van de vier, die de boog van Shiva hief, spande en brak.

O koninklijke wijze! Deze keizerlijke dynastie is heilig en zuiver. Eenieder die in deze familie geboren is, heeft geestelijke verlichting verworven en heeft gestraald in spirituele pracht. Hun bestaan is geworteld in rechtschapenheid en zij staan daarmee in de voorste gelederen der helden. Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna zijn kostbare lampen wier schijnsel de annalen van dit vorstenhuis verlicht.

Het is thans aan mij u te wijzen op de wenselijkheid deze heilige ceremonie (samskara) van het huwelijk tevens voor Lakshmana te houden, want hij is de weerspiegeling van Rama. Uw dochter Urmila zou een voortreffelijke gade voor Lakshmana zijn. Aarzel niet, maar neem hiertoe een besluit en tref de nodige  voorbereidingen.' Vasishtha zegende de aanwezigen en nam weer plaats.

Nadat hij had geluisterd naar de geschiedenis van de Ikshvaku-dynastie, uit de mond van de grote wijze Vasishtha, verrees Janaka van zijn troon en sprak: '0 Brahmarshi! Wanneer de telg van een nobel geslacht zich voorneemt zijn dochter ten huwelijk te schenken, moet hij de glorieuze geschiedenis van zijn familie bekendmaken, nietwaar? Ik heb besloten uw voorbeeld te volgen en zelf dat verhaal te vertellen, want het verschaft mij grote vreugde de namen van mijn voorvaderen in herinnering te roepen en hun majesteit te gedenken. Mijn geboorte in dit lichaam heb ik te danken aan de zegen der voorvaderen uit deze dynastie. Slechts dan wanneer ikzelf hen beschrijf aan dit grote gezelschap zal mijn bestaan gerechtvaardigd zijn en zijn doel hebben gediend.'

Janaka stond in devote houding voor alle aanwezigen. Vasishtha stemde in met zijn verzoek en beduidde Janaka met zijn verhaal te beginnen. Deze sprak: 'Brahmarshi! Vereerde leermeesters! Maharadja Dasharatha! In een ver, ver verleden leefde er een keizer genaamd Nimi, die vastberaden het pad der rechtschapenheid volgde en daarom befaamd was om zijn morele kracht en zijn vooruitziende blik. Zijn zoon Mithi bouwde deze stad, Mithila, om als hoofdstad van zijn koninkrijk te dienen. Hij was de eerste souvereine vorst van dit gebied. De wijze waarop hij zijn bewind voerde, maakte hem zeer geliefd en zijn onderdanen waren gelukkig en voorspoedig. Zijn zoon, Sudhavasu, was de vader van Nandhivardhana, die Mithi opvolgde. Nandhivardhana's zoon was Sukethu, wiens zoon was genaamd Devaratha. Brhadratha was Devaratha's zoon en Mahavira (grote held) was de naam van Bhradratha's zoon. Zoals zijn naam aanduidt, bezat Mahavira grote moed. Zijn zoon Sudhrthi had een zoon genaamd Dhrshtakethu. Diens beroemde zoon was Haryaswa; Haryaswa had een zoon, Maru geheten; Maru's zoon was Prathindhaka. Prathindhaka's zoon was Kirthiratha. Deze was de vader van Devamidha. Vibudha was Devamidha's zoon. Vibudha's zoon was Kirthiratha; diens zoon was genaamd Maharoma. Maharoma's zoon was Hrswarupa. Deze was een begaafd heerser en een trouw volgeling van het pad van dharma. Hij verwierf de eretitel 'Mahatma' (grote ziel). Hij is mijn vader; het geeft mij grote vreugde te erkennen dat mijn vader waarlijk een ideale persoonlijkheid was. De waarheid is dat ik thans zo gelukkig ben over deze stad Mithila te mogen regeren vanwege de verdiensten die mijn voorvaderen hebben verworven en die zij aan mij, als erfenis, hebben nagelaten.

Mijn broer Kusadhvaja betekent veel meer voor mij dan een broer. Ik vereer hem als een goddelijk persoon. Hij is veeleer een vriend dan een broer. Ik heb hem opgevoed met zoveel liefde en genegenheid dat ik zeer aan hem gehecht ben geraakt. Jaren geleden, toen de koning van Sankasya (Sudhanva) eiste dat ik Shiva's boog aan hem zou overgeven of dat ik anders de strijd met hem moest aangaan, weigerde ik, waarop hij Mithila belegerde. Dit was het sein tot een bittere oorlog tussen ons, waarin Sudhanva werd gedood; en ik stelde toen mijn broer aan tot heerser van Sankasya. Die stad is schitterend gelegen aan de oevers van de rivier de Ikshumathi. Uit de verte doet zij denken aan de hemelse triomfwagen der Goden, bekend als de pushpaka vimana! Laat mij u thans vertellen over een ander gelukkig idee, dat de Goden mij hebben ingegeven.

Vandaag heb ik Kusadhvaja hierheen gehaald opdat hij moge delen in de vreugde van het huwelijksfeest, Brahmarshi! Het was uw beschikking dat Rama Sita huwt en dat Lakshmana trouwt met Urmila, mijn andere dochter. Ik aanvaard dat besluit met onnoemelijke blijdschap. Sita is een hemelse maagd en zij zal Rama ten huwelijk worden gegeven als beloning voor zijn heldenmoed. Ik zal mijn hoofd in alle ootmoed en dankbaarheid buigen en Urmila aan Lakshmana uithuwen.

Ik heb thans nog een voorstel te uwer overweging. Maharadja Dasharatha! U hebt vier zonen, allen geboren als een hemels geschenk van genade. Waarom zouden wij toezien dat twee van hen ongehuwd blijven? Ons geluk zou volkomen zijn als ook zij zouden trouwen. Deze dag staat in het teken van het sterrebeeld magha (de tiende van 27 constellaties van vaste sterren, vallend in het teken leeuw; januari-februari). Het is een gunstige dag om met de ritus te beginnen en de inleidende plechtigheden te houden. De dag erna, die in het teken van uttaraphalguna (de 12e constellatie, in het teken maagd) staat, zou ik, met uw welnemen, de twee dochters van mijn broer ten huwelijk willen schenken - Mandavi aan Bharata en Shruthakirthi aan Shatrughna.'

Toen zij dit hoorden stemden allen die bijeen waren juichend in met het voorstel, roepend: ' Shubham! Shubham! (Zeer goed! Uitstekend!)' Hun toejuichingen doorkliefden de lucht.

Nadat keizer Janaka zijn idee had geopperd aangaande de huwelijken van Bharata en Shatrughna hielden de wijzen Vasishtha, Vamadeva, Vishvamitra en anderen ruggespraak met elkander. Toen zij ook zonder veel moeite Dasharatha tot toestemming hadden bewogen, stelden zij Janaka aldus op de hoogte: 'O majesteit! De twee keizerlijke families, lkshvaku en Videha, zijn rijk aan heilige tradities, welker verhevenheid ongeëvenaard is. De grootsheid van deze twee dynastieën kan geen mens meten of beschrijven, hoe geleerd of kundig hij ook is. Vorstenhuizen van deze status, of van een orde die daarmee te vergelijken zou zijn in zedelijke grootheid, zijn nog niet eerder op aarde verschenen. Dat deze twee families nu door deze huwelijksbanden worden samengebracht is een wel zeer gelukkige omstandigheid.

Deze verbintenis is in hoge mate passend, prijzenswaardig en heilig. Wij zijn bovendien verblijd dat de aanstaande echtparen zo bijzonder goed bij elkaar passen. Janaka! Uw broer Kusadhvaja is iemand die weet wat dharma is en die een leven van rechtschapenheid leidt. Het is goed dat ook hij Dasharatha's aanverwant wordt door de echtverbintenis van zijn dochters. Dit is een bron van immense vreugde. Wij zijn daarom bereid onze zegen te geven aan de huwelijken van zijn dochters Mandavi en Sruthakirthi met Bharata en Shatrughna. Het is onze wens dat de twee keizerlijke families door deze huwelijken innig verbonden zullen zijn.'

Janaka en Kusadhvaja wierpen zich voor de wijzen ter aarde, overweldigd door blijdschap dat hun wens in vervulling was gegaan. 'Dit is geen alledaagse gebeurtenis! Welk een zegen valt ons ten deel door deze vervulling! Hoe gelukkig dat de wijzen met ons voorstel hebben ingestemd en het pad hebben geëffend. Wijzen zullen nimmer onzalige plannen aanmoedigen. Wij zullen eerbiedig al uw bevelen gehoorzamen', spraken zij.

Vasishtha sprak daarop: 'Neen, waarom zouden wij deze twee huwelijksvoltrekkingen uitstellen tot de volgende dag, of nog later! Morgen is voor allen een gunstige dag. Het zou het beste zijn als alle vier huwelijken op dezelfde dag werden voltrokken.' Janaka antwoordde: 'Ik ben werkelijk gezegend, waarde leermeester! Keizer Dasharatha is reeds jarenlang uw discipel, en hij volgt trouw al uw bevelen. Vanaf heden zijn ook wij broers uw discipelen. Al onze lasten drukken op uw schouders; zeg ons hoe te handelen en wij zullen zonder meer uw aanwijzingen volgen.' Zij stonden in afwachtende houding, met de handen gevouwen in opperste nederigheid en eerbied. Toen stond Dasharatha op en sprak: 'Heerser van Mithila! De deugden die ik in u beiden zie, kan ik niet onder woorden brengen! U hebt voortreffelijke voorzieningen getroffen voor het verblijf en de ontvangst van zulk een luisterrijke schare van maharadja's en maharishi's, en bovendien voor de enorme mensenmassa die naar de stad is toegestroomd. Ik zal nu naar mijn verblijf terugkeren en de rituelen van nandi en samavarthana verrichten, geheel volgens de vedische voorschriften.' De broers begeleidden Dasharatha met gepast  eerbetoon van de audiëntiezaal naar de hoofdpoort, waar zij afscheid van hem namen. Toen gingen zij naar hun eigen paleis, om hun diverse opdrachten uit te voeren.

Dasharatha verrichtte de nandi-ritus; zeer vroeg in de ochtend liet hij zijn zonen alle vier de samavarthana-plechtigheid volbrengen. Hij bevestigde gouden versierselen aan de horens van de koeien die uitgekozen waren om aan vrome brahmanen ten geschenke te geven, samen met kostbaar melkgerei. Het was een lust voor het oog de jongens de koeien te zien wegschenken! Voor de burgers van Mithila was het alsof zij de Goden uit de vier windstreken voor zich zagen, met Brahma in hun midden; zo kwamen de vier zonen en hun vader Dasharatha hen voor.

Intussen was Yudhajit, de prins van Kaikeya, gearriveerd; hij was de broer van keizerin Kaikeyi, Bharata's moeder en bijgevolg diens oom. Yudhajit's vader verlangde er hevig naar zijn kleinzoon Bharata enige tijd bij zich te hebben en derhalve had Yudhajit zich naar Ayodhya gespoed. Daar hoorde hij echter dat de keizerlijke familie naar Mithila was afgereisd om Rama's huwelijk bij te wonen. Zijn vader, zei de prins, wist hiervan niets. Hijzelf had evenmin enig idee dat het ophanden was. Dus was hij, zodra hij dit nieuws had vernomen, naar Mithila gegaan. Zodoende zou hij de huwelijksplechtigheid kunnen bijwonen en tevens de wens van de grootvader om zijn kleinzoon een tijdje bij zich te hebben, kunnen overbrengen. Dasharatha was blij dat Yudhajit gekomen was.

Die nacht onderhield Dasharatha zich op innemende wijze met zijn zonen en andere aanwezigen over diverse aangename onderwerpen. Niemand in de wachtverblijven kon de slaap vatten. Allen wachtten vol ongeduld op het aanbreken van de gelukkige dag, wanneer zij getuige mochten zijn van de huwelijksvoltrekking van hun geliefde prinsen. Eenieder was overweldigd door vreugde, alsof zijn eigen zoon de bruidegom was of zijn eigen dochter de bruid. Hun gelukzaligheid kon slechts vergeleken worden met Brahmananda - de ananda van Brahma zelf; zo groot was hun liefde voor Rama en zijn broers.

Vroeg in de morgen begaf Janaka zich naar het speciaal opgerichte podium waar de huwelijksplechtigheden zouden plaatsvinden; hij was vergezeld van een schare wijzen, die straalden van spirituele verhevenheid. Hij volbracht de inleidingsrituelen en wachtte op de komst van de bruidegoms en hun ouders en verdere familie. Nadat Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna hun rituele bad hadden genomen, werden zij gekleed in geelzijden gewaden en om hun hoofd werden zijden doeken gewonden. Zij waren getooid met sieraden bezet met diamanten en saffieren; zij zagen er uit als bekoorlijke, hartveroverende Goden, die uit de hemel waren neergedaald.

Het gunstige uur van de dag, vijaya genaamd, was nabij en de prinsen begaven zich naar het podium. Zij werden voorafgegaan door muzikanten wier instrumenten muziek lieten horen die opklonk naar het hemelgewelf. De raadslieden van het Hof, de onderkoningen en de dienaren die hen volgden, droegen grote schalen, opgetast met juwelen, zijden gewaden, gouden munten en andere gelukbrengende voorwerpen, die voor de plechtigheid vereist waren.

De mensen lieten hun blik rusten op de schone en heldhaftige gestalte der prinsen, met wijdopen ogen van bewondering; zij zeiden onder elkaar dat de waardige houding van de jongens verried dat zij veeleer goddelijk dan menselijk waren. Zij riepen uit: 'O, hoe bekoorlijk! Welk een schoonheid!' Allen waren vervuld van verwondering. 'Het zijn hemelbewoners die op aarde gekomen zijn', fluisterden zij elkander toe, terwijl de bruidegoms tussen de dikke rijen toeschouwers doorliepen. Vrouwen bezwoeren dat zij nog nimmer schoner prinsen hadden aanschouwd. De bewoners verdrongen zich voor deur- en vensteropeningen en alle terrassen waren overvol. Eindelijk bereikten de prinsen het podium en namen plaats.

Toen geleidden Janaka en zijn broer Kusadhvaja hun dochters naar het podium. Men had hun de rituele wassing gegeven en hen rijk en fraai getooid, zoals men dat pleegt te doen bij een bruid op haar huwelijksdag. Zij waren gesluierd en liepen achter hun vaders aan; zij werden gevolgd door duizenden maagden die vruchten en bloemen meedroegen en ook grote hoeveelheden rood en geel welriekend poeder en geurige oliën, rijstkorrels, juwelen en edelstenen. Het leek alsof alle schatten van Mithila zich ter gelegenheid van dit huwelijksfeest hadden samengevoegd tot èèn glinsterende stroom.

De vier bruiden straalden als flonkerende sterren. Zij zaten tegenover elkander: Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna aan de ene zijde en Sita, Urmila, Mandavi en Sruthakirti aan de andere, gescheiden door een fluwelen doek, dat als een scherm tussen hen in werd gehouden. Edelen en burgers die uit Ayodhya overgekomen waren, zaten achter Dasharatha; de inwoners van Mithila en degenen die door Janaka waren uitgenodigd voor de trouwplechtigheid zaten achter hem op het podium.

Aller aandacht werd getrokken naar de uitbundige en kunstzinnige versieringen aan de baldakijn, die voor de ceremonie was opgericht. Het was ·l goud, zilver, bloemen, zijde en fluweel, guirlandes en vlaggen, kandelaars en zuilen, bogen en pinakels. Was de aandacht eenmaal op al deze pracht gevestigd, dan kon men zijn blik er niet meer van afwenden. De onmetelijke ruimte was overvol met verwanten en belangstellenden, die gekomen waren om de bruidsparen geluk te wensen. Een golf van ontroering om dit huwelijksfeest scheen door gans Mithila te gaan; de stad genoot van de feestelijkheden alsof ze voor haarzelf waren aangericht.

Het duurde niet lang of Dasharatha stond op en maakte Vasishtha er beleefd op attent dat de plechtigheden een aanvang konden nemen: 'Waarom zouden we het nog langer uitstellen?' Hierop ging Janaka met gekruiste armen voor Vasishtha staan en bad hem de huwelijken zelf te voltrekken.

Vasishtha stemde toe en, bijgestaan door Vishvamitra en Sathananda, ontstak hij het offervuur in het midden van het podium, terwijl vedische schriftgeleerden en deskundigen in het reciteren van vedische teksten passende gezangen aanhieven bij deze zegenrijke viering.

Rondom het vuuraltaar plaatsten zij gouden schalen, versierd met bloemen en sandelhoutpasta en gevuld met jonge loten van negen graansoorten. Er waren ook wierookbranders, gewijde lepels voor het gieten van olie op het heilige vuur, gouden waterketels, kelken en andere rituele benodigdheden. Zij spreidden een dikke laag heilig kusa-gras op de grond, zodat het zo vlak en glad kwam te liggen als de vedische teksten voorschrijven. Vervolgens begonnen zij het offervuur te besprenkelen, onder het reciteren van gezangen en mantra's die heil en voorspoed brengen aan bruidegom en bruid. Ieder ritueel werd uitgevoerd met uiterste nauwkeurigheid en onberispelijkheid. Ter inwijding van de echtverbintenissen werden draden om de polsen van de prinsen en prinsessen gebonden.

Het ritueel dat daarop volgde was het wegschenken van de bruiden. Vasishtha verzocht Janaka om naar voren te treden en deze liep naar de plaats van het heilige offervuur. Hij was schitterend uitgedost in vorstelijke gewaden en droeg al de kroonjuwelen. Op aanwijzing van Vasishtha nam hij Sita's handen en legde ze in de uitgestoken handpalmen van Rama, waarbij de tranen van blijdschap hem over de wangen stroomden. De kokosnoot, het symbool van voorspoed, was Rama reeds in handen gegeven en, nadat Sita er de handen op had gelegd, goot Janaka melk over beider handen, als onderdeel van het schenkingsritueel. Daarbij sprak Janaka de volgende woorden tot Rama: 'Rama! Ziehier mijn dochter Sita. Van nu af aan zal zij uw pad van dharma volgen. Aanvaard haar. Zij brengt voorspoed, vrede en blijdschap. Neem haar hand in de uwe. Zij is rijk aan deugd en waarachtigheid. Vanaf dit ogenblik zal zij u immer als uw schaduw volgen.' Met deze woorden schonk Janaka water over Rama's handen om de schenking te bezegelen.

Toen ging hij dicht bij Lakshmana staan en sprak: 'Lakshmana! Ik geef je deze bruid, Urmila; aanvaard haar.' En met de voorgeschreven mantra's besloot hij het ritueel van het uithuwelijken van zijn dochters. Op dezelfde wijze gaf hij Mandavi tot vrouw aan Bharata, onder het uitspreken van de vedische mantra's die volgens traditie bij huwelijksplechtigheden worden gebruikt. Evenzo werd Sruthakirthi door hem aan Shatrughna geschonken, met het gieten van gewijd water en het reciteren van mantra's. Hierna voltooiden de vedische schriftgeleerden de gebruikelijke rituelen om de genade Gods voor de echtparen af te smeken.

Toen stond Janaka op en begaf zich naar het midden van het podium en sprak tot de bruidegoms: 'Geliefden! Onze dochters zullen nu hun plaats innemen als meesteres van uw huishouding. Het gelukkige ogenblik is aangebroken.' Zodra Janaka was uitgesproken, namen de vier broers, met Vasishtha's zegen en goedkeuring, hun bruid bij de hand en liepen eerst om het heilige vuur en vervolgens om Janaka en Vasishtha, de leermeester, heen en wierpen zich voor hen ter aarde.

Een regen van bloemen daalde op de bruidsparen neer; vreugdegalmen weerklonken uit vele en velerlei muziekinstrumenten. Het voorname gezelschap stemde juichend in met dit belangrijke moment, strooide rijstkorrels op de hoofden der paren en wenste hun allen geluk en voorspoed. Het gejubel dat hun uitroepen van 'Shubham! Shubham!' vergezelde, daverde door de lucht en klonk de menigte als muziek in de oren. De Goden speelden hun goddelijk lied in de hemel en roerden in geestvervoering de Elysische trommen. De minstrelen des hemels zongen lofgezangen.

Hoofdstuk 7d: Het veroveren van Sita

Op het podium brachten hofmuzikanten de traditionele bruiloftsliederen ten gehore die de glorie van de trouwplechtigheid bezongen en deze verheerlijkten als gelijkwaardig aan het huwelijk van Heer Shiva en Gauri. Zij bezongen deze in een rijke verscheidenheid aan raga's en andere melodieën, die de lucht vervulde van verrukkelijke tonen. De vier broers met hun bruiden stonden naar de menigte toegekeerd op het podium en namen buigend de toejuichingen en heilwensen in ontvangs: 'Moge geluk eeuwig uw deel zijn' en 'Moge alles wat geluk brengt u toegeworpen worden.'

De broers, die straalden van jeugd, heldenmoed en schoonheid, begaven zich met hun bruiden naar ruimten achter de gordijnen, vanwaar hun moeders de plechtigheid hadden gadegeslagen, om zich aan hun voeten te werpen en hun zegen te ontvangen. Toen keerden zij terug naar het paleis dat voor de koninklijke gasten was ingericht. Vanaf dat moment was de bevolking drie dagen en nachten lang getuige van velerlei schitterende plechtigheden en festiviteiten, die met uitbundige vreugde werden gevierd. Niet alleen degenen die uit Ayodhya naar Mithila gekomen waren, maar ook de inwoners van Mithila zelf konden de nacht niet van de dag onderscheiden! Het feest duurde al die tijd ononderbroken voort.

De dag na de bruiloft bezocht Vishvamitra Dasharatha en vertelde hem dat de taak die hij indertijd op zich had genomen, thans volbracht was. Hij riep de broers bij zich en omarmde hen met grote innigheid. Nadat hij hen liefdevol had gezegend, wendde hij zich tot Dasharatha en gaf te kennen dat het zijn plan was naar het Himalaya-gebied te gaan. Hierop wierpen Rama, Lakshmana, Bharata en Satrughna zich aan de voeten van de wijze. Vishvamitra begaf zich daarop naar het paleis van Janaka, om ook hem te zeggen dat zijn hartenwens was vervuld door het welslagen van zijn opdracht. Hij zegende Janaka en de bruiden Sita, Urmila, Mandavi en Sruthakirthi. Ook hier kondigde hij zijn vertrek naar het Himalaya-gebergte aan. Zijn mededeling bracht Dasharatha en Janaka en met hen vele anderen uit Ayodhya en Mithila in verlegenheid; zij konden de wijze niet missen, doch zij wilden hem evenmin overhalen te blijven. Uiteindelijk knielden zij neer voor Vishvamitra om hem hun diepe dankbaarheid te betuigen; zij verwijderden het stof van zijn voeten toen hij hen verliet, nadat hij allen gezegend had.

De derde dag, toen Dasharatha te kennen gaf dat hij naar Ayodhya wilde terugkeren, trachtte Janaka niet hem te weerhouden, doch maakte alles voor zijn vertrek in gereedheid. Hij riep de hovelingen en kameniers bijeen, die de bruiden moesten vergezellen; hij liet een groot aantal wagens volladen met de eigendommen die de prinsessen moesten meenemen. Hij gaf talloze olifanten, wagens, paarden en koeien ten geschenke. Hij schonk zijn schoonzoons een overvloed aan juwelen en edelstenen, en ook een verscheidenheid aan kostbare voorwerpen voor dagelijks gebruik. Toen de volgende dag aanbrak, stonden de versierde wagens gereed voor de reis. De vrouwen van het Hof waren in tranen; om de waarheid te zeggen waren alle vrouwen van de stad tot tranen toe bewogen bij het vertrek van de vier geliefde prinsessen.

Menige kinderverzorgster en kamenier werd door smart overweldigd bij de ondraaglijke gedachte dat zij van Sita en Urmila gescheiden zouden zijn. De moeders hielden de handen van hun schoonzoons vast en smeekten hen hun dochters met zachtheid en genegenheid te bejegenen. 'Zij kennen geen tegenspoed of verdriet en zijn met zachte hand opgevoed', zo voerden zij aan in hun aandoenlijke smeekbeden. Zij schreiden alsof zij het licht uit hun ogen moesten missen. Tenslotte namen de bruidsparen plaats in de praalwagens en vertrokken. De stad was in treurigheid gedompeld; Mithila was nu verzonken in een droefheid die even groot was als de vreugde van de voorgaande drie dagen!

Janaka kon slechts met moeite afscheid van Sita nemen en deed zijn uiterste best zijn tranen te bedwingen. Hij reed nog enige tijd met keizer Dasharatha mee, schilderde hem onderwijl Sita's deugden en smeekte hem haar met liefdevolle tederheid te bejegenen. Met tranen in zijn ogen verzocht hij Dasharatha hem toch vooral regelmatig te laten weten of het haar goed ging en of zij gelukkig was. Hij sprak tevens over de andere drie bruiden en toonde zich ook om hen zeer bezorgd. Dasharatha gaf blijk van diep medegevoel; hij sprak op kalmerende toon en deed zijn best om Janaka's ongerustheid weg te nemen. Hij sprak: 'Janaka! Wij hebben zelf geen dochters. Dus dit zijn nu de dochters die wij ons zolang hebben gewenst. Zij zijn voor ons zowel eigen dochters als schoondochters. Het zal hen nimmer aan iets ontbreken; alles wat aan hun vreugde en geluk bijdraagt zal hun worden gegeven. Wees niet in het minst bezorgd of bedroefd. U kunt terugkeren in de verzekering van onze liefde en genegenheid voor de prinsessen.' Met deze woorden liet Dasharatha zijn wagen tot stilstand brengen.

Janaka stapte uit Dasharatha's wagen en begaf zich naar de bruiden die naast hun bruidegoms zaten. Hij troostte hen op allerlei manieren opdat zij de pijn zouden kunnen verdragen om het afscheid van hun thuis, waar zij zo liefdevol waren grootgebracht. Hij sprak hen moed in en haalde veel dharmische teksten aan die manen tot loyaliteit aan de echtgenoot en zijn familie. Hij herinnerde hen aan de wijze waarop zij de bedienden moesten bejegenen van het huishouden waar zij thans hun intrede zouden doen. Hij aanvaardde hun eerbiedige onderwerping, liefkoosde hen nogmaals en gaf hun zijn zegen. Toen hij zich omdraaide om terug te gaan naar Mithila, barstte hij in snikken uit; niettemin besteeg hij de wagen en begaf zich naar huis. De wagens snelden voort in tegengestelde richtingen: naar Ayodhya en Mithila. Weldra waren zij mijlenver van elkaar verwijderd.

Toen Janaka in Mithila aankwam, vond hij de paleisvertrekken verlaten, zonder enig teken van leven, zonder een sprankje vreugde of een spoor van opgetogenheid. Hij kon niet verdragen er ook maar een ogenblik te verwijlen. Mithila was in rouw gedompeld. Janaka liet de wijze Sathananda en de ministers bij zich komen en in een poging zijn geest te bevrijden van de smart die voortdurend in hem opwelde, besprak en regelde hij enkele staatszaken met hen. Tijdens de besprekingen dwaalden zijn gedachten toch weer af naar de oorzaak van zijn droefheid; de antwoorden die hij gaf hielden geen verband met de gestelde problemen. Dit deed èèn der ministers zeggen: 'O majesteit! Door de scheiding van Sita schijnt uw hart van diepe smart te zijn vervuld. Geen enkele vader ontkomt aan een dergelijke scheiding en aan dit verdriet. Als zijn dochter eenmaal aan de bruidegom is geschonken, is het de plicht van iedere vader zijn gehechtheid aan zijn kind geleidelijk te verminderen; dat zal uwe majesteit niet onbekend zijn. En wij weten dat Sita geen gewoon jong meisje is! Zij is een goddelijke engel. Daarom moet de scheiding van haar voor u een nog grotere kwelling betekenen. O majesteit! De dochters zijn goddelijk, doch let wel, ook de schoonzonen bezitten goddelijke heerlijkheid! Het is alsof zij uit de hemel zijn neergedaald. Iedereen in Mithila, van jong tot oud, had het gevoel dat dit de waarheid is en had ook eerbied voor hen. Het is waarlijk een verwonderlijk toeval dat dergelijke bruidegoms door het huwelijk zijn verbonden met bruiden die hunner in elk opzicht waardig zijn; gelijkwaardig in fysieke, mentale, intellectuele en spirituele eigenschappen, in status, rijkdom, macht, familie-eer, in dynastieke verhevenheid en geloofsovertuiging. Zoiets is niet voor iedereen weggelegd. Daarom zullen de dochters altijd gelukkig zijn en zal hun geluk nimmer afnemen. Naarmate de jaren verstrijken, zal hun leven vervuld zijn van steeds grotere vreugde.' De ministers deden de pracht en praal van de huwelijksplechtigheden en de festiviteiten herleven en brachten de onrust in Janaka's hart tot bedaren. Zij stelden alles in het werk om hem te troosten en hem zijn gelijkmoedigheid en innerlijke vrede terug te geven.


Hoofdstuk 8: Nogmaals een uitdaging

Dasharatha vervolgde inmiddels zijn weg naar Ayodhya, vergezeld van zijn zonen en schoondochters, van wijze mannen en schriftgeleerden, van legereenheden te voet en te paard, olifanten en strijdwagens, en van onderdanen van zijn keizerrijk. Toen vielen er plotseling verschijnselen waar te nemen die duidden op naderend onheil; men voorvoelde dat er een dramatische gebeurtenis ophanden was. Dasharatha ging bij Vasishtha te rade: 'Meester! Wat een onaangename verrassing! Donkere, dreigende wolken die zich samenpakken en de beesten der aarde die ons stampend van onrust omringen. Zo gedragen zij zich gewoonlijk toch niet? Wat kan daarvan de reden zijn? Waar wijst dit alles op? Ik begin mij ongerust te maken over deze voortekenen.' Vasishtha wist door zijn goddelijk inzicht wat zij beduidden; hij sprak: 'Majesteit! Het zijn voorboden van een groot onheil dat ons nadert. Het rollen van de donderwolken is angstaanjagend. Maar uit het feit dat de dieren der aarde onze wagens omcirkelen, kunnen wij tenminste dit afleiden: de ramp die ons bedreigt, zal worden afgewend. U hoeft zich dus geen zorgen te maken.' Vasishtha's woorden boezemden Dasharatha geloof en vertrouwen in en samen wachtten zij op wat er komen ging.

Plotseling wakkerde de wind aan tot een ware orkaan! Zij zagen hoe reusachtige bomen met wortel en al uit de grond werden gerukt en hoorden hoe ze met onrustbarend lawaai ter aarde stortten. Zelfs bergtoppen braken af en rolden over elkaar heen. Donderende explosies doorkliefden de lucht, alsof de aarde in stukken gereten werd. Vanuit de eigen wagen kon men de wagens ervoor of erachter niet zien, zo dicht waren de stofwolken die rondom opwaaiden. Paarden en olifanten begonnen in paniek naar alle kanten te rennen. Sommige infanteristen vielen in onmacht; anderen stonden door een vreemde angst als aan de grond genageld. 

De enigen die zich onbevreesd toonden te midden van al dit tumult waren Vasishtha, Dasharatha en de vier zonen. De anderen schenen van al hun energie en levenskracht beroofd. En daar hadden zij alle reden toe! Want hemel en aarde waren in duisternis gehuld. Die duisternis leek nog intenser door verblindende lichtflitsen! En toen stond daar voor hen een verschrikkelijke gestalte, met angstaanjagende ogen. 

Zijn hoofd was bedekt met een massa verwarde haren. Over zijn ene schouder droeg hij een enorme, tweesnijdende bijl; over de andere hing een buidel met pijlen, die schitterden als bliksemstralen. Hij kwam hun voor als Shiva's derde oog, zijn oog van vuur, dat op weg was om de machtige demonische heersers van de 'drievoudige vesting' [Tripura: de drie steden die de drie guna's symboliseren] te vernietigen. Zodra hij was verschenen, herkende Vasishtha hem: het was Parashurama [Parashurama: Rama met de bijl - de zesde Avatar van Vishnu; verschenen om de tirannie van de krijgerskaste te breken]. Vasishtha vroeg zich af wat Parashurama die dag zo in razernij had doen ontsteken, terwijl toch al zijn woede tegenover de kshatriya's (kaste van krijgslieden) reeds lang geleden was bekoeld; hij had veldtochten tegen hen ondernomen, had hen verslagen en gedood. Vasishtha trachtte te ontdekken waarom het vuur, dat zo goed als gedoofd scheen, weer was opgelaaid. 

Vasishtha liep zelf op Parashurama toe met het traditionele begroetingsceremonieel, noodde hem tot het wassen van zijn handen en vroeg hem om zijn voeten te mogen wassen. Doch hoewel Parashurama zich deze tekenen van goede wil en oprechte verwelkoming liet welgevallen, staarde hij naar Rama met ogen die gloeiden als vurige kolen. Rama reageerde evenwel met een bekoorlijke glimlach - een glimlach die het vuur van Parashurama's laaiende woede echter verder aanwakkerde! Luid tierend schreeuwde hij Rama toe: '0 zoon van Dasharatha! Ik heb uit duizenden monden moeten aanhoren hoe je heldendaden werden geprezen. Ook heb ik vernomen hoe je Shiva's boog hebt gebroken, alsof het kinderspel was. Doch ik weet het alleen van horen-zeggen en heb het niet zelf gezien. Ik ben nu gekomen om mij persoonlijk van je heldenmoed te vergewissen.

Ik heb deze door God gewijde boog meegebracht, die eens mijn vereerde vader, Jamadagni, toebehoorde. Toon mij je vermogens door deze boog te spannen en er een pijl op te zetten. Of ga anders met mij de strijd aan!" Zo daagde hij Rama uit, ziedend van boosheid.

Dit gehele vertoon van woede raakte Rama geenszins; hij bleef beheerst glimlachen. '0 Bhargavarama [Bhargavarama: nakomeling van Bhrigu, een heilige in de vedische oertijd]! Ik dacht dat de wraakgevoelens die je eens koesterde tegenover de kshatriya's reeds lang vervlogen waren. Vanwaar deze terugval, deze dwaasheid?', vroeg hij. Op dat ogenblik boog Dasharatha diep voor Parashurama en smeekte hem op klagende toon: 'Bhagavan! U bent een brahmaan. U hebt grote roem verworven. Mijn zonen zijn nog jonge knapen. Waarom zoudt u zonder enige reden zulk een wraakzuchtige haat tegen hen opvatten? Dit is weinig in overeenstemming met uw verheven afkomst. Uw voorvaderen hebben zich ononderbroken gewijd aan het bestuderen van de Veda's en alle rituelen en plechtigheden met grote zorg uitgevoerd. Uzelf hebt verklaard, op de dag dat u deelnam aan het chandrayana-ritueel [Chandrayana: de vastenperiode bij afnemende en wassende maan], nimmer meer enig wapen ter hand te zullen nemen; u zei dat uw wensen waren vervuld; dit alles ten overstaan van niemand minder dan de God Indra. U hebt bij die gelegenheid alle door u veroverde gebieden aan Kasyapa overgedragen en besloten de rest van uw leven slechts rechtschapen handelingen te verrichten en gelijkmoedigheid te verwerven.

Al die tijd was u verzonken in boetedoening op de berg Mahendra! En nu bent u vastbesloten, ondanks alle goede voornemens van destijds, om de ondergang van mijn dynastie en mijn familie te bewerkstelligen. Het is toch een vreselijke zonde om te handelen in strijd met een eens gegeven woord? Wat heeft boetedoening voor nut als men zulk een belofte breekt? Er is toch geen God die verheven is boven de waarheid ? U daagt alleen Rama uit en zegt ook slechts met hem te willen vechten. Doch als deze zoon iets zou overkomen, wordt mijn ganse familie in het ongeluk gestort. Op het moment dat hem kwaad geschiedt, is ons leven ten einde. Een brahmaan als u zou niet de verantwoordelijkheid voor zovele levens op zich mogen nemen. Dat is niet alleen een schending van de priesterkaste; het is een gruwelijke zonde.

Parashurama sloeg geen acht op Dasharatha's woorden. Hij luisterde er zelfs niet naar. Zijn blik was alleen op Rama gevestigd. Hij sprak: 'De boog die jij hebt gebroken, is evenals deze hier uit de hemel tot ons gekomen; beide bogen zijn gemaakt door Vishvakarma, de wapensmid der Goden. Eèn ervan werd aan Shiva geschonken, om te worden gebruikt tegen de demonen der 'drievoudige vesting'; de andere werd aan Vishnu toevertrouwd. Toen de demonen eenmaal gedood waren, zond Shiva de boog naar keizer Devaratha, samen met de pijlen die in de strijd waren gebruikt. Wellicht was de boog broos en zwak geworden, aangezien het beoogde doel was bereikt. Het breken van zulk een boog is geen bewijs van kracht en heldendom. Deze boog daarentegen moet zijn werk nog doen en heeft daarom zijn vermogen en spankracht behouden. Hij is geladen met de hoogste trefzekerheid en kracht. Neem deze boog, span hem en breek hem, zoals je Shiva 's boog hebt gebroken. Daarna kun je je kracht en heldenmoed bewijzen. Stap niet hoogmoedig rond vanwege het feit dat je de boog van Shiva hebt gebroken. Breek deze, dan schrijf je je naam in de annalen der dapperen.' 'Misschien twijfel je, als ik beweer dat dit de boog van Vishnu is', vervolgde hij. 'Vishnu zelfgafhem in bewaring aan Hrshika, een grote wijze. Deze gaf hem door aan zijn zoon, Jamadagni. Jamadagni is mijn vader. Deze had zich door boetedoening en ascese een schat aan verdienste verworven; hij was zo zuiver van hart dat hij geen spoor van haat of wraakgevoelens in zich droeg. Mijn vader had het dragen van wapenen afgezworen; doch dit weerhield de boosaardige Karthaviryarjuna er niet van hem te' doden. Het was een misdaad van ongekende wreedheid; nog nimmer had iemand een ander op een dergelijke, gruwelijke wijze omgebracht. Ik besloot geen genade voor recht te laten gelden. Ik moest hem een les leren; ik zwoer dat ik niet alleen dit monster, maar ook alle andere onrechtvaardige koningen ter dood zou brengen. Vanaf die dag heb ik hen èèn voor èèn gedood; ik hakte hen in stukken en speelde met hun hoofden als met een bal. Op al mijn veldtochten had ik deze boog bij mij. Ik heb talrijke goddeloze vorsten gedood. De ganse wereld heb ik aan mij onderworpen. Dit deed mijn woede tegenover degenen die mijn vader hadden gedood enigszins bekoelen. Ik gaf de vendetta op en begon aan een vedisch vuuroffer. Voor deze yajna nodigde ik Kasyapa uit, aangezien hij een grote heilige was die zich geheel had gewijd aan verdienstelijke bezigheden. Ik schonk hem de aarde, die ik zelf ontvangen had als beloning en dankbetoon (dakshina) voor het toezicht-houden op de yajna. Sindsdien breng ik mijn dagen door op de berg Mahendra; mijn geest is verzonken in vrede en mijn intellect straalt van spirituele luister.

Je vader vroeg mij waarom ik opnieuw dit wapen ter hand heb genomen en mij een uitdagende houding heb aangemeten, ofschoon ik de weg van wraak en haat heb verlaten. Ik zal hem nu antwoord op die vraag geven, Rama! Er werden in de hemel twee bogen gemaakt, die naar de aarde werden gezonden. De boog van Shiva heb jij gebroken. Alleen deze is dus nog intact. Als deze boog - die mij van geen enkel nut meer is, omdat hij zijn werk heeft gedaan - nu ook wordt gebroken, dan zal mijn onthechting volkomen zijn; het is daarom mijn wens dat deze boog ook wordt gebroken, of dat jij hem bezit. Ik wacht nu op de vervulling van deze wens. Het juiste moment is aangebroken en ik ben vastbesloten het te benutten en het niet te laten voorbijgaan of te laten misbruiken. Misschien vraag je je af of er geen betere tijdsbesteding is dan vechten? We moeten echter het belang van dit gevecht in het oog houden; het zou wel eens de vooruitgang en het welzijn van de wereld kunnen dienen en wellicht de onderdrukking der onrechtvaardigen en de aanmoediging van de  rechtschapenen stimuleren. Je kunt op grond van een oppervlakkig oordeel, oorlog niet zonder meer ongewenst noemen; analyseer het doel. Als een mes moet worden geslepen, moet men het op een slijpsteen aanzetten. Niemand zal dat proces veroordelen als schadelijk voor het mes. Wil het lichaam aan voedsel energie ontlenen, dan moet het voedsel onbarmhartig tussen rijen harde kiezen tot pulp worden vermalen. Niemand zal dat proces veroordelen als geweld dat tegen het voedsel wordt gepleegd. Om sattvisch voedsel te verschaffen aan het lichaam of aan de staat, kan het nodig zijn dat men zijn toevlucht neemt tot het voeren van strijd en het ogenschijnlijk toebrengen van leed.

Welnu, we staan midden op de weg en zijn halverwege de reis. Het is niet gepast om hier te staan praten. Laat ons tot actie overgaan. Wij moeten absoluut ogenblikkelijk beginnen. Komaan! Of je spant deze boog en breekt hem, of je gaat een tweegevecht met mij aan!' Zo klonk Parashurama's uitdaging. Lakshmana hoorde Parashurama's uitdagende woorden met grote woede aan; hij stond op het punt om tussenbeide te komen en Parashurama eens danig van repliek te dienen, toen Rama hem kalmeerde door te zeggen: 'Deze kwestie gaat jou niet aan. De vragen die mij gesteld worden, zal ikzelf moeten beantwoorden. Het druist in tegen de wellevendheid om tussen ons te komen; laat deze kwestie maar aan mij over.' Rama's liefdevolle en tedere raad deed Lakshmana inbinden. Maar toen Parashurama zijn broer begon uit te lachen en hem bespotte omdat hij de uitdaging niet aanvaardde zodra deze hem voor de voeten was geworpen, kon Lakshmana zijn verbolgenheid niet langer verbergen.

Hij riep luid: '0 Bhargava! [Bhargava: nakomeling van Bhrigu] Voor hem die de boog van Shiva heeft gebroken is dit een opgaaf van niets! Waarom moet je juist Rama uitdagen om deze kleine boog te breken? Dit is een brahmaans wapen! Het is niet meer dan een spriet kusa-gras. Ik zou hem zelf in een oogwenk en zonder moeite kunnen breken, als ik er maar een ogenblik mee speel. Moet je voor zulk  een onbeduidende taak Rama vragen? Ik kan die opdracht beter op mij nemen dan hem door te geven aan Rama.' Toen Lakshmana deze woorden sprak, ontstak Parashurama in nog grotere woede. Doch Rama vatte alles kalm en koeltjes op; hij glimlachte naar Lakshmana en bracht hem op zachte toon tot bedaren. Hoe razender Parashurama werd, hoe rustiger en beheerster Rama reageerde.

Weldra verloor Parashurama zijn zelfbeheersing. Hij hield zijn tong niet langer in bedwang en liet een stroom van grove beledigingen horen. Hierdoor raakte Dasharatha innerlijk enigszins ontsteld. De kameniers en bedienden kropen weg voor deze woeste agressie. De manschappen van de vier legereenheden sidderden van vrees. De pandits waren door angst bevangen. Doch Sita zag het tafereel geamuseerd aan; zij was niet in het minst verontrust of bezorgd. Zij bezielde Urmila, Mandavi en Sruthakirthi met moed en vertrouwen, zeggend dat Parashurama was als een kreupele jakhals tegenover de leeuw die Rama was. Toen zij hoorden hoe Rama Lakshmana berispte, wachtten Bharata en Shatrughna zich er wel voor tussenbeide te komen. Anders hadden ook zij zich in de strijd gemengd en Rama gevraagd te mogen vechten of om in zijn plaats de uitdaging aan te nemen. In afwachting van Rama's bevelen hielden zij zich op een afstand. Vasishtha kende het verleden en de toekomst en besefte derhalve dat het voorval niet meer was dan een bedrijf in het goddelijk drama. Hij zweeg en bleef onberoerd.

Ramachandra sprak met onverstoorbare kalmte: Parashurama! U bent een brahmaan. Voor een kshatriya bent u een persoon die vereerd moet worden op grond van zijn kaste. U bent een bloedverwant van de vereerde Vishwamitra. Het past mij niet een brahmaan van een dergelijke hoge afkomst te doden. Het is evenmin gepast om dit heilige wapen op u te richten. U hebt zelf zojuist nog verklaard dat de boog het rijk der Goden toebehoort, dat hij tot dusver elke vijand, stad of vesting heeft vernietigd waartegen hij gebruikt is en dat hij eenieder die zijn pad kruist, van zijn kracht kan beroven en zijn hoogmoed ten val kan brengen. Zou het niet de reinste verspilling zijn hem onbruikbaar te maken? Kies daarom èèn van de twee mogelijkheden en zeg mij dan: zal ik hem aanwenden om u te beletten u nog verder te voet voort te bewegen? Of moet ik verhinderen dat u de hogere werelden bereikt die u door uw ascese hebt verdiend?' Bij deze woorden werd Parashurama nog razender; zijn ogen waren van woede bloeddoorlopen. Hij stormde op Rama af en riep uit: 'Wat bazel je toch?' Met een spottende glimlach, waarmee hij Parashurama krenkte in zijn trots, greep Rama de boog van Vishnu die Parashurama over zijn schouder droeg. En zie! Nauwelijks had Rama het wapen in handen, of Parashurama werd door zwakte overvallen. Hij verloor alle energie en levenskracht. Rama daarentegen straalde met zoveel buitengewone heerlijkheid dat geen oog de schittering kon verdragen. Het was alsof er op de plek waar Rama stond ontelbare lichten waren ontsoken die tezamen een verblindend schijnsel verspreidden. Nu de oorspronkelijke eigenaar van de boog, Narayana zelf, hem vasthield, verkreeg ook de boog een bijzondere glans; een aura van triomf omgaf de boog en hij zond bliksemschichten uit. De Goden dromden tezamen in het firmament en lieten bloemen regenen op Rama terwijl Hij de boog vasthield. Het luchtruim was vervuld van hemelse melodieën.

Parashurama was èèn en al glimlach. Hij sprak: 'Rama! Heb je gezien wat er gebeurd is? Ik heb de verrukking van de goddelijke manifestatie ervaren, jouw goddelijke glorie en majesteit. In het verleden heb ik dit aardse gebied aan Kasyapa geschonken. Toen hij het in ontvangst nam, verklaarde de wijze Kasyapa dat ik dit terrein niet meer moest betreden en mocht ik dat toch doen, dan moest ik er nooit de nacht doorbrengen; hij sprak dienovereenkomstig een vloek over mij uit. Welnu, het wordt reeds donker. Ik kan mij hier niet langer ophouden. Ik moet mij haasten en mij naar de berg Mahendra begeven. Door mijn ongeëvenaarde boetedoening heb ik hoge hemelse regionen verworven. Breek de boog en breek daarmee alle macht die ik veroverd had. Alle kracht die ik in mij heb is nu van jou. O Rama, zie hoe ik je alle door mij verworven kracht schenk.'

Al sprekend kwam hij nader en omhelsde Rama, met beide armen krachtig om hem heen geklemd. Op dat ogenblik kwamen drie goddelijke eigenschappen te voorschijn, die zolang in hem gesluimerd hadden en gingen op in Rama. Toen sprak Parashurama tot Rama: 'Rama! Het is voor de wereld niet eenvoudig om het goddelijke mysterie te doorgronden; zelfs zij die, zoals ik, vèrgaande vermogens hebben verworven door ontzegging, onthechting en een ascetische levenswijze, verlaten zich meer op hun eigen spirituele prestaties en gaan voorbij aan de invloed van Vishnu's goddelijke strategie.

Ik heb mij derhalve ten doel gesteld om je ware identiteit en macht aan de wereld kenbaar te maken; ik heb je als gift de vermogens die ik bezat, overgedragen; ik heb tevens eens te meer bewezen dat jij de grote Vishnu bent, de God die met unieke macht begiftigd is, de God die het drama van het universum regisseert. Er is niets dat van jou verstoken is, niets dat niet Rama is. Jij bent alles, en alles is van jou. Ik had het geluk om enige tijd je goddelijke boog te mogen hanteren en daarom is mij van de wereld enige verering ten deel gevallen. Dat is de verdienste die ik heb verworven. Deze bied ik jou aan.' Hierop verdween Parashurama uit het zicht.

Met een onverstoorbaar, glimlachend gelaat vertrouwde Rama de boog en de pijlen toe aan de God Varuna [Varuna: de alomvattende Heer van het universum, met duizend ogen die de ganse wereld overzien; de Heer der morele wetten. Later heeft Hij zijn plaats van koning der Goden afgestaan aan Indra en Prajapati]. Hij viel aan de voeten van Vasishtha en Dasharatha die naast hem stonden. Dasharatha had al die tijd gesidderd van angst, om wat deze verschijning zijn zoon zou kunnen aandoen en welk een ramp hem zou kunnen overkomen. Nu was hij niet langer bezorgd. Hij trok Rama naar zich toe en liefkoosde hem met diepe genegenheid. Hij hief het gezicht van zijn zoon bij de kin naar zich op; het kostte hem enige moeite om zijn gevoelens  onder woorden te brengen. Dasharatha sprak: 'Geliefde zoon! Ik ben waarlijk een fortuinlijk man, want ik was in bange twijfel of ik je nog ooit weer zou zien. Je doortastende moed en je heldhaftigheid gaan elk voorstellingsvermogen te boven.' Zo prees hij Rama uitbundig en gaf op velerlei wijzen blijk van waardering voor diens heldendaad. Rama gaf hem ten antwoord: 'Dharma moèt zegevieren: de overwinning is het onvermijdelijke gevolg van de rechtschapenheid. In de eerste stadia van de strijd kan de gedachte aan dharma misschien enige vrees oproepen en schijnbaar ontzagwekkende hindernissen opwerpen. Het kan zelfs tot wilszwakte aanleiding geven. Ook kunnen er angstgevoelens rijzen voor een nederlaag of een mislukking. Men moet aan deze twijfel echter nooit toegeven, doch het oog uitsluitend op het doel gericht houden. Dan kan er nimmer sprake zijn van mislukking. De mens dringt niet diep genoeg door tot de waarheid van dharma's macht; hij laat zich overweldigen door oppervlakkige hindernissen en zorgen; dus verlaat hij het spirituele pad en moet hij lijden. Wat er geschied is komt allen ten goede en dat schrijf ik toe aan uw zegen.'

Met deze woorden wierp Rama zich nogmaals aan zijn vaders voeten. 'Het leger wacht uw orders af tot het hervatten van de tocht naar Ayodhya. Wees zo goed uw bevelen aan hen bekend te maken', sprak Rama. Dasharatha werd bij deze woorden met grote vreugde vervuld. Hij sprak: 'Zoon! Waarom nog langer talmen? Verdriet en vreugde wisselen elkander af en kwellen de mens naar lichaam en geest. We kunnen naar de hoofdstad gaan en trachten daar zo goed mogelijk te leven en gelukkig te zijn.' Hij riep zijn ministers bij zich en vroeg hun de troepen hun marsorders te geven.

De soldaten juichten van vreugde en begaven zich op weg. Het angstige intermezzo was ten einde. De rest van de reis vermeide Dasharatha zich in het steeds opnieuw voor de geest halen van de wonderlijke gebeurtenissen van die dag. Toen zij de stad dicht genaderd waren, werden enkele regimenten  vooruitgezonden om de burgers te verwittigen van de komst van het gezelschap, met zoons en schoondochters. De herinnering aan de grootsheid en heerlijkheid van wat de soldaten in Mithila en op de thuisweg hadden meegemaakt, gaf vleugels aan hun voeten. Pijlsnel bereikten zij de hoofdstad, om aan te kondigen dat Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna op het punt stonden de stad binnen te rijden en dat Dasharatha hen met deze heuglijke tijding vooruit had gezonden.

De burgers van Ayodhya versierden de straten en huizen op allerlei aantrekkelijke manieren. Bananenbomen werden aan weerszijden van de straat vastgebonden aan palen, waaraan ook trossen kokosnoten hingen. De straten werden met rozenwater besprenkeld. Zo werd de ganse stad op haar bekoorlijkst uitgedost.

Langs de gehele route stelden zich muzikanten met hun instrumenten op. Er was vuurwerk verzameld om langs de route uit te delen, zodat de wachtende rijen èèn ononderbroken stroom van kleur en gejuich zouden vormen. Men wachtte met gevoelens van diepe vreugde op de komst van het gezelschap en telde de minuten, turend in de verte om toch vooral de eerste glimp op te vangen. Vrouwen in sluiers gehuld verdrongen zich voor de vensters en deuropeningen en op de veranda's van de grote huizen, of gluurden vanachter overdwars gespannen gordijnen naar buiten.

Toen reed keizer Dasharatha de hoofdstad Ayodhya binnen, met zijn zonen en hun bruiden. Zodra zij in zicht kwamen, weerklonk muziek. De mensen juichten geestdriftig en riepen Jai, Jai tot zij er schor van werden. Vrouwen zwaaiden met lichten, strooiden bloemen op hun pad en sprenkelden rozenwater. De jonge prinsen straalden als heldere sterren. Toen het volk dit verheffende tafereel aanschouwde, vergaten velen van hen waar of wie zij waren; hun blijdschap kende geen grenzen. Hun dorst was niet te lessen, hoe lang zij ook toekeken; daarom liepen zij grote afstanden achterstevoren, om de ogen maar op de keizerlijke stoet gevestigd te kunnen houden! Zo ging het langs de gehele route, tot aan de poorten van het paleis. Daar hadden zich brahmanen opgesteld om de jonggehuwden te kunnen inhalen met vedische gezangen die geluk en voorspoed over hen afriepen. Dienstmaagden zwaaiden met lichten en voerden velerlei rituelen uit die het boze oog moesten afweren. Zij verzochten de bruiden binnen te treden met de rechtervoet voor.

Intussen stonden de vorstinnen Kausalya, Sumitra en Kaikeyi bij de ingang van de vrouwenverblijven en wachtten met vurig verlangen hun komst af. Zij sprenkelden reukwater van sandelhout, staken bloemen in hun haar en brachten rode stippen aan op hun voorhoofd. Toen de zonen arriveerden werden hun moeders door vreugde overweldigd; zij trokken ieder hun zoon naar zich toe en liefkoosden hem. Zij gaven zachte klopjes op hun hoofd en kin en zegenden hen uitbundig. Toen wierpen de vier zonen en hun bruiden zich aan de voeten van de drie moeders, bij wie de tranen van blijdschap over de wangen stroomden, want hun geluk kende geen grenzen.

De bedienden brachten onderwijl in melk gekookte rijst, in gouden kommen. De moeders stopten het voedsel bij de jonggehuwden in de mond en haalden hen over ervan te eten en ook om wat melk te drinken. Daarna werden zij naar de binnenvertrekken begeleid.

Voor de avond waren vrouwen uit Ayodhya ten paleize uitgenodigd om te delen in de feestelijke welkomstceremoniën ter ere van de jonggehuwden. Er was een indrukwekkend en fraai podium in gereedheid gebracht, waarop gouden zetels werden geplaatst. De vorstinnen brachten kostbare gewaden mee en sieraden met edelstenen in kunstzinnige patronen. Zij gaven vaardige hofdames opdracht de prinsessen te helpen met omkleden en zelf zagen zij erop toe dat de kledij en juwelen op de juiste wijze gedragen werden. Toen namen ze hen bij de hand en leidden hen naar hun plaatsen.

Tegen die tijd hadden Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna reeds hun plaatsen op het podium ingenomen. Zij waren in koninklijke gewaden gehuld en droegen behalve hun kroon nog allerhande kostbare sieraden. Zij zaten elk ter rechterzijde van hun bruid. De moeders en de andere vrouwelijke ingezetenen van Ayodhya die uitgenodigd waren, verlustigden zich in de aanblik van de pracht en heerlijkheid van het tafereel en hun harten vulden zich met onuitsprekelijke ananda. Terwijl men binnen in het paleis van de ceremonie genoot, werden daarbuiten met gulle hand geschenken uitgedeeld. Geld en goederen, zoals koeien, land, goud, graan, voertuigen en paarden, dat alles werd in overvloed geschonken.

Er liepen brahmanen naar de verhoging toe en zij wierpen de bruidsparen rijstkorrels op het hoofd, onder het reciteren van vedische gezangen. Toen zwaaiden gehuwde vrouwen met 108 lampen voor hen uit, om het boze oog te weren. Hierna stonden de zonen op en wierpen zich, evenals hun vrouwen, aan de voeten van de moeders, de vader en hun leermeester Vasishta. Daarop trokken zij zich ieder terug in hun eigen verblijf.

(Lees meer over Parasurâma in het Srîmad Bhâgavatam, Canto 9 ["Bevrijding"], Hoofdstuk15: Parasurâma, de Heer als strijder & Hoofdstuk 16: Parasurâma vernietigt de heersende klasse]


Hoofdstuk 9: Voorbereidingen tot de kroning

Nadat de prinsen zich ter ruste hadden begeven, wendde de prins van Kekaya, Bharata's oom van moederszijde, zich tot Dasharatha en wees hem erop dat er reeds geruime tijd was verstreken sinds hij, Yudhajit, zijn koninkrijk verlaten had om naar Ayodhya te gaan. 'Mijn vader wacht op mijn terugkeer. Het zou hem zeer gelukkig hebben gemaakt wanneer hij hier tijdens de feestelijkheden aanwezig was geweest. Hij weet niets van Bharata's huwelijk. Als hij komt te weten dat het huwelijk van zijn kleinzoon is gevierd zonder zijn aanwezigheid, zal hij zeer ontgoocheld zijn. Die teleurstelling valt nog enigszins te verzachten als Bharata nu met mij mee mag komen, zodat daar alsnog festiviteiten kunnen plaatsvinden om mijn vader tevreden te stellen en hem een genoegen te doen.'

 Dasharatha overlegde met zijn gemalinnen en ontbood Bharata bij zich. 'Zoon! Je moeders broer, je oom Yudhajit, wilde je reeds vanuit Mithila met zich meenemen, maar daar ging ik niet mee akkoord. Het is mij ter ore gekomen dat je grootvader zeer verlangend is je te zien. Maak je dus gereed om je oom te vergezellen', gebood Dasharatha. Daarop sprak Bharata: 'Vader! Het zou goed zijn als Shatrughna ook meeging.' Dus werd ook Shatrughna gezegd dat hij zich gereed moest maken voor vertrek. Toen gingen de twee broers in gezelschap van hun echtgenotes op weg naar de stad Girivraja. 

Respect voor ouders en opvoeders was voor Bharata voldoende beweegreden om, met zijn vrouw, Ayodhya te verlaten. Er werden geen bezwaren geopperd of discussies gevoerd. Bharata was begiftigd met een uitnemend verstand; bovendien was hij meester over zichzelf, over zijn zintuigen en zijn verlangens. De reis van Bharata, Shatrughna en hun vrouwen verliep in een zeer goede stemming en welgemoed kwamen zij aan in Girivraja. Zijn grootvader was verlangend om Bharata te zien en hem te omhelzen; hij vroeg hem naar de gezondheid en naar het welzijn van de mensen in Ayodhya. Hij vond dat zij er door de lange reis allen uitgeput uitzagen en stond erop dat zij zouden uitrusten; hijzelf bracht hen naar de voor hen bestemde verblijven. Vanaf dat ogenblik bejegende hij hen zelfs met meer toegenegenheid dan zijn eigen kinderen en zag hij er nauwlettend op toe dat aan hun geringste behoefte werd voldaan. 

Ofschoon de grootvader alles deed om het hun naar de zin te maken, leken de broers te lijden onder een of ander heimelijk ongenoegen. De waarheid was dat zij niet konden verdragen gescheiden te zijn van hun bejaarde vader en van Rama, want Rama was als hun levensadem. Onder elkander spraken zij voortdurend over niets of niemand anders dan Dasharatha en Rama. Bij tijd en wijle werden zij ondanks zichzelf gekweld door bezorgdheid over de gezondheid en het welzijn van hun vader, zozeer dat het hen beroofde van hun gemoedsrust. 

Dat waren de gevoelens die heersten in Girivraja, terwijl in Ayodhya geen moment voorbijging dat Dasharatha niet smachtte naar zijn zonen, wier gemis hij voelde als een grote leegte. Menigmaal stelde hij zichzelf de vraag: 'Waarom heb ik hen van hier weggezonden? Ach, het ware beter geweest als ik hen niet had laten gaan.' 

De vier zonen waren voor Dasharatha gelijk vier armen. Nu was hij van twee ervan beroofd. Op zekere dag zag Rama hoe zijn vader in gedachten verzonken was over de afwezigheid van Bharata en Shatrughna. Hij ging dicht bij zijn vader zitten, sprak zacht en teder met hem en maakte zijn vader daarmee gelukkig. Rama was buitengewoon zachtaardig. Hoe hardvochtig anderen ook tegen Hem mochten spreken, zijn antwoorden waren altijd mild en vriendelijk. Anderen mochten Hem dan al kwaad berokkenen, Hij zou het hun nimmer nadragen. Hij wilde slechts goeddoen en de ander dienen. Als Hij maar even tijd had, wisselde Hij van gedachten met bejaarde monniken, met algemeen geëerde brahmanen en grote geleerden over de regels van het rechtschapen handelen en de voorschriften der zedenleer. Hij ontleedde de geheimen van de vedische filosofie in simpele bewoordingen en legde aan wijze mannen problemen ter opheldering voor, als was Hij een gewone belangstellende. De wijzen en geleerden, die meesters waren op het gebied van de vedische wetenschap en van de studie der filosofie, waren verrukt over de uitleg die Rama gaf van de netelige vraagstukken die Hijzelf naar voren had gebracht; in alle toonaarden prezen zij Rama's intelligentie en geleerdheid.

Rama sprak tot zijn onderdanen nog voordat zij tot Hem spraken - zo vurig was zijn liefde voor hen. Liefdevol informeerde Hij naar hun welzijn en steeds was Hij vol medeleven. Daarom hielden zijn onderdanen ook van Hem als van hun beste vriend en dierbaarste familielid; zij vereerden Hem om de warme belangstelling die Hij in hen stelde. Rama hield zich strikt aan de diverse leefregels die de traditie voorschreef, hoezeer Hem dat ook ongelegen kwam of ongemak veroorzaakte. Tot wie Hij ook het woord richtte, immer had Hij een bekoorlijke glimlach op zijn gelaat, een vrolijke twinkeling in zijn ogen en waren zijn woorden vol liefde. Niemand zag ooit een spoor van boosheid, afkeer, wanhoop of haat op zijn gezicht. 

Rama was de belichaming van mededogen en sympathie. Hij verlangde niets liever dan diegenen te hulp te komen die zich aan zijn wil hadden overgegeven. De minder-wenselijke gewoonten waaraan vorstelijke personen zo licht ten prooi vallen, kregen bij Hem geen enkele kans. Hij verviel nimmer tot ondeugden als praatzucht of tijdverspilling. Niettemin, als iemand tegenover Hem zijn bekwaamheid in het debatteren wilde tentoonspreiden, verzuimde Rama nooit hem met nog slimmere tegenargumenten te pareren en hem zo op zijn plaats te zetten. Zijn lichaam kende geen ziekte en zijn geest geen bezorgdheid. Hij besefte wat mensen nodig hadden; zelfs voordat zij hun noden aan de vorst hadden voorgelegd, had Rama de mogelijke oplossing reeds overwogen en hun grief weggenomen, nadat Hij Dasharatha's toestemming had verkregen en daarvoor de ministeriële belangstelling had gewekt. Overigens dwarsboomde Dasharatha geenszins Rama's wensen, doch voerde ze uit zodra hij ervan in kennis werd gesteld. Rama verdiepte zich tot in de kleinste details in regeringszaken en nam de nodige voorzorgsmaatregelen om er zeker van te zijn dat problemen en ingewikkelde vraagstukken niet weer de kop zouden opsteken als ze eenmaal waren opgelost en rechtgezet. Rama had nog een opvallende eigenschap: Hij onthulde nimmer van tevoren datgene waartoe Hij in gedachten reeds had besloten. Tot het ogenblik dat zijn wil of wens uiteindelijk gestalte kreeg, kon niemand erachter komen wat die wil of wens inhield. Noch zijn boosheid of verbolgenheid, noch zijn voldoening was ooit zonder zin. Hij zou nooit iets uitstellen of zich laten afleiden of laten bedriegen. Door deze en dergelijke uitzonderlijke eigenschappen straalde Rama in alle verhevenheid. Dasharatha was zeer verheugd te zien hoe Rama de liefde en trouw van zijn volk veroverde. Van ministers, priesters en anderen hoorde hij hoe Rama steeds geliefder werd bij het volk en dit verblijdde Dasharatha zeer.

Op zekere avond had Dasharatha dorst en wilde hij water drinken; hij wilde de slapende vorstinnen niet wekken, dus schonk hij zelf wat water in een beker, uit een kan die naast zijn bed stond. Terwijl hij dronk, merkte hij dat zijn hand onvast was en dat zijn vingers trilden. Hierna kon hij de slaap niet meer vatten. Allerlei gedachten speelden door zijn hoofd. Hij trok tenslotte de conclusie dat zijn hoge leeftijd tot zwakte geleid had en hij besloot dat hij niet langer zijn keizerrijk moest besturen. Elke poging een volk te regeren terwijl de krachten van lichaam en geest reeds tanende zijn, kon slechts leiden tot verwarring en rampspoed. Hij telde de minuten, zodat hij bij het aanbreken van de dageraad zijn besluit om af te treden aan zijn ministers kenbaar kon maken. Eindelijk was de nacht voorbij en daagde het licht.

Nadat Dasharatha zijn ochtendbad en zijn dagelijkse riten beëindigd had, gaf hij zijn kamerheren opdracht de ministers, de vooraanstaande burgers en de priesters in het paleis bijeen te roepen voor een speciale vergadering. Allen die door Dasharatha ontboden waren kwamen, gehoorzaam aan het bevel van de keizer, zo snel mogelijk bijeen en wachtten zijn komst af. Dasharatha boog zich diep voor de voeten van Vasishtha en vertelde hem wat er die nacht was voorgevallen en over de stroom van gedachten die daardoor op gang was gebracht. Hij zei dat hij had besloten de last van het keizerlijk bestuur op Rama's schouders te leggen. Hij hoopte dat er geen bezwaren zouden rijzen tegen zijn voorstel en dat alle maatregelen in verband met de vervulling van deze wens zo spoedig mogelijk getroffen zouden worden. 

De eerste minister, Sumanthra, maakte Dasharatha's voornemen aan de vergadering bekend; de ministers, hovelingen, burgers, priesters en schriftgeleerden die daar bijeen waren, begroetten de tijding met vreugdevolle instemming. Zij juichten: 'Shubham, Shubham!' ('O, het geluk is met ons, hoe fortuinlijk zijn wij!'). Hun toejuichingen weerklonken tot in de hemel. Vasishtha verrees van zijn zetel en sprak: 'Majesteit! U hoeft zich niet de geringste zorgen te maken. Rama is in elk opzicht berekend voor deze belangrijke taak, maar wij kunnen het ons wel veroorloven een weinig te wachten, opdat wij deze gebeurtenis op grootse wijze vieren en daarbij al diegenen kunnen uitnodigen wier aanwezigheid wij op prijs stellen. Ik stel voor een maand of twee te wachten, opdat de kroning van Rama wordt omgeven met alle luister die wij ons wensen.' 

Doch Dasharatha riep uit: 'Mahatma! Niets gaat uw kennis en bevattingsvermogen te boven - u bent alwetend. Wanneer de keizer de macht over zijn ledematen verliest, verdient hij niet de teugels van het bewind in handen te houden. Het is een veeg teken, wanneer een vorst die door ouderdom verzwakt is, de begeerte koestert om op de troon te blijven. Dit zou duiden op een diepgeworteld egoïsme. Nu ik dit alles weet en toch in tegengestelde zin zou handelen, zou ik falen in de plicht die ik duidelijk voor mij zie. Vergeef mij, en tracht niet deze ceremonie uit te stellen. Geef mij toestemming om Rama te wijden tot kroonprins (yuvaraja), tot rechtmatige troonopvolger, binnen twee of drie dagen.' Aldus smeekte Dasharatha in grote ootmoed en met diepe eerbied. 

Vasishtha richtte Dasharatha op en zegende hem. Hij sprak: 'Majesteit! Ook het huwelijk van Rama vond plaats naar de ingeving van het ogenblik! Het kwam als een plotselinge genade uit de hemel. Daardoor kregen uw onderdanen geen kans om te delen in de vreugde van die gewichtige gebeurtenis. Als nu ook de kroning zo plotseling beslist en onverwacht gevierd zou worden, dan zou dat niet alleen de heersers van vele delen van dit rijk pijnlijk treffen, doch het zou bovendien zijn broers Bharata en Shatrughna groot verdriet berokkenen. En Janaka, die nu uw aanverwant en vriend is, kan misschien niet eens de plechtigheid bijwonen! Ik stel daarom voor dat u deze zaken goed overweegt aleer u de datum vaststelt.' 

De eerste minister stond op en sprak: 'Moge de vereerde familie-raadsman mij vergeven! De beslissing van de keizer heeft ons aller waardering en goedkeuring. Ramachandra is, zoals de naam aanduidt, als de maan die de brandende hitte verdrijft en ons allen verkoeling en vertroosting brengt. Hij neemt de pijn weg die veroorzaakt wordt door haat, boosaardigheid, hebzucht en jaloezie. Zijn wijding tot yuvaraja mag niet uitgesteld worden, om welke reden dan ook. Wees zo goed hiertoe de nodige bevelen te geven, o keizer! Ik bid hierom, namens de gehele bevolking van dit keizerrijk.' 

Toen de keizer en de eerste minister deze argumenten aanvoerden, kon Vasishtha niet langer zijn opvatting handhaven. Hij vond het noodzakelijk te weten hoe het volk zelf erover dacht. Hierop verrees Dasharatha van zijn zetel en met èèn enkele oogopslag bezag hij de ministers, vooraanstaande burgers, geleerden, priesters en alle anderen die in groten getale bijeen waren. De aanwezigen ontvingen dit gelukkige voorstel met donderende bijval! Te midden van de opwinding stond een burger op die tot de elite der stad behoorde. Hij riep uit: 'Maharadja! De machtige keizers van uw geslacht hebben ons, onderdanen van dit rijk, gekoesterd alsof wij hun eigen kinderen waren. Dit rijk van Kosala kwam tot bloei en verwierf vrede door de goede zorgen en de genegenheid van Ikshvaku. Uw oudste zoon Rama is rijk aan deugden, Hij is volkomen toegewijd aan de wetten van dharma; Hij is even heldhaftig als de koning der Goden en meer dan wie ook heeft Hij de gave om te heersen over de drie werelden. [Triloka - de drie werelden - aarde (bhumi), hemel (svarga) en onderwereld (patala)]. Het betekent voor ons een groot geluk dat u de gedachte koestert om Hem tot yuvaraja te wijden. Het fortuin is daarom ongetwijfeld met ons.' 

Toen de burger aldus sprak, uit naam van alle onderdanen van het rijk, richtte Dasharatha zich tot de menigte: 'Leden van deze vergadering! Gedurende de lange jaren dat ik dit rijk heb geregeerd, heb ik het pad mijner voorvaderen gevolgd; ik heb over welzijn en voorspoed gewaakt zo goed als dat in mijn vermogen lag, met het oprechte verlangen de ganse wereld tot heil te zijn. Mijn leven lang heb ik doorgebracht onder de bescherming van dit witte zonnescherm dat zich boven mijn troon bevindt [Onder het witte scherm van de sattvische levenswijze: zuiver, gelijkmoedig en onthechts]; nu ben ik een oude man. Ik ben tot het besef gekomen dat de levenskracht van lijf en leden is afgenomen. Dit afgetakelde lichaam moet het wat kalmer aan doen. Mijn beslissing is genomen. Een keizerrijk regeren is geen gemakkelijke opgaaf en geen onbelangrijke opdracht, want daarvoor moet men een toegewijd dienaar zijn van dharma - rechtschapenheid. Dharma kan slechts dan ononderbroken worden gehandhaafd, als het hoofd van de regering een persoon is die zich voortdurend bezighoudt met sadhana en die de gave bezit zijn zintuigen onder strenge controle te houden. Ik heb deze last zo lang getorst dat de krachtsinspanning mij heeft uitgeput. Als u allen mijn plan goedkeurt en er de juistheid van inziet, zal ik u er de bijzonderheden van vertellen. Ik zal nimmer ingaan tegen uw wens of voorkeur. 

Ik oefen geen enkele dwang op u uit; wees niet bevreesd dat ik u mijn wensen wil opleggen, of dat dit een koninklijk besluit is dat u moet gehoorzamen. Ik laat het over aan uw vrije wil en uw oordeel. Mocht een andere regeling u beter toeschijnen, dan bent u volkomen vrij dit aan ons kenbaar te maken, zodat wij die in alle openheid kunnen overwegen. Overleg daarom met elkander en laat mij tegen de avond weten waartoe u besloten hebt.' 

Nog voor Dasharatha zijn toespraak had beëindigd, werden de aanwezigen rusteloos en opgewonden, als pauwen onder een bewolkte hemel die overvloedige onweersbuien voorspelt. Luidkeels lieten zij hun instemming, hun dankbaarheid en hun vreugde horen, in niet mis te verstane bewoordingen. 'Uw verlangen is gelijk het onze. Wij wensen geen andere gift; geef ons dit geschenk. 0, dit is waarlijk een grote zegen. Veel geluk! Yuvaraja Ramachandrajiki Jai! Jai Dasharatha Rama! 'De toejuichingen doorkliefden de hemel. Luisterend naar de algemene bijval werd Dasharatha heen en weer geslingerd tussen vreugde en vrees. Dasharatha stond als versteend bij deze spontane uitbarsting van trouw en genegenheid. Na enige tijd hervond hij zijn evenwicht; hij staarde naar de aanwezigen en begon te spreken: 'Leden van deze vergadering! Er is voor mij geen belangrijker taak dan het inwilligen van uw wensen. Ik zal zonder mankeren Rama tot yuvaraja laten wijden. Toch ben ik ook enigszins bezorgd. Ik zal u uitleggen waarom en zou dan gaarne enige woorden van geruststelling van u horen. Het is mijn wens dat u mij uw eerlijke beoordeling geeft en mij de genoegdoening schenkt waarnaar ik zo vurig verlang. De waarheid is dat, terwijl ik op het punt stond u mijn plan voor te leggen om Rama tot yuvaraja te wijden, u te kennen gaf - zelfs vÛÛr ik erover kon spreken - dat ik Hem onverwijld moest kronen en dat zijn vermogen om dit rijk bekwaam en verstandig te regeren onbegrensd is. Als ik dit feit eerlijk onder ogen zie, dan is het duidelijk dat u enigszins ontevreden bent over mijn bestuur, of dat sommige van mijn wetten indruisen tegen uw belang of voorkeur. Heb ik soms blijk gegeven van enige neiging die in tegenspraak is met dharma? Smacht u zozeer naar Rama's kroning als yuvaraja omdat u twijfelt aan mijn bekwaamheid u tot heil te zijn als regerend vorst? Ik nodig u uit mij aan te tonen waar ik gefaald heb en mij op mijn dwalingen te wijzen. Doe dit onbevreesd en in alle volledigheid; ik zal een openhartig relaas zeer op prijs stellen.' 

Hierop verrees èèn der leiders van het volk en antwoordde: 'Rama's bekwaamheid en zijn schranderheid tarten elke beschrijving. En u, o majesteit, bent gelijk aan de God der Goden; u bent als Shankara (Shiva) met hetzelfde goddelijke mededogen en de bereidheid uw onderdanen alles te schenken wat zij vragen. In uw vermogen ons te beschermen bent u Vishnu gelijk. Wij zouden wel zeer verachtelijk en slecht zijn als wij ooit een smet durfden te werpen op uw heerschappij. Zij die zulks doen, zijn afschuwelijke zondaren. U bent tot uw besluit gekomen daar u immer het beste met ons voor hebt en vurig verlangt ons gelukkig te maken. Wij zullen uw bevel onvoorwaardelijk gehoorzamen.' Hierop richtte Dasharatha zich tot de hogepriester. '0 grootste onder de brahmanen! U hebt gehoord hoe het volk zijn wensen kenbaar heeft gemaakt. Nu geen verder uitstel meer; verzamel al het materiaal en de rituele benodigdheden voor de kroningsceremonie', verklaarde Dasharatha, met geestdrift vervuld bij de gedachte aan de komende gebeurtenis. 'Zet de omheiningen op en bouw de verhogingen, zoals die in de heilige Geschriften voor de verschillende onderdelen van de ceremonie zijn voorgeschreven en breng de offerplaatsen en andere heilige stellages in gereedheid', sprak hij. 

Dasharatha wierp zich aan de voeten van Vasishtha, de geestelijk leidsman der familie, en verzocht hem om toezicht op de werkzaamheden te houden. 'Meester! Allen die op tijd kunnen komen, zullen aanwezig zijn; laat ons niet blijven wachten op diegenen die van verre moeten komen. Als zij horen dat Rama gekroond is, kunnen zij daarover evenzeer verheugd zijn. Wijs mij niet, als reden tot uitstel, op de noodzaak de vorst van Kekaya of Janaka uit te nodigen en te wachten op hun komst. Sta ons toe dat wij de heilige ritus der kroning zo spoedig mogelijk voltrekken', pleitte hij met smekend gevouwen handen. 

'Maharadja!', antwoordde Vasishtha, 'wat mij betreft is alles gereed en kunnen wij beginnen zodra u dat wilt. Ik heb opdracht gegeven dat alles morgen met de dageraad beschikbaar is: de honderd gewijde kannen en bekers, het tijgervel, de gewijde overdekte ruimte en de verschillende ruimten daaromheen, de materialen voor de rituelen van de eredienst zoals voorgeschreven in de heilige Geschriften, de kruiden en de bloemen. En dat is nog niet alles. Ik heb de vier legeronderdelen te kennen gegeven dat zij paraat moeten zijn; ook de olifant Sathrunjaya, die alle gunstige kenmerken heeft waarover de Shastra's spreken, zal op zijn fraaist worden opgetuigd. Het luisterrijke witte zonnescherm en de vlag van de keizerlijke dynastie zullen eveneens gereed worden gehouden op het paleis. Ook het gunstigste tijdstip is uitgekozen: dat is morgen.' Toen Vasishtha het goede nieuws aankondigde, werd de bevolking overweldigd door dankbaarheid en opgetogenheid; de mensen dansten van vreugde. 

De straten werden geveegd en gereinigd tot zij brandschoon waren en daarna, evenals de muren en gebouwen, beschilderd met ingewikkelde figuren. Er werden slingers opgehangen; bogen, luifels en zonneschermen werden opgericht boven de route; iedereen was ijverig in de weer en in een staat van blijde opwinding. De brahmanen en de notabelen namen afscheid van Dasharatha, kwamen uit het paleis te voorschijn en vormden een ware stroom van vrolijkheid en opgewonden gesprekken. De ministers, Vasishtha en de keizer trokken zich terug in de privè-vertrekken. 

Dasharatha ontbood Rama naar de ontvangstzaal, waar hij Hem alles uitlegde over de ceremoniële formaliteiten en rituelen die aan de kroning verbonden waren. Hij herinnerde Rama eraan dat Hij voor zonsopgang gereed moest zijn en beschreef Hem de voorbereidselen die Hij moest treffen. Lakshmana had het nieuws gehoord en rende nu naar Kausalya, Rama's moeder, om de blijde tijding over te brengen en om haar deelgenoot te maken van zijn opgetogenheid. Kausalya was overgelukkig en kon nauwelijks wachten tot zij Rama zou zien. Het grote moment zou spoedig aanbreken, dus verkeerde de ganse stad in grote opwinding. Dorpen ver in de omtrek en zelfs de aangrenzende staten waren weldra op de hoogte, want goed nieuws verspreidt zich snel. En niemand die op een ander bleef wachten: zo gauw iemand het nieuws hoorde, spoedde hij zich naar de hoofdstad. Langs alle wegen die naar Ayodhya leidden, zwol de mensenstroom aan tot een onbeheersbare vloedgolf. 

Ramachandra luisterde naar wat Dasharatha Hem vertelde, maar Hij gaf geen antwoord. Zijn gevoelens vielen niet in woorden uit te drukken. Hij kon niet zeggen wat er in Hem omging en zweeg dus stil. Zijn zwijgen deed Dasharatha beschuldigend uitroepen: 'Zoon! Waarom zie ik geen enkel teken van vreugde bij het vooruitzicht dat je morgen gekroond zult worden als yuvaraja? Wil je soms geen troonopvolger zijn? Is het soms een teken van bezorgdheid of vrees bij de gedachte dat wij de last der staat op jouw schouders zullen laden?" In weerwil van Dasharatha's langdurige ondervraging en liefdevolle smeekbeden stond Rama voor de keizer alsof Hij zijn tong verloren had. Tenslotte sprak Hij: 'Vader! Ik begrijp niet wat u zo overhaast doet handelen. Mijn geliefde broers Bharata en Shatrughna zijn er nu niet. Ook grootvader is ver weg en hij kan wellicht niet op tijd hier zijn. Mijn schoonvader kan misschien ook niet komen. En de heersers van de andere staten, prinsen en onderkoningen, zij allen kunnen misschien evenmin aanwezig zijn. Het bezwaart mijn gemoed dat wij een dusdanig groot aantal mensen zullen teleurstellen. Het strookt niet met de idee van een feestelijke gebeurtenis dat zovelen zich zeker gekwetst zullen voelen.' Hij vroeg vergiffenis voor het uitspreken van zijn gevoelens en wierp zich aan Dasharatha's voeten. 

Het was Vasishtha die antwoord gaf. 'Rama! Ook wij hebben deze bezwaren geopperd; denk niet dat wij stilzwijgend hebben ingestemd met de wens van de keizer. Wij hebben alle voor- en nadelen overwogen en rekening gehouden met de mening van het volk aleer wij deze beslissing namen. Maak nu geen bezwaar en eerbiedig de wens van de keizer; de kroning en de zalving zullen morgen moeten plaatsvinden. Er zijn bepaalde geloften waaraan U zich heeft te houden; vannacht mag U niet slapen op een brits of een zacht bed. U zult moeten vasten, en Sita eveneens. Zodra de dag aanbreekt, moeten U beiden een bad nemen, nadat U gewijde olie op uw hoofd hebt gedaan, want de ster Pushya, onder welker gelukkig gesternte de heilige ritus voltrokken zal worden, rijst op dat tijdstip. Trekt U zich nu dus zonder tegenwerpingen terug in uw paleis.' 

Zodra de leraar was uitgesproken, wierp Rama zich aan de voeten van zijn vader en van Vasishtha en begaf zich naar zijn paleis, vergezeld door Sumanthra, de minister en vertrouwensman. Ditmaal aarzelde Hij niet. Hij bracht het nieuws over aan Sita en ging daarna snel naar de vertrekken van zijn moeder. Hij wierp zich voor haar ter aarde; zij richtte Hem op met zachte hand en liefkoosde Hem vol genegenheid, door vreugde overweldigd. Zij gaf Rama opdracht ten teken van dank aan de brahmanen de runderen te schenken die zij voor dit doel bijeengebracht had en die zij versierd had met kostbare ornamenten. Aan anderen liet zij Rama een grote verscheidenheid aan geschenken weggeven. Lakshmana en diens moeder Sumitra waren ook aanwezig. Kausalya deed Rama naast zich plaatsnemen en terwijl zij haar vreugdetranen, die zij de vrije loop had gelaten, droogde, sprak zij: 'Zoon! Ik heb lang op dit kostbare ogenblik moeten wachten, maar nu is mijn vurigste wens vervuld. Ik ben gelukkig; dit geeft mijn leven zin en betekenis. O jij kostelijk juweel! Mijn gouden zoon! Vanaf morgen zul jij de yuvaraja zijn. Moge je lang leven en heersen over dit keizerrijk; laat het welzijn van het volk immer je ideaal zijn. Moge je heerschappij geluk en veiligheid brengen, volgens de voorschriften van rechtvaardigheid en goede zeden. Vergaar nimmer-tanende roem en houd de naam en de glorie hoog die de vorsten uit dit geslacht verworven hebben; mogen je macht en majesteit zelfs die van je vader overtreffen. De dag dat je die positie bereikt hebt, zal ik het gevoel hebben dat mijn leven tot volle bloei is gekomen. Mijn geloften, mijn vasten en gebeden zullen dan vrucht hebben gedragen.' 

Kausalya, de moeder, liefkoosde Rama, streek over zijn krullende lokken en sprak zoete woorden van zegen. Zij gaf Hem zeer waardevolle raad, die Rama met onverdeelde aandacht aanhoorde. Rama had binnenpret en plaagde Lakshmana met goedmoedige scherts. 'Broer! Kun je me zeggen welke edele prinses niet verrukt zal zijn bij de aanblik van zo'n charmante kerel?' Waarop Lakshmana antwoordde: 'Broer! Ik heb geen fortuingodin van node die mij wil trouwen! Wanneer jij in jouw eigen rijk enkele taken zou willen overdragen, zal ik die op mij nemen; dat is alle rijkdom die ik mij wens.' Hiermee wierp hij zich aan Rama's voeten. 

Rama sprak: 'Lakshmana! Jij bent mijn adem. Daarom zul je gelijk met mij delen in de verantwoordelijkheden van het bestuur. Dus moet jij, evenals ik, erop voorbereid zijn dat je juwelen en koninklijke gewaden moet gaan dragen. Je zult een gelijk aandeel krijgen in mijn lasten en ook delen in mijn geluk, in mijn roem en mijn fortuin. In alles wat ik ben en wil zullen wij gelijk opdelen.' 

Terwijl Rama deze woorden sprak, stortte Sumitra tranen van vreugde en liet een vloed van zegeningen op Rama en Lakshmana neerdalen. Zij sprak: 'Rama! De liefde tussen jou en Lakshmana maakt mij zeer gelukkig. Mijn zoon heeft geen hogere status van node dan jouw dienaar te zijn. Als hij zich maar eeuwig in jouw liefde en genegenheid mag koesteren, zal hem dat voldoende zijn.' Toen zij uitgesproken was, wierp Rama zich aan haar voeten. Lakshmana volgde zijn voorbeeld. Daarna vergezelde hij Rama naar diens paleis. Toen de avond viel, werd Rama's gelofte van de rituele vasten van kracht. Hij legde zich terneer op een mat van gewijd kusa-gras.

Hoofdstuk 10a: De twee gunsten

Wijd en zijd weerklonken de vedische gezangen. Voor de rituele wassing van Rama en Sita werd het heilige water van de rivier de Sarayu door dienaren aangedragen in gouden vaatwerk. Geleerde mannen reciteerden gezangen om de zegen over het paar af te roepen; de recitatie verwarmde het hart en streelde het oor. 

De avond tevoren, toen Kaikeyi's dienares Manthara huiswaarts keerde, was zij getuige van de blijde opwinding die heerste onder de bevolking. Toen zij iemand naar de reden daarvan vroeg, vernam zij dat de aanleiding tot al die vreugde en vervoering de naderende kroning van Ramachandra was. Zij ontwaarde de dienaressen van Kausalya en Sumitra, gekleed in leliewitte sari's en getooid met kostbare sieraden, die zich in alle richtingen voortrepten. Manthara kon de aanblik daarvan niet verdragen. Rillingen van afschuw liepen over haar lichaam, alsof zij door duizend schorpioenen werd gestoken. Zij rende naar Kaikeyi's paleis en toen bleek dat de vorstin zich reeds naar haar privèvertrekken had begeven, liep Manthara snel daarheen, bonsde op de deur en schreeuwde: 'Moeder! Moeder! Doe open! Het is dringend! Uw leven is in gevaar! Er staat ons een aardbeving te wachten!' Toen zij Manthara's opgewonden kreten hoorde, waarbij haar woorden over elkaar tuimelden, opende Kaikeyi haastig de deur en vroeg angstig: 'Wel? Wat is er gebeurd? Welk onheil wacht ons? Is er iets ingestort? Wat is de oorzaak van al deze angst en smart?' 'Neen, er is met mijzelf niets aan de hand. Het is uw leven dat verwoest gaat worden, dat is alles. Van nu af aan zult u moeten leven als een vrouw buiten zinnen, overladen met zorgen', sprak Manthara. In tranen weidde zij uit over de beklagenswaardige positie waarin de vorstin zou komen te verkeren. Heftig gesticulerend en diep zuchtend jammerde zij luid en langdurig. 

Kaikeyi begreep er niets van. 'De maharadja maakt het goed, nietwaar? En Rama, Lakshmana? Kausalya? Sumitra? Er scheelt hun toch niets, zeker? Welnu, als zij allen gezond en wel zijn en hun geen gevaar dreigt, dan maak ik mij totaal geen zorgen. Wat kan mij nu overkomen? Of zijn zij wel in gevaar, zeg het me. Manthara, ik wil het nu weten', drong de vorstin aan. Zij keerde het hoofd van haar dienares naar zich toe, vatte haar onder haar kin met een vertederend gebaar en smeekte om een antwoord. 

Manthara sprak: 'Aan degenen die u zojuist noemde is geen enkel leed geschied! Doch zij zijn voornemens ... uw zoon de nek om te draaien!' en zij brak uit in aandoenlijk geweeklaag. 'Je moet je vergissen, Manthara!' wierp Kaikeyi tegen. 'De maharadja is daar de persoon niet naar, evenmin als Rama of Lakshmana, of mijn zusters Kausalya en Sumitra! Mijn zusters houden zelfs nog meer van mijn zoon, dan van hun eigen zonen. Je woorden brengen een verwrongen denkwijze aan het licht, anders niet. Met de waarheid heeft het niets van doen! Welnu, je hebt me nog steeds niet gezegd wat er werkelijk gaande is; komaan, vertel nu het gehele verhaal.' 

Manthara antwoordde: 'Wat er gaande is? Morgen, bij het aanbreken van de dag, zal Ramachandra tot Yuvaraja worden gewijd! De eerste koningin, wier hart overloopt van blijdschap, schenkt haar dienaressen kostbare zijden sari's en sieraden. Zij heeft Rama verzocht overvloedig goud en runderen ten geschenke te geven. Terwijl zij zich met al deze feestelijke activiteiten bezighouden, veronachtzamen zij u! Ik kan dit niet stilzwijgend verdragen en lijdzaam toezien. U kunt nog niet begrijpen wat hieruit voort zal vloeien. U koestert zich in de ijdele waan dat niemand zo fortuinlijk is als u. Maar het is spoedig gedaan met uw geluk. Voor uw echtgenoot en zijn andere gemalinnen bent u niet langer van enig belang. Voor u het weet, hebben zij u verlaagd tot de verachtelijke status van een dienares. Ik raad u aan een weinig waakzaam te zijn, vÛÛr die vernedering u overvalt. Ontwaak uit uw slaap; bepaal uw te volgen handelwijze in het volle besef van de consequenties. Bedenk hoe u kunt ontsnappen aan de rampspoed die u bedreigt en die snel naderbij komt. 

Als Rama de troon bestijgt, zal Kausalya het ganse rijk in haar greep hebben, vergeet u dat niet! U zult, net als iedereen, naar haar pijpen moeten dansen.' Manthara speelde haar rol met overtuiging en plengde valse tranen om haar sluwe plan te verbergen en haar woorden meer overtuigingskracht te geven. 

Kaikeyi was onder de indruk van Manthara's loyaliteit, maar zij was niet overtuigd van de juistheid van haar argumenten. Zij sprak: 'Manthara! Wat bezielt je toch? Heb je je verstand verloren? Je spreekt als een waanzinnige! Rama's troonsbestijging voorspelt niets dan goeds voor het ganse keizerrijk. Hier, neem mijn halssnoer, als een geschenk en als beloning omdat je mij als eerste dit heerlijke nieuws hebt gebracht. Wees gelukkig en vol blijdschap! Rama's wijding tot troonopvolger verheugt mij misschien zelfs meer dan Kausalya. Mijn blijdschap bij deze goede tijding kent geen grenzen. Ramachandra heeft mij meer lief dan zijn eigen moeder. Hij bewondert mij meer dan haar. Ik weiger te luisteren naar zulke verdachtmakingen tegen iemand die zo zuiver en vol liefde is. Je lijkt wel niet goed wijs; je hebt je verstand verloren.' Zo berispte Kaikeyi haar dienares op scherpe toon. Manthara toonde nu openlijk haar toenemende gekrenktheid. Haar opwinding steeg en zij maakte groot misbaar. 'Ik ben bij mijn volle verstand; het is het uwe dat is aangetast!' riep zij uit. 'U bekommert zich niet om het boze lot dat u wacht. U klampt zich blindelings vast aan uw vroegere vertrouwen en uw dierbare gehechtheden. Ik leef in angst en vrees om uw geluk en uw zelfrespect. De anderen spelen allen toneel en doen alsof, om u maar te kunnen bedriegen. In hun hart hebben zij geen respect voor u. De eerste koningin, Kausalya, is de enige die de maharadja bekoort; voor zijn andere gemalinnen koestert hij geen liefde. Om u een genoegen te doen zal hij u af en toe wat zoete woordjes toefluisteren, dat is alles; maar er is geen liefde in zijn hart voor u. Denkt u nu eens goed na. Niemand heeft u ingelicht en niemand heeft u geraadpleegd over dit voorstel, omdat men geen achting of respect voor u gevoelt. Heeft iemand er ooit zelfs maar met een woord over gerept? Bedenk wel dat zij gewoonlijk maandenlang delibereren en plannen maken alvorens een dergelijke beslissing te nemen. Een kroning komt niet plotseling; zij komt niet zomaar op een mooie dag uit de lucht vallen, wel? Neen, zij hebben in alle stilte en in het geheim hun besluit genomen. Dit is niets anders dan geïntrigeer van Kausalya' , beweerde Manthara. 

Kaikeyi kon het niet langer aanhoren. Zij barstte uit: 'Hou op met dat soort praat, Manthara! Mijn zuster is niet in staat tot kuiperij; nimmer zou zij zo diep zinken. Dat is onmogelijk. En de maharadja? Hij is zelfs nog edeler en rechtvaardiger dan mijn zusters. Er is in hem geen spoor van achterbaksheid of laaghartigheid. Er zal wel een goede reden geweest zijn om zo snel tot een kroning te besluiten. De viering van Rama's huwelijk, die maanden van voorbereiding zou hebben gevergd, vond immers ook plaats vlak nadat de beslissing ertoe was genomen. Tot kroning van Rama zou eveneens op deze wijze besloten kunnen zijn, waarom niet? De maharadja zal nu zelf wel onthullen wat hiertoe de bijzondere aanleiding is geweest. Je maalde er niet om de ware toedracht te achterhalen; je hebt wel allerlei absurde beweegredenen en ongegronde angstgevoelens bijeen gefantaseerd en de motieven van onschuldigen in twijfel getrokken! Over enkele ogenblikken zal alles worden opgehelderd, wees geduldig.' Zo klonk Kaikeyi's ernstige vermaning aan haar dienares. 

Manthara zag haar listige plan reeds smadelijk mislukken. Dus nam zij haar toevlucht tot nog laaghartiger overredingstactieken. 'Moederlief! Denk toch nog eens diep na; ik heb tijdens mijn rondgang door de stad allerlei geruchten opgevangen. Het besluit tot deze kroning is in feite reeds maanden geleden genomen. Om die reden zijn Bharata en Shatrughna zo overhaast weggestuurd uit de hoofdstad. Men vreesde dat hun aanwezigheid hier tot verwikkelingen zou leiden. Er zullen zeker goede gronden zijn voor die vrees; waarom zou de kroning anders geregeld worden tijdens hun afwezigheid? Bent u werkelijk niet meer in staat uzelf deze simpele vraag te stellen? Destijds, toen Dasharatha u tot vrouw nam, beloofde hij u plechtig dat, als u een zoon zou krijgen, deze tot koning van dit rijk gekroond zou worden. U bent dat misschien vergeten, maar ik zeker niet. Het is uit angst dat Bharata's aanwezigheid hier op dit belangrijke ogenblik de herinnering aan deze belofte zou kunnen oproepen en zodoende hun plannen zou dwarsbomen, dat zij Bharata hier hebben weggehouden door hem naar zijn grootvader te sturen. Heeft de kroning eenmaal plaatsgevonden, dan kan niets deze meer ongedaan maken. Om deze boze opzet te doen slagen, hebben ze hun idee geheim gehouden en al die tijd voor u verborgen. Denk eens na over de diepere bedoelingen van hun handelwijze. U staat nooit stil bij dergelijke aangelegenheden: voor u is het ·l melk wat wit is! Men maakt misbruik van uw domheid en uw argeloosheid. U gaat volledig op in uw liefde voor Rama en in uw verdwazing herhaalt u steeds 'Ram, Ram' . Welnu, alle andere overwegingen terzijde gelaten: die Rama, die u zozeer bemint, heeft die u tenminste op de hoogte gebracht van het grote geluk dat hem ten deel was gevallen?' 

De gewetenloze Manthara gebruikte menig listig en ogenschijnlijk oprecht argument om de zuivere, onzelfzuchtige gedachten van Kaikeyi te vertroebelen en te vergiftigen. 

Zij sprak: 'Moeder, wie is er in de stad Ayodhya bereid ons een weinig respect te betonen? Wie bejegent u hier als iemand die iets betekent? Zij zijn allen èèn en hebben zich allen eendrachtig tegen u gekeerd. U bent een vreemdelinge in deze Stad. Zij zouden u zelfs binnenkort uit Ayodhya kunnen verjagen; zij zullen ook een dergelijke laagheid niet schuwen. De keizer is een geslepen bedrieger, die handig manipuleert; als hij bij u komt, spreekt hij lieve woorden om zijn grillen te bevredigen en hij vertrekt als overwinnaar! U beseft niet dat u een zwakke plek hebt, die u belet de hoge status te bereiken die u toekomt. Moeder! U mag niet vergeten dat koningen immer worden beheerst door wellust en niet door liefde. Uw vader wist dat en wilde u daarom niet uithuwelijken aan deze bejaarde huwelijkskandidaat. Na langdurige onderhandelingen en vele gesprekken en dankzij de bemiddeling van de wijze Garga, werd op het huwelijksaanzoek ingegaan, zij het dat Dasharatha werd gedwongen om aan talrijke voorwaarden te voldoen. 

Vandaag zijn die overeenkomsten in vlammen opgegaan en is uw zoon bedrogen; intussen spelen zij rustig en vrolijk hun spel! Waarom zouden zij anders hun kans benutten nu uw zoon afwezig is? Waarom zouden ze zoveel haast hebben dat geen enkele heerser buiten de grenzen van het keizerrijk de kroning kan bijwonen? Denkt u toch eens in hoe hun gemene mentaliteit aan het licht komt! Wat zijn zij vol van ondeugd en bedrog! Indien de naburige vorsten worden uitgenodigd, zal uw vader beslist niet de kans verzuimen om aanwezig te zijn. Hij zal dan natuurlijk ieders aandacht vestigen op de belofte die hem indertijd gedaan is. Dus zijn ze van plan de kroning door te voeren zonder iemand ervan te verwittigen; is de plechtigheid eenmaal achter de rug, dan kan, zoals zij weten, niets die meer ongedaan maken. Deze samenzwering is door sluwe lieden met dit oogmerk uitgebroed, dus wees tijdig gewaarschuwd. Als u dit moment laat voorbijgaan, dan zal uw lot zo verachtelijk zijn als dat van een hond. Talm dus niet, maar denk diep na en neem het juiste middel te baat om de kroning te voorkomen.' Zo stookte Manthara het vuur van woede en haat nog verder op. Ten langen leste bezweek Kaikeyi voor haar kuiperijen! Zij sprak: 'Terwijl ik naar je woorden luister, komt mij elke nieuwe verklaring nog overtuigender voor dan de voorafgaande! Ja, je hebt gelijk, deze aangelegenheid kan niet wachten. Wat is de volgende stap? Als je me kunt vertellen wat ik nu doen moet, zal ik ernaar handelen.' 

Toen Kaikeyi zo duidelijk te kennen gaf dat zij zich had laten inpalmen door haar sluwe listen, werd Manthara overmand door vreugde en trots. Zij sprak nu met groter zelfvertrouwen: 'Moeder! Verdere overwegingen zijn overbodig. De argumenten waarmee u uw eisen kracht kunt bijzetten zijn sterk en voor de hand liggend. Op de dag dat de keizer dankbaar de hulp aanvaardde, die u hem verleende op het moment dat hij in levensgevaar verkeerde, bood hij u toen niet twee gunsten aan? En mocht u toen niet elke twee gunsten vragen die u maar wilde? Hebt u hem toen niet gezegd dat u, aangezien u op dat ogenblik niets van node had, dit aanbod in gedachten zou houden en erom zou vragen wanneer de behoefte zich zou voordoen ? Vandaag zullen deze twee wensen wel duizendvoudig hun nut bewijzen! U kunt van hem eisen dat hij ze u nu toestaat, nietwaar?' Manthara's woorden, met kalme nadruk uitgesproken, deden Kaikeyi het hoofd opheffen alsof zij schrok. Zij sprak: '0 Manthara, wat ben je toch slim! Je uiterlijke verschijning mag dan die van een lelijke gebochelde zijn, je vindingrijkheid en intelligentie verlenen je grote charme. Ofschoon het je aan lichamelijke schoonheid ontbreekt, wordt dat gebrek vergoed door je intellectuele vaardigheden. Zeg mij hoe ik mij van deze twee gunsten kan verzekeren en welke het moeten zijn.' 

Manthara antwoordde: "Moeder! De eerste zal zijn dat uw zoon tot yuvaraja moet worden gewijd. De tweede zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat Rama niet in het keizerrijk mag blijven.' Luisterend naar Manthara's suggesties, die zonder enige aarzeling werden geopperd, verzonk Kaikeyi in diep gepeins. Toen zij zich hersteld had, sprak zij: 'Manthara! Het is wellicht een rechtvaardige eis dat mijn zoon gekroond wordt, maar ik kan mij niet verenigen met de gedachte dat Rama uit het rijk Verbannen wordt. Het idee alleen al doet mij verdriet.' Dit zeggend liet zij zich in een zetel vallen. Manthara zag dat zij snel moest handelen. 'Moeder! Dit is niet het ogenblik voor sentimentele gewetensbezwaren. Aarzeling en uitstel veranderen zelfs ambrozijn in vergif. U zult vastberaden moeten zijn, anders zal ons plan mislukken. Voor het wrede onrecht dat zij u hebben aangedaan is deze vergelding nauwelijks toereikend. Als u wenst dat uw zoon koning wordt en u de status van koninginmoeder verkrijgt, zult u moeten doen wat ik zeg, of ik zal mij door middel van vergif het leven benemen. Ik kan niet verdragen u te zien lijden, zolang ik leef.' Manthara weende luidkeels, alsof zij werd meegesleept door haar intense gevoelens van liefde en aanhankelijkheid voor Kaikeyi. 

Zij was de vrouw die Kaikeyi reeds sinds haar kinderjaren had verzorgd en had grootgebracht; zij was het die haar al die jaren had gekoesterd en geliefkoosd en met haar had gespeeld. Kaikeyi gevoelde diepe genegenheid en achting jegens Manthara. Zij maakte geen verdere bezwaren meer en begon in plaats daarvan Manthara te troosten. 'Manthara! Wees gerust! Je kunt er stellig van op aan dat ik zodanig zal handelen dat je voldaan kunt zijn. Zeg mij wat me nu te doen staat', sprak zij. 

Manthara antwoordde: 'Toen ik u voorstelde om Rama's verbanning naar het woud buiten dit koninkrijk te eisen, deed ik dat niet - als u dat mocht denken - zonder de consequenties te hebben afgewogen. Ik heb over alles lang en diep nagedacht.' Wetend dat Kaikeyi een kind was in politieke en juridische aangelegenheden, sprak Manthara tot haar: 'De wet zegt dat onbelemmerd bezit en vruchtgebruik gedurende twaalf ononderbroken jaren aan iemand het eigendomsrecht verlenen. Het is daarom beter een verbanningsduur van, laten we zeggen, veertien jaar vast te stellen; als Rama na deze periode terugkeert, kan Hij het rijk niet opeisen; het wordt onbetwistbaar eigendom van uw zoon.' Manthara merkte dat Kaikeyi haar voorstel tot het opvragen van de twee beloofde gunsten had aanvaard, in de vorm die zij had aangeraden. Dus sprak zij: 'Moeder! Talm niet langer! Als u in uw huidige sternming de keizer om de gunsten smeekt, zult u hem er niet toe kunnen brengen om aan uw wens te voldoen. U moet uzelf opzwepen tot een steeds heviger woede; uw kussens en lakens rondsmijten door uw slaapvertrek; uw juwelen in een hoek gooien; uw haren losmaken en in wanorde brengen en u gedragen alsof u hebt besloten een eind aan uw leven te maken. Ga op de grond liggen in de pruilkamer - de kamer waar koninginnen zich terugtrekken als ze worden overmand door woede en verdriet, opdat ze worden ontdekt en getroost. U kunt zÛ niet naar hem toegaan en plompverloren om de gunsten vragen. Doe alsof u aan wanhopige zielenpijn ten prooi bent en slechts van de dood gered kunt worden als u de twee gunsten worden toegestaan. Slechts dan is uw eis het waard om te worden overwogen en geaccepteerd. Sta op! Zet de eerste stap op de weg die voor u ligt!' 

Toen Manthara dusdanig aandrong, zwichtte Kaikeyi voor haar argumenten; nadat zij haar aanwijzingen had opgevolgd, begaf zij zich naar de pruilkamer, jammerend over haar lot en naderend onheil. Manthara liet zich neerploffen op de grond voor de kamer, nadat zij de deuren achter zich had gesloten, alsof zij zich er niet van bewust was wat daarbinnen al die opwinding veroorzaakte. 

Inmiddels was de keizer gereed met het voorbereiden van de kroningsplechtigheid. Uit de troonzaal komend, vond hij dat hij, in plaats van naar Kausalya's paleis te gaan, eerst het blijde nieuws aan Kaikeyi moest overbrengen; dus haastte hij zich naar haar toe. De dienaressen die langs de gehele lengte van de gang stonden opgesteld; zagen er verontrust en bezorgd uit. De keizer redeneerde bij zichzelf dat zij het goede nieuws nog niet gehoord konden hebben, want dat zou hun gezichten zeker hebben doen stralen! Hij beklaagde hen dat zij niet wisten dat Rama de volgende dag gekroond zou worden! Hij begaf zich naar het slaapvertrek waar hij dacht zijn gemalin aan te treffen.

Toen hij binnentrad, viel zijn oog op de her en der verspreide sieraden, het onopgemaakte bed, de stapels beddengoed op de grond en de algehele wanorde en ontreddering. Verbaasd door de chaos die hij aantrof, zocht Dasharatha de kamer rond, maar hij kon zijn gemalin nergens vinden. Eèn van de kameniers zei tot hem: 'Maharadja! Hare Hoogheid Kaikeyi Devi bevindt zich in de pruilkamer.' Toen hij dit hoorde, was Dasharatha hevig ontsteld; hij richtte zijn schreden naar de pruilkamer en vond Kaikeyi languit op de grond, in de verhullende duisternis van die kamer, luid schreiend en jammerend. Hij sprak: 'Kaika! Wat is dat voor akelig tafereel! Waarom ben je zo boos? Wie is de oorzaak van zoveel smart? " Zeg het mij en ik zal hem terstond doden; ik zal je vreugde schenken. Je hebt me maar te zeggen wat je verlangt; ik ben altijd bereid je wensen te vervullen. Jouw vreugde is mijn vreugde. Weet je dan niet dat niets op deze wereld belangrijker en dierbaarder voor mij is dan jij? Kom, stel me niet langer op de proef.' De keizer zette zich naast haar en haar hoofd strelend, troostte hij Kaikeyi en vroeg hij haar nogmaals naar de reden van haar boosheid en verdriet. 

Kaikeyi kreeg een aanval van razernij; zij knarsetandde luid en sloeg de handen van de keizer van zich af toen hij trachtte haar te liefkozen. Zij sprak toornig: 'Houd op met die schijnheilige praat! Al die jaren heb ik het volste vertrouwen in u gehad en zo heb ik deze vernedering aan mijzelf te danken! Ik vertrouw u niet meer. Ik kon niet geloven dat u tot een dergelijk huichelachtig spel in staat zou zijn. Is dit de straf voor mijn vertrouwen? Ga dan, ga maar naar uw gunstelingen; waarom zou u bij mij blijven zitten? U verpandt uw gedachten aan de èèn en uw woorden aan de ander. Voeg uw woorden bij uw gedachten. Ik zal hierna nooit meer van zins zijn om geloof aan uw woorden te hechten. Doe mij niet nog meer verdriet, doch ga heen zoals u gekomen bent. Wat deert het u wat met mij geschiedt? Het is beter als koningin te sterven dan jarenlang in leven te blijven als slavin! Deze dag zal de laatste van mijn leven zijn.' 

Het was Dasharatha volkomen duister wat deze jammerklachten, die geuit werden tussen haar snikken en zuchten door, te betekenen hadden. Hij was volslagen in de war en volledig verbijsterd. Hij schoof wat naderbij en poogde zijn gemalin te troosten en haar woede tot bedaren te brengen. 'Kaika!', begon hij, 'wat hebben die woorden te betekenen; ik begrijp er niets van. Ik zal nimmer valse, huichelachtige taal spreken; dat is mij onmogelijk. Mijn gedachten zijn in harmonie met mijn woorden en zullen dat altijd zijn; de liefde in mijn hart en mijn uitdrukkingen van genegenheid komen voort uit dezelfde bron. Mijn tong zal mijn geest niet logenstraffen; die is daartoe eenvoudig niet in staat. Ik weet niet hoe het komt dat je mij na al die jaren nog niet kent en aan mijn oprechtheid twijfelt. Kwel mij niet zo, zonder mij rechtuit te zeggen wat je is aangedaan dat je zoveel pijn en verdriet gevoelt. Zeg me wat er is gebeurd en waarom je je zo gedraagt. Wat is de oorzaak van deze zielenpijn?' 

Dasharatha's langdurig en meelijwekkend pleidooi had geen enkele uitwerking! Hoezeer de keizer ook aandrong, al wat Kaikeyi deed was vinnige antwoorden geven, hem onbeschaamd negeren, hem met bijtende spot bejegenen, of zich geheel doof houden. Zij deed alsof zij totaal geen waarde aan zijn woorden hechtte. Dasharatha was tot in het diepst van zijn ziel gekwetst. Hij wist niet meer wat te doen en riep Manthara binnen. Deze stormde de kamer in en speelde haar samenzweerstersrol, schreeuwend om hulp voor de vorstin, haar meesteres. 'O koning! Red mijn moeder!', jammerde zij en omklemde Dasharatha's voeten. 

Dasharatha was waarlijk de onschuld zelf; er was in hem geen spoor van dubbelhartigheid. Dus doorzag hij ook niet het toneelspel dat voor hem werd opgevoerd. Hij vreesde dat slechts een groot onheil zijn geliefde zo onhandelbaar en hardvochtig had kunnen maken. Daarom vroeg hij Manthara nogmaals om hem te zeggen wat er nu eigenlijk was voorgevallen. Manthara sprak: 'Maharadja! Wat valt er te vertellen? Ik heb geen idee wat er is gebeurd. Moeder onthult aan niemand de reden van haar toorn. Zij rende plotseling van haar slaapvertrek naar deze 'pruilkamer'. Toen ik dat merkte, ben ik hierheen gekomen. Ik heb gebeden en gesmeekt, maar zij wil mij geen reden noemen. Zelfs u neemt zij niet in vertrouwen; zou zij zich dan wel uitspreken tegenover mijn nederige persoon? Wij zien hoe zij lijdt en hoe hartverscheurend haar smart is; het is zo ondraaglijk dat wij simpelweg moeten blijven toezien! Wij vrezen dat haar iets zal overkomen en hebben dus uw, komst afgewacht. Tenzij u haar kunt troosten en de vreugde in haar hart kunt doen wederkeren, zou haar toestand wel eens kritiek kunnen worden. Zij heeft te hevig en te lang geleden. Haar toestand verergert met de minuut. Wij zullen ons nu maar terugtrekken.' 

Hoofdstuk 10b: De twee gunsten

Manthara verliet de kamer, tegelijk met de andere dienaressen, doch niet aleer zij had gezegd: 'Probeert u toch te ontdekken wat de reden is van haar smart en haar woede en breng haar met de juiste middelen snel tot kalmte.' Met deze opmerkingen maakte Manthara de gebeurtenis alleen maar raadselachtiger en Dasharatha's verwarring nam toe. Hij zat naast zijn ontroostbare gemalin en sprak: 'Kaika! Waarom laat je mij onkundig van wat eraan schort?' Teder hief hij haar hoofd op van de kale vloer en vlijde hij het in zijn schoot; hij trachtte haar te overreden hem te onthullen wat de aanleiding was tot haar radeloze smart. Na enige tijd verbrak zij haar stilzwijgen en begon te spreken: 'Maharadja! U hebt toch niet de twee gunsten vergeten dat u mij hebt toegezegd op die dag van de strijd tussen de deva's en asura's?' Dasharatha was opgelucht. Hij sprak: 'Kaika! Waarom heb je je om zoiets simpels zo razend en zo treurig gemaakt? Zolang ik leef zal ik niet vergeten dat ik je die twee gunsten heb toegezegd. De belofte is me zo dierbaar als Kaika zelf; jij bent mijn levensadem en ook een gelofte aan jou is als mijn adem. 

Koningin! Heeft iemand je leed gedaan? Of is er iets met je gezondheid niet in orde? Of heeft èèn of andere onverlaat het gewaagd tegen je wil in te handelen? Spreek! Om jou zal ik zelfs dodelijk letsel riskeren en de boosdoeners straffen, als jij maar weer gelukkig wordt. Twijfel niet aan mij. 0, toonbeeld van bekoorlijkheid! Waarom lijd je zo? Weet je dan niet dat het ganse rijk jou ten dienste staat? Wat je ook wilt hebben, uit welke streek dan ook, je hoeft het maar te zeggen en ik zal het voor je bemachtigen om je weer gelukkig te maken. Zeg me wat het is dat je vrees inboezemt, wat het is dat je dit verdriet heeft bezorgd; verzwijg niets voor mij en aarzel niet om te zeggen wat je op je hart hebt! Zoals de warme zonnestralen de mist verdrijven, zo zal ik de droefheid verjagen die je nu benauwt.' Dasharatha liefkoosde en vleide zijn gemalin en trachtte haar op allerlei manieren te troosten en haar levensvreugde te doen terugkeren. 

Kaikeyi hield de raad die Manthara haar had gegeven goed in gedachten; zij was vastbesloten zich van een toezegging onder ede van haar echtgenoot te verzekeren, alvorens hem haar bittere verlangens te onthullen. Om hem zijn belofte te ontfutselen legde zij overdreven en verleidelijk veel liefde aan de dag en veegde demonstratief de tranen van haar gelaat. Zij hield stevig de handen vast van de keizer, die zo jammerlijk de slaaf was van haar charmes en zo verblind was door haar schoonheid. Zij sprak: 'Ik koester tegen niemand enige wrok en niemand heeft mij kwaad gedaan of mij beledigd. Er is in de verste uithoeken van de wereld niets waarnaar ik hunker. Doch ik moet toegeven dat ik een langgekoesterde wens heb. Als u zweert dat u die wens zult vervullen, zal ik u vertellen waaruit die bestaat.' Er speelde een glimlach op haar gelaat die bedoeld was om hem te verleiden; Dasharatha reageerde daarop door ook te glimlachen en terwijl hij schuchter naderbij kwam, sprak hij: 'Jij dwaze koningin. Was het nu nodig om voor deze simpele aangelegenheid je zo boos te maken en zoveel angst en bezorgdheid te veroorzaken? Luister goed: van alle vrouwen ben jij me het dierbaarst en van alle mannen is Rama mij het liefst. Jullie beiden zijn mijn levensadem. Dat weet je toch wel? Ik overleef het geen dag als ik mijn blik niet aan jou en Hem mag laven. Daarom zweer ik bij Rama's ;even dat, zodra je mij zegt wat je wens is, ik die stellig zal vervullen.' Toen jij haar deze plechtige gelofte deed, met haar beide handen in de zijne, werd Kaikeyi door vreugde overstelpt! Zij richtte zich op en betoonde hem eens te meer haar liefde, omdat zij zo verheugd was nu hij haar welmenende vriend bleek te zijn. 

Zij vroeg: 'O koning! U hebt op Rama gezworen en Hij is getuige van die eed; is dat alles oprecht gemeend?' En om haar positie extra veilig te stellen sprak zij: 'Heer! U bent een behoeder der waarheid. U bent de meest verhevene onder de rechtvaardigen! U bent begiftigd met opperste macht en majesteit! U zult u zeker de strijd heugen tussen de Goden en de demonen; toch wil ik nogmaals aan dat wapenfeit herinneren. Die dag dat de demon Sambara aalen die die hem voor de voeten kwamen zo wreed vermoordde, worstelde u wanhopig om hem te verslaan. Als ik u toen niet beschermd had en gezorgd had dat u in leven bleef; als ik niet steeds waakzaam en op mijn hoede was geweest, dat weet u wel wat er van u geworden zou zijn. U waardeerde mijn toewijding en opoffering en verklaarde: "Kaika! Je hebt mij het leven gered! Wat kan ik je daarvoor in ruil geven? Vraag mij twee gunsten: wat het ook moge zijn, ik zal ze inwilligen en mijn schuld aan jou inlossen en je de dankbaarheid bewijzen die ik je verschuldigd ben." U wilde dat ik deze gunsten zou noemen. Doch op dat ogenblik gevoelde ik dat alleen al uw terugkeer tot het leven de grootste gunst was die ik kon verlangen. Dus antwoordde ik: "Heer! Ik heb u nu geen gunsten te vragen; ik zal u er op een later tijdstip om verzoeken; houdt u ze zolang voor mij in reserve", smeekte ik u. U was opgetogen over mijn houding en sprak er uw bewondering over uit! U zei dat mijn zelfverloochening u behaagde en verklaarde dat de belofte bij u veilig zou zijn zolang u leefde en ingelost kon worden zonder enige tegenwerping. Dat alles moet u nog vers in het geheugen liggen, is dat niet zo? U bent de vorst der aarde. U bent trouw aan uw eens gegeven woord. Verleen mij daarom nu die uitgestelde gunsten en maak mij gelukkig. Ik eis geen nieuwe gunsten van u, doch vraag slechts om wat mij rechtens toekomt. U weet zeer goed dat het een afgrijselijke zonde is als men weigert kostbaarheden terug te geven die in vertrouwen zijn overgedragen ter bewaring; daar hoef ik u niet aan te herinneren. Als u thans zegt mijn wensen niet te kunnen inwilligen, zult u mij met die woordbreuk diep kwetsen. Ik zou de teleurstelling niet kunnen verdragen; het zou mijns inziens beter en eervoller zijn te sterven, dan te moeten leven met het besef van een dergelijke nederlaag. Als een man de belofte schendt die hij aan zijn vrouw heeft gedaan, hoe kunnen dan ooit de wensen verwerkelijkt worden van de bevolking van het koninkrijk? Een keizer die zich verlaagt tot het bedriegen van zijn gemalin - die haar eerst in hem doet geloven en dan handelt in strijd met haar vertrouwen - die verdient het niet het ambt te bekleden van beschermer zijner onderdanen, wel? U weet dat Manu, de wijze en wetgever, heeft bepaald dat dergelijke ondankbare draaiers niet als vorsten bejegend behoren te worden. Waarom zou ik hier nog verder over uitweiden en nogmaals duizend argumenten aanvoeren? Indien mijn gunsten vandaag niet worden ingewilligd, zal Kaikeyi niet meer in leven zijn wanneer de dag aanbreekt.' 

Na deze aankondiging barstte Kaikeyi uit in luid geween en gejammer. De komedie die zij opvoerde, maakte Dasharatha zwak en hulpeloos. Gelijk een onschuldig hert dat door de nabootsende geluiden van de jager in het net gelokt wordt, dat is uitgezet om het te vangen, liep Dasharatha in de val; als een verdwaasde en willoze man was hij overweldigd door de liefkozende woordjes en verleidelijke gebaren van de koningin. Plechtig zwoer hij: 'Ik zal beslist de twee wensen inwilligen', en hield haar handen stevig vast. 

Dasharatha had deze woorden nog niet uitgesproken of Kaikeyi's blik klaarde op en haar ogen begonnen te stralen. Zij sloeg Dasharatha's gelaat enige tijd opmerkzaam gade en sprak toen: '0 Vorst! Vandaag besef ik hoe edel u bent. Thans bewijst u de waarachtigheid van uw bewering dat u nimmer een eens gegeven belofte zult breken.' Met deze woorden begon zij Dasharatha uitbundig te prijzen. De hopeloos verliefde keizer werd zeer opgetogen door haar lofspraak en spoorde haar aan met de woorden: 'Kaika! Waar wacht je nog op? Spreek! Vraag mij om je twee gunsten!' Kaikeyi aarzelde; zij stamelde: 'Wend alle maatregelen die zijn getroffen voor de wijding van Rama aan ten bate van de kroning van Bharata, mijn zoon; dat is mijn eerste wens! Vervolgens moet Rama, gehuld in boombast en hertenvel en met verwarde haren, veertien jaar lang als kluizenaar leven in het Dandaka-woud; dat is mijn tweede wens. Bharata moet troonopvolger zijn, zonder enige belemmerende voorwaarde. Ik wil met eigen ogen zien dat Rama naar het oerwoud verbannen wordt. Sta mij deze twee gunsten toe en houd de eer en waardigheid van uw naam onbezoedeld in stand; anders zult u moeten toezien dat Kaikeyi's leven nu, op dit ogenblik, wordt uitgedoofd.' Met deze woorden stond zij op; haar houding was vastberaden en met haar woeste blik geleek zij een vrouwelijke demon. 

De keizer was verpletterd door de wrede pijlen die op hem werden afgeschoten. Was het een droom? Kon dit waar zijn? Was dat Kaikeyi die om deze gunsten vroeg? Of was het een bloeddorstig monster? Leed hij aan zinsbegoocheling? Leed hij soms aan een vreselijke ziekte die hem op deze afschuwelijke wijze parten speelde? Hij verloor de grond onder zijn voeten. Hij riep: 'Kaika! Ben jij het die hier voor mij staat? Of is het een menseneetster die jouw gestalte heeft aangenomen? Zeg me eerst wie je bent.' Hij wankelde, als iemand die de macht over zijn ledematen verloren heeft en kon de woorden die hij wilde zeggen niet over zijn lippen krijgen. Verdoofd en als waanzinnig waggelde hij door het vertrek en keek met verwilderde blik in het rond. Plotseling schoten zijn ogen vuur en hij keek Kaikeyi strak aan. In hevige toorn riep hij: 'Verachtelijke vrouw! Waar ben je eigenlijk op uit? Wil je het ganse koninklijke geslacht uitroeien? Wat heeft mijn dierbare zoon Rama jou misdaan? Hij heeft jou zelfs nog meer lief dan zijn eigen moeder. Hoe kun je het over je hart verkrijgen om mijn Rama het dichte, duistere woud in te sturen? Ik heb je altijd voor een prinses gehouden, doch nu merk ik dat je een giftig serpent bent; uit louter onwetendheid stond ik toe dat je mijn huis onveilig maakte. Hoe kon een dergelijke, zondige gedachte in je hoofd opkomen, terwijl Rama, mijn levensadem, wordt bejubeld door ieder levend wezen? Als het moet, ben ik bereid afstand te doen van mijn keizerrijk en zelfs om mijn leven te geven, maar Rama opgeven, neen, dat kan ik niet. Jij hunkert ernaar dat jouw zoon tot keizer wordt uitgeroepen. Welnu, het zij zo. Ik zal mij naar het oerwoud haasten, met Kausalya, Sumitra en de anderen, en ik zal Rama met mij meenemen. Doch nimmer zal ik Rama alleen het oerwoud in sturen. Dat is onmogelijk. Laat dit afschuwelijke zondige verlangen toch varen. Bevrijd je van de haat die je tegen Rama koestert. Kaika! Zeg me eerlijk, wil je werkelijk dat jouw plan wordt uitgevoerd? Of is dit slechts een intrige, bedoeld om erachter te komen of ik jouw zoon Bharata oprecht ben toegenegen? Als dat zo is, kun je verlangen dat Bharata tot yuvaraja gewijd wordt; het heeft echter geen enkele zin om te eisen dat Rama naar het woud wordt verbannen. Een dergelijke wens zou je niet eens mogen koesteren, of terloops te kennen geven. Kaika! Rama is de eerstgeboren zoon. Hij verenigt alle deugden in zich. De jaren van zijn heerschappij zullen vol glorie zijn; je hebt me menigmaal verteld hoezeer je je verheugt op de dag dat zulke gouden dromen bewaarheid zullen worden. En nu wil je dat deze zelfde Rama wordt verbannen naar het oerwoud! Wat schuilt er achter dit verzoek? Drijf je de spot met mij? Als dit alles een grap is, vanwaar dan deze scene in de pruilkamer? Waarom wentel je je met veel misbaar op deze hardstenen vloer? Een grap kan ook zover gaan dat het een treurige en wrede vertoning wordt. Ook in scherts kan ik dit idee niet in overweging nemen. Neen, nimmer zal ik van Rama kunnen scheiden. Kaika! Je hebt je al die jaren gedragen als een intelligente vrouw. Doch nu is je geest verwrongen en verduisterd. Dergelijke psychische afwijkingen zijn altijd de voorbode van zelfvernietiging. Het is een zware zonde om goede mensen kwaad te berokkenen. Natuurlijk worden deze door het kwaad niet geraakt; integendeel, de listen der boosaardigen zullen de roem en glorie der goeden vergroten. Arglist en bedrog mogen moeilijk te dragen schijnen, doch zij duren slechts kort. 

Het lijkt mij toe dat jouw snode plannen groot onheil zullen brengen over de Ikshvaku-dynastie. Hoe kan een dergelijk idee bij je opkomen; bij jou die tot dusverre nog nimmer een onaangenaam woord hebt gesproken, of een onheilsdaad hebt bedacht! Het is mij onmogelijk te geloven dat zij, en degene die mok dit vandaag vraagt, èèn en dezelfde vrouw zijn. Kaika! Je was immer beducht voor het zondigen tegen de wetten van dharma; je was verlangend de genade Gods te verwerven door de geringste gedachte en daad, door het minste woord. Waar is die vrees voor het zondigen tegen dharma nu gebleven? Wat is er overgebleven van die toewijding aan God, die je op het rechte pad hield? 

Wat hoop je te winnen met de wens om Rama veertien jaar lang naar het oerwoud te verbannen? Zijn lichaam is zacht en teder als het blad van een pas ontloken bloem; zijn gestalte is allerbekoorlijkst om te zien. Rama is zo onweerstaanbaar schoon. Wat baat het jou als Hij ondraaglijke pijn moet lijden in het oerwoud? Er zijn duizenden dienaren en dienaressen in dit paleis. Kan ook maar èèn van hen Hem met de vinger nawijzen en beweren dat Hij in enig opzicht tekortschiet? Welnu, nog afgezien van het paleis; kun je me ook maar iemand uit de hoofdstad aanwijzen, die Rama iets te verwijten heeft? De velen die Hij in ellendige omstandigheden heeft aangetroffen, heeft Hij ondersteund door schenkingen en goede gaven; Hij heeft zich jegens hen uiterst zorgzaam betoond. Hij heeft gemerkt dat velen dakloos waren en hen van onderdak voorzien. Door zijn liefde en zorg heeft Hij aller harten veroverd. Ik sta verstomd dat je haat koestert tegen een zoon die zo beminnelijk is; ik kan geen woorden vinden om jouw duivelse wreedheid te beschrijven. 

Menig heerser buit zijn eigen onderdanen uit en handelt uitsluitend uit eigenbelang. Heden ten dage komen zulke demonen veelvuldig voor. Het komt misschien door dit tijdperk of door je eigen zonden in het verleden, dat mensen die het onrecht verzachten dat armen en noodlijdenden is aangedaan en die toezien op hun lotsverbetering of persoonlijke belangstelling tonen voor hun zorgen en problemen en daadwerkelijk hulp bieden, dat zulke goede mensen slecht zijn in jouw ogen en verbanning en straf verdienen! 

In dit keizerrijk schept eenieder er behagen in om over Rama's deugden te horen vertellen en over zijn goedheid uit te weiden. Als zij worden overmand door vermoeidheid tijdens hun werk op het land, zingen de boeren en knechten Rama's lof opdat het werk hun lichter zal vallen; toen mij dat verteld werd, was ik vervuld van vreugde. Hoe kun je het over je hart verkrijgen om dit wrede vonnis uit te spreken over deze ziel die zo vol mededogen is? Vanavond nog, toen ik aan een gezelschap van wijzen, bestuurders, ministers, vooraanstaande burgers, geleerden en vele ervaren staatslieden het plan voorlegde om Rama te kronen, heeft niemand enig teken van misnoegen laten blijken of een afwijkende mening gegeven. Integendeel, zij zongen Rama's lof in alle toonaarden; zij verklaarden dat de verdiensten die zij hadden vergaard in vele vorige levens, nu vruchten afwierpen, zodat zij het nu hadden verdiend een spirituele held als troonopvolger en Heer te krijgen die zijn zintuigen beheerst en de belichaming is van onzelfzuchtige activiteit, intelligente onthechting en onversaagde trouw aan de waarheid; zij gaven blijk van hun vreugde door aanhoudend 'Jai'-geroep. Is deze geliefde zoon, die ik koester in mijn hart, die uitverkorene van mijn volk, is dat degene wiens verbanning je eist? Wat je ook zegt, èèn ding is zeker: ik zal mijn Rama niet verbannen. En dan nog iets: de kroning van Rama zal morgen plaatsvinden; die kan niet worden afgelast.' Aldus sprak Dasharatha, in een uitbarsting van trots en moed. 

Bij deze woorden nam Kaikeyi een angstaanjagende houding aan; zij antwoordde prompt: 'Maharadja! Vergeet niet dat u mij zoëven nog vele malen hebt bezworen dat u mij de gevraagde gunsten zou toestaan. En nu wilt u toch uw belofte breken. Wie haalt er nu de eer van de Ikshvaku-dynastie door het slijk, u of ik? Denk daar diep over na. Het Ikshvaku-geslacht heeft zich er immer op beroemd dat niemand van die dynastie zijn eens gegeven woord zou breken. Thans wordt die smetteloze reputatie door u bezoedeld. Zonder de voor- en nadelen af te wegen hebt u mij de stellige belofte gedaan dat mijn wensen zouden worden ingewilligd. Als er al een vergissing is gemaakt, dan ligt die bij u, niet bij mij. U stond mij indertijd de twee gunsten toe en vandaag beloofde u mij deze te verlenen. U bent degene die tot tweemaal toe uw woord hebt gegeven. Houd rekening met uw eer, uw status, uw waardigheid, aleer u de woorden ontkent die u destijds en nu weer gesproken hebt. 

Het komt wellicht vaak voor dat heersers de zwakkeren onrecht aandoen en beledigen en dat zij handelen in strijd met eens gegeven plechtige geloften. Dit kan echter nooit bevorderlijk zijn voor hun zelfrespect. Zij die hun beloften breken en hun vrouwen bedriegen, zijn geen vorsten doch barbaren. Als heersers tot zoveel wreedheid vervallen, zullen hun onderdanen vanzelfsprekend gebelgd zijn en in opstand komen; dan zal het vorstendom weldra veranderen in een rijk der demonen!

Door de jaren heen hebt u er steeds naar gestreefd roem en eer te verwerven en daarin bent u grotendeels geslaagd. Nu is de schande van een verbroken belofte uw verantwoordelijkheid, niet de mijne. Haalt u zich de levensloop der vorsten uit het verleden maar eens voor de geest. Waak ervoor dat uw daden strijdig zijn met uw geloften. Denk diep na. U bevindt zich op een pad dat leidt tot een afgrijselijk kwaad! Wees op uw hoede! U handelt in strijd met de wetten van dharma! Welnu. Als u zo intelligent was als men zegt, dan had u uzelf eerst vergewist van de aard der door mij verlangde gunsten alvorens uw woord te geven. U hebt aan verleden noch toekomst gedacht; u hebt u door mijn woorden laten inpalmen en u beloofde mijn wensen te zullen vervullen. En nu stelt u mij verantwoordelijk omdat ik u vraag uw belofte in te lossen! Bedenk toch in wat voor ernstige dwaling u verkeert! U toont duidelijk aan wat een dwaas u bent! Mij beschuldigt u ervan mijn vrees voor zondig gedrag en mijn toewijding aan God te hebben laten varen en mij in te laten met deze verachtelijke wreedheid. Maar uzelf dan? U wordt geprezen als dharma-vrata, iemand die zich strikt houdt aan de gelofte van rechtschapenheid in gedachte, woord en daad, en als daiva-samana - aan God gelijk; op welke naam kunt u aanspraak maken als u nu uw belofte breekt? Vonnis uzelf. Het soort scherpzinnigheid waarmee men zich in de ander verdiept tot men diens feilen heeft ontdekt, is verre van lofwaardig; het is wel te prijzen als men zijn intelligentie aanwendt om diep door te dringen in zijn eigen fouten en tekortkomingen en ervoor waakt dat die hem op het slechte pad brengen. Koningen en heersers zijn zeer intelligent; men neemt aan dat zij alwetend zijn. Als mensen zoals u geen baat hebben bij zelfonderzoek, doch zich slechts om het eigenbelang bekommeren, wat geeft hun dan het recht om ons te beschuldigen van zelfzucht en kleingeestigheid? U stond mij de gunsten toe; dat is een feit. U brak uw belofte en schond uw woord; dat is een feit. Ga bij uzelf te rade of deze drie feiten juist zijn of niet. U wordt misleid door gehechtheid aan uw zoon; eerst was U de slaaf van genegenheid voor uw vrouw. Dus gooit u uw belofte maar overboord! Ik ben niet de schuldige; u bent het die onrechtvaardig handelt. Het is niet meer dan natuurlijk dat een moeder gehecht is aan haar zoon. Iedere vrouw die ook moeder is, zal er naar verlangen dat haar zoon het tot de hoogste machtspositie zal brengen, die van heerser van het koninkrijk. Het ligt in haar natuur om deze ambitie te koesteren. Zij is verplicht ervoor te zorgen dat haar plan door niemand wordt aangevochten; het spreekt vanzelf dat zij vooruitdenkt bij haar plannen, om alle mogelijke aanvallen te verijdelen. Denk erom dat ik slechts mijn natuurlijke plichten en verantwoordelijkheden op mij neem; er is niets onnatuurlijks of verkeerds aan mijn handelwijze. 

Indien Rama als troonopvolger wordt aangewezen en gekroond, zal zijn moeder Kausalya de koninginmoeder (rajamata) zijn. Mijn zoon zal lijdelijk toezien, wachtend op Rama's bevelen en gereed om diensten voor Hem te verrichten. Hij zal zich aan Rama's voeten werpen, en verslag uitbrengen over de taak die hij voor Rama heeft volbracht; misschien staat hem wel een berisping te wachten. Neen, van dergelijke taferelen wil ik geen getuige zijn; ik zal me dusdanig vernederd voelen dat ik geen dag langer wens te leven. Liever nu de gifbeker en de dood, dan te moeten toezien in welke beschamende positie mijn zoon verkeert. Ik leg deze verklaring af, die een plechtige gelofte is in naam van mijn zoon Bharata, die mij zo dierbaar is als mijn levensadem. Met minder dan Rama's verbanning naar het woud zal ik geen genoegen nemen.' 

Met deze pijnlijk wrede woorden liet Kaikeyi zich op de grond vallen; zij begon te snikken en te kreunen in een vlaag van hartverscheurende smart. 

Dasharatha sloeg zich voor het hoofd uit wanhoop. Hij sprak: 'Kaika! Heeft iemand je wijsgemaakt dat dit onheil jou Tot voordeel zal strekken? Of ben je bezeten door een boze geest, die je ertoe gebracht heeft deze wensen uit te spreken? Waar komt toch deze dwaasheid, deze bespottelijke waanzin vandaan, om Rama naar het woud te verbannen en Bharata te kronen? Waarom wens je niet alle goeds toe aan mij, je echtgenoot, aan Bharata, jouw zoon, en aan dit koninkrijk van Ayodhya? Geef dit verlangen op, dat niets dan rampspoed kan brengen. Denk diep na over de gevolgen. Anders zullen jij en ik, maar ook je zoon, getroffen worden door bittere schande. En daarbij zal het niet blijven. Het ganse koninkrijk zal ten onder gaan en er zullen zeker nog vele tragedies volgen. Laaghartige, ontaarde vrouw! Kunnen we ooit geloven dat Bharata erin zal toestemmen zich te laten kronen, zelfs al ga ik nu akkoord met je verzoek en beloof ik je ernaar te handelen? Bharata is een trouw aanhanger van dharma; hij is intelligent en een toonbeeld van oprechtheid. Hij zal niet toestaan dat Rama naar het woud wordt verbannen, noch dat hijzelf troonopvolger wordt. En met hem zullen allen zich tegen jouw wensen verzetten: de ministers, hovelingen, onderkoningen, bondgenoten, wijzen en burgers van alle rangen en standen. Hoe kun jij gelukkig zijn als zovelen ongelukkig zijn? 

Denk je eens in welke verantwoordelijkheid je hiermee op je laadt! Bestuurders en wijze mannen hebben eendrachtig de voorgenomen kroning goedgekeurd. Vanavond heb ik tijdens de grote volksvergadering de viering van Rama's kroning aangekondigd. Handel ik in strijd met die aankondiging, dan zal ik worden beschouwd als een lafaard, die zich van het strijdtoneel terugtrekt bij het ontwaren van de vijand. Alle voorbereidingen voor de kroning zijn reeds getroffen. Iedereen heeft het nieuws van de aanstaande wijding reeds vernomen. Het volk is begonnen de ganse stad voor de festiviteiten te versieren; de straten zijn overvol met drommen blijde mensen, wier gezichten stralen van verwachtingsvolle vreugde. Wat zouden de mensen mij honend uitlachen als ik nu Rama naar het woud verdreef. Ze zouden zeggen: 'Wat is dat nu? Deze man heeft drie episoden afgesloten op èèn enkele avond - de kroning, de heerschappij over het koninkrijk en de verbanning!' Hoe kan ik hun mijn handelwijze uitleggen, na hetgeen ik in het openbaar heb afgekondigd tijdens die massale bijeenkomst van mijn onderdanen? Hoe scherp zullen zij mij veroordelen, in de overtuiging dat hun koning een grote dwaas is. Al die lange jaren heb ik over hen geregeerd en hun bijval geoogst als een trouw volgeling van dharma, als de belichaming van edele deugden en als een geduchte held, bekend om zijn moed en koelbloedigheid. Hoe kan ik nu de schande verdragen dat men over mij spreekt als een dwaas wiens gedrag tot dit lage peil is gezonken?' 


Hoofdstuk 10c: De twee gunsten

Dasharatha sprak in deze trant om Kaikeyi eraan te herinneren welk een harde slag zou worden toegebracht aan zijn goede naam en vlekkeloze reputatie als hij aan haar verlangens zou toegeven. Desondanks volhardde Kaikeyi in haar gedrag van vernietigende, vrouwelijke demon en negeerde zij Dasharatha's aanhoudende smeekbeden, alsof het nietszeggende woorden waren, waaraan zij geen enkele waarde hechtte. Zij weigerde toe te geven of haar greep op hem te laten verslappen. Integendeel, steeds vaster werd haar verstikkende greep en steeds intenser haar hebzucht. Zij ging dwars tegen Dasharatha's smeekbeden in en wilde hem slechts herinneren aan zijn gelofte, die hij nu dreigde te herroepen. Daarom zei hij: 'Kaika! Als het inderdaad geschiedt, dat Rama naar het woud wordt verbannen, dan zal ik geen ogenblik langer kunnen leven. En ik hoef je niet te vertellen hoe het Kausalya zal vergaan. Zij zal op het moment dat Rama's verbanning haar ter ore komt, de laatste adem uitblazen. En Sita? Zij zal dodelijk geschokt zijn; zij kan nog geen seconde leven zonder Rama. Zal het volk dit alles met gelatenheid aanzien? Wanneer Rama, de grote held, het toonbeeld van wijsheid, naar het woud verbannen wordt, kan Lakshmana dan zijn kalmte bewaren? Waarom zou ik in duizend details treden? Lakshmana zal terstond het leven laten. Dat is de naakte waarheid. Ons koninkrijk zal al deze rampspoed en ellende moeten ondergaan. Ook jij bent je bewust van deze aaneenschakeling van tragische gevolgen, maar ik kan niet begrijpen, waarom je met de ogen open de rol van weduwe ambieert. 0, jij boosaardige, verachtelijke ziel! Ik heb mij door je bekoorlijkheid laten misleiden; zoals men zichzelf de keel afsnijdt als men betoverd is door een gouden zwaard. Ik heb de kelk met melk geledigd, niet vermoedend dat hij ook vergif bevatte. Je hebt mij met menige charmante list om de tuin geleid. Tenslotte heb je een plan beraamd om mijn dynastie aan schande prijs te geven. Ik schaam mij, wat een dwaas ben ik! Deze zoon heb ik gekregen nadat ik een vedisch offer (yaga) had verricht; hij werd mij uit goddelijke genade geschonken. Moet ik zijn geluk en zijn toekomst verkwanselen voor het armzalige genoegen mij door een vrouw verschaft? Is dat zijn keizerlijke majesteit Dasharatha waardig? Zal niet mijn nederigste onderdaan mij bespotten en met stenen naar mij werpen? Ach! Moet dit, in zijn laatste levensdagen, het lot zijn van Dasharatha? Ikzelf heb het koord om mijn hals gelegd dat mij zal wurgen en ik heb het niet beseft. Nimmer heb ik geweten dat het de Godin des Doods was met wie ik mij al die jaren minnekozend vermaakt heb. Helaas! Ik heb met de Dood gespeeld en haar aan mijn borst gekoesterd. Ik heb haar bejegend als mijn uitverkorene, mijn vriendin en metgezellin. Het is zeker de last mijner zonden die zich nu op mij wreekt. Wat zou het anders kunnen zijn? Heeft ooit een vader, waar ook ter wereld, zijn zoon naar het afschuwelijke oerwoud verbannen omwille van een vrouwenbed? 

Och, hoe vreemd is dit gedrag van een menselijk wezen! Ondanks alles kan ik dit niet geloven, Kaika. Laat je dwaze gedachten varen. Wat ik ook zeg, Rama zal zich er niet tegen verzetten. Hij hoeft slechts te horen wat hier voorgevallen is; dat is voor Hem voldoende om zich voor te bereiden op zijn vertrek naar het oerwoud. Hij zal zelfs niet vragen waarom ik verlangend ben Hem naar het oerwoud te verdrijven! Hij is waarlijk rechtschapen. Doch waarom zou ik alleen Rama noemen; geen van mijn zonen zal ooit mijn bevelen negeren. 

Bharata zal met afschuw vervuld zijn als hij over je plan hoort. Mogelijk zal hij geen acht slaan op het feit dat jij zijn moeder bent en zal hij op onverklaarbare wijze reageren. Hij is misschien wel bereid tot elke denkbare hopeloze daad. Rama is zijn leven, zijn levensadem en alle vijf levenskrachten (prana's) tezamen. Wellicht zal hij iets ondernemen om je fraaie plan te verijdelen. Dat wil zeggen dat hij zichzelf wel eens naar het woud zou kunnen verbannen en eisen dat Rama gekroond wordt. Zo is zijn karakter: edel en rechtschapen. Ik verbaas me over je gebrek aan onderscheidingsvermogen en je verwrongen geest, die niet in staat is Bharata's denkwijze te bevatten. Kaika! Men zegt dat boosaardige bedoelingen de voorboden zijn van zelfvernietiging; vergeet dus niet dat je met dit plan je eigen ondergang aankondigt. Je werpt een smet op de goede naam van de Ikshvaku-dynastie die niet is uit te wissen; tallozen worden door jouw toedoen in een peilloze afgrond van smart gestort; je zult hun einde bewerkstelligen. Wil je werkelijk zoveel levens opofferen aan dit meedogenloze verlangen? Hoe denk je gelukkig te zullen zijn, na al wat je hebt aangericht? Stel, dat je je doel bereikt, zul je dan de hoogste gelukzaligheid (ananda) ervaren? Kun je dat zo noemen? O schande! Zij die zich verlustigen in andermans ongeluk zijn in werkelijkheid zondaren van de ergste soort; het is demonsgebroed. Zij die ernaar streven om anderen vreugde te bezorgen, en ernaar verlangen om anderen gelukkig te zien, dat zijn de heiligen. Jij bent koningin; je bent een prinses, een koningsdochter, en toch ben je je van deze elementaire waarheid niet bewust. Je maakt je koninklijke afkomst te schande. Een laatste woord! Rama is mijn leven: zonder Hem heeft het leven mij niets te bieden. Neen, zonder Hem is verder leven onmogelijk. Rama zal je niet teleurstellen; dus zal Hij zich, ook wanneer Hij het bevel niet uit mijn eigen mond heeft gehoord, wellicht eigener beweging naar het woud begeven als Hij hoort van mijn gelofte en jouw wens, zodat ik mijn woord gestand kan doen; Hij zal uitstel noch discussie dulden. Weet, dat zodra het bericht van die gebeurtenis mij bereikt, ik mijn laatste adem zal uitblazen. Naar alle waarschijnlijkheid zullen Lakshmana, Sita en Kausalya Rama volgen. Een bestaan zonder Rama is voor Kausalya geen leven en Sita zal niet van Rama's zijde wijken. Lakshmana zal slechts daar gaan waar hij in Rama's voetstappen kan treden. Ook Urmila zal mogelijkerwijs met Lakshmana meegaan en als ballinge gaan leven. Er zal dan niemand hier zijn om de dodenriten voor dit lichaam te verrichten en het zal enkele dagen vergen om Bharata en Satrughna vanuit het koninkrijk Kekaya hiernaartoe te halen. Tot hun terugkomst zal dit lichaam hier blijven liggen zonder de voorgeschreven ceremonie. Misschien zal het volk tegen mij opstaan omdat ik zo diep gezonken ben of zullen zij mijn lichaam verdoemen tot aas voor de kraaien en gieren, aangezien het geen waardig afscheid verdient. Misschien ook niet; want mijn onderdanen zullen Bharata's terugkeer afwachten en intussen middelen vinden om het lichaam te bewaren. Bharata zal er nimmer in toestemmen de troon te bestijgen en koning te worden. Onder die omstandigheden is hij niet gerechtigd het lichaam aan te raken of de dodenriten uit te voeren. Komaan! Beloof me tenminste dat je hem die plechtigheid zult laten verrichten', smeekte Dasharatha. Hij vervolgde: 'Natuurlijk weet ik zeker dat je bereid bent me dat althans te beloven, want je bent niet uit op de ananda die je als weduwe hoopt te zullen verwerven. Wat verwacht je eigenlijk, zeg het me, jij verraderlijk serpent! Je bent tenslotte in een demonisch wezen veranderd! Ben je bezig de Raghu-dynastie, dit vorstenhuis, te ondermijnen en te begraven? Komt nu je ware aard naar boven? Of is het een of andere mysterieuze goddelijke voorbeschikking die jou blijft achtervolgen en je dwingt tegen je wil in te handelen op deze vreemde wijze? Dit geheim is voor mij niet te doorgronden.' 

Terwijl Dasharatha aan deze zware geestelijke kwellingen ten prooi was, was de nacht inmiddels al half voorbij. De vorst kreunde als een man die hevige pijn heeft en aan een dodelijke ziekte lijdt. Hij was in de greep van diepe vertwijfeling. 

Dasharatha trachtte nu op Kaikeyi's gemoed te werken en haar over te halen de kroning van Rama te aanvaarden; hij begon haar met zoete woordjes te vleien: '0 koningin! Jij bent de belichaming van geluk en voorspoed. Door de jaren heen heb ik je bejegend als mijn levensadem. Jij op jouw beurt hebt mij gekoesterd en beschermd als je eigen hart. Komaan, laten we in de jaren die ons nog resten geen aanleiding geven tot schandalen over onderlinge meningsverschillen; laat ons vredig en gelukkig zijn in de ons nog toegemeten jaren. 0, bekoorlijke prinses! Zoveel jaren zullen mij niet meer gegeven zijn. Mijn ganse leven stond ik bekend als een trouw aanhanger der waarheid en ik werd derhalve door allen geëerd. Tijdens de volksvergadering heb ik gezworen dat Rama morgen als troonopvolger zal worden gewijd. Bedenk toch hoe mijn onderdanen mij zullen verachten als die plechtigheid niet plaatsvindt en hoe ze mij zullen beschimpen! Die dag van de strijd tussen de Goden en de demonen heb je mij gered. Laat je me nu aan mijn lot over, nu ik door veel groter onheil word bedreigd? Dat is niet juist en niet rechtvaardig. Welnu, ik zal jou dit ganse koninkrijk als bruidsschat schenken. Kroon jij morgen zelf Rama; dat zal ook Bharata gelukkig maken. En hem niet alleen: ministers, wijzen, bestuurders, geleerden, gewone burgers, ja het ganse volk zal je daarvoor dankbaar zijn. Op deze aarde zal je roem eeuwig voortduren. Als je daarentegen Rama's kroning dwarsboomt, zal de ganse wereld dat laken en je veroordelen. Zelfs je zoon zal je gedrag afkeuren en met je in conflict komen. Deze wrede gril zal tot je ondergang leiden en bovendien schande over dit koningshuis brengen. Je zult het doelwit zijn van de honende kreten die zelfs de allerkleinsten van het land je zullen toeroepen. Denk goed na over de mogelijke gevolgen! Verwerf je onsterfelijke roem; zet alle listige plannen om de kroning te voorkomen opzij. Kroon Rama morgen metje eigen handen!' 

Dasharatha schilderde de vreugde die deze grootmoedige daad haar zou schenken, in zorgvuldig gekozen en zoete, verlokkende bewoordingen. Hij hoopte haar in vervoering te brengen bij het vooruitzicht dat zijzelf de troonopvolger zou wijden. Doch Kaikeyi onderbrak hem, zeggend: 'Koning! Uw woorden komen mij vreemd en betekenisloos voor. U tracht onder de gelofte uit te komen die u mij onder ede hebt gedaan; om uw zonde te verdoezelen dist u een boeiend verhaal op! Neen. Nog geen duizend van dergelijke slimmigheden zullen mij ertoe brengen mijn standpunt te wijzigen. U hebt uit uzelf gezegd: "Vraag mij welke gunsten je begeert en ik zal ze verlenen." Nu geeft u een mooie vertoning met veel gezucht en gekreun in plaats van te handelen overeenkomstig uw belofte. Dit siert u allerminst. Door dit gedrag ondermijnt u zelf uw eer en goede naam. Ik ben niet in het minst verantwoordelijk voor uw ellende en verdriet. Bezin u op de uitspraken van degenen die geheel volgens de wetten van dharma leven, dat waarheid (sathya) het hoogste principe is van dharma. Ook ik heb mijn verzoek om de beloofde gunsten op datzelfde principe van dharma gebaseerd. En zoals het een aanhanger van dharma past, hebt ook u toegestemd en gezegd: "Goed! Zij zullen je worden verleend." Niettemin bent u begonnen mij allerlei motieven toe te dichten door te zeggen dat ik u in het verderf stort, dat ik vastbesloten ben tot het begaan van een onvergefelijke zonde, dat ik tracht eeuwige schande over uw naam te brengen! Dat is hoogst ongepast en volkomen onverdedigbaar. Mij treft in deze aangelegenheid geen enkele blaam. U hebt een plechtige gelofte afgelegd zonder aan het verleden of de toekomst te denken en toen die belofte in daden moest worden omgezet, raakte u plotseling in verwarring en werd wanhopig. De schuld ligt bij u, niet bij mij. Zij die iets beloven en er dan niet naar willen handelen, begaan de grootst mogelijke zonde. Wanneer u uw gegeven woord tot richtsnoer neemt, zal de waarheid waaraan u zich hebt gehouden u schoonwassen van alle zonden die aan uw daden verbonden zijn. Weet u niet meer hoe in het verleden keizer Sibi vlees van zijn eigen lichaam sneed om een adelaar tot voedsel te dienen, omdat hij zich wilde houden aan een belofte die hij de adelaar gedaan had toen deze een duif wilde verschalken! En dan keizer Alarka, die de gelofte had afgelegd dat hij alles zou geven wat er van hem verlangd mocht worden; hij was een groot en edel vorst. Teneinde zich aan zijn woord te houden, stak hij zichzelf beide ogen uit, om ze aan een brahmaan te geven! Kijk naar de oceaan. Hij is de Heer van alle rivieren; toch blijft hij binnen de begrenzingen van de kust en overschrijdt ze niet, omdat hij zich aan zijn belofte houdt. Waarom zou ik nog meer voorbeelden aanhalen, al zou ik er wel duizend kunnen noemen? Voor alles en iedereen is de waarheid het hoogste gezag en het meest verheven ideaal. De waarheid is Brahman. De waarheid is het oergeluid Aum. Het is dharma. Slechts de waarheid kent geen verandering of waardevermindering. Keizerlijke majesteiten zoals u moeten niet loslaten wat onvergankelijk is omwille van dat wat vergankelijk is. Houd u aan uw belofte en wees verzekerd van eeuwige roem en glorie voor uzelf. Dat is de juiste weg. Buig niet voor misleidende gehechtheid aan uw zoon, noch voor bedrieglijk medegevoel voor vrouwen; verwerp de voorschriften niet van politiek idealisme en koninklijke plicht. Bezoedel de naam van de Ikshvaku-dynastie niet met onherstelbare oneer! 

Bedenk geen ander plan, doch roep Rama bij u en zeg Hem dat hij zich gereed moet maken om zich naar het woud te begeven. Zie erop toe dat Bharata wordt teruggeroepen naar de hoofdstad en geef de betreffende minister opdracht deze zaken onverwijld te regelen. Zie! Het wordt reeds licht aan de oostelijke hemel. Deze twee gunsten moeten vÛÛr zonsopgang gestalte krijgen. Hoelang u er ook over redetwist, met minder zal ik geen genoegen nemen. Als u daarentegen onvermurwbaar blijft en de kroning van Rama doorgang laat vinden, dan ben ik vastbesloten mijn leven te beëindigen voor de ogen van de plenaire vergadering. Ik zweer dat aldus zal geschieden'. 

Vertoornd en bevreesd hoorde Dasharatha Kaikeyi's razen en tieren aan; hij was niet bij machte de woede die in hem opwelde te tonen, noch om die te onderdrukken. Hij was gelijk keizer Bali, die God, in de gedaante van Vamana (de dwerg; de vijfde incarnatie van Vishnu) een stuk grond van drie voet beloofde en vervolgens ontdekte dat hij deze belofte niet kon inlossen; want Vamana nam met èèn stap bezit van de ganse aarde en met een tweede stap van de ganse hemel en vroeg toen om de derde voet land die hem toegezegd was! Dasharatha was zeer bevreesd voor de vloek die hem zou wachten omdat hij de wetten van dharma geschonden had. Hij stond daar met ogen die dof waren van twijfel en wanhoop en met hangend hoofd. Plotseling viel hij op de grond. Tenslotte raapte hij al zijn moed bijeen en schreeuwde: 'O jij zondige vrouw! Als Rama's kroning wordt afgelast, zal dat gewis mijn dood betekenen. Jij kunt daarna als weduwe in alle vrijheid over dit koninkrijk regeren.' Terwijl hij in deze trant lucht gaf aan zijn toorn, riep Dasharatha uit: 'Helaas! Rama! Is het nu werkelijk zover gekomen dat ik jou, met mijn persoonlijke instemming naar het woud moet verbannen? Neen, dat zal ik niet doen. Dan sterf ik liever; ik kan geen ogenblik langer leven als ik van jou gescheiden word. O, boosaardige, duivelse vrouw! Hoe heeft het idee om mijn liefelijke en jonge Rama het dichte, duistere oerwoud in te sturen je hart kunnen binnensluipen? Afgrijselijke furie! Wat een monster ben je geworden!' Daarop viel Dasharatha in zwijm en verloor weldra geheel het bewustzijn. 

De nacht versmolt in de helder wordende dageraad. De negen muziekinstrumenten aan de paleispoort kondigden de 'dag van vreugde' aan. De straten werden besprenkeld met rozenwater. De lucht was bezwangerd van welriekende geuren en vervuld van feestgedruis en overal heerste een gevoel van hoop en opwinding. De dag stond onder het gesternte van Pushya (een van de 27 sterrenbeelden waar de maan langs gaat; dec./jan.). De wijze Vasishtha begaf zich met zijn discipelen naar de rivier de Sarayu voor de ceremoniële reiniging en keerde vandaar terug met het gewijde water dat benodigd was voor de rituele wassing tijdens de kroningsplechtigheid. Hij liep over de toegangsweg naar het paleis, waar de stedelingen zich hadden verzameld om getuige te zijn van de voorbereidingen tot de inwijdingsceremonie. De paleiswachten maakten de weg vrij voor het heilige gezelschap. Tenslotte betraden zij via de rijk versierde hoofdpoort het koninklijk paleis. 

Zelfs op dat vroege uur waren de binnenplaatsen van het paleis reeds gevuld met priesters, onderkoningen, senatoren en volksvertegenwoordigers uit alle delen van het koninkrijk. Zij namen de hun toegewezen plaatsen in. Het ritme der vedische gezangen die door de schriftgeleerden langs de straten werden gereciteerd, schalde door de lucht. Intussen wenkte Vasishtha minister Sumanthra en sprak: 'Het gunstige uur dat voor de kronings-ceremonie is vastgesteld, nadert en er moeten nog vele inleidende riten worden verricht; ga naar de maharadja en laat hem weten dat zijn aanwezigheid dringend gewenst is. Geef hem de boodschap door dat Vasishtha op zijn komst wacht.' 

Aangezien Sumanthra een oude getrouwe was, had hij vrijelijk toegang tot alle privè-vertrekken van het paleis; hij spoedde zich derhalve naar de vertrekken van koningin Kaikeyi, op zoek naar de keizer. Toen hij het koninklijk slaapvertrek binnentrad, was hij zo ontzet over wat hij zag, dat hij twijfelde aan zijn verstandelijke vermogens. Zo schokkend was de aanblik van de keizer die op de grond gevallen was. Hij vroeg zich af of hij zijn eigen ogen wel kon vertrouwen; hij was volkomen van streek. Hij liep naar Dasharatha en sprak: 'Majesteit! U zou deze morgen moeten zijn gelijk de zee in de ochtendstond, deinend in vervoering. Ik kan niet begrijpen waarom u zo gebroken op de grond ligt. Het uur der kroning nadert. De wijzen, met hun grote kennis van de vedische Geschriften, hebben hun plaats ingenomen en wachten op uw komst in de troonzaal. Sta op en tooi u met koninklijke gewaden en juwelen; kom dan naar de troonzaal, samen met de koninginnen, in volle keizerlijke pracht. De wijze Vasishtha verzocht mij hierheen te gaan en u naar de gewijde ruimte bij de troon te geleiden.' 

Toen hij Sumanthra's dringende verzoeken aanhoorde, kon Dasharatha zijn verdriet niet langer verbergen, Hij weende luid en tussen zijn snikken door sprak hij tot de minister: 'Sumanthra! Uw bovenmatig eerbetoon doorboort mij het hart.' Sumanthra was niet bij machte ook maar een stap voor- of achteruit te doen. Hij stond als aan de grond genageld. Met de handpalmen tegen elkaar bad hij: 'Maharadja! Vanwaar deze onverwachte wending? U zou op dit ogenblik verzonken moeten zijn in ananda; vanwaar dan deze smart, dit jammerlijk geween? Wat is daarvan de reden? Het gaat mijn begrip te boven.' Toen Sumanthra zo bleef staan, wanhopig en in droefheid verzonken, kwam Kaikeyi tussenbeide en sprak: 'O, beste aller ministers! De keizer heeft de ganse nacht geen oog toegedaan, uit bezorgdheid voor Rama. Als u onmiddellijk Rama hiernaartoe kunt brengen, zal het mysterie worden ontsluierd. Dit zeg ik u; begrijp mij niet verkeerd, doch breng Rama snel hierheen.' Sumanthra nam haar opdracht aan als was het een bevel van de soeverein en spoedde zich naar Rama's paleis. Daar zag hij bij de ingang aan weerszijden lange rijen dienaren en dienaressen staan, die reusachtig grote schalen droegen, beladen met zijde en brokaat, juwelen en edelstenen, bloemslingers en boeketten, welriekende stoffen en zoete lekkernijen. Het zag er oogstrelend uit, doch Sumanthra bleef niet staan kijken. Toen hij haastig het paleis binnentrad, had hij het gevoel dat er, ondanks alle feestelijkheid, iets kostbaars ontbrak; hij was overrompeld en verward. De vreugde die hij voorheen had ervaren, was in droefheid veranderd. 

Onderweg naar Rama's paleis had Sumanthra bemerkt hoe de honderdduizenden trouwe onderdanen die de straten bevolkten aan elkander doorgaven dat hij op weg was om Rama op te halen en Hem naar de kroningszaal te geleiden voor de plechtigheid. Hij zag hoe hun gezichten straalden van blijde verwachting; zij durfden nauwelijks met hun ogen te knipperen, voor het geval dat ze een of ander vreugdevol incident of onderdeel zouden missen. Tenslotte betrad Sumanthra het paleis van de prins. Hij kon direct doorlopen, zonder dat iemand hem iets vroeg, naar alle vertrekken van dit gebouw van zeven verdiepingen. Zoals een vis geluidloos door de diepten van een snelstromende rivier zwemt, zo gleed Sumanthra geruisloos door de gangen en zalen van dat paleis!


Hoofdstuk 11a: Ook Lakshmana

In het paleis stonden Rama's naaste familie en vrienden gereed, in opgetogen en gelukkige stemming, met stralende gezichten en gekleed in schitterende gewaden, om hem naar de kroningszaal te begeleiden. Sumanthra begaf zich naar de binnenvertrekken van het paleis. Daar ontwaarde hij Rama, die op een gouden bank gezeten was en de gehele ruimte vulde met een goddelijk licht; Sita stond aan zijn zijde en wuifde hem zachtjes koelte toe. Rama straalde als de maan, met zijn gezellin als de ster van Chitra naast zich. 

Sumanthra had haast, want zijn boodschap kon geen uitstel lijden. Hij sprak: 'Rama! Zowel moeder Kaikeyi als je vader hebben mij verzocht je snel naar Kaikeyi's paleis te brengen. Met die opdracht heb ik mij hierheen gespoed.' Zodra hij deze woorden hoorde, wendde Rama zich tot Sita en sprak: 'Sita! Dit is het teken dat er een of andere belemmering is, iets anders kan het niet zijn. Ik was mij daarvan wel bewust, maar ik zweeg erover en zei bij alles 'Ja' om mijn vader tevreden te stellen. De bevelen van mijn vader moeten worden opgevolgd, teneinde hem niet te kwetsen.' Sumanthra hoorde met bonzend hart Rama's woorden aan en poogde ze te verklaren en in verband te brengen met het zojuist aanschouwde tafereel van Dasharatha die jammerend op de grond lag. Hij was er nu van overtuigd dat de hindernis waarvan Rama sprak, wel degelijk bestond. 

Doch Sita onderbrak Rama: 'Heer! Wat zegt u nu? Op deze gelukkige dag mag u niet zo spreken. Welk beletsel er ook mag zijn, wij moeten de woorden van uw vader respecteren. Als hij tevreden is, zijn wij dat eveneens. Om zijnentwil moeten wij alles prijsgeven als dat nodig is. Aarzel geen ogenblik; ga onmiddellijk naar uw vader toe. Of de kroning plaatsvindt of niet, we zullen even gelukkig zijn. Moeder Kaikeyi is u uitermate toegenegen, dus zal alles wat zij ons opdraagt te doen, elk bevel dat zij ons geeft, ongetwijfeld voor ons bestwil zijn. Er is op de ganse aarde niemand die zo bezorgd is om ons welzijn als moeder Kaikeyi. Als uw vader en een moeder als zij laten weten dat u snel bij hen moet komen, dan moeten wij ons gelukkig prijzen!' Met deze woorden volgde Sita Rama naar de hoofdingang van het paleis en wenste Hem alle goeds. 

Rama zei tot haar: 'Sita! Denk je dat ik dit alles niet weet? Voor mij zijn alle dagen gelijk, of zij nu in het verleden, het heden of in de toekomst liggen; elke dag begroet ik met vreugde in het hart. Om de reputatie van mijn vader hoog te houden ben ik bereid alles te doen en overal heen te gaan. Ik ben werkelijk zeer blij dat je mijn gevoelens deelt en mijn besluit steunt.' Rama begaf zich naar buiten, gevolgd door Sumanthra. Toen zij in de zegewagen stapten die voor het paleis stond te wachten, begon het volk te roepen: 'Jai Jai, Ramachandra Prabhu ki Jai (Heil aan onze soevereine Heer)'. Het gejuich daverde door de lucht. 

Sumanthra maakte het volk bekend: 'De wagen brengt Rama thans niet naar de kroonzaal, doch naar de plaats waar de keizer zich bevindt. Laat daarom de wagen snel doorrijden. Rama zal over enkele ogenblikken terugkeren, dus wacht allen hier.' Sumanthra legde uit waarom haast geboden was en reed met grote spoed weg. Toen Rama in zijn goddelijke triomfwagen door de straten van Ayodhya reed, op weg naar Kaikeyi's paleis, begonnen alle strijdbare mannen met hun zware stemmen luid te juichen zodra zij hem ontwaarden. Minstrelen en hovelingen lieten lofliederen horen; de tonen van velerlei muziekinstrumenten stegen ten hemel. Toejuichingen van 'Jai Jai' rezen op uit de mensenmassa die zich aan weerszijden van de weg had opgesteld. Vrouwen, op hun fraaist uitgedost en getooid met sieraden, verdrongen zich op de veranda's van hun huizen en voor de vensters, wachtend op de kans om met hun lampen te zwaaien als Rama langskwam. 

Toen Rama het paleis naderde, strooiden zij bloemblaadjes en zwaaiden zij met gewijde lampen. De mensen staarden de prins na tot zij Hem uit het oog verloren; daarna genoten zij van het beeld van 'Rama in de triomfwagen', zoals dat in hun hart was gegrift. Zij bleven onbeweeglijk staan als standbeelden van zichzelf, verzonken in overpeinzing, vervuld van gelukzaligheid. 

De wagen reed het terrein op van Dasharatha's paleis dat Vardhamana heette en indrukwekkend was als de berg Kailas. Hij reed over de drie binnenplaatsen waar boogschutters op wacht stonden. 

Rama stapte uit de wagen en stak te voet nog twee vierkante pleinen over; Hij zei tot zijn gevolg en zelfs tot Lakshmana, dat zij hem niet moesten volgen. Want Rama wist wat er stond te gebeuren. Hij bleef zich niettemin gedragen als een gewone sterveling en zo natuurlijk als een mens zich onder deze omstandigheden maar kon houden. Tenslotte betrad Rama de vertrekken der koningin en de kamer waar Dasharatha op het bed was neergezonken. Zijn haren waren verward en hij droeg nog de kleren van de dag ervoor. Hij lag op het bed zonder zich om enig decorum te bekommeren; Dasharatha bood een aanblik die Rama versteld deed staan. Kaikeyi stond naast het bed. 

Dasharatha's gelaat had elk spoor van levendigheid verloren; hij klaagde en steunde. Hij hief zijn hoofd op en zijn blik viel op Rama. Zijn tong was als verlamd en belette hem te zeggen wat hij op het hart had. De tranen stroomden Dasharatha over de wangen. Ofschoon hij trachtte te spreken, bracht hij geen geluid voort. Nog nooit had Rama een zo schokkend tafereel aanschouwd. Hij was vervuld van grote bezorgdheid; Hij haastte zich naar zijn vader toe en omvatte diens voeten. 'Zeg me vader, waarom weent u zo? Wat is daarvan de oorzaak? Ik zal u vreugde bereiden, zo goed ik kan. Ik zal er mijn levenstaak van maken u weer gelukkig te zien. Zeg me wat de aanleiding is tot dit verdriet en ween niet langer', smeekte hij. 

Hierop riep Dasharatha uit: 'Rama!' Wederom barstte hij in tranen uit en was niet in staat door te gaan. Hij verloor het bewustzijn. Rama poogde hem weer tot leven te brengen en hem te troosten, doch Dasharatha verzonk in steeds diepere droefheid en bleef ontroostbaar. Toen verzamelde Rama moed en nam zijn vader onderhanden: 'Vader! Wat gebeurt hier? U zou jonge mensen als ik moed moeten inboezemen, maar wat doet u? U weent en jammert en vervult ons met vrees! Neen, dit is niet juist. Dit is een dag om gelukkig te zijn; is het dus gepast en getuigt het van dharma dat u zich door smart laat overmannen? Ik hoefde tot op heden slechts naar u toe te komen als u boos was of verontrust, en alle sporen van die bezorgdheid waren in een oogwenk uitgewist en u straalde weer van ananda. Is het niet zo dat u de vrede hervond als ik in uw nabijheid was? Hoe kan het dan dat uw smart steeds heviger wordt, hoe langer u naar mij kijkt? Dit verergert ook mijn verdriet. Kunt u mij niet troosten door te zeggen wat de oorzaak is van dit vreemde gedrag? Of moet ik iets doen; zeg mij wat het is en ik zal onverwijld handelen. Als u mij op mijn feilen wijst, zal ik mijzelf verbeteren. Treur niet; twijfel of aarzel niet, maar zeg mij, op grond van uw genegenheid voor mij, wat mij te doen staat en ik zal mij buigen voor uw bevel. Vader! Het is geen goed voorteken voor u, noch voor mij, of voor het keizerrijk, dat u zo bent overmand door verdriet.' 

Na deze smeekbeden aan zijn vader richtte Rama zich tot Kaikeyi. Met de handpalmen tegen elkaar vroeg hij: 'Moeder! Heb ik iets misdaan? Zeg mij wie de verfoeilijke zondaar is die mijn vader zoveel leed heeft bezorgd? Zodra hij mij zag wenkte hij altijd liefdevol naar mij, liet mij dichtbij komen en liefkoosde mij teder. Nu kijkt hij mij niet eens aan, waarom niet? Hij spreekt geen woord en houdt zijn hoofd van mij afgewend! Als de schuld echter bij mij ligt, door een fout of een wandaad, dan ben ik bereid elke straf te ondergaan om ervoor te boeten. Voor mij telt slechts het geluk van mijn vader. Lijdt hij wellicht aan een of andere ziekte of aandoening? Hebben mijn broers Bharata en Shatrughna soms slecht nieuws gestuurd? Zij maken het toch wel goed? En moeder Kausalya en Sumitra eveneens, hoop ik? Het bedroeft mij zeer dat ik vaders zielenpijn niet kan verklaren. Ik zal alles doen wat nodig is om hem weer gelukkig te maken, hoe moeilijk dat ook moge zijn. Ik zal mij volkomen en getrouw aan zijn bevel onderwerpen, al is zijn opdracht nog zo pijnlijk. De vader is de oorzaak van de geboorte van ieder kind; daarom is de vader voor iedereen een zichtbare God. Ik heb geen hoger streven dan mijn vaders geluk. Heb mededogen en vertel mij wat hier is voorgevallen. Moeder! Is uw zelfrespect aangetast door een of andere gebeurtenis, waardoor u harde woorden tegen mijn vader hebt gesproken? Of heeft mijn moeder tegen zijn wil in gehandeld en hem zodoende gekwetst? Moeder Kausalya zou zich nimmer zo gedragen. En dan Sumitra; van haar ben ik zo mogelijk nog zekerder. Het is niets voor haar om tegen vaders wil in te gaan. Zelfs als een van beiden zo dwars zou zijn, dan nog zou vader daarom beslist niet zo hevig klagen en jammeren. Er moet een zeer ernstige aanleiding zijn voor zijn benarde toestand. Als vader aarzelt mij te vertellen wat er gaande is, kunt u dat tenminste doen en mij troosten in mijn smart.' 

Terwijl Kaikeyi haar blik richtte op Rama, die haar zo deerniswekkend smeekte, verlieten haar alle erbarmen en mildheid en alle medelijden met de echtgenoot die nog dieper in de ellende gestort zou worden bij het aanhoren van de woorden, die zij ging spreken, woorden die stellig onheil zouden aanrichten. Zij vroeg zich niet af of zij wel mocht spreken, of dat zij haar woorden wellicht beter voor zich kon houden. Zij maakte geen onderscheid tussen het vluchtige heden en de snel naderende toekomst. Zij wuifde alle eisen weg die de liefde stelde, liet haar ingeboren waardigheid varen en bekommerde zich niet om haar rol als moeder. 

Zij sprak: 'Rama! Luister! Jaren geleden, tijdens de strijd tussen deva's en asura's (goden en demonen), werd je vader verwond door ijzingwekkende, demonische pijlen en leed hij ondraaglijke pijn. Ik heb hem door mijn goede zorgen zijn gezondheid en geluk kunnen teruggeven. Hij was dankbaar voor mijn opofferingsgezindheid en dienstbetoon en zei me twee gunsten te noemen, die hij beloofde te zullen verlenen. Ik had destijds maar èèn vurige wens en dat was dat hij zou herstellen en als overwinnaar uit de strijd zou komen. Ik antwoordde derhalve: "Ik verlang op dit ogenblik geen enkele gunst, doch ik zal later, als ik daartoe behoefte gevoel, u om de beloofde gunsten verzoeken." Je vader zei daarop: "Goed! Je kunt me je wensen kenbaar maken wanneer je maar wilt en ik zal ze gewis vervullen en aan je verlangens tegemoetkomen. Deze twee gunsten zijn niet aan tijd gebonden, noch aan enige andere voorwaarde. Welke wensen het ook zijn, ze zullen worden ingewilligd wanneer je erom vraagt", beloofde hij. 

Je weet dat telgen uit het Ikshvaku-geslacht nimmer hun belofte breken. Omdat ik vertrouwen stelde in deze illustere traditie, heb ik nu om de twee gunsten gevraagd. De eerste is, dat mijn zoon Bharata tot keizer gekroond wordt en de tweede is dat jij wordt verbannen naar het Dandakawoud voor een periode van veertien jaar. Mijn verzoek heeft tot gevolg dat je vader al deze opschudding veroorzaakt! Waartoe zal ik nog verder uitweiden? Ik zal mijn eisen niet veranderen of intrekken. Als je vader de waarheid liefheeft en als ook jij wilt bewijzen dat je een voorstander van de waarheid bent, dan zul je je nu, gekleed in hertenvel en met gevlochten haren naar het Dandakawoud begeven en daar veertien jaar blijven. 

Aangezien jij zijn levensadem zelf bent, wil hij je niet verbannen en wil hij je niet vragen om te gaan. Hij vreest dat je hem zult misverstaan; dat is de reden van zijn droefheid. Rama! Er heeft zich hier geen andere ramp voltrokken. Het heeft geen zin deze tamelijk onbelangrijke aangelegenheid te overdrijven en te doen alsof ons een enorme catastrofe heeft getroffen, Rama! De vader kan slechts dan worden behoed voor de zonde van woordbreuk, als zijn evenbeeld, dus zijn zoon, besluit de belofte na te komen die zijn vader verzuimt gestand te doen. Als zowel degene die de gelofte heeft afgelegd, als diens zoon de gelofte veronachtzaamt, dan is de vader ten eeuwigen dage tot ondergang gedoemd. Jij bent je hiervan ongetwijfeld bewust.' Rama bleef volkomen onaangedaan bij het aanhoren van de woorden die met zoveel opzettelijke hardvochtigheid werden uitgesproken. Met een glimlach om de lippen antwoordde Hij: 'Daarom is het ook niet terecht dat vader om deze reden zo treurt.' Hij knikte, als om zijn instemming te betuigen met Kaikeyi's voorstel. Doch Dasharatha gevoelde zich bij het aanhoren van dit gesprek alsof zijn hart in stukken werd gekliefd. Hij rolde over de grond en kreunde in ondraaglijke smart. Rama richtte zich tot Kaikeyi en sprak: 'Moeder! Het zal geschieden zoals u het hebt uitgedacht! Ik neem eerbiedig het uitvoeren van mijn vaders gelofte op mij. Het is mij genoeg als mijn vader mij bij zich roept, mij liefdevol toespreekt en mij zegent. Ook wanneer mij tenminste gezegd wordt dat ik zelfs deze gunsten niet verdien, dat ik een dergelijke bejegening niet waard ben, dan zal ik dat zonder protest aanvaarden en even gelukkig en tevreden zijn. Want vader heeft altijd het beste met mij voor. Hij geeft mij altijd zijn zegen en wenst dat ik vorderingen blijf maken op het pad van dharma. Hij is een groot ziener; voor mij is hij niet slechts een vader, doch bovenal de geestelijk leidsman die mij de weg wijst naar het hoogste doel. Wat voor verantwoordelijkheid of plicht heb ik, behalve diegene vreugde te bereiden die zowel mijn vader als mijn leraar is? Dat is mijn dierbaarste plicht, mijn dharma. Die veertien jaar in het woud zullen mij oneindige gelukzaligheid brengen. Zou mijn vader dat wensen, dan ben ik bereid mijn ganse leven in het woud te blijven en niet slechts veertien jaar. Maar waarom aarzelt vader om mij over die twee gunsten te vertellen? Dat stemt mij droevig. Zou ik ooit tegen zijn wil ingaan? Rama is de dienaar en verdediger van het ouderlijk gezag, en geen tegenstander ervan. Is er èèn bewijs van dankbaarheid dat edeler is dan dit lichaam, dat van de vader ontvangen is, volledig aan hem te wijden? Vervuld van ananda zal ik hem dit lichaam aanbieden; ik ben niet iemand die zal wachten tot mij dat bevolen wordt. Moeder, waarom hebt u niet aan mij verteld dat Bharata degene is die zal worden gekroond? Mijn broer en ik - tussen ons is geen verschil; wat doet u dan denken dat dat wel zo is? Wij zelf maken geen onderscheid. Bovendien, waarom zegt u eigenlijk: "Dit is je vaders bevel?" , Ben ik u ooit ongehoorzaam geweest? Neen, dat ben ik niet en ik zal het nooit zijn. Of u mij iets opdraagt of mijn vader, ik doe altijd zonder aarzelen wat mij gevraagd wordt. Vandaag nog zal ik Ayodhya verlaten en mij naar het woud begeven. Moeder! Zend bekwame boodschappers naar grootvader en geef hun opdracht Bharata hierheen te brengen. Het zou het beste zijn als hij zo snel mogelijk hiernaartoe kwam. Als mijn vertrek naar het Dandakawoud samenvalt met de kroning van Bharata wordt mijn vader veel fysieke inspanning en ook zielenpijn en een gevoel van leegte bespaard. Toch kunt ook u volkomen tevreden zijn! Wie zal zeggen hoe de gebeurtenissen zich zullen ontwikkelen?' 

Rama's woorden vervulden Kaikeyi met ananda, maar tevens met bezorgdheid. Zij was beducht voor de eventuele gevolgen, als bij Bharata's terugkomst Rama zich nog in de stad bevond; zij besloot derhalve dat zij erop moest aandringen dat Rama nog diezelfde dag vertrok. Zij antwoordde: 'Rama! Het zal weinig moeite kosten om Bharata naar Ayodhya terug te roepen; het is echter niet nodig dat jij hier blijft tot hij is teruggekeerd. Aangezien je reeds van plan bent om als kluizenaar te gaan leven, waarom zou je dan nog langer talmen? Want hoe later je vertrekt, hoe langer je de dag van je terugkeer uitstelt. Ik raad je aan je gereed te maken om onmiddellijk Ayodhya te verlaten. 

Je vader zou je dit het liefst zelf willen zeggen, maar hij schroomt om zijn bevel rechtstreeks onder woorden te brengen. Ofschoon zijn hart hem ingeeft dat hij moet spreken, wordt hij daarvan weerhouden door een gevoel van schaamte, want hij heeft je zeer lief. Hij ziet ertegenop om je in te lichten over zijn belofte aan mij; dat is ook de enige reden van zijn droefheid, een andere is er niet. Hoe eerder je Ayodhya verlaat, des te eerder zal hij zich over zijn verdriet heen kunnen zetten. Ik vrees dat je vader, zo lang je hier blijft, niet zal willen eten of baden. Dus als zijn geluk je ter harte gaat, kun je het beste zo spoedig mogelijk weggaan.' 

Dasharatha, die als een gebroken man op bed lag, hoorde Kaikeyi's grievende woorden en kon zijn toorn en smart niet langer bedwingen. In een uitbarsting van verwarde razernij riep hij: 'Je moest je schamen, jij verraderlijk en demonisch wezen!' Hij richtte zich tot Rama en riep tweemaal zijn naam, aleer hij wederom het bewustzijn verloor. Rama zette zich op het bed en vlijde zijn vaders hoofd in zijn schoot; hij streelde Dasharatha's voorhoofd en sprak hem met tedere genegenheid troostend en bemoedigend toe. Tot Kaikeyi sprak hij: 'Moeder! Ik ben geen afgunstig man, die vergiftigd is door wereldse aspiratie. Ik verlang er niet naar om het volk voor mij te winnen en mijn heerschappij over dit koninkrijk te veroveren. Ik wens als kluizenaar te leven; ik heb een diep verlangen om de rechtschapenheid te koesteren en hoog te houden, dat is alles. Verder heb ik de vaste wil om mijn vader, die ik diepe achting toedraag, vreugde te bereiden. Om dit drievoudige doel te verwezenlijken, wil ik iedere taak op mij nemen. Een zoon heeft geen hogere plicht, geen groter goed, dan dienstbaar te zijn aan zijn vader. Moeder! Ofschoon vader niet rechtstreeks tot mij heeft gesproken, is het zijn bevel dat u aan mij hebt overgebracht, nietwaar? Dat is voldoende. Bovendien spreekt u in vaders bijzijn en hoewel hij kan horen wat u zegt, vermag hij niet daaraan iets te veranderen of het te ontkennen. Ik maak hieruit op dat uw woorden feitelijk de zijne zijn. Ik zal mij daarom aan het bevel onderwerpen en Ayodhya terstond verlaten. 

Moeder! Ik heb een bescheiden wens, die u hopelijk zult inwilligen. Wilt u erop toezien dat, wanneer Bharata het rijk regeert, hij de bevelen van vader onvoorwaardelijk gehoorzaamt en door zijn daden bijdraagt aan vaders vreugde en tevredenheid. Voor mij, voor Bharata, ja voor elke zoon, is niets heiliger en vruchtbaarder dan de gelofte om het vaderhart te vervullen met tevredenheid en geluk. Dienstbetoon aan de vader is de eeuwige plicht (sanathana dharma) van de zoon.'

Met deze woorden wierp Rama zich aan de voeten van moeder Kaikeyi. Dasharatha, die naar zijn zoon geluisterd had, kromp ineen. Het was alsof Rama's uiteenzetting over dharma en de gelijkmoedigheid die hij daarbij tentoonspreidde, zijn liefde nog meer aanwakkerde. Zijn verdriet werd hierdoor zo hevig, dat hij zijn gevoelens niet meer meester was. Wetend dat Rama niet langer in Ayodhya zou blijven, verloor hij elk besef van decorum en status. Hij schreeuwde: 'Rama!' en viel in onmacht op de harde vloer. De vrouwen in het vrouwenverblijf (zenana) hoorden deze doffe klap en stonden sprakeloos van schrik en verdriet. Zij weeklaagden luid onder elkander bij de onverwachte wending der gebeurtenissen. Rama besefte dat het niet raadzaam was nog langer te talmen. Hij wierp zich aan zijn vaders voeten en raakte ze eerbiedig aan. Daarop verliet hij de kamer.

Lakshmana had al die tijd bij de deur gestaan en had de woorden opgevangen die binnenskamers gesproken werden. Hij was in tranen; hij was razend op Kaikeyi en boos op zijn vader. Hij kon geen lucht geven aan zijn gevoelens, dus liep hij Rama achterna, met de armen over elkaar, met neergeslagen ogen en gebogen hoofd. Ofschoon hij een kninkrijk had verloren en zichzelf naar het oerwoud moest verbannen, straalde Rama's gelaat als de maan die, hoewel verscholen achter dichte, donkere wolken, zelf niet wordt aangetast door die zwarte sluier. De glorie zijn zijn verschijning bleef onveranderd, want hij aanvaardde eer en oneer met dezelfde kalmte. Hij gedroeg zich als een volleerde yogi en vertoonde in gedachte, woord of daad geen spoor van verontrusting of opwinding. Hij bewoog zich voort alsof er niets was voorgevallen wat hem zorgen baarde. Sumanthra echter vermoedde dat zich in het paleis iets had voorgedaan dat de situatie drastisch veranderd had. Zijn vermoeden werd al spoedig bevestigd. Toen zijn blik op Lakshmana viel, schrok hij hevig. Zijn vrees nam toe toen hij zag hoe Rama het witte zonnescherm, dat een dienaar boven zijn hoofd hield, opzijschoof. Hij verzocht om voor hem niet de officiële vliegenwaaiers te gebruiken en verklaarde dat de zilveren triomfwagen hem niet langer toekwam. Toen hij dat hoorde, verloor Sumanthra alle energie en wilskracht. Zijn grootste vrees werd bewaarheid. 

Rama sprak geen woord tegen de omstanders, of tegen de inwoners van Ayodhya die hij tegenkwam. Niet omdat hij treurig was, doch hij wist hoe ongelukkig het nieuws hen maken zou. Als hij sprak, zou hij immers de waarheid moeten vertellen en dan zouden het zijn woorden zijn die verdriet veroorzaakten. Niettemin duidde de wijze waarop hij, zonder enig ceremonieel, terugliep naar zijn paleis, voor de omstanders de slechte tijding reeds aan. Rama begaf zich niet rechtstreeks naar Sita's verblijf; eerst wilde hij Kausalya bezoeken. Haar paleis zag er schitterend uit, met vlaggen en guirlandes en andere uiterlijke tekenen van een groot feest. De vrouwen en paleisdienaren werden gewaarschuwd dat Rama en Lakshmana in aantocht waren, dus brachten zij de lampen in gereedheid en stelden zij zich in rijen op om hen te verwelkomen. Aan de hoofdpoort sprongen de oude, getrouwe wachten in de houding toen zij de broers ontwaarden en riepen uit: 'Victorie! Victorie! Moge de zege uw deel zijn!' Zij bogen diep en betoonden hun hulde. Toen Rama de tweede binnenplaats betrad, overlaadden de daar verzamelde Brahmanen hen met hun zegeningen. Bij het betreden van het derde plein repten de jonge dienaressen van de koningin zich naar binnen met de blijde tijding dat Rama en zijn jongere broer in aantocht waren om Rama's moeder eer te bewijzen. Zelf waren zij opgetogen bij de aanblik der prinsen. Aan weerszijden van de lange gang die van de ingang naar Kausalya's vertrekken leidde, stonden dienaressen die ter verwelkoming met vlammen zwaaiden, om het kwaad af te wenden en om vreugde en voorspoed over hen uit te roepen. 

Koningin Kausalya had de ganse nacht wakend doorgebracht, ter voorbereiding op de komende wijdingsdag. Zij was sinds de dageraad in heilige riten verdiept. Oude brahmaanse priesters waren doende de God van het vuur (Agni), gunstig te stemmen met vedische gezangen, toen Rama's komst werd aangekondigd. Zijn moeder was vervuld van grote blijdschap, omdat zij getuige mocht zijn van de kroning van haar zoon. Zij gaf uiting aan haar vreugde door allerlei riten te volbrengen en door rijkelijk giften te schenken. Zij vastte en waakte; ananda was al het voedsel dat zij wenste, de ananda die zij met iedereen deelde. Zij rende naar voren om Rama in haar armen te sluiten; zij streelde zijn krullende lokken en nam hem bij de hand mee naar de puja-kamer waar zij de morgen voor het altaar had doorgebracht. Zij was onkundig van de dramatische wending der gebeurtenissen. Onschuldig en oprecht als ze was, droeg zij de witte sari ten teken van zuiverheid, met het ritueel voorgeschreven zijden koord om haar middel; vervuld van dankbaarheid was zij die morgen verdiept geweest in aanbidding van de Goden. Toen zij naar Rama's gelaat keek, merkte zij op dat het een buitengewone grootsheid uitstraalde. Haar ananda kende geen grenzen. 'Zoon!', sprak zij, 'je voorvaderen waren allen rajarishi's - koninklijke wijzen. Zij waren vastberaden handhavers der gerechtigheid. Elk hunner was een mahatma, een grote ziel. Ook jou zal een lang leven beschoren zijn en je zult grote roem verwerven, net als zij; jouw glorie zal, evenals de hunne, reiken tot in alle uithoeken van de aarde. Zoon! Blijf trouw aan de idealen van dharma die door deze dynastie zijn hooggehouden; verwaarloos ze niet, zelfs niet wanneer je gedachten even afdwalen. Houd die idealen vast, zonder ooit te wankelen.' Met deze woorden strooide Kausalya een paar rijstkorrels op Rama's hoofd, ten teken van zegening op deze gelukkige en beloftevolle dag. Zij zette een gouden zetel naast de hare, zeggend: 'Zoon! Je hebt je toch wel gehouden aan de ceremoniële wake, de afgelopen nacht? En gisteren heb je volgens de regels gevast, nietwaar? Je zult wel uitgeput zijn. Ga hier even zitten en eet wat fruit.' Zij hield hem een gouden schaal met fruit voor, die zij al voor hem had klaargezet. 

Rama was ontroerd door zijn moeders ananda en door de liefde waarmee zij hem overlaadde. Hij vroeg zich af hoe hij haar moest vertellen welke keer de omstandigheden hadden genomen, omdat hij daarmee een einde zou maken aan haar gelukkige stemming. Hij zette zich op de gouden zetel om haar een genoegen te doen en beroerde met zijn vingers het fruit op de schaal. Hij sprak: 'Moeder! Van nu af aan mag ik geen goud meer aanraken. Ik hoor niet op gouden zetels te zitten. Ik wacht op uw zegen, want ik ga als banneling naar het Dandakawoud. Ik ben bij u gekomen om afscheid te nemen.' Kausalya begreep geen woord van wat Rama zei. Zij kon slechts stamelen: 'Zoon! Over enkele minuten word je tot koning gekroond en jij hebt het over het Dandakawoud! Ik kan geen wijs worden uit je woorden.' Zij dacht dat haar zoon haar wat wou plagen en een grapje maakte. Zij sprak: 'Zoon! Je mag op dit gelukkige uur zelfs niet in scherts praten over aangelegenheden die onheil oproepen; houd je daar niet mee bezig, juweel van mijn hart.' Met haar vingers schepte zij wat in melk gekookte rijst met suiker uit een kom en stopte het in Rama's mond. Bij het zien van haar blijken van liefde en ananda vulden de ogen van Lakshmana zich spontaan met tranen. Kausalya zag dit en wendde zich tot hem, vragend: 'Lakshmana! Waarom ben je zo treurig?' Zij liep snel naar hem toe en trachtte hem te liefkozen, doch Lakshmana, die zijn verdriet niet langer kon onderdrukken, brak nu in snikken uit. De koningin was verbijsterd en had geen idee waarom hij zo weende. Rama's woorden en Lakshmana's smart brachten haar in grote verwarring. Rama kwam tussenbeide: 'Moeder! Als u me belooft niet te zullen treuren, zal ik u iets vertellen', en hij hield haar handen stevig vast. 'Het gaat om iets dat mij, u en onze ganse familie en onze dynastie onvergankelijke roem zal schenken. Geef daarom bezorgdheid, twijfel of droefheid geen enkele kans. Accepteer de situatie met een opgewekt en liefdevol hart. Maakt het u niet gelukkig dat ik mijn vaders bevel opvolg? Hij heeft besloten om mijn broer Bharata te kronen en bovendien om mij, in kluizenaarsgewaad gekleed, naar het Dandakawoud te verbannen, voor een periode van veertien jaar. Ik heb me aan zijn bevelen onderworpen en ben hier gekomen om afscheid van u te nemen.' 

Hierop gaf Kausalya een schrille kreet: 'Rama!', en zeeg ineen. 'Hoe hebben de gebeurtenissen een dergelijke wending kunnen nemen? Wordt dit teergevoelige kind van mij werkelijk naar het donkere oerwoud verbannen? Wat voor wandaad heeft mijn Rama begaan dat hij zoiets verdient? Dat kan toch niet waar zijn? Of is het betekenisloos gebazel dat ontsproten is aan mijn eigen brein, doordat ik niet heb geslapen of gegeten?' 

Terwijl Kausalya aldus poogde voor zichzelf een verklaring te vinden en zich moed in te spreken, had het nieuws over de gebeurtenissen in Kaikeyi's paleis zich door het vrouwenverblijf (zenana) verspreid en waren de jammerklachten van de dienaressen wijd en zijd te horen. De tranen van hevige smart liepen hen langs de wangen. Kreten als: 'Rama! Verlaat ons niet!', klonken van alle kanten. Diepbedroefde mensen haastten zich naar het paleis van Kausalya, die overmand werd door verbijstering, verdriet en vrees. Zij kon het mysterie niet ontrafelen. Zij was niet bij machte op te staan, zo zwaar drukten haar de bezorgdheid en de wanhoop. Zij verlangde er niettemin naar te weten wat de werkelijke oorzaak was van deze algehele vertwijfeling. Zij trok Rama op haar schoot en terwijl zij over zijn krullen streek, vroeg zij: 'Zoon! Wat hoor ik nu toch? Wat zijn dit voor berichten? Zeg me duidelijk wat er is voorgevallen. Deze onzekerheid wordt mij ondraaglijk.' Rama zei tot haar: 'Mijn vader heeft Kaikeyi eens twee gunsten toegestaan; hij is nu zijn belofte nagekomen en heeft haar twee wensen ingewilligd.' Rama vertelde Kausalya dat de eerste gunst die Kaikeyi verleend was dat "Bharata gekroond zal worden" en de tweede "dat ik gedurende veertien jaar naar het Dandakawoud zal worden verbannen". 

Toen Rama haar de feiten opsomde en ze bevestigde, riep Kausalya ongelovig uit: 'Rama! Heeft Kaikeyi werkelijk om dergelijke gunsten gevraagd? Kaikeyi koesterde altijd een grenzeloze liefde en genegenheid voor jou. Zij zou nooit en te nimmer iets dergelijks verlangen, daar kun je gerust op zijn. Zelfs als het wel zo was, dan toch zeker alleen om de koning op de proef te stellen! Vanwaar al deze verwarring en vrees om zo'n simpele aangelegenheid? Bovendien, stel dat zij om deze gunsten gevraagd heeft, zou je vader ooit bereid zijn ze toe te staan? Dat weiger ik te geloven. Zou je vader, die het niet kan verdragen ook maar een ogenblik van je gescheiden te zijn, je veertien lange jaren naar het oerwoud kunnen verbannen? Deze gedachte maakt mijn verwarring des te groter.' 

Toen hij bemerkte dat zijn moeder er blijkbaar nog aan twijfelde of de gebeurtenissen zich werkelijk zo hadden afgespeeld, smeekte Rama, terwijl hij haar handen vasthield: 'Moeder! Geloof toch wat ik zeg! Vader had Kaikeyi reeds beloofd haar elke twee gunsten te verlenen waar zij om mocht vragen; naderhand, toen zij juist deze twee verlangde, was hij niet van zins zijn woord te breken en om de belofte te herroepen die hij zo plechtig had gegeven. Hij kon echter evenmin de gedachte verdragen dat hij mij naar het woud moest verbannen en van mij moest scheiden. Dat is de reden dat hij zo door smart wordt gekweld. Ik kan de aanblik van zijn zielenpijn niet verdragen. Zoëven was ik nog bij hem; hij heeft het bewustzijn verloren en is ten prooi aan hartverscheurend verdriet. Dat is de waarheid. Geloof mij, ik zou nooit zo wreed zijn om u zoveel leed te veroorzaken als het was gegaan om een onbetekenende grap. Ik heb mij neergelegd bij vaders bevelen en ben nu hier gekomen om ook uw toestemming te verkrijgen.'


Hoofdstuk 11b: Ook Lakshmana

Met deze woorden wierp Rama zich aan zijn moeders voeten. Kausalya richtte hem vol tederheid op. Zij sprak: 'Rama! Wat is dit voor vreemd gedrag? Hoe barbaars iemand ook is, dergelijke vreselijke gunsten zal hij toch niet verlangen? Wie zou ooit op de gedachte komen om jou, enkele minuten voordat je gekroond zult worden, veertien jaar naar het oerwoud te verbannen? Moet ik dan mijn leven lang lijden? Ik kreeg een zoon, nadat ik talloze geloften was nagekomen en riten had volvoerd. Bij het aanschouwen van jouw liefelijke gelaat, kwam ik het knagende verdriet van de voorgaande jaren te boven. Het is mij genoeg als ik mijn zoon dichtbij mij heb; andere verlangens heb ik niet, om een andere gunst vraag ik niet. Ben ik dit bescheiden geschenk niet langer waardig? Heb ik daarvoor een kind ter wereld gebracht, om het in het woud terecht te zien komen? Zou er èèn moeder te vinden zijn die toelaat dat haar zoon de wildernis ingestuurd wordt? Ach, wat voor zonde heb ik in het verleden begaan? In welk vorig leven heb ik een moeder en haar zoon uiteengedreven? Sinds de dag van je inwijding in de vedische wetenschappen heeft de gedachte aan je naderende kroning mij ieder ogenblik met vreugde vervuld. Zijn mijn zoete dromen nu op niets uitgelopen? Zijn al mijn verwachtingen de bodem ingeslagen en in stukken gebroken? Zijn alle geloften, gebeden, riten en rituelen, die ik zo gewetensvol heb nageleefd en uitgevoerd om jouw vreugde en geluk te garanderen, zijn die vergeefs geweest? O, wat ben ik een grote zondares! Waarom brak mijn hart niet bij het aanhoren van deze tijding? Wellicht krijg ik nog veel meer hartverscheurend nieuws te horen en te verdragen! Ook de dood biedt geen uitkomst; ondanks de schok klopt mijn hart nog steeds. Helaas wacht zelfs de dood op het door het lot toebedeelde ogenblik. Eens komt hij, maar nu hij ziet hoe slecht ik eraantoe ben, laat hij mij leven en stelt hij het tijdstip van mijn verlossing uit. Zelfs Yama, de Heer des Doods, is mij niet genadig en acht mij onwaardig het dodenrijk te betreden. O, Rama! Waarom moet dit onheil toch over ons komen', klaagde zij en viel in onmacht. Toen zij weer bijkwam, rolde zij over de vloer, met de hand tegen haar hart gedrukt. Rama kon het tafereel niet in gemoede aanzien. De jammerkreten van de dienaressen die zich rond Kausalya geschaard hadden, klonken hem in de oren als donderslagen. 

Rama sprak geen woord. Hij zat bij zijn moeder en streelde troostend haar voorhoofd en haar haren. Hij veegde het stof van haar kleren. Als een enorme rots, die stevig gebed is in de diepe zeebodem, bleef Rama ongedeerd bij het beuken van de woeste golven rondom hem. Hij was evenzeer verheven boven tegenslag en verdriet, als boven de verlokkingen der vreugde. De gelijkmoedigheid, die hem vervulde nu hij veertien jaar lang naar het woud werd verbannen, was even groot als toen hij, slechts enkele ogenblikken geleden, op weg was naar de troonzaal, om te worden gekroond als heerser van een machtig keizerrijk! 

Ook Kausalya wist dat Rama nimmer van het pad zijner plichten zou afwijken. Zij besefte dat Rama nimmer zijn eens gegeven woord zou breken of ook maar een haarbreed zou afwijken van de door zijn vader voorgeschreven levensweg. Zij was er zeker van dat haar jammerklachten hem evenmin zouden bewegen op zijn besluit terug te komen, dus gaf zij alle pogingen op hem daartoe over te halen. 'Zoon! Wat baat het om anderen verantwoordelijk te stellen indien men voorbeschikt is om deze tragische gebeurtenissen te doorstaan? Neen, elk woord is dan vergeefs. Alles gebeurt voor ons bestwil. Niemand kan neen zeggen tegen een goddelijk gebod. Hier in Ayodhya, in dit paleis, ligt mijn geluk niet. Ik kan slechts daar gelukkig zijn waar mijn Rama is. Dus zal ik met je meegaan; neem me met jou mee', sprak zij. Hierop trachtte zij overeind te komen. Enkele dienaressen hielden haar vast en lieten haar tegen de muur leunen; zij spraken zacht en teder tegen Kausalya om haar weer bij te brengen. 

Lakshmana, die getuige was van Kausalya's hevige smart en haar woorden had aangehoord, kon zijn gevoelens niet langer beheersen. Hij kookte van woede. Hij stond met gebalde vuisten en sprak: 'O! Vereerde moeder! Dit zal ik nimmer kunnen accepteren! Moet Rama het koninkrijk verlaten en zich naar het woud begeven, en zwichten voor het gebazel van een vrouw? Dat kan ik niet dulden. Vader is te oud geworden en daardoor verandert hij gedurig van gedachten. Bovendien is hij verstrikt geraakt in zijn verlangen naar zinnelijk genot en is hij door Kaikeyi's verleidingskunst een willoos werktuig geworden. Hij is zo verzot op haar dat het deerniswekkend is en heeft geen enkel inzicht in de gevolgen van zijn daden. In zijn verdwaasdheid is hij in staat om het even welk bevel uit te vaardigen. Bevelen van dien aard behoort men niet op te volgen. De koning bevindt zich in een staat van besluiteloosheid en is niet bij machte de werkelijkheid van de illusie te onderscheiden, of het voorbijgaande van het eeuwige. Als dergelijke heersers bevelen geven die ontsproten zijn aan verdwazing, doet men er goed aan ze niet te gehoorzamen. Welke misdaad heeft Rama begaan dat hij naar het woud verbannen zou moeten worden? Zelfs Rama's wreedste vijand, zo hij die al heeft, of de meest hardvochtige barbaar, die de straf voor zijn wandaden ondergaat, is niet in staat ook maar de geringste smet te werpen op Rama's daden of gedrag. Geen vorst ter aarde is gerechtigd om iemand van een dergelijke onbetwistbare onschuld, met zulke zuivere bedoelingen en van een dergelijke verheven heiligheid, als banneling naar het woud te verdrijven. Rama volgt standvastig het rechte pad; hij is meester over zijn zintuigen; vijanden van allerhande allooi worden door hem geëerd en met respect behandeld. Welke vader zou een dergelijke zoon naar het oerwoud verdrijven? Bovendien is de koning zeer gehecht aan dharma; hij is een held met talloze heilige idealen en hij leeft volgens de hoogste principes in alle godsdiensten. Kan een dergelijke koning dit bevel uitvaardigen? Naar zijn bevel te oordelen, is het zeker dat Dasharatha Ûf krankzinnig is, Ûf de slaaf is van zijn hartstocht. In beide gevallen is zijn bevel niet waard te worden opgevolgd. De woorden van een koning die zich gedraagt als een krankzinnige of als een klein kind, hoeven niet serieus genomen te worden. Hij is waanzinnig geworden en heeft ook nog de wetten der politieke moraal vergeten, het pad der wijsheid verlaten, de verplichtingen der vaderliefde veronachtzaamd, maar heeft zijn grillen en lusten de vrije loop gelaten. Moet zijn bevel als wettig worden erkend? Ik zal er niet mee instemmen dat het wordt gerespecteerd.' 

Lakshmana richtte zich tot Rama en terwijl hij diens handen eerbiedig vasthield, sprak hij: "Rama! Vergeef mij! Neem de heerschappij van dit rijk op je, voordat het nieuws over dit gebeurde zich verspreidt en aan iedereen bekend wordt. Ik zal je met mijn boog terzijde staan. Eenieder die zich hier in Ayodhya tegen je verzet, zal door de pijlen uit deze boog worden getroffen. Zo iemand bestaat natuurlijk niet, in Ayodhya of waar ook. Doch zou er tegenstand rijzen, dan zal deze machtige stad in een woestijn veranderen, zonder menselijke bewoners. Daar zullen mijn scherpe pijlen voor zorgen. Waarom moet ik dat nog duizendmaal herhalen? Indien Bharata zelf tegenstand biedt, of iemand namens hem, dan zal ik hem zonder enige wroeging van de aardbodem wegvagen. Zelfs Dasharatha zal ik gevangen nemen en in de kerker opsluiten, mocht hij zich in deze strijd aan Kaikeyi's zijde blijven scharen.' 

Terwijl Lakshmana in deze trant aan het betogen was, keek Rama hem streng aan en zijn emotionele uitbarsting onderbrekend, vermaande hij zijn broer aldus: 'Lakshmana! Je woorden gaan alle perken te buiten. Wat ik mij wens, kan niemand mij ontzeggen. Niemand kan mijn wil doorkruisen. Mijn verbanning naar het woud is niet te vermijden. Het zijn je liefde jegens mij en je verlangen om een scheiding van mij te voorkomen die je zo doen spreken. Wees verdraagzaam! Verdraagzaamheid zal je voor alle vrees en bezorgdheid behoeden. Wees geduldig. Laat je niet verontrusten. Koester geen haatgevoelens jegens vader of je broer Bharata. Het zijn zuivere, heilige mensen. Kaikeyi verdient evenzeer onze hoogachting. Zij moet worden gerespecteerd en geëerd. Ook de gunsten waarom zij heeft gevraagd zijn vrij van blaam. Zij heeft mij immer liefgehad, zij heeft mij geliefkoosd en mij tederheid betoond, als een moeder voor mij gezorgd en met mij gespeeld. Zij heeft mij met vreugde grootgebracht; dit alles nog meer dan met haar eigen zoon, Bharata, het geval was. Als deze moeder nu vader om dergelijke gunsten smeekt - al schijnen die geheel tegen wereldse gebruiken in te druisen - dan is er beslist sprake van een diepere, verborgen bedoeling. Dit moet een goddelijk plan zijn en niet iets dat door mensen is bedacht. Wees kalm, laat alle vrees en haatgevoelens varen. We zullen de loop der gebeurtenissen afwachten', raadde Rama Lakshmana aan. 

Hierop wierp Lakshmana zich aan Rama's voeten en sprak: 'Rama, op welke gronden en op wiens gezag moet aan Bharata de kroon toevallen die jou toebehoort? Welke jongere zoon heeft enig recht dat de oudste zoon niet heeft? Jij gehoorzaamt dit absurde, onrechtvaardige bevel terwille van vader, doch ik zal er mijn goedkeuring niet aan hechten, wat je ook ter rechtvaardiging zult aanvoeren.' Zich tot Kausalya richtend, vervolgde hij: 'Vereerde moeder! Ik moet in alle eerlijkheid zeggen dat ik Rama volkomen toegewijd ben. Ik zweer u: ik kan geen seconde zonder Rama leven. Indien Rama het koninkrijk niet begeert en naar het woud vertrekt, zal ik hem volgen. Ik zal in zijn voetstappen treden en hem vergezellen als zijn schaduw. Hij hoeft mij dat slechts te bevelen en ik zal, als hij dat wil, met vreugde in het laaiend vuur springen. Ik zal slechts zijn bevelen opvolgen en van niemand anders. Moeder! Ik kan de aanblik van uw smart niet verdragen. Rama is uw zoon; hij is mijn Ramachandra. Hoe kan iemand afstand doen van zijn eigen levensadem?' 

Al luisterend naar Lakshmana, werd Kausalya een weinig bemoedigd. Zij streelde Lakshmana's hoofd en sprak: 'Jouw liefde is mij een grote troost. Je woorden sterken mij zeer. Broers zoals jij zijn waarlijk zeldzaam! De wereld beschouwt de moeder die dergelijke kinderen heeft gebaard als eerbiedwaardig en heilig; toch worden wij nu gekweld door de gedachte dat wij grote zondaren zijn. Rama zal niet op zijn besluit terugkomen; wat hem betreft is zijn verbanning onvermijdelijk. Het enige wat ik vraag is nu: Neem ook mij met je mede', riep zij wenend. 

Rama keek naar Lakshmana en sprak: 'Broer! Ik weet hoeveel je van mij houdt. Ik ben mij zeer goed bewust van je heldhaftigheid, je vermogens en je glorie. Moeder lijdt zwaar onder haar verdriet, omdat zij niet kan begrijpen wat de feiten zijn en van hoeveel waarde zelfbeheersing is. Haar smart is trouwens verklaarbaar, aangezien zij mij onder het hart heeft gedragen. Doch bedenk wel: rechtschapenheid, dharma, is de wortel van alle levenswaarden en het voortbestaan van dharma is slechts verzekerd als zij op waarheid (sathya) gegrondvest is. 

Sathya en dharma zijn èèn en dezelfde. De èèn kan niet zonder de ander bestaan. Waarheid is goedheid; goedheid is waarheid. Thans verwezenlijk ik sathya zowel als dharma, door overeenkomstig vaders bevel te handelen. Niemand die zich toelegt op een goede levenswandel mag een belofte breken die aan zijn moeder, vader of geestelijk leidsman is gedaan. Ik zal derhalve de bevelen van vader niet overtreden, dat is zeker. Het was Kaikeyi niet die mij heeft bevolen, zij bracht mij slechts vaders bevel over. Zij deed dit bovendien in vaders aanwezigheid; dus moet men daarvoor eerbiedig het hoofd buigen. Als het niet mijn vaders bevel was, terwijl Kaikeyi mij zei dat dat wèl zo was, dan had hij het toch kunnen tegenspreken? Dat deed hij echter niet; hij betreurde en bejammerde slechts hetgeen gebeurd was. Daarom is het bevel zo authentiek alsof het uit vaders eigen mond geklonken had. Ik zal dus van generlei beslissing afwijken. Het is mij onmogelijk in strijd daarmee te handelen. Laat je verstand zich niet verlagen tot deze angstaanjagende vechtersmentaliteit. Zie af van geweld en wreedheid en aanvaard mijn standpunt.' Rama streek Lakshmana zachtjes over de rug omdat hij zo gebukt ging onder toorn en smart en sprak hem teder en liefdevol toe om zijn leed te verzachten. Daarop richtte hij zich tot zijn moeder, Kausalya, en sprak tot haar: 'Belet mij niet mijn besluit uit te voeren en mij aan mijn gelofte te houden. Wat er ook met anderen moge gebeuren, mijn verbanning naar het woud kan niet worden afgewend. Laat mij gaan in liefde en geef uw zegen aan mijn gelofte en aan mijn besluit.' Toen wierp hij zich aan zijn moeders voeten en vroeg haar toestemming om te vertrekken. 

De moeder beefde van de hevige smart die haar kwelde; zij legde haar handen op Rama's rug en weende luid. Toen hij zag hoe slecht zijn moeder eraantoe was, kon ook Rama zijn emoties niet langer in bedwang houden. Hij hield haar voeten vast en sprak: 'Moeder! Mijn woord is de opperste waarheid. Luister. Er wachten mij geen ontberingen in het woud. Ik zal die veertien jaren in de grootstmogelijke vreugde doorbrengen en zal uitermate gelukkig zijn. Ik zal terugkeren en mij wederom aan uw voeten werpen. Aan al uw verwachtingen zal ik beantwoorden. Moeder! Het is Dasharatha's bevel! Dit bevel moet niet slechts door mij, maar tevens door Lakshmana, Sumitra en Bharata naar de letter worden opgevolgd. Dat is volgens de aloude voorschriften, de eeuwige morele wet (sanathana dharma). Moeder! Vergeef mij, doch ik heb nog een tweede dringend verzoek aan u. Alle maatregelen die zijn getroffen voor mijn kroning door u en anderen, moet u met dezelfde vreugde en geestdrift aanwenden voor de kroning van Bharata. Vader heeft mij het gebied toevertrouwd waarin het Dandakawoud ligt. Dat is het beste: het is in overeenstemming met de hoogste vorm van dharma dat eenieder de plichten vervult die hem zijn toegemeten. Wanneer men tracht zijn verplichtingen te ontlopen omdat zij moeilijk te volbrengen zijn, dan voedt men de gedachte dat er verschil is tussen mij en Bharata. Geef ons beiden uw zegen en vraag ons om ieder voor zich de opgelegde taken met goed gevolg uit te voeren." 

Kausalya luisterde naar Rama's woorden; zij kon de smart die haar daarbij overviel niet verdragen. Zij kreunde van diepe zielenpijn. 'O mijn zoon! Je vader heeft je opgevoed en gesteund in je ontwikkeling; het gaf hem vreugde je tot een grote, sterke man te zien opgroeien. Daarom verdient hij je eerbied en gehoorzaamheid. Maar ben ook ik je eerbied niet waardig? En je gehoorzaamheid? En bedenk eens: de echtgenote is de wederhelft van haar man. De echtgenoot is zijn vrouws wederhelft. Dus als man en vrouw elkanders wederhelft zijn, ben ik Dasharatha's helft, nietwaar? Dat is de reden dat de vrouw het halve lichaam (ardhangi) van haar man genoemd wordt. Als jij zegt dat je door Dasharatha bevolen bent, dan is dat bevel slechts ten halve van hem afkomstig en niet van hem als geheel. Het wordt slechts gezaghebbend indien ook deze helft toestemt. Doe ik dat niet, dan is het bevel niet geldig. Jij kent de betekenis en het belang van dharma in al zijn verschillende aspecten, dus zul je je tevens van dit aspect bewust zijn. Zonder instemming van de moeder kan een verplichting nooit bindend zijn en is geen enkele handeling de naam dharma waardig. Men moet eerder het bevel van de moeder dan van de vader opvolgen. De plicht tegenover de moeder moet het zwaarst wegen. Want zij is het die je van baby tot kleuter en van kleuter tot jongeling heeft gevoed en gekoesterd en niet de vader! Als de moeder het kind niet negen maanden had gedragen, dan bestond het kind niet eens! Nu geef je die moeder prijs aan de vurige vlammen van haar verdriet en je roept: "O, dat is mijn vaders bevel, dat moet ik gehoorzamen, tot elke prijs." Ik vind een dergelijk gedrag onaanvaardbaar. Een moeder heeft geen groter schat dan haar zoon, en voor moeders als ik betekent de zoon alles. Wanneer mijn zoon mij niet voor vol aanziet en zijn vaders bevel van groter gewicht acht, wat baat het mij dan om de hemel te verwerven en daar van goddelijke nectar te leven? Ik ben liever in de hel. Ik zal mij pas in de hemel achten als mijn zoon bij mij is. 

Rama! Wat heb ik hier nog te zoeken? Mijn leven lang heb ik nog geen ogenblik van geluk gesmaakt! Vanaf mijn geboorte was ik gebonden aan de beperkingen die vader en moeder mij oplegden; daarna viel ik ten prooi aan zorg en vrees aangaande de echtgenoot die ik zou krijgen en hoe zijn karakter en gedrag zouden zijn, tot ik tenslotte je vader huwde. Jarenlang heb ik smartelijk geleden onder mijn kinderloosheid. Bovendien moest ik de strijd aanbinden met de andere echtgenoten van je vader. Tot op de huidige dag duurt die strijd onverminderd voort. Ik weet dan ook niet aan welke verdienste in mijn vorige leven ik jou te danken heb. En nu moet mij overkomen dat ik van mijn zoon gescheiden word. Wanneer was ik ooit gelukkig? Mijn leven is tot èèn onafzienbare stroom van droefheid geworden; ik worstel in het water, maar kan mij niet drijvende houden. Ik zink naar de diepte, zonder enige hoop op redding. Jij was de tak waaraan ik mij kon vastklampen om mijzelf in veiligheid te brengen. Als je mij die hulp ontzegt, wat moet er dan van mij worden? Mijn afwezigheid zal je vader in het geheel geen gevoelens van verlies berokkenen; hij vindt zijn ananda bij Kaikeyi en heeft niemand anders van node. Dus in plaats van hier te blijven en te verstikken in mijn ellende tot ik de laatste adem uitblaas, geef ik er de voorkeur aan het bekoorlijke gelaat van mijn geliefde zoon te aanschouwen. Al heb ik misschien niets te eten of te drinken in het woud, dan zal ik mij met de vreugde van die aanblik in leven houden.' Ofschoon Rama vond dat haar betoog niet van redelijkheid ontbloot was, kon hij niet anders doen dan de wensen van zijn vader te eerbiedigen en zich te houden aan zijn gelofte dat hij die plicht niet zou verzaken. 

Toen kwam Lakshmana tussenbeide en sprak: 'Broer! Moeders woorden betekenen de hoogste waarheid. De moeder verdient zelfs meer eerbied dan de vader. De heilige Geschriften bepalen: 'Matridevo bhava, pitridevo bhava' en kennen daarbij de eerste plaats toe aan de moeder en de tweede aan de vader. Er staat geschreven: 'Laat de moeder uw God zijn' en daarna 'Laat de vader uw God zijn.' Het past je niet zo hardnekkig bij je besluit te blijven en moeder zoveel leed te doen.' 

Rama richtte zich tot Lakshmana en belette hem voort te gaan. 'Lakshmana! Jij steunt de verklaringen van een moeder wier inzichten worden vertroebeld door een diepe gehechtheid aan haar kroost. Denk nu eens na over het bevel van de vader; het is van belang voor het welzijn van het keizerrijk, van de wereld in haar geheel en van de menselijke samenleving. Je hebt de diepere betekenis en de bedoeling van dat bevel niet begrepen. Slechts dharma kan leiden tot de andere drie doelstellingen voor de mens: rijkdom, geluk en bevrijding. Men hoeft aan deze wet niet te twijfelen, of te twisten over de juistheid ervan. Als iemands inspanningen louter gericht zijn op het vergaren van rijkdom, dan wordt die persoon door de wereld gehaat. Als iemand al zijn krachten zelfzuchtig wijdt aan de vervulling van zijn eigen wensen, veroordeelt de wereld zijn daden als verachtelijk. Alle daden moeten derhalve in overeenstemming zijn met dharma. Lakshmana! Dat is echter nog niet alles. Dasharatha is onze vader, leermeester en vorst. Hij kan ons welk bevel dan ook geven, of dat nu voortvloeit uit het verlangen naar iets, uit boosheid jegens iemand, of uit gehechtheid aan en liefde voor iemand, dat gaat ons niet aan! Wij moeten slechts gehoorzamen; het negeren van zijn bevel valt nimmer te rechtvaardigen. 

Een zoon die in zonde behagen schept, zou wellicht tegen een gebod in kunnen handelen, doch zulk een zoon ben ik niet. Wat mijn vader mij ook opdraagt, ik zal mijn hoofd in eerbiedige hulde buigen. In dit geval rijst er bij jou misschien enige twijfel. Wanneer een vader zich gedraagt als een door begeerte verblinde dwaas, die verstoken is van de intelligentie om onderscheid te maken tussen wat tijdelijk is en wat eeuwig, en die louter gericht is op zelfverheerlijking en vertrouwen stelt in plannen door anderen gesmeed, als die vader zijn eigen zoon schade toebrengt, kun je je afvragen of zijn zoon hem niettemin moet vertrouwen en gehoorzamen. Dat moet hij stellig! Hij mag dan een dwaas zijn, of een wrede tiran, maar blijf jij niet zijn zoon? Indien dat zo is, staat hij te allen tijde boven jou. Die positie bepaalt alle rechten en plichten. De zoon kan hoogstens, naargelang zijn eigen inzicht, trachten hem duidelijk te maken wat hem verwarrend of ingewikkeld voorkomt. Hij mag niet weigeren te gehoorzamen en een opdracht verwerpen omdat die dwaas of absurd zou zijn. 

Er is nog een aspect waaraan je moet denken. Dasharatha is een zeer begaafd man, een machtig krijgsman en een heldhaftig strijder, een steunpilaar van dharma. Hij is in grote zielenstrijd omdat hij zich aan zijn plechtige gelofte wil houden! Hij werd niet door Kaikeyi misleid, of door hartstocht verblind! Neen. Hij werd gedreven door de allesoverheersende noodzaak om zijn eens zo plechtig gegeven woord gestand te doen. Hij had Kaikeyi bovendien gezegd dat hij elke gunst zou inwilligen die zij maar mocht verlangen, ook als het verlenen ervan zijn eigen leven zou schaden! Ik zal mij nimmer neerleggen bij de opvatting dat hij is overmand door begeerte. Vader is diep ongelukkig, omdat hij geen uitweg ziet uit de gevolgen van zijn toezegging, terwijl hij het niet over zijn hart kan verkrijgen om mij naar het woud te verbannen. 

Lakshmana! Vader is een onwrikbaar verdediger van dharma, nog loyaler dan zijn vorstelijke voorgangers. Om die reden heeft zijn vermaardheid zich tot in alle uithoeken van de drie werelden verspreid. Zou het niet een slecht voorbeeld voor de mensheid zijn als zijn koningin, de gezalfde vorstin, haar echtgenoot zou verlaten en met haar zoon zou wegtrekken? Het leven is kort; er is ons slechts een korte spanne tijds gegeven. Het kan niet goed zijn, voor mij, noch voor jou, om voor altijd onze goede naam te verliezen door over te gaan tot onrechtschapen handelingen.' 

Zich tot Kausalya richtend smeekte Rama op aandoenlijke toon: 'Moeder!' Doch aleer hij kon voortgaan, was Kausalya als verstijfd van verdriet. Zij besefte dat haar pogingen om Rama van standpunt te doen veranderen, vruchteloos waren. Zij wist dat zij niet langer aan de plicht kon ontkomen om hem, met haar zegen, te laten gaan. Zij gevoelde dat hoe meer zij zou weeklagen, hoe groter verdriet zij Rama zou berokkenen. 

Door alles wat zich onderwijl had afgespeeld, was Lakshmana hevig aangedaan. Zijn ogen waren rood van het wenen; hij was zich niet langer bewust van zijn omgeving en wist niet waar hij zich bevond of wie er bij hem waren; zijn mond was droog en hij kon geen woord over zijn lippen krijgen. Zijn ogen staarden leeg voor zich uit; dan weer boog hij het hoofd en keek naar de grond, terwijl de tranen hem onafgebroken over de wangen stroomden. Rama sloeg hem gade en wist dat het niet goed zou zijn om zijn broer in deze toestand achter te laten. Lakshmana zou zich bovendien wat kunnen aandoen als hij alleen werd gelaten; het was zelfs niet ondenkbaar dat hij anderen kwaad zou doen. 'En dan zou men mij aanwijzen als de veroorzaker van dergelijke wanhoopsdaden', dacht Rama bij zichzelf. 

Dus besloot Rama om Lakshmana te testen. 'Broer! De dampen van de woede betekenen de bewieroking van alle kwaad. Onderdruk je toorn. Je bent wellicht diepbedroefd bij de gedachte dat Rama zo grof beledigd en onteerd is. Doch zij die leven in waarheid en gerechtigheid, dus het pad van sathya en dharma bewandelen, slaan geen acht op eer en oneer; zij zijn noch verlangend naar het èèn, noch beducht voor het ander. Wees dapper. Wees vol goede moed. Blijf hier en wees je vader behulpzaam en benut zodoende je dagen om het hoogste levensdoel te bereiken.' 

Toen zijn oudste broer hem aldus zegende, begon Lakshmana van schrik te spreken. 'Broer!' riep hij uit, 'als Rama, die mijn levensadem is, zich naar het woud begeeft, wie moet ik dan hier dienen, met dit trage, stoffelijke, fysieke omhulsel dat lichaam heet? Deze Lakshmana wenst niemand anders dan Rama te dienen. Jij hecht grote waarde aan jouw dharma, aan je plichtsgevoel. Ook ik heb gevoel voor verantwoordelijkheid en ik schat dat even hoog. Daarom zal ik je volgen. Ik heb daartoe niemands opdracht van node. Ik hoor niet bij degenen die met de door Kaikeyi gevraagde gunsten iets uit te staan hebben. Zelfs als ik er wel bij betrokken was, dan nog zou ik geen acht slaan op haar bevelen of op de aanwijzingen van haar trawanten. Niemand anders dan Rama is bevoegd tot het geven van bevelen en het opstellen van richtlijnen voor mijn handel en wandel. Ik zal mij derhalve hier en nu in het kluizenaarsgewaad van boomschors hullen, mijn haar in strengen binden en mij gereed maken je te volgen.' Met deze woorden ontdeed Lakshmana zich van zijn juwelen en van de koninklijke attributen die hem tot een last waren geworden, en begaf zich naar de kroningszaal; vol afkeer wierp hij de sieraden en zijden gewaden van zich af. De oorsieraden en halskettingen kwamen in alle hoeken van de kamer terecht. In zijn irritatie popelde hij om zijn broer te vergezellen. Het werd Rama week om het hart bij de aanblik van Lakshmana's spontane toewijding en vastberaden trouw. Hij liep op hem toe en zijn hand op Lakshmana's schouder leggend, sprak hij teder: 'Broer! Mijn vreugde dat ik een broer heb als jij kent geen grenzen! Ik ben daarmee door het fortuin gezegend. Als jij met mij meegaat, zal dat moeder Kausalya ook enige gemoedsrust schenken. Zij wordt getergd door angst en twijfel over de wijze waarop ik die veertien jaar in het woud zal doorbrengen en of ik na de periode van verbanning zal terugkeren. Zeg moeder dus maar dat zij niets te vrezen heeft. Ga naar haar toe en stel haar gerust. Tijdens de uren dat wij hier samen hebben gesproken, moet vader wel steeds heviger gekweld zijn door zorg en benauwdheid. Bij Kaikeyi zal wel twijfel zijn gerezen of ik nog vertrek! Ik zal daarom naar Sita toegaan om haar op de hoogte te brengen en vandaar naar Kaikeyi's paleis om van vader afscheid te nemen. Ga jij onderwijl naar je moeder Sumitra en vraag haar toestemming om je bij mij te voegen.' 

Na deze woorden liep Rama eenmaal om Kausalya heen en wierp zich toen eerbiedig aan haar voeten. Hierop braken de dienaressen en andere inwoonsters van het vrouwenverblijf (zenana) in luid gejammer uit, alsof zij door de zondvloed werden overvallen. Doch Kausalya hield zich dapper en trok Rama naar zich toe toen hij opstond om haar zegen te ontvangen. Zij omhelsde hem en streek liefkozend over zijn haar. Zij legde haar handen op Rama's schouders en sprak: 'Zoon! Rama! Je bent de trouwste volgeling en beschermer van dharma. Je bent een vastberaden held. Er is voor jou geen enkele reden om het leven in het woud te duchten. Je hebt tot je verbanning naar het woud besloten en ik ben niet langer bij machte je van die beslissing af te brengen. Moge het je goed gaan. Verwezenlijk je ideaal en vervul je verlangen om je vaders wens te eerbiedigen. Los de schuld in die men jegens zijn vader heeft, door te handelen naar zijn bevel. Wat mijzelf betreft heb ik slechts èèn wens: dat je gezond en wel naar Ayodhya terugkeert. Ik zal althans op die dag ook gelukkig zijn. Rama! De wilsbeschikking van het lot is ondoorgrondelijk. Zelfs de machtigen der aarde kunnen daarin geen verandering brengen. Dezelfde dharma, terwille waarvan je ons heden gaat verlaten, zal je zeker bewaren en leiden tijdens je verbanning. Rama! Wat zou het heerlijk zijn als op dit ogenblik de veertien jaren voorbij waren en ik je zag terugkeren in plaats van weggaan. Ach! Vergeef me mijn dwaasheid! Zoon! Hoe zal mijn zegen luiden? Zal ik zeggen: moge de veertien jaar vlieden als evenzovele dagen, neen, neen, gelijk een diepe zucht! Keer behouden weer, kom spoedig. En word dan tot keizer gekroond. O, jij juweel van de Raghu-dynastie! O mijn geliefde zoon! De Godin van dharma zal je gewis onder haar hoede nemen gedurende je verbanning, want het is om Haar gunstig te stemmen dat je je naar het woud begeeft. Zij is de machtigste en meest standvastige van alle Beschermgodinnen. Ik zal hier al die jaren de Goden gunstig gezind houden en bidden dat jou geen kwaad geschiedt. De bereidwillige dienstbaarheid die je hebt betoond aan moeder, vader en leermeester zal je verzekeren van een lang leven, van gezondheid en geluk. Je trouw aan de waarheid zal je de moed verlenen der onoverwinnelijkheid. De bergen, rivieren, struiken, mierennesten, de wilde dieren en vogels van het woud, zij alle zullen je met warme genegenheid bejegenen, voorzien in al je behoeften en je vervullen met vreugde. Zon, maan en andere hemellichamen zullen je tegen alle kwaad beschermen. Zelfs de demonische rakshasa's in het woud, die gewoonlijk zinnen op afschuwelijke wreedheden, zullen zich tot je aangetrokken voelen; want je hart is vervuld van een rustgevende, vertroostende liefde. Zij zullen zich vol overgave aan je voeten werpen en je als hun meester aanvaarden.' 

Terwijl zij Rama aldus zegende, moest Kausalya met enige moeite het verdriet wegslikken dat haar overweldigde, maar zij hield zich kalm en sterk. Zij ademde de geur van Rama's haar in en hield hem dicht tegen zich aan in een liefdevolle omarming. Zij kuste zijn wangen; haar lippen trilden toen zij ten afscheid sprak: 'Rama! Keer behouden weer; ga in vreugde.' Rama wist hoe diep de genegenheid was die zijn moeder hem toedroeg. Hij raakte haar voeten meermalen in eerbiedige dankbaarheid aan en sprak: Moeder! U mag niet treuren; zorg dat u voldoende slaap krijgt en genoeg eet, want u moet om uw gezondheid denken. Denk aan mij en doe dat te allen tijde met vreugde in uw hart. Uw gedachten zullen hun weerschijn vinden in mijn veiligheid en voorspoed. Als u hier om mij rouwt, hoe kan ik dan daar gelukkig zijn? Als u wilt dat ik in het woud gelukkig ben, dan moet u dat hier ook zijn. En u moet mij vanaf deze plaats van ganser harte uw zegen zenden.' Met deze bede verliet hij de kamer. Enerzijds liet hij haar met tegenzin achter, anderzijds verlangde hij er vurig naar om zijn plicht te vervullen. 

Rama liep de koninklijke weg op en schreed blootsvoets langs de mensenmenigte die er zich verzameld had. De inwoners van Ayodhya stonden als versteend bij de aanblik van dit luisterrijke symbool van waarheid en deugd. Zij hadden de geruchten gehoord die zich door de stad verspreidden, dat Rama zich naar het woud zou begeven. Zij konden niet geloven dat het waar was en hoopten dat de geruchten vals waren. Doch toen zij hem blootsvoets zagen gaan, werd het hun zwaar te moede; de vervoering die zij ervaren hadden bij het nieuws van de kroning, verkeerde in diepe verslagenheid. Ogen die daareven nog hadden gestraald van blijdschap, verloren plotseling alle glans en de gezichten verbleekten. Rama hief zijn hoofd niet op om naar de mensen om hem heen te kijken. Hij vervolgde zijn weg naar de vertrekken van Sita.


Hoofdstuk 12: Sita houdt vol en bereikt haar doel

Sita hield haar ogen op de ingang gericht, want zij was zeer benieuwd naar wat er in Kaikeyi's paleis was voorgevallen en vroeg zich af waarom Rama nog niet was verschenen, ofschoon het uur dat als het gunstigste tijdstip voor de kroning was vastgesteld, snel naderbij kwam. Zij had haar eigen riten van waken en vasten beëindigd en hield de schaal met sandelpasta, bloemen, rijst en andere voorgeschreven benodigdheden in gereedheid, opdat zij geen oponthoud zou veroorzaken door haar nalatigheid wanneer zij haar Heer naar de kroonzaal moest begeleiden. Sita's hart begon sneller te kloppen in het vooruitzicht van Rama's komst. Alle dienaressen en leden van haar hofhouding waren in vervoering bij de gedachte aan het naderende uur van triomf. Liefelijke maagden stonden met brandende lampen gereed om de vuurceremonie uit te voeren zodra Rama binnentrad. In de versierde zaal, die schitterde in ongekende betovering, trad plotseling Rama binnen, onaangekondigd, met gebogen hoofd en blootsvoets. 

Rama's verschijning schokte alle aanwezigen. Sita liep op haar Heer toe; zij kon haar ogen nauwelijks geloven. Zij trilde als een espenblad. Zij beet zich op de lippen en onderdrukte haar verbazing. 'Heer! Wat heeft dit alles te beduiden; waarom ziet u er zo vreemd uit? U zei dat dit de dag is die gewijd is aan Brihaspati, de leermeester der Goden; u zei dat dit een dag is vol belofte, onder het sterrenbeeld Pushya, en dat u deze dag gekroond zult worden als de yuvaraja, de kroonprins van dit keizerrijk. Hoe komt het dat boven uw goddelijk schone gestalte niet het keizerlijke witte zonnescherm gehouden wordt, met de schittering van door de zon verlichte parels, met de honderden baleinen van goud, versierd met edelgesteenten? Waar zijn de luisterrijke waaiers met hun zuivere, vederachtige glans, die schijnen als vele manen? Waarom zijn zij vandaag afwezig? Waarom zwijgen de hofminstrelen en zingen zij uw lof niet terwijl u zich naar de kroningszaal begeeft? O Heer! Hoe kan het dat de brahmanen, die meesters in de vedische leer, u niet hebben gezalfd met gewijde honing en wrongel? Tegen alle gebruiken in ontbreekt ook uw gevolg van ministers, onderkoningen en leiders der diverse gemeenschappen van het rijk! En waar is de majestueuze olifant des konings, die is als een bewegende bergtop, die Sathrunjaya genaamd is, en die, als hij voorbijstapt, door de mensen wordt aangezien voor een donkerblauwe wolk (blauw staat voor de goddelijke aura) die boven de weg drijft? Hij moet immers vooroplopen om uw komst aan te kondigen!' Terwijl Sita hem met dergelijke vragen overlaadde, wist Rama niet onmiddellijk hoe hij ze moest beantwoorden; het was geen kwestie die snel, in enkele woorden, viel uit te leggen. Dus ging Rama naar een binnenvertrek en Sita naar zich toe trekkend, sprak hij: 'Sita! Het is de wil en de beslissing van mijn vereerde vader mij op dit zeer gunstige tijdstip naar het woud te zenden; het is daarom dringend noodzakelijk dat ik aan zijn bevel gehoor geef.' Sita had Rama's woorden wel gehoord, doch zij kon er geen geloof aan hechten. Zij vroeg: 'Heer! Wat hebt u misdaan dat u deze straf hebt verdiend, deze verbanning naar het woud? Dasharatha is de belichaming van dharma, een dharmatma. Hij zal nooit zonder geldige redenen een dergelijk bevel uitvaardigen! Wat is het werkelijke doel en de diepere betekenis van dit bevel tot verbanning naar het woud?' 

Rama glimlachte bij die vraag en antwoordde: 'Sita! Lang geleden heeft vader aan moeder Kaikeyi beloofd om haar twee gunsten te verlenen; tot dusverre was die belofte niet ingelost, noch had zij tot op heden die gunsten opgeëist. Vandaag heeft zij erom gevraagd. De eerste gunst was dat Bharatha als yuvaraja tot koning moet worden gewijd en de tweede was dat ik mij naar het woud moet begeven en daar veertien jaar doorbrengen, gekleed in boomschors en met samengeklitte haren. Vader is een hoogst rechtvaardig persoon. Nimmer zal hij tegen zijn eens gegeven woord ingaan. Hij heeft derhalve voor dharma het hoofd gebogen en ingestemd met mijn verbanning. Ik vond dat ik je nog even moest bezoeken voor ik vertrek! Je bent geboren in een zeer hooggeachte familie. Je kent alle morele wetten en doelstellingen en hecht er grote waarde aan. Koning Janaka, die de diepere geheimen van de hoogste moraliteit doorgrondt, is je vader. Ook jijzelf bewandelt trouw het pad van dharma. Vandaag nog moet ik naar het woud vertrekken. Dasharatha heeft dit keizerrijk, dat hij na vele generaties heeft beërfd, aan Bharata overgedragen; van nu af aan is hij de heerser over dit rijk. Na zijn kroning zal hij terstond naar jou toe komen om je zegen te ontvangen. Verheerlijk mij niet tegenover mijn broer en toon evenmin ook maar een spoor van verdriet of misnoegen over mijn verbanning. Behandel hem niet met geringschatting en zie niet op hem neer. Koningen waarderen slechts diegenen die hen bewonderen en dienen. Je moet dus noch mij prijzen, noch hem met afkeuring bejegenen. Hij is mijn broer en jouw zwager, doch dat heeft slechts betrekking op de fysieke familieband; wat de ware verwantschap betreft is Bharata zowel jouw vorst als de mijne. Geef hem de eer die hem toekomt. Geef hem geen aanleiding tot misnoegen of droefheid, in woord noch in daad. O schone vrouw! Volg niet alleen de aanwijzingen van Bharata, doch tevens die van onze oude vader, Dasharatha. Dien ook moeder Kausalya, die onuitsprekelijk lijdt omdat ik haar ga verlaten. Doe alles wat je kunt om haar verder leed te besparen. Ook de andere twee moeders, Kaikeyi en Sumitra, moet je gehoorzamen en terwille zijn. Sita! Bharata en Shatrughna zijn mij zo na en dierbaar als mijn eigen adem. Bejegen hen als je eigen broers, of koester hen liefdevol als je zonen. O bekoorlijke vrouwe! Verlaat deze stad niet en ga niet naar Mithila, omdat ik niet hier ben. Blijf in Ayodhya en wees vader en moeder tot troost; dien hen zodanig dat je de smart uit hun harten verdrijft. Wees vol liefde en zorg en schenk hun vertroosting, moed en tevredenheid.' 

Terwijl Rama Sita aldus op haar plichten wees, kon zij haar lachen niet inhouden! Zij voelde zich tevens enigszins beschaamd om de wending die de discussie had genomen. Zij kon niet lang blijven zwijgen. 'Rama!' onderbrak zij. 'Rama! U bent Dasharatha's zoon. Nimmer heb ik enig woord over uw lippen horen komen dat die afstamming onwaardig was. Moeder, vader, broer, zuster, zoon, schoondochter, iedereen moet zijn of haar deel aan geluk en ongeluk ervaren, naargelang zijn of haar goede en slechte daden. Doch de echtgenote heeft een bijzondere bron van geluk en ongeluk. Dat wil zeggen dat zij een aandeel heeft in het goede en slechte waarvoor haar echtgenoot verantwoordelijk is. Haar valt een deel toe van haar mans wel en wee. Dus als keizer Dasharatha u heeft bevolen naar het woud te vertrekken, dan geldt dat bevel evenzeer voor mij. Een vrouw mag dan al gevoed en gekoesterd worden door haar vader, geëerd worden door haar zoon en gediend worden door haar dienaressen, doch geen van hen kan haar ooit tot beschermer en steun zijn. De sieraden en snuisterijen waarmee u mij tracht te overtuigen, vind ik slechts licht vermakelijk. In de jaren voorafgaand aan mijn huwelijk, heeft mijn vader mij alles geleerd over de plichten die mij als richtsnoer dienen en waaraan ik mij te houden heb. Ik ben noch onwetend, noch belust op macht. En bovenal, laat me u zeggen dat ik mij niet fanatiek vastklamp aan een mening, alleen omdat die de mijne is. U hoeft mij niet op mijn bijzondere taken te wijzen, want ik ken al mijn verplichtingen. Alleen als ik besluit hier te blijven, moet u me zeggen hoe ik mijn schoonouders, schoonzusters en de heerser van dit rijk moet dienen, is dat niet zo? Blijf ik echter bij u, waar is dan de noodzaak of de gelegenheid om anderen te dienen? Ik zal u met alle vreugde vergezellen! Ik koester reeds lange tijd een totnutoe onvervulde wens om enige jaren in het woud door te brengen. Ik heb thans het grote geluk dat ik dit verlangen kan bevredigen, ik het gezelschap van mijn Heer! Mocht u erop aandringen dat ik mijn standpunt in deze belangrijke kwestie niet behoor kenbaar te maken, dan zal ik daaraan geen aandacht schenken. Wees niet boos op mij omdat ik u niet gehoorzaam. Het is niet rechtvaardig of gepast wanneer u mij hier afdankt, zoals men een glas water leeggooit nadat men er een teug van heeft gedronken. Geloof me op mijn woord! Ik blijf geen ogenblik langer in Ayodhya; neem me met u mede!' 

Met deze woorden wierp Sita zich aan Rama's voeten en hield ze stevig vast. 'Ik betreur in het geheel niet dat u niet bent gekroond. U bent me dierbaar, of u nu gekroond bent of niet. Daar waar u bent is mijn keizerrijk. Daar is mijn schat, daar ligt mijn glorie,' sprak zij vol vuur en eerbied. Rama vertelde haar dat het leven in het woud vol was van gevaren en angstaanjagende verschijnselen. Het woud werd geteisterd door wilde dieren en nog woestere mannen, demonische woestelingen en roversbenden. Men stuitte er op diepe, snelstromende rivieren en moest zich een weg banen door dicht en doornig struikgewas. Hij zei dat zij niet gewend was zich te voet te verplaatsen en derhalve snel uitgeput zou raken. Rama beschreef allerlei andere vormen van gevaar en vrees waaraan zij het hoofd zou moeten bieden. Sita bleef echter onbewogen. Zij antwoordde: 'Heer! Hoe wild de dieren ook mogen zijn, hoe dichtbegroeid en angstaanjagend het woud ook mag zijn, wat voor kwaad zouden zij kunnen aanrichten en hoe zouden zij mij kunnen deren, zolang u bij me bent? Het lopen over bospaden zal mij geen moeite kosten. Ik zal verheugd zijn als u mij vraagt voorop te lopen, zodat ik uw pad kan effenen. Ik zal ruwe keien, kiezelstenen en doornen oprapen en wegwerpen, zodat u zich niet bezeert en uw tocht vergemakkelijkt wordt. Laat me bij u blijven om u deze dienst te kunnen bewijzen, dat zal me heel gelukkig maken. Hier, in het paleis van Ayodhya en in het vrouwenverblijf, heb ik nimmer de kans gekregen u te dienen. Ik tobde erover en voelde me ellendig omdat alle verrichtingen louter aan uw dienaren en kamerheren werden vergund. Die zullen er in het woud niet zijn, zodat ik het geluk zal smaken al deze taken zelf voor u te verrichten! Geef mijn leven waarde en inhoud, Heer. Geef mij die heerlijke kans!' Sita bad en smeekte in alle toonaarden om genade en een rechtvaardige behandeling. Rama werd met mededogen vervuld en sprak: 'Sita! Je kunt in het woud niet gelukkig zijn, je zou in de komende tijden al te zeer moeten lijden.' Rama weidde vervolgens uit over de verschrikkingen van het oerwoud en de onvermijdelijke ontberingen die men er moet doorstaan. Sita bleef echter bij haar standpunt. 'Rama, ik zal u op geen enkele wijze hinderen bij het naleven van uw geloften. Ik maak uit uw woorden op dat u iets voor mij verbergt, dat er bezwaren zijn die u niet te berde wilt brengen. Ik zal mij, samen met u, houden aan de geloften van persoonlijke ascese, waartoe zij, die het pad van de brahmachari hebben gekozen, verplicht zijn; ook ik zal leven van wortels en vruchten. Ik zal tevens afzien van het gebruik van reukwater; we zullen slechts de geuren inademen van de bloemen die in het woud groeien. U bent een telg uit het geslacht der Ikshvaku's dat miljoenen heeft verlost uit gevaar en rampspoed! Kunt u mij dan niet beschermen? Hebben uw handen zo weinig kracht? Ik zal u geen moeilijkheden bezorgen; van mij zult u niet de geringste last ondervinden. Heer! Ik kan niet anders dan u volgen. Ik zal mij aan uw voeten ter ruste leggen; dat zal mij de hoogste gelukzaligheid schenken. Rama! Ik ken of erken niemand dan u. Ik zou het geen ogenblik overleven als ik van u gescheiden werd. Welnu, als u bij uw besluit blijft en weggaat, terwijl u mij hier in Ayodhya achterlaat, dan zal Sita haar laatste adem hebben uitgeblazen aleer u het woud hebt bereikt. Geloof me, dat is de waarheid.' 

Bij de laatste woorden stroomden Sita's tranen overvloedig. Rama trachtte haar te kalmeren. Hij sprak: '0 Sita, je bent een zeer trouwe volgelinge van dharma. Het is voor jou het beste als je je deugdzame eigenschappen trouw blijft en hier het goede voorbeeld geeft. Je kunt niet je eigen wil volgen en bent niet vrij om je te gedragen zoals je dat wenst. Het is jouw dharma om te handelen in overeenstemming met mijn woorden. Laat daarom dat idee van je varen; dat zeg ik voor je bestwil. De zorg voor jouw veiligheid zal mijn taak stellig zwaarder maken. Er zijn talloze gevaren te overwinnen: rivieren die zich van bergtoppen storten, de wilde dieren die in de grotten leven, leeuwen en tijgers die onbelemmerd door heuvels en dalen zwerven. We moeten sterk gezwollen rivieren doorwaden en wellicht van enorme keien en rotsen afspringen. Als ik deze moeilijke omstandigheden overdenk, moet ik je dringend vragen hier te blijven. Je zult met verwarde haren moeten rondlopen en je in boomschors moeten hullen. De mannen moeten naar een rivier of een meer gaan voor de avondrituelen; wie moet er dan op toezien dat je geen onheil geschiedt? Van die rituelen kunnen wij niet afzien, ongeacht in welke crisis wij terechtkomen. Je weet hoe streng dat voorschrift is; je zou dus dagelijks enige tijd alleen zijn. Wie weet wat er dan zou kunnen gebeuren.' 

Rama trachtte Sita het leven in het oerwoud in de meest verschrikkelijke taferelen te schilderen, doch Sita bleef volstrekt onaangedaan. Zij sprak: 'Rama! Waarom vertelt u mij dit alles, alsof ik een onnozele hals ben uit een of ander achterlijk dorp of een onwetende, dwaze vrouw die nog nooit van de leringen in de Shastra's gehoord heeft? Ik besef heel goed wat uw vermogens zijn en hoe moedig u bent. U is niets onmogelijk op deze aarde, neen, zelfs in alle veertien werelden niet! (De veertien werelden, namelijk de zeven hogere en de zeven lagere sferen (loka's), die elk een stadium aangeven in de spirituele ontwikkeling.) Hoe zou ik angstig kunnen zijn zolang u bij mij bent. Mocht ik door een wild dier worden aangevallen en gedood, dan zou ik liever sterven in uw nabijheid dan ergens ver van u vandaan! Dan zal ik gelukkig sterven. Een leven zonder u zal ik nooit kunnen aanvaarden. U zei dat ik niet vrij ben om te doen wat ik wil. Hebt u dat gezegd in het volle besef van wat dat inhoudt? Of was die uitspraak louter bedoeld om mij op de proef te stellen? Ik weet niet welke verklaring ik moet kiezen. Ik ben uw wederhelft en heb het recht mijzelf zo te noemen. Dat geldt eveneens voor u. Dat is de waarheid. U bent evenmin als ik volledig vrij. Ik heb evenveel recht ten opzichte van u, als u ten opzichte van mij. Ik wil echter op dit ogenblik niet mijn rechten of eisen bepleiten. Het is mijn diepste verlangen om bij u te zijn, om immer daar te zijn waar u bent. Aan dat vurige verlangen zijn mijn woorden ontsproten.' 

Nadat hij gehoord had hoe Sita haar besluit kenbaar maakte, vervolgde Rama: 'Sita! Je raakt verstrikt in een web van rechten en eisen! Als ik mij naar het woud begeef, zullen mijn bejaarde ouders om mij klagen en wenen. Jij kunt hen dan met vriendelijke geruststelling troosten en bemoedigen. Dat is jouw plicht. Je moet handelen naar behoeften die in bepaalde omstandigheden ontstaan. Blijf bij mijn ouders en dien hen; op die wijze stel je me tevreden en schenk je me ananda.' Rama sprak alsof zijn besluit vaststond en op een toon van gezag. Doch Sita glimlachte slechts ten antwoord. 'Als de zoon die uit deze ouders geboren is hen in de diepste ellende stort door hen te verlaten en grimmig vasthoudt aan zijn onwrikbare besluit, als de zoon die zij zozeer liefhebben van alles afstand doet en zich naar het woud begeeft, welke verantwoordelijkheid heeft dan de schoondochter - die haar eigen familiekring verliet om zich bij deze familie te voegen, waarin zij een vreemde is - om degenen te troosten en te bemoedigen die door de zoon zijn verlaten? Denk hier een ogenblik over na', sprak zij. 'Er is mij verteld dat u er bij uw moeder op hebt aangedrongen dat zij hier blijft om haar echtgenoot te dienen, ofschoon zij vele bittere tranen schreide en smeekte om u naar het woud te mogen volgen! U zei haar dat de plicht om haar gemaal te dienen vooropstond. U verklaarde dat het ongehoorde schande over de Ikshvaku- dynastie zou brengen, als zij de Heer met wie zij door de echt verbonden is, zou verlaten uit liefde voor de zoon die zij gedragen heeft en ter wereld gebracht heeft. Tegenover haar weidde u uit over deze morele wetten, die van zulke onschatbare waarde zijn. Nu u echter tegenover mij staat, keert u dat advies om en begint u mij te vertellen dat het mijn eerste taak is mijn schoonouders te dienen en niet mijn echtgenoot! Denkt u daar nog eens over na! Wat is het juiste advies? Voor de vrouw is haar man God - en deze wet geldt niet slechts voor Kausalya; het is, zonder uitzondering, richtlijn en doel van vrouwen over de gehele wereld. U hebt klaarblijkelijk deze waarheid vergeten, aangezien zij niet past bij uw huidige wensen. U kunt niet duidelijk maken waarom de morele wet die u Kausalya hebt voorgehouden, niet voor mij zou gelden. Hoe lang u ook redeneert en wat u ook beweert, ik zal niet ophouden in uw voetsporen te treden, waarheen u ook gaat. U kunt me doden omdat ik tegen uw bevel inga, doch ik blijf bij mijn verklaring dat ik zonder u niet kan leven. Ramachandra! U had nog nauwelijks gesproken over uw verbanning naar het woud of ik voelde een zo grote vreugde in mij opwellen, omdat ik mij toen een voorval uit mijn kinderjaren herinnerde! U kunt zich niet voorstellen hoe groot mijn blijdschap was! Mijn moeder, die mij op schoot genomen had, was in diepe bezorgdheid verzonken over de echtgenoot die het lot voor mij bestemd had, of hij rechtschapen zou zijn en begiftigd met voortreffelijke eigenschappen. Zij streelde mijn haren en was in diep gepeins verzonken. Op dat ogenblik verscheen een dienares; zij kondigde een zekere vrouwelijke asceet aan, die een onderhoud met mijn moeder wenste. Moeder tilde mij op, zette mij zachtjes op de grond en liep op deze vrouw toe. Zij wierp zich aan haar voeten en gebood mij dat eveneens te doen. Ik deed wat zij van mij verlangde. De vrouw nam mij nauwlettend van het hoofd tot de voeten op en sprak: "Moeder! Uw kind zal vele jaren met haar echtgenoot in het woud verblijven." Hierop antwoordde mijn moeder lachend: "Het kind is nog ongehuwd en u spreekt reeds van een jarenlang verblijf in het woud!" De vrouw zweeg echter niet en verklaarde: "Na haar huwelijk! Dan zal zij enige tijd met haar echtgenoot in het woud doorbrengen!" Toen ging zij heen! Sinds die dag zie ik vol spanning uit naar de tijd dat ik met mijn Heer in het woud zal leven! Maak mij gelukkig en neem mij met u mede!' Sita wierp zich aan Rama's voeten en snikte haar smeekbede uit. 

Rama werd tot medelijden bewogen. Hij richtte haar teder op en sprak: 'Sita! Aan wie anders moet ik de geheime oorsprong van mijn beslissing toevertrouwen? Luister! Je bent jong; er zijn vele kluizenaarsverblijven in het woud, vol asceten, heremieten en wijzen. Ik moet naar hen toe om hen te dienen en mijn eerbied te betonen. Er zijn daar wellicht ook koningen en prinsen die daar komen jagen en ook hun moet ik eer bewijzen en van hen de zegen ontvangen. Hun oog zou op jou kunnen vallen, wat tot verwikkelingen en conflicten zou kunnen leiden. Gezien het feit dat ik het kleed van de asceet draag, zou het ongepast kunnen zijn om met hen de strijd aan te gaan. Alleen om die reden moet je in Ayodhya blijven.' 

Sita weerlegde dit met haar eigen argumenten. Zij sprak: 'Rama! Het is niet juist om mij zo te misleiden en mij dergelijke sprookjes te vertellen, alsof u van gewone afkomst bent! Als u bij mij bent, zou dan zelfs de Heerser der Goden het durven wagen een blik op mij te werpen? Zou hij niet op datzelfde ogenblik tot as verbranden? Neen, dat is geen reden om mij hier te laten; u kunt op die gronden niet aan uw plicht en verantwoordelijkheid ontkomen! Laat mij u nog iets anders zeggen: als u niet bij mij bent, wat zal dan mijn lot zijn? In Ayodhya zal ik alleen moeten zijn en incidenten zoals zojuist door u beschreven, kunnen ook hier voorkomen! Of ik zou door zielenpijn gekweld kunnen worden, omdat ik het huwelijksgeluk van anderen niet kan aanzien! Dus laat mij hier niet achter en neem mij mede; laat uw faam en die van mij zich voor eeuwig over de ganse wereld verspreiden. Laat mij daaraan toevoegen: u bent eenieder dierbaar als Ramachandra, Rama de maan! Ik ben Sita, hetgeen koel betekent, het koele maanlicht! Hoe kan de maan in het woud zijn en haar koele schijn in Ayodhya achterblijven? Waar de maan is, moet ook haar licht schijnen! Vandaar dat deze scheiding onmogelijk is. De twee zullen altijd samengaan en nimmer gescheiden kunnen worden! Zo dat toch zou geschieden, dan kan dat niet anders zijn dan een teken van een naderende bovennatuurlijke ramp, een wereldschokkende tragedie. Of het zou kunnen gebeuren als een inspanning die bepalend is voor dit tijdperk - om de goddelozen te vernietigen en de goede mens voor uitsterven te behoeden! Aangezien niets erop wijst dat een dergelijke crisis ophanden is, is onze scheiding ondenkbaar. Het mag niet gebeuren.' De stem van Sita, de allerhoogste moeder, klonk vastberaden, alsof zij geen tegenspraak zou dulden. 

'Sita! Je zult moeten slapen op harde, rotsachtige grond, je moeten kleden in plantenvezels of boomschors en knollen en wortels moeten eten. En zelfs dat voedsel zul je misschien niet iedere dag kunnen vinden! Het hangt van de seizoenen af of je ze zult kunnen bemachtigen. Als ze niet beschikbaar zijn, moet je misschien dagenlang honger lijden. Het wemelt in het woud van demonische stammen, die alle mogelijke krijgslisten beheersen en voor wie het eten van mensenvlees een genot is! 0! Het is onmogelijk om je het zware leven in het woud volledig te beschrijven! Jij kunt deze verschrikkingen en beproevingen niet verdragen. Als jij mij in mijn verbanning volgt, dan zullen de mensen mij veroordelen en beschimpen. Hoe kan de Hemelse Zwaan, die zich laaft aan het zoete, zuivere water van de manasa-saravar (het meer van innerlijk bewustzijn, van de geest) het overleven als hij het zoute water van de zee moet drinken? Hoe kan de Kokila die rondfladdert in een tuin vol van het prille loof der mangobomen zich thuisvoelen op het korte gras? Denk hier eens over na. Het ware zeer te wensen dat je in Ayodhya bleef.' 

Sita hoorde Rama's woorden aan, gesproken op zachte en tedere toon, doch zij stond al die tijd met neergeslagen ogen waaruit de tranen overvloedig stroomden. Zij stond daar, onbewogen en star als een standbeeld. Haar tranenvloed was niet te stuiten; Rama kon de aanblik van haar droefenis niet verdragen. Sita kon geen woorden vinden om Rama's bezwaren te weerleggen. Uiteindelijk slaagde zij erin om haar emoties te beheersen en haar verdriet te onderdrukken. Zij sprak: '0 Heer van mijn leven! U draagt alle schatten in u van goedheid en belofte. Als ik van u moet scheiden, wordt zelfs de hemel tot een hel. Ouders, broers, zusters, schoonouders, zonen, leermeesters, bloedverwanten - zij allen mogen een rijke bron van goedheid zijn, doch voor een vrouw is haar gemaal de enige oorsprong van kracht, vreugde en geluk. Slechts hij kan haar gelukzaligheid schenken. Behalve haar echtgenoot heeft zij niemand die haar kan leiden en beschermen; hij is haar toeverlaat, haar enige toevlucht. Heer! Als haar man niet bij haar is, zal zijn vrouw haar lichaam, haar huis, de stad, het koninkrijk en alle rijkdom die haar omringt, ervaren als evenzovele bronnen van smart en rouw. Zij kunnen haar zwaarbeproefde hart geen vreugde verschaffen. Zoetheid zal in bitterheid verkeren als haar Heer weg is. Haar verheven blijdschap zal omslaan in wanhoop en ziekte. Alle vreugden waarnaar ik hunker, komen samen in u. Niets kan de extase evenaren die de aanblik mij schenkt van uw gelaat, dat helder en vertroostend straalt als de volle maan in de herfst. Als ik daarginds bij u ben, zullen de vogels en de dieren mijn naaste verwanten zijn. Het woud zal de stad zijn waarvan ik houd. Mijn tooi van boomschors zal zijn als een zijden gewaad. De kluizenaarshut met het dak van bladeren zal voor mij een even heerlijk thuis zijn als een hemelse woning. De elfen en engelen van het woud en de bosgoden zullen mijn schoonouders zijn en als zodanig zal ik hen met ontzag vereren. Als ik bij u ben, zullen grashalmen en bloemblaadjes mij een zacht bed verschaffen. De God der liefde zou niet meer kunnen verlangen. En de knollen, wortels en vruchten waarvan u sprak, zullen zoet en voedzaam zijn als goddelijke nectar! De bergtoppen daar zullen mij evenzeer het hart verblijden als de torens van Ayodhya. Ik zal met evenveel vreugde de berghellingen beklimmen en afdalen als ik hier de trappen op- en afga. Alles zal mij licht vallen en mij met blijdschap vervullen. 

Iedere dag zal de aanblik van uw lotusvoeten mijn hart doen opspringen van vreugde. Het zal voor mij bovendien een gouden kans zijn om u te allen tijde en op alle mogelijke wijzen te dienen. Hoe zou ik de kwelling kunnen overleven als mij deze kostbare kans werd ontnomen? 0, bron van genade! Laat mij niet hier achter, doch neem mij met u mede! Eigenlijk is het niet nodig dat ik zo bij u aandring, u bent immers de inwoner van ieder wezen en weet wat wij voelen en denken. Het is niet gepast dat u mij zoveel pijn doet, wetend hoe mijn hart hunkert naar de gelegenheid om bij u te zijn. Heer! Ik gevoel mij terneergeslagen en ellendig. Als u mij verlaat, zal uw goede naam eronder lijden. U bezit alle edele eigenschappen die men maar hebben kan, waarom onthoudt u mij dan uw genade? Denkt u dat ik een scheiding van veertien jaar zou overleven? Als ik zelfs maar een enkel ogenblik van u gescheiden ben, is het mij reeds onmogelijk verder te leven! Wees barmhartig en verhoor mijn bede. Met u aan mijn zijde, wie zou het wagen mij te deren of aan te vallen? Sterker nog: niemand zal zelfs een blik naar mij durven werpen. Waagt de jakhals of de haan het, om de leeuw in de ogen te zien? Ik ben geen teer en breekbaar mensenkind. Om u de waarheid te zeggen, bent u zelf de tederheid in eigen persoon. De aarde is mijn moeder. Ik heb derhalve het volste recht en alle kracht die nodig is om op de aarde rond te trekken. In werkelijkheid is geluk uw deel in het leven; het mijne is dat ik moet lijden. Als dat zo is, waarom draait u dan de feiten om en stelt u mij teleur? Dat is niet juist, ik wil beweren dat ik met gemak taken zou kunnen verrichten die u te veel zijn! U weet heel goed dat ik de boog van Shiva heb opgetild en weggelegd; iets wat geen koning is gelukt, hoezeer hij ook prat ging op zijn vermogens. Het verbaast mij dat u aan mijn bekwaamheid twijfelt! Mijn moed en mijn bedrevenheid doen niet onder voor de uwe. Geef mij dus uw toestemming en tref de nodige voorzieningen om samen met mij vol vreugde op weg te gaan.' 

Nadat zij zich aldus had uitgesproken, boog Sita diep en wierp zij zich aan Rama's voeten. Rama wist dat het niet juist zou zijn om nog langer aan haar verlangen weerstand te bieden. Hij besloot zich gewonnen te geven. 'Sita!' sprak hij, 'laat je droefheid varen. Geef niet langer toe aan je verdriet. Ik zal je, zoals je wenst, met mij mede laten gaan. Maak je snel gereed om de reis naar het woud te aanvaarden!' Toen Sita deze zoete woorden uit Rama's mond vernam, was zij opgetogen en welde er een mateloze vreugde in haar op. Zij sprak: 'Voorbereidingen? Wat valt er voor te bereiden voor een verblijf in het woud? Ik ben altijd gereed, want ik heb niets van node, behalve u; andere behoeften heb ik niet. Ik zal u nu onmiddellijk volgen. In u vind ik alles wat ik nodig heb. U weet dat ik niets anders verlang.' Hierop nam zij Rama's hand in de hare, popelend om te vertrekken. Rama sprak: 'Sita! Bedenk dat je veertien jaar lang uit Ayodhya weg zult zijn. Ga daarom eerst de papegaaien en andere vogels loslaten die je zo vol liefde en zorg als huisdieren hebt grootgebracht. En de koeien die je met zoveel genegenheid hebt verzorgd: geef ze aan de brahmanen, zodat ze liefdevol zullen worden behandeld. Verdeel je lijfgoederen, de wagens en andere persoonlijke bezittingen onder de mensen, anders zullen zij in die tijd onbruikbaar worden. Het is beter dat zij gebruikt worden dan dat zij tot stof vergaan.' Sita reageerde onmiddellijk op Rama's voorstel door naar de kooien te rennen; ze sprak elk van haar lievelingsdieren op zoete toon toe en zei: 'Ga maar! Doe als wij en zwerf als vrije vogels door het prachtige woud.' Eigenhandig opende zij alle kooien en liet de vogels vrij! Toen ging zij naar de koestal. Zij voorzag de runderen van allerlei smakelijk voer en sprak met de brahmanen die ze ten geschenke zouden krijgen. Haar liefelijke gelaat straalde van blijdschap. Toeschouwers die zagen hoe zij haar bezittingen weggaf, voelden hoe hen het hart brak bij haar naderend vertrek. Zij vergoten stromen van tranen, want zij werden ontroerd door Sita's grootmoedigheid en gulheid en bovenal door haar opgetogenheid bij het vooruitzicht dat zij haar echtgenoot in zijn verbanning naar het woud zou volgen. De grootste dichter had haar vervoering niet kunnen beschrijven. 

Lakshmana had zich intussen bij hen gevoegd. Nadat ook hij afscheid had genomen van zijn moeder, begaf het drietal zich naar het paleis van Dasharatha.


Hoofdstuk 13: In ballingschap gaan

Op het vierkante binnenplein van het paleis waren duizenden samengedromd. Zij waren in mateloze droefheid gedompeld. De eerste minister was inmiddels het paleis binnengegaan, waar hij de keizer aantrof die in onmacht op de grond was gevallen. Hij bracht Dasharatha weer tot bewustzijn en liet hem rechtop zitten. Daarop vertelde hij de keizer dat Sita, Rama en Lakshmana er waren en om een onderhoud verzochten. Rama had even tevoren reeds bij zijn vader gestaan en hem liefdevol en troostend toegesproken. Toen Dasharatha Sita en Lakshmana ontwaarde, werd hij overweldigd door hevige smart. Hij omhelsde Rama innig en zonk hierop krachteloos ineen. Zielenpijn deed hem naar adem snakken; hij drukte zijn handen tegen zijn borst in een poging zijn ondraaglijke verdriet te onderdrukken. Sita en Lakshmana moesten hun blik afwenden van de gekwelde keizer. 

Lakshmana's oog viel op Kaikeyi, die erbij stond met een air van gezag; zijn ogen vlamden in toorn en hij keek haar zo vernietigend aan alsof hij haar ter plekke wilde doden. Hij beheerste zich echter en zijn drift bekoelde toen hij de serene kalmte op Rama's gelaat aanschouwde. Op dat ogenblik sprak Kaikeyi: 'Rama! Je stort je vader zo nog dieper in het ongeluk! Hoe eerder je vertrekt en het woud bereikt, des te sneller je vader van zijn zorgen en verdriet verlost zal zijn. Talm niet langer! Werp je aan je vaders voeten en ga nu.' Deze woorden, van elke simpele vriendelijkheid gespeend, leken Dasharatha's hart te breken. Plotseling riep hij luidkeels: 'Duivelin! Boze geest! Hoe hard en onvermurwbaar zijn je woorden', en weer verloor hij het bewustzijn. Op dat ogenblik wierpen Sita, Rama en Lakshmana zich aan zijn voeten. Rama sprak: 'Vader! Geef ons uw zegen en laat ons gaan. Dit is een moment om ons te verblijden, niet om te treuren. Te grote gehechtheid brengt schande met zich mee.' Rama smeekte hem moedig te zijn en zich te ontworstelen aan de begoocheling die hem zijn zoon zo deed verafgoden. Rama omvatte zijn vaders voeten en knielde toen voor hem, liefdevol en vertroostend. 

Dasharatha opende zijn ogen en zag zijn beminde zoon recht aan. Hij kwam met moeite overeind en Rama's beide handen in de zijne nemend, sprak hij: '0 mijn liefste zoon! Hoor mij aan! Je bent begiftigd met zelfbeheersing en onderscheidingsvermogen. Je weet wat goed en juist is en daarom behoor je slechts het goede te doen. Welnu, het is niet juist dat, als iemand iets verkeerds doet, een ander daar de gevolgen van moet dragen, of wel? De speling van het lot is niet te voorzien, het is een raadsel dat niet is op te lossen.' In zijn onschuld en liefde voerde de keizer het ene argument na het andere aan, teneinde Rama te weerhouden van zijn besluit om naar het woud te vertrekken. 

Dasharatha, zijn vader, wist dat Rama een meester was in de zedenleer en trouw de morele wetten naleefde; hij handelde altijd zeer bedreven volgens de wetten der rechtschapenheid; hij was niet bevreesd voor de gevolgen van zijn beslissingen. Van het gelaat van Rama, die voor hem stond, kon Dasharatha aflezen dat deze was gekomen om afscheid van hem te nemen aleer hij afreisde naar zijn ballingschapsoord. Toen hij ook Sita gewaar werd, riep hij haar bij zich en terwijl zij naast hem geknield was, streelde hij zacht haar hoofd en beschreef haar de beproevingen van een leven in het woud. Hij zei haar dat het voor haar het beste zou zijn om achter te blijven, bij haar schoonouders of haar eigen ouders. Zijn woorden gingen gepaard met gekreun van ondraaglijk verdriet. Hij knarsetandde van woede toen zijn blik op Kaikeyi viel; hij ziedde inwendig van razernij en was niet bij machte zijn smart te overwinnen. 

Sita wierp zich aan Dasharatha's voeten en sprak: 'Vereerde schoonvader! In mijn gedachten heerst slechts èèn verlangen: Rama te dienen. Dat grote geluk zal mij in het woud ten volle beschoren zijn. Ik kan niet hier blijven en deze gouden kans voorbij laten gaan. Dienstbetoon aan ouders of schoonouders kan een vrouw nimmer de vreugde en voldoening schenken die alleen het dienen van haar echtgenoot haar geeft. Er bestaat geen groter of verhevener geluk. Verzet u zich niet tegen mijn vertrek en voer geen verdere argumenten aan. Schenk mij uw zegen en zend mij heen met Ramachandra.' 

Dasharatha had begrip en waardering voor Sita's hunkering. Hij roemde haar deugden met onvervalste geestdrift, opdat zij Kaikeyi, die voor hem stond, tot lering mochten strekken. Inmiddels schilderden op hun beurt de echtgenoten van de koninklijke minister en van de koninklijke leermeester, die ook aanwezig waren en naast Sita stonden, de beproevingen die haar stellig in het woud zouden wachten. De echtgenote van de koninklijke familieleidsman trachtte haar met een slimmere list tot andere gedachten te brengen. Zij sprak: 'Sita! Niemand eist van u dat u weggaat en naar het woud trekt. Het is uw taak om hier te blijven en de ouders van uw echtgenoot, die in rouw gedompeld zijn, te troosten en te bemoedigen. U bent Rama's wederhelft, nietwaar? Deze wederhelft moet derhalve achterblijven om het leed te verzachten dat de andere helft door zijn vertrek veroorzaakt heeft. Aangezien u bovendien de wederhelft bent van de oudste zoon, die troonopvolger is, bent u gerechtigd om dit keizerrijk te regeren. Als Rama zich naar het woud begeeft en daar verblijft om de gelofte van zijn vader in te lossen, blijft u dan hier, regeer over het rijk en houd zodoende de eer van Rama hoog, en vervul tevens Rama's ouders met grote vreugde. Als Rama's echtgenote moet u deze stap nemen omdat het de enig juiste is; en bovendien is dit uw rechtmatige plicht.' 

De toon waarop deze woorden werden uitgesproken was zacht en lieflijk als het gefluister van manestralen in de herfst in het oor van casarca's (soort eend). Zij deden Sita echter duizelen van ellende. Zij was zo overweldigd door emoties dat zij niet kon antwoorden. 

Inmiddels had Kaikeyi kluizenaarsgewaden van houtvezel en gebedssnoeren van tulsi-bladeren weten te bemachtigen. Zij hield ze Rama voor en sprak: 'Je bent de keizer zo lief als zijn eigen leven. Omdat hij niet genegen is je te laten gaan, roept hij eeuwige schande over zichzelf af. Zijn genegenheid voor jou werpt een schaduw op zijn inzicht in de juistheid van zijn handelen. Hij zal nimmer, onder welke omstandigheden dan ook, de woorden uitspreken: "Ga naar het woud". Je zult vergeefs wachten op zijn goedkeuring en zijn toestemming. Je kunt dus kiezen tussen twee mogelijkheden: Streef je naar schande en oneer door hier te blijven en over het keizerrijk te regeren? Of begeef je je naar het woud en breng je de Ikshvaku-dynastie eeuwige glorie? Neem een beslissing en handel dienovereenkomstig.' 

Kaikeyi's woorden verheugden Rama, doch zij drongen Dasharatha's hart binnen als scherpe spijkers die er met zware hamerslagen in werden gedreven. 'Ach, hoe wreed is mijn lot! Dat ik nog in leven ben nadat ik dergelijke harde woorden heb aangehoord!' riep hij uit, zakte ineen en viel in onmacht. Toen hij weer tot bewustzijn kwam, herinnerde hij zich wat hij even daarvoor had gehoord en wederom bezwijmde hij. Rama kon niet aanzien dat zijn vader zo hulpeloos was, nu hij met deze situatie werd geconfronteerd. Hij besefte dat hij op Kaikeyi's voorstel moest ingaan en terstond diende te vertrekken, want hoe eerder hij wegging, hoe beter dat voor iedereen zou zijn. 

Hij nam de gewaden van houtvezel in ontvangst die zijn stiefmoeder had meegebracht en nadat hij er een om zich had gewikkeld, gaf hij het andere aan Sita. Zij stond ermee in haar handen en boog haar hoofd in verlegenheid, want zij wist niet hoe zij het moest dragen of hoe zij het moest vastmaken. De lap leek veel te kort. Rama, die reeds eerder een dergelijk kleed had gedragen, liep op haar toe en sprak zachtjes tegen haar. Zij schaamde zich te moeten bekennen, dat zij niet wist hoe men zoiets aandoet, terwijl de kluizenaarsters erin slaagden ze zo elegant om zich heen te draperen. Zij fluisterde: 'Het lijkt niet op wat wij gewoonlijk dragen; het is te kort en niet breed genoeg!' Rama troostte haar en sprak haar moed in; hij nam haar apart en zeggend dat het "zo en zo" kon worden gedragen, wikkelde hij het zelf om haar heen. Toen zij dit zagen, kregen de kluizenaarsvrouwen en bewoonsters van het paleis tranen in de ogen van waardering en medegevoel. 

Op dat ogenblik verscheen Vasishtha, de spirituele leermeester van het hof ten tonele; in èèn ogenblik overzag hij de situatie en wat hij aanschouwde sloeg hem met verbijstering. Hij kwam in conflict met koningin Kaikeyi, door Sita te verzekeren dat er geen enkele noodzaak bestond om het ascetenkleed te dragen. Hij verklaarde dat Kaikeyi slechts om twee gunsten had gevraagd, die ook waren ingewilligd: om Bharata te kronen en Rama naar het woud te verbannen. Vasishta zei dat Sita alle koninklijke attributen kon medenemen naar het woud, alsmede alle benodigdheden voor een comfortabel verblijf. 

Hierop ontdeed Rama Sita van het kluizenaarskleed dat zij over haar eigen kleding droeg. Doch Sita trad naar voren en viel aan de voeten van de wijze. Zij sprak: 'Meester! Het feit dat ik dit kleed draag is natuurlijk niet een direct gevolg van moeder Kaikeyi's wens. Mag ik niet het voorbeeld van mijn Heer volgen? Zou het mij betamen, zou het mij tot eer strekken, als ik mij in het woud zou tooien met juwelen en kostbare zijden gewaden, terwijl mijn Heer een ascetenkleed draagt? Het zou wel heel absurd zijn als een plichtsgetrouwe echtgenote een dergelijke houding aannam, nietwaar? Geef mij derhalve toestemming dit gewaad aan te trekken, opdat ik de gedragsregels van een echtgenote moge hooghouden en mijn plicht moge vervullen.' 

Sita's trouw aan de beginselen van dharma, die haar tot deze bede bewogen, roerde de grote wijze tot tranen van mededogen. Met een stem die stokte van verdriet, bracht hij uit: 'Sita! Deze gedachtengang is bij u vanzelfsprekend, daar u de belichaming bent van alle deugd. Koningen en heersers dienen echter bepaalde principes te eerbiedigen en dat geldt ook voor u en sommige anderen. Uw schoonmoeder Kaikeyi, met haar verwrongen en boosaardige geest, behoeft enige terechtwijzing en waarschuwing. Vandaag was het eigenlijk de dag dat uw echtgenoot tot keizer van dit rijk gekroond zou worden. Ofschoon deze gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden - tengevolge van een samenloop van omstandigheden waaronder geloften die langgeleden zijn gedaan - moet ik opmerken dat het tegen de staatsrechtelijke regels is omdan in Rama's plaats Bharata te kronen. Slechts de oudste zoon is gerechtigd de troon te bestijgen, niemand anders kan daarop aanspraak maken. Indien Rama, om welke reden dan ook, vrijwillig afstand doet van zijn rechten, zoals thans is geschied, dan hebt u als zijn wederhelft het recht om dat gezag uit te oefenen en niet een derde persoon.' 

Toen Vasishtha de regels der staatsrechtelijke ethiek uiteenzette, werd Kaikeyi zichtbaar door vrees bevangen. Tegelijkertijd was zij zich ervan bewust dat Sita geen enkel verlangen had om koninklijk gezag uit te oeferen, of macht te bezitten. Hoelang Vasishtha ook uitweidde over haar rechten en aanspraken, Sita weigerde er aandacht aan te schenken; al wat zij begeerde was het kluizenaarskleed te dragen, dat zij verre verkoos boven de gewaden van keizerlijke pracht en praal. Vasishtha's echtgenote wist dat Sita nimmer op haar besluit zou tergkomen; zij nam daarom het kleed ter hand en met de hulp van enkele andere kluizenaarsvrouwen wond zij het rond Sita op gepaste wijze. 

Inmiddels had ook Lakshmana zich gehuld in hetzelfde soort gewaad als Rama droeg. Rama besloot dat hun vertrek niet langer moest worden uitgesteld . Het drietal wierp zich eerbiedig aan de voeten van Dasharatha, die haast bezwijmde bij de aanblik van zijn zonen in hun ascetenkleed. Aan Kaikeyi, die ernaast stond, bewezen zij dezelfde eer. Zij vielen aan de voeten van de wijze Vasishtha en zijn echtgenote. Toen begaven zij zich op weg naar bet woud. Inwoners van Ayodhya die zich aan de paleispoorten hadden verzameld, zagen hen gaan in hun kluizenaarsgewaden en barstten in snikken uit. Velen van hen waren zo geschokt, dat zij in onmacht vielen. Anderen sloegen zich uit pure wanhoop voor het hoofd. Op de drempel van de paleispoort wierp Rama zich nogmaals op de knieën voor Vasishtha en sprak hij enkele woorden tot de menigte, haar oproepend kalm te blijven en haar deugdzaamheid te bewaren. Hij zei alle aanwezigen niet te treuren over de wending der gebeurtenissen, en beloofde dat hij na zijn veertienjarig verblijf in het woud naar Ayodhya zou wederkeren en dat het bevel tot zijn verbanning voor ieders bestwil was; voor hen, voor hemzelf en voor de ganse wereld. Vervolgens verdeelde hij rijke geschenken onder de armen; hij schonk huizen, maar ook goud, land en runderen aan de brahmanen, zodat zij onbeperkt hun rituele erediensten en offerplechtigheden konden houden. Hij bad Vasishtha erop toe te zien dat de vedische offers op de daarvoor aangewezen dagen zouden worden volbracht. Rama stond voor hem met de handpalmen tegen elkaar en sprak: 'Heilige, wijze leermeester, voor dit volk en voor mijn ouders zijn u en uw echtgenote de eigenlijke vader en moeder. Sta de koning bij met goede raad en spoor hem aan zijn onderdanen te regeren als waren het zijn eigen kinderen.' Toen de mensen deze bede hoorden, die te hunnen behoeve nogmaals aan Vasishtha werd gericht, werden zij zo bedroefd, dat hun hart brak. Sommigen maakten groot misbaar in hun verdriet en verwensten het lot dat hun het geluk ontnam door zulk een prins geregeerd te worden. Enkelen verwondden zichzelf, zo uitzinnig van smart waren zij. Ook waren er die luid weeklagend over de grond rolden. 

Opnieuw wendde Rama zich tot de enorme menigte en met de handpalmen tegen elkaar, sprak hij enige woorden. 'Mijn geliefd volk, u bent mij dierbaar als mijn eigen leven. Onze soevereine vorst zendt mij naar het Dandakawoud met de opdracht de streek te beschermen en tot bloei te brengen. Koester derhalve geen enkele wrok jegens hem. Waak over hem en gedenk hem te allen tijde in uw gebeden. Gehoorzaam zijn bevelen; maak hem gelukkig en wees ook zelf gelukkig. Uw liefde voor mij mag niet leiden tot afkeer van de koning. Wens hem nimmer kwaad toe. Slechts zij zijn mij dierbaar die zich beijveren voor het welzijn van de koning, nadat ik mij naar het woud heb begeven. Dat zijn degenen die mij waarlijk zijn toegewijd en wier daden mij behagen. Vervul dus deze wens van mij en eerbiedig mijn woorden, zÛ maakt u mij gelukkig. Mijn geliefde volk! Daar zij van mij gescheiden is, zal mijn moeder, koningin Kausalya, natuurlijk in rouw gedompeld zijn. Elke moeder in soortgelijke omstandigheden zal daar ondraaglijk onder lijden. Doch ik smeek u, als intelligente en meelevende mensen, om uw uiterste best te doen haar smart te verlichten en haar te vertroosten.' 

Toen riep hij minister Sumanthra bij zich en sprak: 'O Sumanthra! Ga nu naar mijn vader. Geef hem raad en breng hem tot rust. Dat is de taak waarmee u zich moet bezighouden.' Sumanthra werd door verdriet overmand; hij stond daar zwijgend, terwijl de tranen langs zijn wangen stroomden. Hij kon zijn smart niet onderdrukken en snikte luid. De andere ministers die hem omringden, alsmede enkele kamerdienaren, poogden hem tot kalmte en moed te bewegen. Zij waren echter te bedroefd om daar te blijven staan. Dus gingen zij het paleis binnen, volgens de aanwijzingen van Rama. De ganse stad was verzonken in een onmetelijke zee van droefenis. 

Dasharatha was inmiddels weer bijgekomen en werd zich bewust van hetgeen er was voorgevallen. Hij weeklaagde: 'Rama! Rama!' en deed een poging overeind te komen. Doch zijn verdriet drukte hem terneer en hij viel wederom op de grond. Toen hij zich oprichtte, trachtte hij te lopen, maar slaagde daar niet in; wankelend bewoog hij zich door het vertrek. 

Op dat ogenblik trad Sumanthra binnen; hij trachtte de keizer, die hem omarmde, overeind te houden en deed zijn best hem te troosten. Doch hoe kon hij zijn heer en meester bemoedigend toespreken, terwijl hijzelf leed onder plotselinge vlagen van felle smart? Hij herinnerde zich echter wat Rama hem had opgedragen, dus onderdrukte hij plichtsgetrouw het verdriet dat aan hem knaagde en zette zich naast de keizer, terwijl de tranen hem nog over de wangen stroomden. Het duurde lange tijd voor hij ook maar een woord kon uitbrengen. 

Dasharatha opende zijn ogen en zag dat Sumanthra naast hem zat; overweldigd door een onbedwingbare smart riep hij luid: 'Rama!', viel in de schoot van de oude minister en snikte het uit. Toen richtte hij zich op en kreunde: 'Sumanthra! Rama heeft ons verlaten en is naar het woud getrokken en toch heeft het leven mijn lichaam niet verlaten! Wat heeft mijn leven erbij te winnen door in dit lichaam te blijven?' Dan, enigszins kalmer geworden, sprak hij: 'Zeg! Ga snel achter Rama aan! Neem een snelle strijdwagen en ga hem achterna. Mijn schoondochter zal beslist niet de hitte van de zon kunnen verdragen. Zij zal spoedig blaren onder haar lotusvoeten krijgen. Ga! Neem de strijdwagen!'


Hoofdstuk 14a: Naar het woud

'Sumanthra!, sprak Dasharatha, 'mijn Ramachandra is een onverzettelijke held; hij zal niet terugkeren. Niemand kan zijn besluit doen wankelen of het uitvoeren ervan beletten. Elke poging hem van gedachten te doen veranderen zal vruchteloos zijn en onze inspanningen daartoe zullen hem slechts leed berokkenen. Bovendien is Rama een onwankelbaar beschermer der waarheid. Talm niet langer, want zelfs de korte tijd die nodig is om de strijdwagen in gereedheid te brengen veroorzaakt oponthoud en dan zoudt u zijn spoor bijster kunnen raken. Mijn onderdanen kunnen de aanblik niet verdragen van Rama die te voet gaat langs Ayodhya's koningswegen. Ga, ga nu!'

De keizer deed Sumanthra haastig uitgeleide met de woorden: 'Neem een paar manden proviand en enkele wapens mee en overhandig die aan Rama. Sumanthra! Ik vergat nog iets te zeggen. Voer alle argumenten aan die u maar kunt bedenken en vermeld tevens dat ik u heb gevraagd hem te smeken om Sita naar Ayodhya terug te zenden. Laat hen plaatsnemen in de wagen en een eindje met u meerijden naar het woud. Ga met hen mee het woud in, want als de aanblik van de wildernis Sita beangstigt en u merkt haar vrees op, dan moet u onmiddellijk Rama vragen ervoor te zorgen dat Sita naar Ayodhya terugkeert; smeek ook Sita, de jonge, onervaren prinses van Mithila, om terug te gaan en herinner haar eraan dat dit ook mijn wens is. Zeg haar dat, als zij niet in Ayodhya wil blijven, de keizer zal zorgen dat zij naar haar vader, Janaka, gezonden wordt.' Dasharatha herhaalde zijn boodschap enige malen en gebukt onder verdriet door de beelden die zijn woorden opriepen, verloor hij het bewustzijn en viel hij terneer.

Weldra kwam hij weer bij en riep op gekwelde toon uit: 'Sumanthra! Waarom verspil ik nog woorden en tijd? Breng Rama, Lakshmana en Sita aanstonds bij mij terug; laat me hen alledrie mogen aanschouwen. Zeg me dat u dat zult doen en maak mij gelukkig.' Smekend verzocht hij Sumanthra: 'Ga snel, talm niet en laat de wagen u brengen naar de plaats waar zij zich nu bevinden; rijd het voertuig zo diep mogelijk het woud in, tot aan de plek waar het niet meer begaanbaar is. Het is wellicht mogelijk drie of vier dagen per strijdwagen te reizen. Laat hen nadien uitstappen; blijf hen nakijken tot ze uit het zicht verdwenen zijn en keer dan terug om mij het laatste nieuws omtrent hun gezondheid en veiligheid over te brengen. Ga nu. Blijf niet hier bij mij, ga!' Zo spoorde Dasharatha zijn minister aan.

Met gebogen hoofd nam Sumanthra het bevel van de keizer aan; na zich aan diens voeten geworpen te hebben, liet hij de strijdwagen gereed maken. Hij haalde Sita, Rama en Lakshmana in, die te voet langs de wegen van de hoofdstad gingen. Hij vertelde hun wat de keizer hem had opgedragen, liet hen plaatsnemen in de wagen en reed toen voort in de richting van het woud. Aan beide zijden van de koningsbaan stonden grote menigten te wenen en te weeklagen; Sumanthra trachtte hen tot kalmte te manen en hen te bewegen hun emoties te beheersen. Zij passeerden de stadsgrenzen en reden nog even verder. De hoofdstedelingen renden als èèn man in paniek achter de wagen aan en wierpen daarbij hemelhoge stofwolken op. Er was geen weg of grond meer te zien door de onafzienbare, radeloze mensenmassa. Oude mannen, vrouwen, jonge en sterke mannen, brahmanen, allen riepen eenstemmig, onder luid gesnik: 'Rama, Rama! Neem ons mee! Laat ons niet achter!' De straten van Ayodhya waren verlaten; het was zo stil dat de stad scheen te slapen. De duisternis viel als een zware last op elk der daken. Sommige mannen en vrouwen, die slecht ter been waren, stonden hulpeloos als boomstronken langs de weg. Velen vergrendelden hun deur en brachten hun dagen in opperste wanhoop en vertwijfeling door. Zij raakten eten noch drinken aan en rolden over de grond daar waar zij toevallig waren toen Rama wegging. Sommigen verwachtten Rama's thuiskomst tegen de avond, hopend dat hij uit mededogen naar zijn geliefd volk terug zou keren.

Dasharatha liet zich intussen eveneens in een strijdwagen installeren! Hij riep luid: 'Rama! Rama! Ö Sumanthra! Sumanthra! Stop die wagen! Eenmaal nog wil ik mijn lieveling, mijn dierbare zoon zien!' Hij spoorde zijn paarden tot snellere draf aan en kwam steeds dichterbij. De volksmenigte die Rama volgde raakte beklemd tussen diens wagen en de strijdwagen van de keizer; velen waren zo uitgeput dat zij neervielen. Toen zij een wagen met grote snelheid zagen passeren, hieven zij hun hoofd op om te zien of Rama zich daarin bevond. Zij stonden op en poogden de wagen tegen te houden om een glimp van Rama, hun geliefde prins, te kunnen opvangen. Toen evenwel het gekreun van Dasharatha hun ter ore kwam, barstten ook zij in snikken uit; zij lieten de wagen passeren en smeekten op aandoenlijke toon: 'O koning! Haast u en breng onze Ramachandra weer!'

Dasharatha zag Rama's wagen voortsnellen langs de buiten de stad gelegen zandheuvels en hij riep uit: 'Sumanthra! Sumanthra! Stilhouden, stop!', en beval zijn eigen wagenmenner sneller te rijden. Sumanthra keek achterom en bespeurde de wagen die de zijne volgde. Hij sprak tot Rama: 'Ramachandra! Uw vader Dasharatha rijdt achter ons; ik denk dat we er goed aan doen even te stoppen, om te horen wat zijn bevelen zijn.' Ook Rama zag de enorme mensenmassa en de strijdwagen waarin zijn vader zat, die hem snel achterop kwam. Hij wist dat, als hij nu stil zou houden, de mensen zich om hem heen zouden verdringen en in tomeloos geween en gejammer zouden uitbarsten, dat degenen die uitgeput aan de kant van de weg zaten, zouden opstaan en naar hem toe zouden rennen, voortgedreven door nieuwe hoop, en dat die handelwijze veel wreder zou zijn, omdat hij daarmee slechts valse hoop zou wekken. Het zou tevens schadelijk zijn voor het vervullen van zijn gelofte. Als de onderdanen getuige zouden zijn van Dasharatha's geweeklaag, zou deze zeker in hun achting dalen. Nadat hij al deze consequenties zorgvuldig had overwogen, zei hij tot Sumanthra, zijn wagenmenner, dat het niet nodig was halt te houden; dat het zelfs het beste zou zijn als hij wat sneller ging rijden. Hierop smeekte Sumanthra, met de handen eerbiedig tegen elkaar: 'Rama! Er is mij opgedragen niet langer dan vier dagen bij U te blijven. Daarna moet ik naar Ayodhya terugkeren, nietwaar? Bij mijn thuiskomst zal de keizer mij stellig berispen omdat ik de wagen niet liet stilhouden, ofschoon hij mij sommeerde te stoppen. Wat moet ik hem dan antwoorden? Wees zo goed mij bij U te laten blijven, zo lang als uw ballingschap duurt. Het zal mij het gevoel geven dat ik mijn leven goed en gelukkig heb geleefd, als ik bij U in het woud mag zijn. Wanneer U daarmee instemt, zal ik niet stoppen en zo snel rijden als U maar wenst. Wees zo vriendelijk uw desbetreffende bevel mee te delen.

Rama overdacht het probleem dat Sumanthra hem had voorgelegd, met de verschillende gevolgen. Hij sprak: 'Sumanthra! Hij die u de opdracht gaf de strijdwagen te mennen en ons mede te nemen tot in het woud, tot zover als het begaanbaar was, was uw meester, uw keizer. Hij die thans deze wagen volgt, die weent en u smeekt te stoppen, dat is Dasharatha. U moet luisteren naar het bevel des keizers en daaraan gehoorzamen, niet aan het bevel van Dasharatha. U bent de eerste minister van het land en van de regerend vorst van het land, niet van een persoon genaamd Dasharatha. Er is tussen ons als personen een band van genegenheid die de zoon aan de vader bindt. Als keizer heeft hij echter over u evenveel keizerlijk gezag als over mij. Uw loyaliteit jegens hem is gelijk aan de mijne. U moet uw plicht vervullen. Als Dasharatha u straft omdat u geen gehoor hebt gegeven aan het verzoek dat hij u thans doet, zeg hem dat u hem niet hebt gehoord; het is niet verkeerd om dat te zeggen,' Rama vroeg hem daarop de paarden aan te sporen en er niet aan te denken de wagen te laten stoppen.

Sumanthra dronk gretig de nectar in der morele analyse die Rama zo welwillend gaf om hem te overtuigen. Toen Dasharatha zag dat Rama doorreed, hield hij halt en vol zelfbeklag en luid jammerend keerde hij terug naar Ayodhya. Het volk bleef echter de strijdwagen volgen; niet ontmoedigd door lichamelijke uitputting, werden zij voortgedreven door de vaste wil Rama niet los te laten. Sommigen die bereid waren hun leven voor Hem te geven en te sterven terwijl zij poogden Hem te bereiken, sleepten zich voort; buiten adem en gebroken als zij waren, zetten zij toch vol toewijding hun voeten in de sporen van de strijdwagen waarin Hij gezeten was. Rama zag hoe de onderdanen van het keizerrijk, gedreven door de liefde die zij voor Hem koesterden, Hem achterna trokken, en zijn hart was vol mededogen. Hij liet de wagen stilhouden en sprak hen toe met zoete en tedere woorden, die hen diep troffen. Hij sprak over de vele, uiteenlopende, morele aspecten van de situatie en smeekte hen om naar Ayodhya terug te keren.

Zij gaven ten antwoord dat het een ondraaglijke kwelling zou betekenen om van Rama gescheiden te worden en dat zij zelfs geen ogenblik in een Ayodhya konden wonen waarin Rama afwezig was; zij zouden liever sterven in het woud dan leven in Ayodhya! Onder de velen die zich aldus uitspraken, bevonden zich jongeren die beweerden dat een stad waaruit de God van dharma was verdwenen, afschuwelijker was dan de wildernis en dat zij in een dergelijke vreselijke plaats niet konden leven. 'Het woud waarin U verblijft, is voor ons Ayodhya', verklaarden zij. 'Maak U niet in het minst bezorgd over onze zware inspanning of onze uitputting. Houd U aan uw gelofte en uw plicht, zoals U zich hebt voorgenomen; ook wij zullen onze gelofte nakomen. U hebt geoordeeld dat het uw heilige plicht is uw vaders wens te gehoorzamen; ook wij hebben een heilige plicht: de wens te eerbiedigen van de Rama in ons hart, de Atmarama, onze Meester, het morele gezag dat wij trouw vereren. Ons besluit zal niet wankelen. Wij zullen niet terugkeren. Slechts de dood kan ons van ons voornemen afbrengen', verkondigden zij onder tranen van wanhoop.

Het meedogende hart van Rama smolt bij deze woorden van liefde en trouw. De tranen stroomden Sita over de wangen. Lakhsmana zag hoe groot de toewijding was die opwelde in het gewone volk. Zijn ogen vlamden van toorn en zijn emoties maakten hem sprakeloos toen hij dacht aan Kaikeyi, de stiefmoeder bij wie geen sprankje van deze gevoelens voor Rama te ontdekken was. Hij ging op de grond zitten en verzonk in droevige gedachten.

Rama besefte dat het het beste zou zijn de mensen, hoe dan ook, te overreden huiswaarts te keren. Hij troostte hen, voelde met hen mee en herinnerde hen aan de riten en rituelen die zij dagelijks moesten verrichten en aan de gevolgen indien zij dat zouden nalaten. Hij beschreef de verschrikkingen van het leven in het woud en de hindernissen die zij op hun weg zouden vinden als zij zouden trachten daar te leven als voorheen. Hij ried hen aan de riten en offers op de juiste wijze en zonder onderbreking uit te voeren, zodat de jaren van zijn verbanning snel en vreedzaam zouden verlopen; zo zouden zij Hem helpen zijn verbanning in vrede en vreugde door te brengen en, als de tijd eenmaal aangebroken was, om verkwikt en wel naar Ayodhya terug te keren.

De jeugdige brahmanen onder hen werden door deze argumenten niet overtuigd. Rama voegde er nog aan toe: 'Jullie bejaarde ouders zullen je toegewijde dienstbetoon ontberen; het is verkeerd hen hulpeloos en alleen achter te laten'. Hierop antwoordden zij: 'Rama! Onze bejaarde ouders zijn te zwak en te moedeloos om U helemaal tot in het woud te volgen; zij zijn tot hier gekomen en konden niet verder; vol smart en onder een vloed van tranen zijn zij teruggegaan. Zij hebben ons opdracht gegeven U te volgen en bij U te blijven want, zeiden zij: "Wij zijn te zwak; jullie zijn sterk en jong. Ga heen en dien Rama namens ons!" Die oude mensen hebben meer verdriet omdat U weg bent uit Ayodhya, dan omdat wij niet bij hen zijn. Zij zullen gelukkig zijn hun zoons bij Rama te weten - een geluk dat henzelf niet beschoren was. Neem ons met U mede, al was het slechts om die oude mensen vreugde te schenken.' Met deze smeekbede wierpen zij zich wenend aan Rama's voeten.

Deze oprechte uiting van liefde en eerbied deed Rama plotseling zwijgen. Hij werd ontroerd en verblijd door de geest van onthechting van deze jonge mensen, die naar zijn gevoel zelfs grootser was dan zijn eigen afstand van de keizerlijke macht. Zijn vreugde was gemengd met een zekere trots op zijn onderdanen, omdat hun respect voor de ouders het zijne overtrof. Terwijl de smeekbeden en de tegenwerpingen nog voortgingen, viel de duisternis in. Dus vroeg Rama hun om uit te rusten en iets te eten en te drinken, in plaats van de tocht huiswaarts te ondernemen in de donkere nacht. Om het goede voorbeeld te geven baadde Rama zich in de rivier de Thamara, die daar stroomde, at een weinig van een maal van wortels, knollen en fruit en legde zich een poosje te rusten. Alle mensen die Rama gevolgd waren en lange afstanden hadden afgelegd, waren lichamelijk zo uitgeput, dat zij na de maaltijd in een diepe, onverstoorbare slaap vielen. Rama wist dat iedereen, zodra hij zou ontwaken, erop aan zou dringen Hem te vergezellen; dus wekte hij Sumanthra en droeg hem op de wagen in alle stilte gereed te maken en zo te rijden dat de wagensporen niet te herkennen waren. Sumanthra begreep dat dit de enige manier uitweg was en reed de wagen op een dusdanige wijze dat er een verwarrend patroon van sporen ontstond dat er zelfs op leek te wijzen dat de wagen naar Ayodhya was teruggekeerd! Nadat hij kundig deze valse sporen had gelegd, reed hij vooruit in de richting van het woud.

De nieuwe dag brak aan! De inwoners van Ayodhya stonden op en keken om zich heen. De koninklijke wagen viel nergens te bespeuren! Sita, Rama of Lakshmana waren evenmin ergens te bekennen. Zij vielen ten prooi aan diepe wanhoop, wekten degenen die nog lagen te slapen, trachtten het spoor van de wielafdrukken te volgen en renden opgewonden alle kanten op in hun poging de wagen te vinden. 

Eèn van hen sprak: 'Broeders! Rama merkte hoe vermoeid wij waren en hoe wij van pure uitputting in slaap vielen, dus is Hij van hier vertrokken zonder ons mee te nemen.' Toen begonnen zij elkaar te verwijten dat zij tekenen van vermoeidheid hadden getoond en zodoende Rama hadden genoopt hen achter te laten en alleen verder te gaan. Anderen gaven zichzelf de schuld en achtten zich minder dan een vis. 'Want', zeiden zij, 'vissen kunnen zonder water niet leven, doch wij leven voort, ofschoon Rama ons als vissen op het droge heeft achtergelaten. O schande, wij moeten ons schamen dat we nog leven', riepen zij in hun zelfverachting uit. 'We hebben deze scheiding van Hem die ons het dierbaarst is zelf teweeggebracht. Waarom zouden wij niet vrijwillig de dood ingaan en zo een einde maken aan alle verdriet', klaagden zij. Het duurde echter niet lang eer zij tot het besef kwamen dat, aangezien het Zelf (Atma) in hen Rama is, een daad als Zelfvernietiging (Atmahaya) ondenkbaar zou zijn. Het was evenmin een daad die verdienstelijke gevolgen zou hebben. Bovendien heeft zelfmoord alleen dan goede gevolgen wanneer een mens is voorbestemd om door eigen hand te sterven! Dus stelde een ander lid van de groep voor om de Lotsgodin te smeken hen allen een dergelijk levenseinde toe te staan. 

Zij raakten steeds dieper verwikkeld in deze meelijwekkende discussies en onzekerheden. Zij wilden niets liever dan snel beslissen wat hun volgende stap zou zijn. Het duurde niet lang of er kondigde iemand aan dat men de juiste wagensporen had gevonden. Dat was werkelijk buitengewoon goed nieuws, temeer daar de sporen uitwezen dat de wagen in de richting van Ayodhya was gereden! Nadat zij het spoor enige tijd gevolgd hadden, konden zij het echter niet meer zien; het was geheel uitgewist. Het was onmogelijk te gissen wat er was gebeurd, dus keerden zij terug naar de hoofdstad, aan de grootste verwarring ten prooi. 

Velen troostten zich met de gedachte dat Rama stellig naar het paleis zou terugkeren; Hij had immers gezien hoe slecht zij eraan toe waren en zijn hart was vol mededogen voor zijn ontroostbare onderdanen. Rama zou weer thuis zijn aleer er twee of drie dagen verstreken waren, meenden zij. De vrouwen legden talrijke plechtige geloften af en hielden allerlei erediensten om de Goden gunstig te stemmen; dat alles diende om Rama te overreden naar zijn onderdanen terug te keren. 

Vanaf die tijd leefden de mensen als casarca's (soort eend) die geen lotusbloemen hadden om zich te voeden, daar de zon niet meer aanwezig was en lotussen zonder zonnewarmte niet kunnen bloeien. 

Terwijl het volk aldus in rouw gedompeld was, bereikten Sita, Rama en Lakshmana en minister Sumanthra's wagen de buitenwijken van de stad Sringivera. Rama ontwaarde de rivier de Ganges en gelastte Sumanthra onmiddellijk de wagen te laten stilstaan. Hij steeg uit en wierp zich ter aarde voor de heilige stroom; Sita, Lakshmana en Sumanthra volgden zijn voorbeeld. Rama vertelde de anderen dat de Ganges de bron was van alle rijkdom en voorspoed, van alle vrede en overvloed die hun alom toestroomde. Hij zei dat de Ganges alle wezens opperste gelukzaligheid en de hoogste spirituele zegen schonk. Het gezelschap besloot zich in haar heilige wateren te baden. 

Rama droeg Lakshmana op een plaats voor Sita uit te zoeken waar zij vanaf de oever te water kon gaan en veilig kon baden. De oevers waren zacht en drassig in dit oerwoudgebied, dus versterkte Lakshmana de plek die hij uitgekozen had met stenen en rotsblokken, zodat zij veilig kon afdalen en na haar rituele reiniging gemakkelijk weer op de kant kon klimmen. Hij verzocht Sita om die geïmproviseerde oevertrap voor haar bad te gebruiken. Voorzichtig daalde zij de trap af en ook zij wierp zich ter aarde voor de Godin Ganga aleer zij zich in het water begaf. Lakshmana liep het oerwoud in om eetbare vruchten te plukken, zodat Rama en Sita nieuwe krachten konden opdoen door na hun bad iets te eten. Eerbiedig hood hij hun de vruchten aan, waarvan zij er enkele nuttigden. 

Er hadden zich intussen een paar kleine boten verzameld op de rivier. Het oog van de roeiers viel op de koninklijke strijdwagen en op de vorstelijke gestalten van Sita, Rama en Lakshmana. Zij veronderstelden dat het gezelschap naar deze plaats was gekomen voor een picknick. Dus spoedden zij zich naar hun hoofdman Guha en vertelden hem dat er in de nabijheid enkele koninklijke bezoekers waren. Guha zond een boodschapper die moest uitzoeken wie zij waren en waarvoor zij naar het woud gekomen waren aan de oever van de Ganges. 

De boodschapper keerde terug met het nieuws dat de bezoekers niemand minder waren dan de zonen van keizer Dasharatha, dat de prinses Sita zelf was en dat zij werden vergezeld door de eerste minister Sumanthra. Guha vond dat hij niet als enige de opperste vreugde van hun aanwezigheid mocht smaken! Hij liet zijn familie en vrienden weten dat de grote prins Rama naar de Ganges was gekomen met zijn broer en zijn vrouw. Hij plukte een overvloed aan bloemen en vruchten en begaf zich met het hele gezelschap in eerbiedige nederigheid naar de heilige rivier. Daar aangekomen plaatste Guha de offergaven van vruchten en bloemen aan de voeten van de koninklijke bezoekers en wierp zich ter aarde voor Rama. Zijn verwanten en vrienden volgden zijn voorbeeld. 

Rama, die zag hoe opgetogen en vol blijdschap allen waren, riep Guha bij zich en vroeg hem hoe het met iedereen gesteld was en of zij gelukkig en tevreden waren. Hij wilde van hoofdman Guha weten in hoeverre zijn bestuur bevorderlijk was voor het welzijn der gemeenschap. Guha antwoordde: 'Heer Ramachandra! Het aanschouwen van uw voeten heeft ons allen oneindige ananda geschonken. Wij hebben dit grote geluk slechts te danken aan de verdiensten die wij vergaard hebben door onze goede daden in het verleden. Hoe zouden wij, die onze dagen slijten in dit ontoegankelijke woud, anders ooit mogen hopen de zegen te ontvangen van uw bezoek en van het aanschouwen (darshan) van uw lotusvoeten? Van nu af aan zal dit gebied stellig gezegend worden met overvloed en vrede, want uw voeten hebben immers deze grond betreden. Het lijdt geen twijfel dat hier een totale verandering zal plaatsvinden.' 

Lakshmana, Sita en Sumanthra bemerkten hoe oprecht zijn vreugde-uitingen en zijn tranen van ananda waren. Zij stonden versteld van zijn toewijding, nederigheid en wijsheid. Guha hield Rama's voeten vast en sprak: 'Heer! Alles hier behoort U toe - alle rijkdommen, het land en mijn gezag als hoofdman, evenals mijn onderdanen, het is alles van U. Zij wachten op uw bevelen en staan volledig te uwer beschikking. Ik ben uw dienaar; aanvaard mij als zodanig, aanvaard alles wat ik U aanbied en betreed de stad waar wij wonen.' 

Toen Rama dit verzoek hoorde, glimlachte Hij en antwoordde: 'Guha! Je bent een getrouwe toegewijde en een zeer deugdzaam man, met een zuiver hart. Doch luister, ik moet door het woud dwalen als een banneling, gehuld in kluizenaarsgewaad, gehoorzamend aan mijn vaders bevel. Ik mag geen enkele stad binnengaan. Ik mag slechts dat voedsel eten dat is voorgeschreven voor monniken die de wereld verzaakt hebben. Ik moet leven volgens de regels die gegeven zijn voor asceten die soberheid (tapas) beoefenen. Ik kan daarom de wens die je zojuist hebt uitgesproken niet vervullen.' 

Toen Guha deze woorden hoorde, werd hij door diepe droefheid getroffen. In de grote mensenmenigte die uit de stad Sringivera gekomen was en zich thans hier verzameld had, sprak men tegen elkaar op fluisterende toon over de betoverende Goddelijkheid van Rama, Sita en Lakshmana. Eèn van hen vroeg zich af hoe de ouders van die bekoorlijke broers en die engelachtige prinses hen ooit naar het woud hadden kunnen verbannen: 'Hoe hebben zij ooit een dergelijke veroordeling over hun lippen kunnen krijgen?' Hierop wierp een ander tegen: 'Houd je mond, jij dwaas! Die ouders hebben daar juist goed aan gedaan. Hadden zij die woorden niet gesproken, dan hadden wij onze ogen niet kunnen vergasten op de aanblik van hun goddelijke gestalten. Wat wij vandaag beleven is wel een heel zeldzaam feest voor het oog!' Deze woorden vervulden menigeen met vreugde en tevredenheid. Onder elkaar spraken de daar aanwezige Nishada-stamgenoten met eerbiedige bewondering over de koninklijke bezoekers. Zij verheerlijkten de schoonheid, de prille jeugd en de zachte, liefelijke aard van Sita, Rama en Lakshmana. 

Guha werd overstelpt door verdriet omdat hem niet het geluk beschoren zou zijn Rama welkom te heten in de hoofdstad der Nishada's, wier hoofdman hij was. Hij was van mening dat, al werd de stad slechts 'gezien' door Rama, zelfs als zijn blik er slechts eenmaal op had gerust, dat dan Sringivera voor eeuwig gezegend zou zijn met vrede en voorspoed. Hij stelde daarom voor dat Rama naar een prachtige, enorm grote simsupa-boom zou lopen die vlakbij stond. Rama stemde toe. Guha wist nu dat vanaf die plek Rama's blik voor het eerst op de hoofdstad was gevallen. Die gedachte verheugde hem. Ook Rama was gelukkig toen Hij de stad vanuit de verte zag. Hij stond toe dat de Nishada's zijn voeten aanraakten en gelastte hen hierop huiswaarts te keren, aangezien de nacht weldra zou vallen. 

Toen volvoerde Rama de heilige riten die zijn voorgeschreven voor het uur der schemering. Guha vergaarde onderwijl een grote hoeveelheid mals gras en jonge bladeren, waarvan hij zachte bedden spreidde. Hij zond zijn onderdanen eropuit om smakelijke en frisse knollen en vruchten te plukken van de bomen en klimplanten in het woud, om ze dan in bladeren gewikkeld de voorname gasten aan te bieden. Sita, Rama en Lakshmana, evenals Sumanthra, namen deel aan de sobere maaltijd en begaven zich daarna ter ruste. 

Sita sliep op het zachte bed van gras. Lakshmana zat aan Rama's voeten om ze liefdevol te masseren en zo de vermoeidheid door de inspanningen van die dag te verdrijven. Rama besefte dat Lakshmana met dit dienstbetoon zou voortgaan zolang Hij nog wakker was; Hij wilde zijn broer ertoe bewegen wat uit te rusten, dus deed Hij alsof Hij in diepe slaap was gevallen. Lakshmana was bevreesd dat verder wrijven Rama's sluimer zou verstoren, dus sloop hij zachtjes uit zijn nabijheid. Daar zat hij, in de houding van de 'wakkere held', zodat hij zijn blik nauwlettend naar de vier windrichtingen kon richten en het onmiddellijk zou bemerken als er een wild dier in aantocht was, een demon of een boosaardig iemand die eropuit was Rama's slaap te verstoren; hij was èèn en al aandacht en waakzaamheid. 

Toen Guha dit zag, gaf ook hij zijn trouwe adjudanten opdracht de omgeving te bewaken en te zorgen dat niets Rama uit zijn slaap zou wekken. Hij hing de tas met pijlen over zijn schouder en zijn boog gereed houdend, zette hij zich naast Lakshmana, verlangend om met hem de wacht te houden. 

Met tranen in de ogen sprak Guha Lakshmana aan; hij hield de handpalmen tegen elkaar en vroeg: 'Lakshmana! Het paleis van keizer Dasharatha is denk ik nog grootser en schitterender dan de goddelijke woonstede van Indra, de koning der Goden. In Dasharatha's paleis is alles liefelijk en schoon; het is vervuld van zoete geuren; zachte veren bedden en lampen bezet met kostbare edelstenen dragen bij aan de grootsheid en het comfort van het paleis. Daar hebben de bedden lakens die zo wit en licht zijn als het schuim op verse melk en ze hebben zachte, donzige kussens. Sita en Rama, die gewend waren in dergelijke weelderige bedden te slapen, liggen nu te slapen op een hoop gras, zonder laken of kussen, alleen omdat zij lichamelijk uitgeput zijn! Dit tafereel te moeten aanschouwen vervult mij met ondraaglijke smart. In het paleis zorgden zijn vader en moeder, zijn dienaren en dienaressen, dat het hem aan niets ontbrak. Sita en Rama, die gisteren nog als vorsten leefden, liggen nu op de grond! Ach, mijn hart wordt verscheurd door verdriet.


Hoofdstuk 14b: Naar het woud

Sita is de geliefde dochter van de wereldvermaarde keizer Janaka; toch ligt zij thans op een sprei van droog gras. Wat is dit toch een vreemde kentering van het lot. Zijn Sita en Rama opgewassen tegen het leven in het woud? O, thans wordt de waarheid bevestigd dat men de gevolgen van zijn daden moet dragen, ondanks alles. Kaikeyi is de dochter van de koning van Kekaya. Niemand kan geloven dat zij tot deze afschuwelijke, slechte daad in staat is. Sita en Rama bevinden zich in een periode van hun leven dat ze samen gelukkig zouden moeten zijn. Het is een wel zeer verwerpelijke daad om hen deze harde straf te doen ondergaan! Een dergelijk lot zou men zelfs zijn ergste vijand niet toewensen. 

De prinses van Kekaya heeft getoond dat zij is als de bijl die zelfs de wortels van de boom der Zonnedynastie zou kunnen stukhakken. Haar egoïsme en hebzucht hebben de wereld in rouw gedompeld. Ach! Dat mijn verschrikte ogen dit treurige toneel moesten aanschouwen! Aan welke verachtelijke zonde heb ik mij overgegeven dat ik deze straf heb verdiend? Wie was er zo gelukkig dat tijdens een vorig leven mijn ogen rood werden van afgunst, zodat ik nu Rama in deze benarde toestand moet zien?' 

Aldus jammerde Guha; hij was niet bij machte het verdriet te onderdrukken dat in hem opwelde en zat zwijgend terneer, met gebogen hoofd, in onbedwingbare vertwijfeling en smart. Door Guha's gemoedstoestand werd ook Lakshmana door somberheid overvallen. 

Toen vatte Lakshmana weer moed en sprak: 'O hoofdman der Nishada's! Men ontleent zijn geluk niet aan een ander en zijn ellende evenmin. Men heeft zijn voorspoed of tegenslag niet aan iemand anders te danken. Zulke omwegen hebben geen enkele kans van slagen. Evenmin kan men waarlijk gelukkig zijn of in ellende verkeren. Elk individu komt op aarde voor een bepaald doel en wordt voortgedreven door de innerlijke kracht van zijn daden in een vorig leven, of door de wil en het besluit van de Almachtige. En terwijl men aan die levensopdracht werkt, is men ogenschijnlijk gelukkig of ongelukkig, dat is alles. Een bedelaar droomt dat hij koning is; een koning droomt dat hij een bedelaar is. Ais zij ontwaken, ontdekken zij dat hun voorspoed en hun ellende onwerkelijk waren en van korte duur. Zo is de wereld eveneens: onwerkelijk als een droom, een illusie (mithya). U bent bedroefd om de situatie waarin Rama verkeert, doch Rama zelf is verheven boven verdriet en vreugde. Voor degenen die Hem gadeslaan, kan Rama gelukkig of ongelukkig schijnen, naar gelang het geluk of ongeluk dat wordt bepaald door de verdiensten of gebreken die door henzelf zijn verworven en vergaard; wat u ziet als vreugde of verdriet in Rama is slechts de weerschijn van uw eigen geestesgesteldheid.' Bij deze woorden kwam Guha tot bedaren en liet hij de woede varen waarmee hij zich kort tevoren tegen Kaikeyi had gericht. Hij begreep dat het niet juist was over een ander mens te oordelen en hem te beschuldigen. 

'De mens is overgeleverd aan de slaap der begoocheling en ziet een grote verscheidenheid aan dromen voorbijtrekken. Zo brengt hij de nacht door die men 'leven' noemt; de yogi's die meester zijn over hun zintuigen, zijn de enigen die de nacht doorwaken zonder door dromen te worden bevangen of bekoord. [Zie: Bhagavad Gita, hoofdstuk 8 vers 17 en Hoofdstuk 2b vers 69] Van de wereld en alles wat zij biedt, moeten zij niets hebben. Zij hebben zich afgekeerd van alle zintuiglijke genoegens en gebondenheid. Men kan zich niet 'geestelijk ontwaakt' noemen aleer men dat stadium heeft bereikt. Als men universele wijsheid (jnana) heeft verworven en heeft begrepen wat de werkelijkheid is, vallen de ketenen der begoocheling af en richt men zijn liefde op de lotusvoeten van Rama.' Toen Guha in die trant ging denken, werd hij getroost en gesterkt. De rest van de nacht brachten Guha en Lakshmana door met verhalen over de bovennatuurlijke eigenschappen van Rama en de volkomen goddelijke Majesteit die in hem verborgen was. 

De nieuwe morgen brak aan. Terwijl de een de wacht hield bij de plek waar Rama lag te slapen, verrichtte de ander de rituele ochtendwassing en loste daarna de eerste af. Weldra bewoog Rama zijn ledematen, wreef zich in de ogen en ging rechtop zitten, turend in alle windrichtingen. Hij wekte Sita en beiden begaven zich naar de Ganges. Na hun bad en de ochtendriten, liepen zij naar Guha en Lakshmana toe. Rama gaf Lakshmana opdracht Hem wat melksap van de ficusboom te brengen. Lakshmana ging zonder morren op weg naar het nabije woud en kwam spoedig terug met een kom van bladeren vol met sap. Rama goot het sap over zijn lokken, zodat een dikke, ineengeklitte haarmassa ontstond, zoals men die gewoonlijk bij kluizenaars ziet. Sumanthra, die stond toe te kijken, kon zijn snikken niet onderdrukken. Het schokte hem dat het hoofd, dat de kroon met edelstenen had moeten dragen, nu een verwarde kluwen haar moest torsen. Hij beweende het lot dat hem dwong dit tragische tafereel te aanschouwen. Zijn hart kromp ineen van hevige smart. 'Ik kan niet langer bij U in het woud blijven, dat is mij onmogelijk. Ik heb de bevelen van de keizer uitgevoerd. Het noodlot kondigt plotseling het einde aan van de tijd die ik bij U mag blijven. De keizer droeg mij op U in de strijdwagen mede te nemen tot wij de oever van een heilige rivier bereikten; daar moest ik U achterlaten en zelf terugkeren. Het is mijn plicht U op dit feit te wijzen; nu is het aan U mij te zeggen wat ik moet doen', sprak Sumanthra, die in nederige houding en met gebogen hoofd voor Rama stond en zijn tranen de vrije loop liet. 

'Wees niet bedroefd', sprak Rama, 'het is uw plicht en ook de mijne om de bevelen van de keizer op te volgen. Ik ben zeer verheugd dat u de opdracht die hij u gaf tot een goed einde hebt gebracht. Van nu af aan zal ik de bevelen uitvoeren die hij mij gaf. Ik zal zijn aanwijzingen met de grootste eerbied en tot in de kleinste bijzonderheden opvolgen. Talm nu niet langer en keer terug naar Ayodhya. Mijn ouders zullen uw thuiskomst met vurig verlangen tegemoet zien, omdat zij willen horen hoe de tocht tot dusverre verlopen is. Neem dus de strijdwagen en keer snel huiswaarts', drong Rama aan. 

Sumanthra stelde zich voor hoe de stad, waarnaar hij moest terugkeren, eruit zou zien. Hij smeekte op meelijwekkende toon: 'O Ramachandra! Laat Ayodhya toch geen verweesde stad worden. De keizer zal zich in uw afwezigheid nauwelijks staande kunnen houden. Bharata zal niet bij machte zijn te regeren.' Sumanthra wierp zich aan Rama's voeten; hij kon de last van zijn smart niet langer dragen. Rama richtte hem op en de handen op zijn schouders leggend, sprak hij hem troostend toe. 'Sumanthra! Geen van de grondbeginselen der rechtschapenheid is verhevener dan de waarheid. De Veda's, de Purana's en de heldendichten, zij alle verklaren en verkondigen dit, zoals u weet. Nu is mij de taak toebedeeld om dit edelste principe der rechtschapenheid toe te passen. Welk een groot geluk! Als ik deze kans voorbij laat gaan en deze lotsbeschikking niet aanvaard, zullen ik en mijn dynastie in alle drie werelden eeuwige schande op ons laden. Die schande zal de rechtschapenen ondraaglijker doen branden dan duizendmaal sterven en verbrand worden. Ga heen, werp u aan mijn vaders voeten en overtuig hem dat ik vastbesloten ben en mijn taak met vreugde verricht. U moet ervoor waken dat mijn vader zich zorgen maakt over mij, over Sita of over Lakshmana.' 

Guha en zijn volgelingen hoorden Rama's woorden en werden er zichtbaar door bewogen. Zonder dat zij zich daarvan bewust waren, vulden hun ogen zich met tranen. Lakshmana kon geen smart meer aanzien; hij gaf uiting aan zijn woede en bitterheid jegens hen die deze tragedie veroorzaakt hadden. Doch Rama, die besefte hoe toornig Lakshmana was, snoerde hem onmiddellijk de mond. Daarop wendde hij zich tot minister Sumanthra en sprak: 'Sumanthra! Lakshmana is nog maar een knaap; hecht geen waarde aan zijn woorden en breng ze niet over aan mijn vader. Lakshmana's geest moet zulke kwellingen doorstaan, daar hij een diepe genegenheid voor mij koestert en omdat de moeilijkheden waarin Sita verkeert hem zeer ter harte gaan. Hij gaf uiting aan deze emoties, omdat hij ingenomen is tegen degenen die mij naar het woud verbannen hebben. Van nature is Lakshmana gezegend met uitnemende karaktereigenschappen.' Rama gaf vervolgens een beschrijving van zijn broers deugden. 

Sumanthra hief zijn hoofd op en smeekte Rama om aan Sita's welzijn te denken. 'Heer! Janaki is teder en zachtmoedig van aard. Zij is niet opgewassen tegen de ontberingen van het leven in de wildernis. Er moet haar dringend worden aangeraden naar de hoofdstad terug te keren en zij moet worden overtuigd dat dit de juiste weg is. Zij is de levensadem van Ayodhya. Zij is de Welvaartsgodin van het rijk. Als zij niet naar Ayodhya terugkomt, zullen de inwoners van die stad moeten lijden als vissen in een drooggevallen waterbassin. Laat haar teruggaan en haar, naar eigen verkiezing, bij haar schoonmoeder of haar ouders wonen. De keizer heeft mij keer op keer bevolen U dit woordelijk te zeggen. Bij uw thuiskomst in Ayodhya, als de veertien jaar verstreken zijn, kan Janaki uit haar vaders paleis worden teruggehaald.' Terwijl Sumanthra aldus aandrong, gaf Rama Sita een teken alsof Hij haar aandacht wilde vestigen op Sumanthra's dringende smeekbeden. 

Toen Sumanthra was uitgesproken, richtte Rama zich tot Sita. 'Sita! Heb je vaders boodschap gehoord? Ga naar huis en doe mijn ouders althans gedeeltelijk de smart vergeten die zij gevoelen over mijn afwezigheid. Op hun hoge leeftijd zijn zij te zwak om deze vreselijke toestand te verduren. Het is daarom dringend geboden dat je met de minister naar Ayodhya terugkeert.' Rama voerde nog talrijke andere argumenten aan om haar te overreden het verzoek van zijn vader in te willigen. 

Sita antwoordde: 'Heer! U bent alwetend. U weet wat het voorgeschreven ideaal van moreel gedrag is voor elk deel der mensheid; ik hoef U daaraan niet te herinneren. Wees zo goed een ogenblik naar mijn bede te luisteren. Een schaduw kan niet anders doen dan het wezen of het ding te volgen dat de schaduw werpt. Kunnen die twee gescheiden worden? Zonnestralen kunnen zonder de zon niet bestaan. Het maanlicht kan niet van de maan afgezonderd worden. Op gelijke wijze kan deze Sita schaduw niet worden gescheiden van Ramachandra, de stralende maan van Rama, en toch voortbestaan.' 

Daarop richtte zij zich tot Sumanthra: 'Sumanthra! Ik gevoel dezelfde achting voor u als voor mijn vader en mijn schoonvader. U draagt mij een warm hart toe. lk bid u dit wel te bedenken: ik wens mij geen andere toevlucht dan de lotusvoeten van mijn Heer. Iedereen weet dat de schoondochter die wordt opgenomen in de familie nimmer dierbaarder kan zijn dan de zoon die in die familie geboren is. Dat zij hun pijn over de scheiding van hun zoon zouden vergeten als de schoondochter terugkeert, is een nietszeggende uitspraak. Wat betreft de rijkdom en het comfort in mijn vaders paleis, daarvan heb ik voldoende genoten in mijn kindertijd. Nu schijnen ze mij zo dor en waardeloos toe als gras, wanneer mijn Heer niet bij mij is. Er is voor mij geen ander pad dan het pad dat Hij betreedt. Begrijp mij dus niet verkeerd en ik bid u, leg u neer bij wat ik zojuist heb gezegd; laat uw pogingen varen om mij terug te brengen naar Ayodhya. Denk er niet meer aan. Breng mijn schoonouders mijn nederige huldebetuigingen over en verzeker hun dat zij zich over ons geen zorgen hoeven te maken. Zeg hun dat Sita gelukkig is, duizenden malen gelukkiger dan zij ooit was in Ayodhya of Mithila. Ik ben bij de Heer van mijn hart en bij die dappere held en grootste der krijgslieden, zijn broer Lakshmana; het is dus met grote blijdschap en zonder innerlijke onrust, vrees of bezorgdheid, dat ik mijn dagen in het woud doorbreng. Zeg hun dat de tocht mij niet in het minst vermoeit. Laat hun weten dat ik vol vreugde ben en deze verbanning beschouw als een buitengewoon groot geluk.' 

Terwijl hij naar Sita luisterde, werd Sumanthra zo overweldigd door bewondering en droefheid dat hij Sita niet in het gelaat kon zien; hij kon niet langer haar diepontroerende woorden aanhoren en wist zelf niet wat hij tegen haar zou moeten zeggen. Hij dacht aan haar deugden, haar zuivere gevoelens en haar standvastigheid, en hij betreurde het lot, dat Ayodhya beroofde van de aanwezigheid en het inspirerende voorbeeld van een vrouw met een dergelijk hoogstaand karakter. 

Hij sprak tot Rama: 'Rama! Als Sita bij U blijft, aanvaard dan een eerbiedig verzoek. Laat ook mij bij U in het woud blijven en laat mij U die veertien jaar mogen dienen.' Rama antwoordde: 'Sumanthra! U hebt grote kennis en ervaring met ons rechtsstelsel en de regels der zedenleer. U bent de minister van keizer Dasharatha en niet een minister onder mijn bewind. Hij was het die u gelastte terug te keren; hoe kan ik u dan toestaan hier te blijven? Afgezien daarvan zou het nog niet wenselijk zijn als u in de huidige situatie niet bij de keizer was; u bent immers zijn rechterhand. U moet uw eigen zielenvreugde niet voorop stellen en hem in de steek laten; ga heen, ga naar hem toe en talm niet langer. lndien u spoedig vertrekt, geeft u mij en mijn ouders met die daad veel troost en bemoediging.' Rama overreedde Sumanthra tenslotte om naar Ayodhya terug te keren, nadat hij allerlei andere argumenten en voorbeelden had aangevoerd. Sumanthra, die niet in staat was aan Rama's woorden weerstand te bieden, weende luid en wierp zich aan de voeten van Rama, Sita en Lakshmana. Met loodzware en aarzelende schreden wendde hij zich om; zijn geest zowel als zijn lichaam verzette zich tegen het afscheid. 

Rama nam Sumanthra's hand en ondersteunde hem terwijl hij naar de strijdwagen liep en plaats nam in het voertuig. Rama sprak op zachte, zoete toon tot Sumanthra en ook tot de paarden voor de wagen, teneinde ze te bewegen om te keren en op weg te gaan naar Ayodhya. 

Sumanthra zette het rijtuig in gang voor de terugkeer. De paarden aarzelden om op hun schreden terug te keren; zij bleven omkijken naar de plek waar Rama was achtergebleven. Zij verlangden ernaar bij Hem te blijven en waren niet van zins heen te gaan. Alle aansporingen ten spijt, kwamen zij nauwelijks van hun plaats. Zij protesteerden met deerniswekkend gehinnik; zo nu en dan stonden zij stil om reikhalzend een glimp van Rama op te vangen. 

Ook Sumanthra ondernam de terugtocht met diepe droefenis; hij wiste zich de tranen van de wangen en liet het hoofd hangen, alsof hij ongaarne zijn gelaat aan de mensen wilde tonen. Toen Guha merkte hoe het met Sumanthra gesteld was, werd hij zo overmand door verdriet, dat hij snikkend bij een boom steun zocht en zijn hoofd tegen de stam drukte. Nadat hij de bejaarde minister had heengezonden, begaf Rama zich met zijn vrouw en zijn broer naar de Ganges. 

Guha dacht bij zichzelf: 'Als zelfs stomme dieren een leven zonder Rama niet kunnen verdragen, hoe zullen zijn ouders dan niet lijden die Hem ter wereld hebben gebracht en met liefde en hoge verwachtingen hebben opgevoed; en wat te zeggen van de onderdanen van het keizerrijk, die Hem trouw en liefdevol hebben vereerd. Ach! Wie kan de smart peilen die het hart van koningin Kausalya verscheurt?' Verdriet schroeide Guha's ziel. Zijn blik viel weldra op Rama, Sita en Lakshmana die naar de Ganges toeliepen; hij spoedde zich naar hen toe. Toen hij zich realiseerde dat zij de rivier wilden oversteken, riep hij naar de veerman aan de overzijde, dat hij de boot naar de aanlegplaats moest roeien. Toen de veerman de stem van zijn meester hoorde, haastte hij zich om over te varen en was binnen enkele minuten op de plaats waar Rama stond te wachten. 

Guha nam de veerman terzijde en zei dat hij de boot schoon moest maken en moest zorgen dat deze waardig werd om de prins van Ayodhya, de zoon van keizer Dasharatha, zijn gemalin en zijn broer, over de Ganges te brengen, en hij vertelde dat zij op weg waren naar het woud, waar zij van plan waren enige jaren door te brengen. Van zijn Nishada-stamgenoten had de veerman het droevige verhaal gehoord over de verbanning van de rechtmatige troonopvolger, dus was hij zo snel mogelijk gekomen toen Guha hem riep. Hij werd evenwel door twijfel geplaagd; het was hem ter ore gekomen dat Rama zijn voet op een rots geplaatst had, waarop deze plotseling in een vrouw veranderd was. Betrof het toen dezelfde Rama, of was dit iemand anders? Dat was de vraag die de veerman aan Guha stelde. Guha sprak: 'Beste man, wat heb jij een uitstekend geheugen! Ik ben verheugd dat je je dat voorval uit een ver verleden nog herinnert en dat je bij mij ook weer die herinnering oproept!' Hij wendde zich tot Rama en sprak opgetogen: 'Rama! Luister! Deze man, mijn stamgenoot, heeft uw majesteit en heerlijkheid in zijn gedachten als een schat bewaard; hij heeft mij er thans weer aan herinnerd hoe U Ahalya, de vrouw van de wijze Gauthama, hebt bevrijd uit de rotsgestalte waarin zij door een vervloeking was veranderd. [Zie: Hoofdstuk 7b] Mijn onderdanen waren destijds zeer geschokt door de verschrikkelijke vloek die over deze vrouw was uitgesproken. En zij waren opgetogen van blijdschap toen zij vernamen dat uw goddelijke macht haar verlossing had gebracht. O, welk een groot geluk is mijn volk beschoren dat het zich van uw Goddelijkheid bewust is.' Met vreugde in het hart vertelde Guha hoe groot het vertrouwen en de toewijding waren van zijn veerman. 

Rama liep intussen naar de boot; de veerman ging voor hem staan met de handpalmen bijeen en sprak: 'Ramachandra! Alle jaren van mijn leven krijgen thans waarde door het grote geluk dat mij heden ten deel valt. De Rama van wie ik zo lang geleden voor het eerst heb gehoord, kan ik thans met eigen ogen aanschouwen. Dat ik U, uw gemalin en uw broer naar de overzijde van de Ganges mag roeien is de beloning voor de verdiensten die ik in vele vorige levens heb vergaard. Mag ik U om een zegen bidden: sta mij toe dat ik, voor ik U naar de overzijde breng, het water over mijn hoofd sprenkel dat geheiligd is doordat ik uw voeten ermee heb gewassen.' Guha had niet beseft dat zijn dienaar, de veerman, Rama met zoveel overgave was toegewijd. Hij was verbaasd over het verzoek dat deze zo nederig tot Rama had gericht; toch was hij overgelukkig dat de man om deze gunst gevraagd had. Hij sprak: 'Luister naar mij, broeder! Laat Rama eerst in de boot plaatsnemen, dan kun je zijn voeten wassen met het Gangeswater dat je in een kom hebt meegebracht; het is ongemanierd om ze te wassen terwijl Rama nog aan de oever staat.' Zo berispte Guha hem voor zijn eigenzinnigheid en onnozelheid. 

Doch de veerman legde zich niet bij Guha's woorden neer. Hij smeekte: 'Heer! U bezit enorme rijkdommen. Ik ben straatarm. Ik moet al het geld dat ik verdien met het overzetten van mensen bijeenschrapen om mijn gezin te onderhouden. Ik heb gemerkt dat mijn dagelijkse inkomsten zelfs niet toereikend zijn om mijn kleine gezin het nodige te verschaffen. Als ik zelfs deze inkomsten verlies, hoe kan ik dan gelukkig zijn? Ik bid U, begrijp mij niet verkeerd. Laat mij uw voeten wassen vÛÛr U in de boot stapt. 

Rama begreep welke gedachte ten grondslag lag aan het vreemde verzoek van de veerman; Hij glimlachte en wendde zich tot Sita, zeggend: 'Heb je gemerkt hoe bevreesd deze man is?' Het ontging Guha wat dit alles te beduiden had en waarom Rama had geglimlacht. Het gedrag van de veerman bevreemdde hem. Hij sprak: 'Hoor eens, veerman! Ik begrijp niet waarover je praat. Wat heeft het levensonderhoud van je gezin te maken met je huidige plicht - Rama naar de overzijde te roeien zodat Hij zich naar het woud kan begeven om er te wonen? Eis je meer geld van Rama voor deze taak die je kaste je oplegt? Als dat zo is, vertoon je slechts je hebzucht! Als je verdiensten niet voldoende zijn om je gezin te onderhouden, ben ik bereid, als hoofdman van dit gebied, je inkomsten aan te vullen. Verlang niet van Rama dat Hij je dat geeft. Ga aan de slag en maak de boot gereed.' Guha ontstak in toorn over de halsstarrigheid van de man. 

Hierop verklaarde de veerman dat hij had horen vertellen dat Rama's voeten een bijzondere kracht bezaten. Men zei dat, toen die voeten een rots aanraakten, deze in een vrouw veranderde. 'Mijn boot is samengesteld uit vele stukken hout. Als elk stuk in een vrouw veranderde, zou mijn Heer ze allen aan mijn zorg toevertrouwen; ze zijn immers voortgekomen uit delen van mijn boot! Hoe zou ik deze extra lasten kunnen dragen? Indien de voeten echter zijn gewassen vÛÛr Hij ermee in de boot stapt, heb ik niets te vrezen. Bovendien zullen mijn zonden verdwijnen als ik het waswater over mijn hoofd sprenkel. Wees daarom zo goed mijn wens in te willigen.' Guha verzonk in gedachten. Doch Rama riep de veerman bij zich en Hij sprak, met een glimlach die zijn gelaat deed oplichten: 'Beste man! Kom hier, was mijn voeten maar', en Hij plaatste zijn voeten in de handen van de veerman! Diens vreugde kende geen grenzen. Hij hield Rama's voeten in zijn handen en waste ze zeer liefdevol en zorgvuldig, ook tussen de tenen, met het heilige water van de Ganges. Toen sprenkelde hij het waswater op zijn eigen hoofd en over alle delen van de boot, om boze krachten af te weren. Hij was intens verheugd over het welslagen van zijn plan. 

De veerman hield Rama's hand vast toen deze aan boord ging. Rama hielp Sita bij het instappen en nam haar hand stevig in de zijne. Hij liet Lakshmana naast zich plaatsnemen op een van de dwarsplanken. Zij spraken met elkaar over de toewijding en de kinderlijke onschuld van de veerman en genoten van de deining van de boot op het water. Zij onderhielden zich met Guha over allerlei onderwerpen en daarbij verging de tijd zo snel, dat zij de overkant bereikten voor zij het wisten. Rama deed alsof Hij zich schaamde toen Hij ontdekte dat Hij de veerman, in plaats van de vergoeding die Hij hem schuldig was, zelfs geen kauri-schelp kon aanbieden. Sita wist intuïtief welke gevoelens er omgingen in het hart van haar Heer. Zij nam een ring van haar vinger en gaf die aan Rama. Rama riep de veerman bij zich en sprak: 'Ziehier, veerman, dit is uw loon. Neem het gerust aan.' De veerman wierp zich aan Rama's voeten en riep uit: 'O, Rama! Vandaag heb ik de grootste aller gaven ontvangen. Al mijn zonden zijn met een slag verpulverd. Ik ben verlost van de vreselijke vloek van geboorte en dood. De kwellingen die ik gedurende vele levens op aarde heb moeten verduren, werpen thans hun vruchten af; mijn God heeft mij gezegend. Door deze zegen zijn mijn voorvaderen en mijn nageslacht van de zonde bevrijd. Heer! Het is mij genoeg als ik uw zegen ontvang en die ook waardig ben. En wanneer U terugkeert, O Heer, komt U dan langs deze weg en geef mij de kans U nogmaals deze dienst te bewijzen. Dit is de beloning waaraan ik in dit leven de meeste waarde hecht.' Hij wierp zich ter aarde voor Rama en de tranen stroomden hem over de wangen. 

Rama en Lakshmana spraken de veerman bemoedigend toe en poogden zijn vervoering enigszins te temperen. Zij trachtten hem over te halen het geschenk aan te nemen. Doch de veerman protesteerde en sprak: 'Als ik mij laat betalen om U naar de overkant van deze kleine rivier te brengen, zeg mij dan hoeveel loon U ontvangt om generatie na generatie van mijn geslacht en miljoenen van mijn medemensen naar de overzijde te brengen van de enorme uitgestrektheid der vreeswekkende oceaan van samsara, die alle stervelingen meesleept in de snelle stroom der veranderingen. Ik ben van gelukzaligheid vervuld door deze kans; ik smeek u, versterk mijn banden met de wereld niet door mij te dwingen loon aan te nemen voor de gelukkige kans die het lot mij toebedeelde.' Deze woorden beroerden Rama's hart; hij wist dat het niet goed zou zijn verder aan te dringen. Hij zegende de veerman rijkelijk en liet hem gaan. 

Rama en Lakshmana legden hun pijl en boog op hun kleren, die op de oever lagen en liepen de rivier in om te baden. Toen zij daarmee gereed waren, daalde ook Sita af in de heilige rivier. Na haar rituele wassing bad zij tot Ganga en beloofde zij plechtig dat zij zou terugkeren na veertien gelukkige jaren met haar Heer; zij zou dan, uit dankbaarheid voor de beëindiging van de jaren van ballingschap het heilige water op haar hoofd sprenkelen. 

Rama riep Guha bij zich en sprak: 'Beste vriend! Ik heb reeds te veel van uw tijd voor mijzelf gevergd. Nu moet u naar uw stad terugkeren.' Toen hem dit bevel in de oren klonk, betrok Guha's gelaat. De tranen stroomden hem over de wangen. Met smekend opgeheven handen sprak hij: 'Rama. Wees zo goed mij aan te horen. Ik zal enige tijd bij U in het woud blijven; ik ken alle paden in de wildernis en kan U nuttige wenken geven. Ik wil U zo gaarne op deze wijze dienen. Ik bid U, zeg geen nee.' Rama was blij met Guha's liefde en toewijding en nam hem met zich mee. Na enige tijd gelopen te hebben, rustten zij tegen het vallen van de avond een poosje uit in de schaduw van een grote, wijdvertakte boom. 

Guha en Lakshmana beijverden zich haastig om de plek waar Rama en Sita wilden rusten vrij te maken. Het leek alsof de vruchten aan die boom niets liever wilden dan zich te laten vallen om de goddelijke bezoekers van dienst te zijn; zij bloosden van opwinding en vreugde. Guha en Lakshmana raapten de vruchten op en zetten deze op grote bladeren voor Sita en Rama. Doch Rama vroeg aan zijn broer: 'Lakshmana, kunnen wij deze vruchten eten zonder eerst de avondrituelen volvoerd te hebben?' Dus begaven zij zich naar het nabije Prayag, naar de plaats waar de heilige rivieren samenvloeien; zij aanschouwden deze eerbiedig vÛÛr zij hun bad namen. Toen zij van de rivier terugkeerden beschreef Rama hun de glorie en grootsheid van deze plek. Hij zei dat de uitwerking van het water op de plaats waar de drie heilige rivieren samenvloeien zo krachtig is, dat het de mens kan reinigen van alle zonden die zijn geest bezoedelen.


Hoofdstuk 15: Bij de kluizenaars

Zo geschiedde het dat Rama, samen met Sita, de hermitage van Bharadvaja betrad, vergezeld van Lakshmana en Guha. De wijze verscheen in de deuropening en liep hen ter verwelkoming tegemoet, alsof hij vele jaren had gewacht op de zegen van Rama's darshan. Zodra Rama de wijze was genaderd, wierp Hij zich voor hem ter aarde; toen Bharadvaja Hem daarop liefdevol omarmde en Hem uitnodigde zijn kluizenaarsverblijf binnen te gaan, voldeed Hij met grote vreugde aan dit verzoek. De wijze liet hen plaatsnemen op de zitmatten die hij, voor ieder overeenkomstig zijn status, had uitgespreid. 

Bharadvaja informeerde naar ieders welzijn en verklaarde dat op deze dag zijn hartewens in vervulling was gegaan. Hij vroeg zijn leerlingen om vruchten en wortels te brengen; hij zette ze zijn gasten voor en noodde hen ervan te eten. Zij overnachtten allen in deze hermitage en maakten dankbaar gebruik van het dienstbetoon en de gastvrijheid van de wijze. 

Bij het aanbreken van de dag begaf Rama zich naar Prayag, waar de drie rivieren samenvloeien, en verzocht de wijze hem gezelschap te houden. Bharadvaja sprak: 'Hoor mij aan, Heer! Ik heb deze heilige plek uitgekozen om in afzondering een ascetische levenswijze te volgen, omdat ik wist dat ik hier het goddelijke visioen zou krijgen waarnaar ik jarenlang heb verlangd. Om de gelukzaligheid van uw darshan te verwerven heb ik heilige geloften afgelegd en vedische offers en rituelen volvoerd. Ik verzonk volkomen in het reciteren van Gods namen en in het mediteren op de goddelijke gestalte, opdat ik beloond zou worden met de kans om met U te spreken. Het was mij vergund u alle drie te aanschouwen en uw zegen te ontvangen. Meer verlang ik niet. Ik zal mij niet langer bekommeren om rituele baden of om voedsel. Ik wens niet beschouwd te worden als de dwaas die medicijnen bleef slikken, hoewel hij van zijn ziekte genezen was. Ik ben thans verlost van de meedogenloze kwaal van geboorte-en-dood. Ik heb God gezien.' 

Guha, die zag dat hij volkomen in vervoering raakte en dat de tranen hem over de wangen stroomden, werd door verbazing overmand. Hij zei bij zichzelf: 'O! Welk een groot geluk heeft het lot mij toebedeeld!' Hij werd door opperste vreugde overweldigd. Rama toonde zijn Goddelijkheid niet, maar deed alsof Hij een man was met gewone menselijke eigenschappen. Terwijl de wijze Bharadvaja opgetogen het Rama-principe uiteenzette, hoorde Rama het hele verhaal aan alsof het betrekking had op iemand anders die Rama heette en niet op Hemzelf! Hij antwoordde: 'O grootste onder de wijzen! Allen die uw gastvrijheid genieten zijn alleen al om die reden waardig om aanbeden te worden. Zulke personen zijn allen vol deugd en wijsheid.' De leerlingen, asceten, wijzen en monniken van de ashram die de woorden van Bharadvaja en die van Rama hoorden verbaasden zich zeer en werden vervuld van blijdschap. 

Na de rituele wassing in Prayag verlieten Rama, Sita, Lakshmana en Guha de hermitage en zetten zij de tocht voort, dieper het woud in. Bharadvaja volgde hen tot aan de rivieroever. Daar nam hij met een liefdevolle omhelzing afscheid van Rama en wenste allen een voorspoedige reis. Rama bad om Bharadvaja's zegen en sprak: 'Meester! Zeg ons welke richting wij het beste kunnen kiezen.' De wijze antwoordde glimlachend: 'Heer! Er is toch in alle werelden geen pad dat U niet kent? In het ascetenkleed dat U draagt, speelt U de rol van een gewone sterveling. Welnu, aangezien U mij iets hebt gevraagd, is het mijn plicht U naar beste weten te antwoorden.' Hierop riep hij vier van zijn leerlingen bij zich en zond hen mee met Rama, om Hem het pad te wijzen dat naar de volgende ashram voerde. De jongens waren zeer verheugd dat hun de eer te beurt viel een eindweegs met Rama te reizen. Zij ervoeren het als een geschenk dat zij in vorige levens hadden verdiend. Zij liepen voorop om de weg te wijzen en werden gevolgd door Rama, Sita, Lakshmana en Guha. Aan de oever van de rivier de Yamuna namen zij afscheid van Rama en keerden zij terug, ofschoon zij daartoe niet de geringste lust hadden. Sita, Rama en Lakshmana waren zeer ingenomen met de wijze waarop de leerlingen hen hadden geholpen; zij zegenden de jongens van ganser harte en lieten hen vertrekken. Daarna maakten zij zich gereed voor het rituele bad in de heilige Yamuna. Intussen hadden de inwoners van de dorpen langs de rivier de bezoekers opgemerkt die zulk een buitengewone aantrekkingskracht en grootsheid bezaten; zij schaarden zich rond het gezelschap en vroegen zich af wie zij waren, waar zij vandaan kwamen en hoe zij heetten. Zij waren te verlegen om iets te durven vragen. Zij spraken fluisterend met elkaar. 

Sita, Rama en Lakshmana voltooiden hun rituele wassing zonder aandacht aan hen te schenken en toen zij weer op de oever stonden riep Rama Guha bij zich, zeggend: 'Mijn beste! Het is alweer lang geleden dat je je bij ons gevoegd hebt; het is niet juist dat je zoveel tijd bij ons doorbrengt. Je moet aan je plichten tegenover je onderdanen voldoen. Ga nu terug naar huis; daar wacht je taak.' Daarop gaf Hij Guha verlof om te vertrekken. Deze voelde zich hulpeloos en vond geen weerwoord. 'Zou er iemand afstand kunnen doen van een door hem verkregen kleinood dat al zijn wensen vervult? Toch word ik, ongelukkige, daartoe gedwongen!', weeklaagde hij. Hij moest Rama's bevel eerbiedigen, dus boog hij diep voor Sita, Rama en Lakshmana en strooide het stof dat door hun voeten betreden was over zijn hoofd. Toen verwijderde hij zich, met grote tegenzin. 

Kort nadat Guha hen had verlaten, hervatte het drietal de tocht. Het duurde niet lang of zij zagen een stad voor zich liggen die hun nog lichter en stralender toescheen dan de hoofdstad der Naga's, een yolk van halfgoden. Toen zij het licht naderden, vroegen zij zich af hoe de stad heette. Hoe dichter zij bij de plaats kwamen, hoe meer de grandeur en de charme van de stad en haar omgeving hen verrukte. Toen zij dichterbij gekomen waren, namen zij aan dat het Amaravathi was, de stad der Goden, en hun blijdschap nam nog toe. Zij kregen de indruk dat de bewoners vast en zeker Goden waren. Zij zetien zich neer in de koele schaduw van een boom en bewonderden zijn verheven pracht. De mensen kwamen om hen heen staan, zich afvragend of het bezoekers uit de 'hemel' waren en wellicht de onsterfelijken in eigen persoon. Zij repten zich de stad in en verspreidden het goede nieuws dat er goddelijke wezens naar hen onderweg waren die groot geluk zouden brengen. Iedereen die het nieuws gehoord had, haastte zich naar de bezoekers toe en zij wedijverden met elkaar om voor hen te mogen zorgen. Sommigen zetten melk voor hen neer, anderen brachten hun vruchten, en allen staarden zij het gezelschap met grote ogen aan! Niemand wilde van hen scheiden en naar huis terugkeren. Ze bleven staan en dachten er niet aan om weg te gaan. 

Eèn van hen, die wat stoutmoediger was dan de rest, trad naar voren en sprak: 'Hooggeachte heren! Uit uw bekoorlijkheid en uw indrukwekkende persoonlijkheid maken wij op dat u prinsen van den bloede bent. Toch trekt u te voet - en nog wel met deze jonge vrouw - langs deze ruwe paden door de wildernis. Uw weg voert over bergen en langs dalen; u steekt rivieren over en bent geharde reizigers die alle gevaren van zulk een tocht trotseren. We moeten daaruit dus concluderen dat u, net als wij, gewone burgers bent. We kunnen niet begrijpen hoe u erin bent geslaagd door dit woud te reizen, waar leeuwen zo talrijk zijn en waar kudden wilde olifanten rondzwerven. Bovendien hebt u deze jonge vrouw bij u, die de belichaming is van alles wat liefelijk en schoon is. Hebt u geen naaste of verre verwanten, geen vrienden of metgezellen die zich om uw lot bekommeren? Ais die er wel waren, dan hadden ze u er beslist van weerhouden deze reis te ondememen.' Hij vroeg naar de aard en het doel van de tocht en stelde Rama nag enkele andere vragen. 

Er was intussen een vrouw uit de menigte naar voren gekomen die Rama aldus aansprak: 'O prins! Ik heb een verzoek aan u. Ik als vrouw durf u mijn vraag nauwelijks voor te leggen. Vergeef mij mijn vermetelheid. Wij zijn maar gewone mensen die niet gewend zijn zich met mooie woorden uit te drukken. Uw bekoorlijke gestalte weerspiegelt een schittering als van goud en smaragd; die lijkt wel de bron te zijn van uw stralende verschijning. Eèn van u heeft de gelaatskleur van een regenwolk, terwijl de ander een prachtige blanke huid heeft. Beiden bent u zo betoverend als duizenden liefdesgoden, in menselijke vorm gegoten. Nogmaals, wij kennen de verwantschap niet tussen u en deze aanvallige jonge vrouw. Zij heeft de verfijnde lieflijkheid van Rati Devi, de Godin der liefde. Als wij zien hoe bescheiden en zedig zij van nature is, en daarbij ook bekoorlijk, schamen wij vrouwen ons. Wees zo goed ons te zeggen wie u bent en met welk doel u hierheen bent gekomen.' 

De geestdrift en vreugde onder de mensen en de vragen die op hen afgevuurd werden, deden Rama en Lakshmana geamuseerd glimlachen. Op dat ogenblik wendde Sita zich tot de vrouwen en sprak: 'Zusters! Deze eenvoudige, oprechte persoon met de gouden gelaatskleur is Lakshmana. Hij is de jongere broer van mijn Heer. En wat betreft de persoon met de donkere huidskleur met de blauwe gloed en met de lange, sterke boogschuttersarmen, wiens lotusogen de werelden in vervoering brengen,' - hierbij draaide zij zich om naar Rama, - 'dat is mijn Heer, mijn levensadem.' Na deze woorden boog zij haar hoofd en keek naar de grond. Nauwelijks was zij uitgesproken of een jong meisje merkte op: 'Moeder! U hebt ons nog niet verteld wie u bent!' 

Sita antwoordde prompt: Ik heet Sita en men kent mij als Janaki, de dochter van Janaka.' Met gevoelens van verbazing en bewondering keken de vrouwen elkaar aan en spraken toen eenstemmig vele zegenwensen over Sita uit, zeggend: 'Moge u een even gelukkig paar zijn als de God Shiva en de Godin Parvati en moge uw levens verenigd zijn in harmonie en voortdurende vreugde, zolang als de zon en de maan aan de hemel staan en zolang als de aarde rust op het schild van de slang Adishesha.' 

Rama sprak de mannen toe en deelde hun mee dat zij gekomen waren om de grootsheid en de pracht van de wouden te beleven, dat hun tocht tot dusverre zeer comfortabel en nuttig was geweest en dat er geen sprake was van enige vermoeidheid of ongemak. Hij vroeg hun toestemming om te vertrekken, waarna zij gedrieën weer op weg gingen naar het oerwoud. Omdat hun niets anders overbleef, repten de mannen en vrouwen zich terug naar huis. Onderweg spraken Sita, Rama en Lakshmana met elkaar over de stedelingen en over de vragen die zij gesteld hadden, over de genegenheid die zij hadden getoond en de vreugde die hun ogen had doen schitteren. Ineens merkte Rama tekenen van vermoeidheid op in Sita's gelaat, dus stelde hij voor een wijle te rusten onder een lommerrijke boom. Dichtbij stroomde een koele, brede rivier. Lakshmana waagde zich het woud in en vond weldra vruchten en knollen, die ze bij hun terugkeer alle drie met smaak verorberden. Blij en tevreden brachten zij onder de boom de nacht door. 

Zij ontwaakten bij het krieken van de dag en na hun ochtendrituelen te hebben voltooid begonnen zij aan de volgende etappe van hun tocht. Na korte tijd waren zij tot diep in het ontzagwekkende oerwoud doorgedrongen. De hoog oprijzende boomtoppen, de angstaanjagende wirwar van takken en twijgen en het oorverdovende gebulder van de gezwollen rivieren wekten bij hen gevoelens op van ontzag en geheimnis. 

Middenin de wildernis stuitten zij op een door mensenhanden aangelegde en onderhouden tuin, met daarin een allerbekoorlijkst kluizenaarsverblijf. Zij bevonden zich in de ashram van de wijze Valmiki. Aan èèn zijde van de hermitage verrezen de klippen van een hoge berg en aan de andere kant stroomde door een diep dal, ver beneden hen, een ruisende beek. Het kluizenaarsverblijf was een toonbeeld van schoonheid, dat als een glanzende parel op het groene tapijt lag. Sita voelde zich bij de aanblik van de schilderachtige omgeving verkwikt en vertroost. 

Toen hij van zijn leerlingen vernam dat de drie bezoekers de tuin waren binnengekomen, kwam Valmiki uit zijn verblijf te voorschijn en verscheen in de deuropening. Sita, Rama en Lakshmana liepen snel op de wijze toe en wierpen zich aan diens voeten. Valmiki verwelkomde hen met een tedere omhelzing, alsof hij hen al heel lang kende en vroeg hun binnen te komen. De wijze zorgde voor comfortabele zitplaatsen voor Rama, die hij liefhad als zijn levensadem, en voor Sita en Lakshmana; hij liet vruchten en eetbare knolgewassen brengen en zette deze aan zijn gasten voor. Tot Valmiki's voldoening aten zij ervan en lieten blijken dat het hun smaakte. De wijze zat tegenover hen en laafde zijn dorstige ogen aan Rama's verschijning. Hij was vervuld van onuitsprekelijke gelukzaligheid. 

Met diepe nederigheid richtte Rama zich tot de grote ziener: 'Zeer geëerde meester! U bent vertrouwd met het verleden, het heden en de toekomst van ons allen; de reden van mijn komst naar het oerwoud zal u derhalve zo duidelijk zijn als de palm van uw hand. Ik beschouw het niettemin als mijn plicht u te vertellen waarom ik hier ben, met mijn vrouw en mijn broer.' Daarop beschreef Rama hoe koningin Kaikeyi hem naar het woud verbannen had en hoe zijn broer Bharata was gekroond tot heerser van het koninkrijk, overeenkomstig de door zijn vader gedane belofte. 

Terwijl Valmiki naar Rama's relaas luisterde, verried de stralende glimlach op zijn gelaat zijn grote blijdschap. Hij sprak: 'Rama! Zoals U destijds de wens en van koningin Kaikeyi en van uw vader hebt vervuld, zo hebt U vandaag mijn diepste verlangen bevredigd. Mijn ascese, mijn geloften en mijn smachtend verlangen hebben thans hun vruchten afgeworpen. Ik zal aan Kaikeyi mijn oprechte dank overbrengen en haar laten delen in de gelukzaligheid die ik nu mag ervaren.' 

Hierna zweeg Valmiki geruime tijd; hij hield de ogen gesloten, en trachtte de gevoelens van dankbaarheid en vreugde die in hem opwelden, meester te worden. Valmiki's ogen schoten vol tranen; het waren tranen van gelukzaligheid (ananda), tranen die weldra in grote druppels over zijn wangen rolden. 

Rama verbrak de stilte, zeggend: 'We zullen wonen op de plaats die u ons aanwijst. Laat ons naar een plaats gaan waar wij niemand tot last zijn en waar wij andere asceten en hermitages geen hinder veroorzaken. Zeg ons wat u ons aanraadt. Op die plek zullen wij een loofhut bouwen en enige tijd verblijven.' 

Deze woorden, komend uit een zuiver, oprecht hart, ontroerden Valmiki. Ten antwoord sprak hij: 'O Rama! Ik word nu waarlijk gezegend. U bent als het vaandel dat de glorie van de Raghu-dynastie verkondigt. Wat doet U zo spreken? Uzelf vertegenwoordigt de kracht die ons leidt naar het pad dat ons in de Veda's wordt gewezen; U bent de macht die de zoeker op dat pad voor onheil behoedt. Sita is de misleidende wederhelft van uw persoonlijkheid, uw maya. Zij schept, onderhoudt en vernietigt, naar uw wil, de ene wens na de andere. Lakshmana is de grondslag van alles wat beweeglijk en onbeweeglijk is, de duizendkoppige slang, de eerste shesha-naga, die het universum op zijn schilden draagt. [Zie ook Srimad Bhagavatam: De Heerlijkheid van Heer Ananta] U hebt de menselijke vorm aangenomen teneinde de wens der Goden te verwezenlijken dat de rechtschapenheid in de wereld hersteld wordt. Ik ben ervan overtuigd dat U weldra de demonische krachten in alle harten zult vernietigen. U zult de goeden en barmhartigen beschermen. Rama! U bent de eeuwige getuige van het drama dat 'de wereld' heet. Het universum is het 'geziene'; U bent de getuige. Zelfs de Goden kunnen uw werkelijkheid en uw glorie niet peilen. Hoe zouden gewone stervelingen dan uw mysterie kunnen doorgronden? Slechts degenen die uw genade ontvangen en wijsheid verwerven, kunnen beweren dat zij iets van uw waarheid en majesteit weten. U hebt deze menselijke gedaante aangenomen teneinde de vrede en de veiligheid te bevorderen van alle goede mensen en van de Goden; bijgevolg spreekt en handelt U als èèn van ons. Alleen dwazen laten zich hierdoor misleiden en geloven dat U mens bent onder de mensen! Wij zijn allen marionetten, die hun spel spelen onder uw regie, want U bent degene die aan de touwtjes trekt. Wie zijn wij dat wij U zouden zeggen hoe U moet handelen of waar U zou moeten verblijven? Rama! Probeert U om ons asceten met uw woorden om de tuin te leiden? O, hoe wonderbaarlijk is het toneelstuk dat U opvoert en hoe realistisch uw spel! Zou ik niet weten dat U de regisseur bent van dit kosmische drama? Ik begrijp niet waarom U mij vraagt een plek in het woud uit te zoeken waar U enige tijd kunt doorbrengen. Welke plaats zou ik kunnen uitkiezen en aanbevelen? Is er soms in het ganse universum èèn plek waar U niet reeds bent? Geef mij een antwoord op deze vraag en daarna zal ik de plaats aanwijzen waarheen U kunt gaan en waar U kunt blijven.' Zo sprak Valmiki, terwijl hij naar Rama's bekoorlijke gelaat keek; zo groot was zijn vervoering dat de woorden hem op de lippen bestierven. 

Rama lachte inwendig toen Hij de eerbiedwaardige ziener aanhoorde. Valmiki hervatte zijn betoog op zachte, zoete toon en een glimlach verlichtte zijn stralend gelaat: 'Rama! Ik weet dat U in werkelijkheid zetelt in het hart van uw toegewijden. Nu zal ik U zeggen waar U in uw menselijke vorm het beste kunt verblijven. Luister. U kunt hier uw intrek nemen, in deze ashram, met Sita en Lakshmana. Kies degenen uit wier oren de stroom van verhalen over uw heldendaden verwelkomen, zoals de oceaan de toestromende wateren in zich opneemt, en die zich immer verheugen in het luisteren naar het relaas van uw goddelijke daden en woorden. Kies hen wier tong gedurig uw naam herhaalt, de naam die zoet is als nectar. Kies hen wier keel uw lof zingt en niets liever doet dan uw zoete en verkwikkende woorden citeren. Kies hen wier ogen vurig verlangen uw vorm te aanschouwen die donkerblauw gekleurd is als een regenwolk, zoals een mus smacht naar de eerste wolkbreuk. Kies allen wier niet-aflatende verlangen het is U te vinden, waar dan ook. Verheug U wanneer U dergelijke toegewijden hebt gevonden. O Rama! Ga dan daar wonen, met Sita en Lakshmana. Rama! Als U wilt dat ik nog verder hierover uitweid, hoor mij aan: verblijf in het hart van de mens die voorbijziet aan het kwaad in anderen en hen liefheeft om al het goede dat zij in zich hebben, die het levenspad bewandelt van deugdzaamheid en reinheid, en die zich houdt aan de erkende normen van zedelijk gedrag en wiens gedachten, woorden en daden steunen op zijn geloof dat het universum uw schepping is en de ganse stoffelijke wereld uw lichaam. 

Aangezien U nu deze menselijke gedaante hebt aangenomen en U hierheen bent gekomen teneinde de bevelen van uw vader en moeder op te volgen en mij in die rol om raad hebt gevraagd, zal ik het toch wagen uw vraag te beantwoorden, alsof U werkelijk de persoon bent die U speelt. U zoudt zich op de Chitrakuta-heuvel kunnen vestigen. Deze voldoet aan alle voorwaarden voor een aangenaam verblijf. Het is een heilige plaats in een liefelijke omgeving. De sfeer ademt liefde en vrede. Leeuwen en olifanten leven daar samen zonder een spoor van vijandschap. Rondom de heuvel stroomt de rivier de Mandakini, die in de Veda's verheerlijkt wordt. Wijze mannen zoals Atri wonen daar in ashrams die U kunt bezoeken en door uw bezoek zult heiligen. Laat uw zegen nederdalen op die wonderschone plek en op die geliefde, heilige rivier.' 

Zodra Valmiki deze goede raad had gegeven, stemde Rama erin toe daar zijn verblijfplaats te kiezen. Nadat de wijze ingestemd had met zijn vertrek, hervatte Rama zijn tocht met Sita en Lakshmana. Na korte tijd bereikten zij de rivier de Mandakini; zij waren gelukkig zich in het heilige water te mogen baden en er de voorgeschreven ceremoniële riten te kunnen volvoeren. Zij rustten een poosje uit onder een lommerrijke boom en aten enige vruchten, waarna zij verder liepen over het gras, vol bewondering voor het groen en het landschap. 

Toen sprak Rama deze woorden tot Lakshmana: 'Lakshmana! Ik weet niet welke plek nu het meest geschikt is om een hut van bladeren en bamboe op te zetten; ik kan moeilijk beoordelen welke plaats goed is en welke niet, dus kies jij maar en beslis waar wij zullen wonen.' 

Zodra Lakshmana dit hoorde, zakte hij ineen aan Rama's voeten. Hij was zichtbaar pijnlijk getroffen. 'Wat heb ik misdaan, dat U op deze wijze tot mij spreekt? Is dit de straf voor een zonde die ik heb begaan? Of stelt U mijn persoon en mijn karakter op de proef? Of is dit een grap en houdt U mij voor de gek?', vroeg hij. Hij was diep bedroefd en boog zijn hoofd uit angst en vrees. 

Rama was verbaasd over deze reactie. Hij liep op Lakshmana toe en drukte hem tegen zijn borst. 'Broeder! Waardoor ben je ineens zo bedroefd? Het is mij een raadsel Waarom je zo overmand bent door verdriet', sprak Hij. 'Vertel het mij', smeekte Hij, 'zeg me wat eraan schort en laat mij niet langer in onzekerheid; maak een eind aan mijn pijn en verbazing.' 

Lakshmana gaf onmiddellijk ten antwoord: 'Broeder! Ik heb mij geheel en al aan U overgegeven. Ik heb geen gevoelens van voorkeur of afkeer. Wat U behaagt, behaagt alleen al om die reden ook mij. U weet dat dit waar is. Niettemin vraagt U me nu een plek te kiezen die mij goeddunkt en daar een hut voor U te bouwen! Ik was tot in mijn ziel geschokt toen U mij zei mijn wil te laten gelden. Zeg me waar de hut moet staan en ik zal ervoor zorgen. Wees barmhartig en spreek niet in deze trant tegen mij. Geef me uw zegen door alles van mij te aanvaarden wat ik aan uw voeten leg: mijn wil, mijn intelligentie, mijn gedachten, mijn zintuigen, mijn lichaam, alles zonder uitzondering en zonder enige terughoudendheid. Ik ben uw dienaar, die U volgt en die hoopt op een kans U te mogen dienen. Maak van mijn diensten gebruik. Beveel mij en ik zal uw bevelen gehoorzamen en prompt uitvoeren.' 

Toen Lakshmana zo oprecht bad en smeekte, troostte Rama hem en stelde hem gerust. 'Lakshmana', sprak Hij, 'waarom breek je je hoofd over deze kleinigheid? Trek het je toch niet zo aan. Ik heb je die opdracht zonder vooropgezette bedoeling gegeven. Ik ben mij er terdege van bewust hoe hecht de band is die ons bindt. Welnu, ga met me mee. Het is al goed, ik zal zelf een plek uitzoeken.' Met Sita naast zich en gevolgd door Lakshmana, sloeg Rama het bospad in; niet lang daarna kwam de noordelijke oever van de Mandakini in zicht. Dat gedeelte van de oever was gevormd als een boog, die leek te worden vastgehouden door de berg Chitrakuta, die erachter stond als een vastberaden held. Men kreeg de indruk dat de pijlen die vanaf die plaats ieder moment afgeschoten konden worden, elk hun eigen functie hadden: Beheersing der zintuigen en gedachten, naastenliefde, onthechting enzovoort, en dat het doel dat zij moesten vernietigen de horde der zonden was. Aldus beschreef Rama de plaats die zij voor zich zagen en Hij voegde daaraan toe: 'Deze held zal zich niet aan de strijd onttrekken!' Hij bepaalde voorts dat de hut op deze betoverende plek gebouwd moest worden. 

Lakshmana vroeg Rama en Sita wat uit te rusten onder een boom en ging op weg om alles wat hij nodig had om een hut te bouwen bijeen te zoeken: bamboestokken, bladeren, lianen en vezels van boomschors om touw van te vlechten. Om een hut te maken, die groot genoeg was voor drie personen, moest hij kuilen graven en lange stokken in de grond zetten. Hij werkte snel door om het bouwsel tijdig te voltooien. Toen Rama en Sita na een korte rustperiode opstonden van hun schaduwplekje, zagen zij de hut voor hun ogen verrijzen; hij zag er fraai uit en zou hun zeker een in alle opzichten aangenaam onderkomen verschaffen. Rama vond dat Hij Lakshmana bij zijn werk moest helpen en toen Hij dus zijn broer bezig zag de laatste hand aan het dak te leggen, gaf Hij hem stukken touw aan die op de grond lagen, om er de bossen droog gras mee vast te binden aan de horizontale stokken en om zodoende de afdekking dichter en steviger te maken. Ook Sita wilde niet achterblijven; zij plukte de langwerpige bladeren van de boomtakken die Lakshmana had meegebracht en gaf deze in kleine bundels aan Rama, die ze weer doorgaf aan Lakshmana. 

Nog vÛÛr de avond viel, kon het huis worden betrokken. Rama keek voortdurend naar hun keurige kleine woning en sprak tot Sita vol lof over de toewijding en de kundigheid van zijn broer. Sita had eveneens grote bewondering voor de hut en zei dat zij nimmer een woning had gezien die zo bekoorlijk was. Het was precies het soort verblijf dat zij zich sinds lange tijd vurig gewenst had. Zij vertrouwde Rama toe dat een lang gekoesterde wens die dag in vervulling was gegaan. 

Lakshmana was intussen van het dak af gekomen en liep nu rond de hut om te zien of er nog iets aan ontbrak. Toen alles in orde bleek, vroeg hij Rama verlof om naar de Mandakini te gaan om te baden. Kort daarop gingen Sita en Rama eveneens naar de rivier en baadden zich. Bij hun terugkomst aten zij van de vruchten die Lakshmana die morgen geplukt had. Weldra waren zij diep in slaap op de vloer van hun nieuwe huis. 

De volgende dag was nog niet voorbij, of het nieuws dat Sita, Rama en Lakshmana zich op de Chitrakuta-heuvel hadden gevestigd, had zich reeds verspreid onder de asceten in het woud; zij kwamen in groepen, met hun leerlingen en metgezellen, naar de heilige plaats om hen te aanschouwen en hun zegen te ontvangen. Aleer zij weer terugkeerden naar hun ashrams, spraken zij met Rama; deze informeerde naar hun gezondheid en hun vorderingen op het spirituele pad, en tevens wilde Hij weten met welke problemen zij te kampen hadden. Rama verzekerde hun dat, mochten zij zijn hulp nodig hebben, Hij hen, samen met zijn broer, met raad en daad zou bijstaan. 

Er was evenwel geen sprake van enigerlei ongerief of van moeilijkheden. Zij zeiden: 'Rama! Het feit dat onze ogen U hebben mogen aanschouwen is voldoende om ons leven vrij te maken van zorgen. Wij hebben geen problemen en zullen die ook niet krijgen, want uw genade is voor ons afdoende bescherming.' Stil van verwondering en ontzag keken zij naar Rama's bekoorlijke en stralende verschijning. Rama was verheugd over bet bezoek van de asceten en bejegende hen met liefdevol respect. Door Rama te zien en in zijn nabijheid te zijn werd het hunkerend hart der asceten verkwikt. Die aanblik schonk hun troost en bemoediging, zodat er een serene rust op hen neerdaalde. 

Rama is boven alles liefde. Hij maakte elk der woudbewoners gelukkig. Hij sprak met hen en laafde de dorst naar liefde die hen kwelde. Zij die tot Hem kwamen, of het nu asceten of jagers waren, ieder voor zich ontving van Rama de aanwijzingen die pasten bij zijn ambities en idealen. Door zijn raadgevingen en zijn liefdevolle begrip bracht Rama hun bezigheden op een hoger plan. Degenen die bij Hem waren geweest, spraken op de terugweg met elkaar over zijn deugden en zijn mededogen; weer thuis gekomen zongen zij Rama's lof en prezen zichzelf gelukkig. Vanaf de dag dat zij de hut hadden betreden, straalde het woud dat zij zich tot woonplaats hadden gekozen met nieuwe pracht en ademde het een nieuwe vreugde. Het verblijf was een lust voor het oog en was doortrokken van een weldadige rust die de geest in vervoering bracht. De gemeenschappen der asceten die in het woud woonden, werden verlost van alle vrees en bezorgdheid; zij leefden daarentegen in voortdurend toenemende ananda, die hun hart vervulde. Zelfs de hardvochtige stammen der jagers begonnen de morele wetten in acht te nemen en ontpopten zich weldra als een sieraad der mensheid. Het verdroot de Vindhyan-bergketen dat de Chitrakuta-heuvel dit grote geluk had verworven. Waarom? Niet zij alleen, maar alle bergketens waren bedroefd, omdat zij Rama niet hadden kunnen verlokken om die tot woonplaats te kiezen. 

Lakshmana genoot het unieke voorrecht zich te kunnen verlustigen in de aanblik van de lotusvoeten van Sita en Rama en zich te koesteren aan de genegenheid die zij hem schonken. Het deed hem alles om zich heen vergeten, zodat hij verzonken was in opperste geestvervoering, sat-chit-ananda. Zijn moeder Sumithra Devi, zijn vrouw Urmila, of andere verwanten verschenen nimmer aan zijn geestesoog, zelfs niet in zijn dromen. Zo strikt weigerde hij aan hen te denken. Ook Sita's gedachten verwijlden nog geen seconde bij haar ouders of verwanten, bij Mithila of Ayodhya. Haar ogen en al haar aandacht waren gericht op de lotusvoeten van Ramachandra, haar Heer. Het was haar waarlijk een feest om te zien hoe de wijzen en hun metgezellen toestroomden om door Rama onderricht en geleid te worden. De tijd vlood aan haar voorbij, zonder dat zij merkte hoe dag en nacht verstreken. Gelijk de steenpatrijs die zo in verrukking wordt gebracht als de maan aan de hemel verschijnt dat hij zichzelf zou vergeten, zo raakte Sita in vervoering door haar blik aandachtig op Rama's gelaat gevestigd te houden. Sita werd zo bekoord door de aantrekkelijke bamboehut met het grasdak, dat elke herinnering werd uitgewist aan het paleis in Mithila, waar zij opgroeide tot jonge vrouw en aan het paleis in Ayodhya, waar zij enige jaren had doorgebracht als de koninklijke schoondochter. Voor haar was deze hut mooier en vorstelijker dan alle paleizen die zij kende. 

Van tijd tot tijd vertelde Rama verhalen over helden uit de oudheid, wier faam wordt bezongen in de Purana's, en beschreef Hij de prestaties van degenen die de geheimen van de ascese hadden doorgrond en in praktijk brachten. Sita en Lakshmana hoorden gretig en geestdriftig deze verhalen aan. Rama onderbrak bijwijlen zijn relaas om zijn ouders te gedenken en om zijn toehoorders te herinneren aan hun smart om het gescheiden-zijn van hun zoons en schoondochter; op die ogenblikken vulden Sita's ogen zich met tranen bij de gedachte aan haar schoonvader en schoonmoeder. De tranen rolden over haar wangen als zij zich probeerde voor te stellen hoe groot het verdriet was van koningin Kausalya. Maar dan ineens vatte zij weer moed bij de gedachte dat zij bij Rama was, die leeuw onder de mannen, en dat het niet gepast was hier in het woud, in zijn aanwezigheid, toe te geven aan haar droefenis of bezorgdheid en dat alles wat er geschiedde, verwelkomd moest worden als het kosmische spel (lila) van haar Heer. Aldus bracht Sita haar dagen door in die hut in ongestoord geluk met Rama en Lakshmana. Die beschermden haar, zoals de oogleden de ogen beschermen, tegen alles wat haar gelijkmoedigheid zou kunnen aantasten of wat haar vrees mocht inboezemen. Geen zorg kon hen kwellen; geen verdriet of pijn, of ook maar een vleug van treurnis bedierf hun geluk daar op de heuvel van Chitrakuta.

 

Hoofdstuk 16a: Droefheid in Ayodhya

Nadat hij Rama een eindweegs naar het woud had vergezeld, was de heerser der Nishada's intussen op de terugweg naar zijn koninkrijk. Hij ontwaarde daar minister Sumanthra, gezeten in zijn strijdwagen, aan de oever van de Ganges. De paarden stonden met de teugels vastgebonden aan een schaduwrijke boom. Guha trof Sumanthra wenend en weeklagend aan; hij was alleen en ten prooi aan ontroostbare wanhoop. Toen kon Guha zelf niet langer de gevoelens van diepe smart beheersen die hij zo lang had onderdrukt. Hij riep luid Rama's naam en snelde op Sumanthra toe. Hij omhelsde de oude man en beiden snikten zij hardop van een verdriet zo hevig dat zij het niet onder woorden konden brengen. Zij stonden samen onder de boom, doch vielen ter aarde als waren zijzelf bomen die door een bijl geveld waren. Zij beklaagden het lot van Sita, Rama en Lakshmana en stortten verwensingen uit over Kaikeyi, omdat zij de oorzaak was van al dit onheil. 

De paarden hielden op met grazen en water drinken. Er druppelden tranen uit hun ogen. Telkens als zij Sumanthra en Guha de namen van Sita, Rama of Lakshmana hoorden noemen, hieven zij het hoofd en staarden zij in de verte, popelend om een glimp op te vangen van hen die zij aanbaden en even vurig liefhadden als de twee mannen die zo leden onder hun afwezigheid. Toen Sumanthra zag hoezeer de dieren door verdriet werden gekweld, werd zijn eigen smart nog groter. Het hartverscheurend geweeklaag duurde zeker enige uren; tenslotte gelukte het Guha zich enigszins te herstellen. Hij vatte moed zoals het een man betaamt en sprak tot Sumanthra: 'Ach, minister! U bent hoogst intelligent en standvastig in zedelijk gedrag en u bent iemand die de realiteit heeft onderkend achter dit gehele vergankelijke schouwspel van het aardse bestaan. Het lot kan de mens vreemde parten spelen en wij moeten leren dat te aanvaarden. Sta op! Keer terug naar Ayodhya! Breng Kausalya en Sumitra op de hoogte, want zij zien reikhalzend naar u uit en willen uw verslag horen.' Hij dwong Sumanthra op te staan van de plaats waar deze was gevallen en zette hem in de strijdwagen. Hij bracht de paarden en maakte het juk vast aan de lange dissel. 

Sumanthra besefte dat de stap waarop Guha aandrong de juiste was. Gedreven door de moed der wanhoop zette de oude man de paarden tot voortgaan aan. Zijn krachten verlieten hem tengevolge van de zielenpijn die hem kwelde nu hij van Rama gescheiden was. Hij kon zijn wagen niet mennen zoals gewoonlijk, hoezeer hij zich ook inspande. Hij rolde machteloos in de wagen heen en weer en richtte zich telkenmale op. En de paarden? Ook zij kwamen nauwelijks in beweging. Zij wilden niets liever dan terugkeren en rekten hun hals om de weg achter zich te kunnen zien. 

Sumanthra verwenste zichzelf en het noodlot. 'Ik moest mij schamen', sprak hij. 'Moge er een eind komen aan mijn ellendige leven. Eens zal dit lichaam tot as moeten verbranden. In plaats van te sterven aan een ziekte, of door een aardse ramp, ware het beter dat ik het leven liet door het ondraaglijk verdriet om Rama's afwezigheid. Dat zou mijn leven waardevol maken. Ik zou erdoor zeker eeuwige faam verwerven; die faam is voldoende tegenwicht voor alle bezoekingen des levens.' 'Neen, Sumanthra', zei hij bij zichzelf, 'als je geluk had gehad, dan had je bij Rama kunnen blijven. Wat kun je als het ongeluk je achtervolgt anders doen dan loslaten en verder leven? Wat heeft het nu voor nut te blijven treuren en je schuldig te voelen?' In deze trant laakte Sumanthra op genadeloze wijze zijn eigen gedrag. Hij hervatte de dialoog met zichzelf. 'Hoe moet ik de mensen in Ayodhya onder ogen komen? Wat moet ik antwoorden wanneer zij vragen waar Rama is? Als zij willen weten hoe ik mij van Rama kon losmaken en hem achterlaten in de wildernis, wat moet ik dan zeggen? Zal ik niet overmand worden door schaamte en verdriet? O, mijn hart is versteend. Waarom is het anders niet in duizend stukken gebroken door alles wat mij is overkomen?' Sumanthra was vervuld van afschuw over zijn eigen laaghartigheid; hij wrong zijn handen in wanhoop. Hij besloot de hoofstad niet in te rijden bij daglicht, als er nog veel volk op de been zou zijn. Hij vond dat het minder vernederend was om te wachten tot de avond, wanneer iedereen naar bed zou zijn en in diepe slaap. Kort daarop sprak zijn innerlijke stem hem evenwel tegen: 'Wat? Denk je dat de bewoners van Ayodhya rustig liggen te slapen? Neen, neen. Dat kunnen zij helemaal niet. Het is dwaas en dom van mij om te veronderstellen dat zij kunnen slapen alsof er niets aan de hand is. Zij zijn beslist nog wakker en wachten op Rama's terugkeer, of zij hopen tenminste op nieuws over hem. Of ik nu 's nachts of overdag de stad binnenrijd, aan de vernedering en de schande zal ik niet kunnen ontkomen. Het zij zo. Ik, die Rama's genade niet waardig was, krijg door dit noodlot mijn verdiende loon. Ik moet dit lot maar ondergaan en de last dragen van alle verwijten die men mij zal maken.' Aldus vervolgde Sumanthra langzaam en met moeite zijn weg, zich onderwijl vragen stellend en trachtend die te beantwoorden. 

Eindelijk bereikte hij de oever van de rivier de Thamasa. Hij besloot daar enige uren door te brengen om de paarden even te laten grazen en zich voor te bereiden op zijn nachtelijke terugkeer in Ayodhya, als er geen mensen meer op straat waren en iedereen veilig in bed. Tenslotte reed de wagen de stadspoort binnen en begon aan de tocht door de hoofdstraten. 

Sumanthra deed zijn uiterste best om de stilte niet te verstoren door het lawaai van wielen en paardenhoeven; dientengevolge bewoog zich de wagen met een slakkengang voort. Wie kon echter het klaaglijke gehinnik van de paarden doen verstommen? Zij herkenden de straten waardoor zij Rama hadden vervoerd; zij leken te kreunen om hun lot nu hun geliefde Rama ver, ver weg was. De inwoners van Ayodhya hoorden hun droevig gehinnik; hun oren waren gespitst op het vernemen van dit deerniswekkend geluid. Zij zeiden tot elkaar dat Sumanthra met een lege wagen teruggekeerd moest zijn. Zij renden de straat op en stonden verloren aan weerskanten van de weg om getuige te zijn van het treurige tafereel. 

Sumanthra boog diep het hoofd toen hij de menigte zag. Bij de aanblik van zijn beklagenswaardige verschijning vermoedde men dat Rama niet was weergekeerd en menigeen viel ter plekke in onmacht. Velen weenden luid. Toen zij het gehinnik van de bedroefde dieren hoorden, stuurden de bewoners van de paleizen der Koninginnen haastig hun dienaressen eropuit om naar de oorzaak te informeren. Zij spoedden zich in groepjes naar Sumanthra en overstelpten hem met vragen. Hij zat somber en ontmoedigd terneer; hij was met stomheid geslagen en wist niet wat hij moest antwoorden. Hij zat daar roerloos als een gebroken pilaar, alsof hij doof was en niet kon horen wat zij hem zo dringend vroegen. 

Uit zijn gedrag maakten de dienaressen op dat Rama alle smeekbeden om huiswaarts te keren had afgewezen. Klagend riepen zij: 'O, minister! Hebt u Sita in dat angstaanjagende woud achtergelaten en zelf bent u teruggekomen, alleen?', en braken toen onverhoeds in hevig gejammer uit. Een dienares was moediger dan de anderen. Zij deelde Sumanthra mede dat Kausalya had bevolen hem rechtstreeks naar het verblijf te sturen waar zij zich bevond. Daar aangekomen, trof Sumanthra de keizer aan, languit liggend op de grond, uitgeput door gebrek aan slaap en voedsel, in verfomfaaide kleren. Sumanthra vermande zich en verborg de droefheid die in hem opwelde. Hij begroette de keizer zoals gebruikelijk met de woorden 'Jai, Jai!', en bleef bij hem staan, bevend over al zijn leden. Dasharatha, die zijn stem herkend had, kwam snel overeind en vroeg op droeve toon: 'Sumanthra! Waar is mijn Rama?' 

Sumanthra omarmde de keizer, die zich aan hem vastklampte als een drenkeling die zich aan een grashalm vastgrijpt. Toen Kausalya de beide mannen zag wenen in mateloze droefheid, werd zij zo overweldigd door smart, dat zij naar adem snakte; zij bood een deerniswekkende aanblik in haar verstikkend verdriet. De dienaressen zagen dit aan en terwijl zij zelf het lot beweenden dat hen allen getroffen had, deden zij hun uiterste best om de koningin te troosten en te bemoedigen. 

Dasharatha had zich intussen half opgericht; hij liet Sumanthra recht voor zich plaatsnemen en vroeg hem: 'Sumanthra! Vertel, vertel mij alles over mijn Sita en mijn Rama. Hoe is het met Lakshmana? Ach, de jonge, onervaren Sita moet wel zeer vermoeid zijn. Waar zijn ze nu? Zeg het mij.' Toen hij merkte dat Sumanthra schroomde om hem te antwoorden, greep hij hem bij de schouders, schudde hem door elkaar en smeekte hem op meelijwekkende toon om te spreken. 

Sumanthra was te zeer beschaamd om de keizer in de ogen te zien; hij hield zijn blik op de grond gericht. Zijn ogen stonden vol tranen en hij kon nauwelijks een woord uitbrengen. Dasharatha sprak, onder aanhoudend snikken: 'O, Rama! Nog is de adem niet gevloden uit dit lichaam, ofschoon een zoon als jij mij hebt verlaten. Er is geen grotere zondaar ter wereld dan ik, Sumanthra! Waar zijn mijn Sita, Rama en Lakshmana nu precies? Breng mij zonder dralen naar de plaats waar zij zich bevinden. Bewijs mij deze goede dienst. Vervul mijn hartewens. Als ik hen niet meer mag zien, kan ik geen seconde langer leven.' 

Als een verdwaasd en wanhopig man riep hij gepijnigd uit: 'Rama! O, Rama! Laat mij je tenminste eenmaal mogen zien. Wil je me die kans niet geven?' De dienaressen die bij de deur stonden van de zaal waar Dasharatha terneerlag, konden slapen noch eten van verdriet om het droeve lot van hun vorst. 

Tenslotte antwoordde Sumanthra: 'Keizerlijke Hoogheid! Rajahiraja! U bent een buitengewoon wijs man; u bent heldhaftig van aard; u hebt grote talenten. U komt voort uit een goddelijk geslacht. U hebt zich immer ten dienste gesteld van asceten en heiligen. U weet dat, zoals de nacht volgt op de dag en de dag op de nacht, rijkdom en armoede, geluk en leed, nabijheid en scheiding elkaar met zekere onontkoombaarheid opvolgen. Alleen dwazen laten zich meeslepen door hun vreugde wanneer geluk hun deel is, en alleen zij zijn ontmoedigd en terneergeslagen als zij door leed worden getroffen. Geleerde mensen als u zouden niet beïnvloed mogen worden door het een noch door het ander, doch hun gelijkmoedigheid moeten bewaren bij alles wat hun overkomt. Ik matig mij niet aan u de raad te geven deze toestand moedig onder ogen te zien, want u weet zelf het beste hoeveel moed er van u gevergd wordt. O, weldoener der mensheid! Hoor mijn smeekbeden aan; laat uw droefheid varen. Ik zal thans de bijzonderheden van mijn tocht met Sita, Rama en Lakshmana beschrijven. Wees zo goed rustig te luisteren.' Bij deze woorden kwam Kausalya moeizaam overeind, gesteund door haar dienaressen; zij bleef op hen leunen en bereidde zich voor op wat Sumanthra te vertellen had. 

Sumanthra begon: 'O, heer en meester! De eerste dag bracht ons tot de oever van de Thamasa. Sita, Rama en Lakshmana baadden zich in de rivier, en nadat zij water gedronken hadden, legden zij zich ter ruste onder een wijdvertakte boom. De volgende dag bereikten wij de Ganges. Toen de duisternis ons van alle kanten omsloot, liet ik op Rama's bevel de wagen stilhouden. Alle drie baadden zij zich in de Ganges, waarna zij zich op de zandoever van de rivier te slapen legden. Bij het aanbreken van de morgen vroeg Rama aan Lakshmana om hem wat sap van de banyanboom te brengen; nadat deze aan dat verzoek had voldaan, goot Rama het sap over zijn hoofd en wreef het in zijn haar, zodat hij het als een verwarde kluwen op zijn kruin kon dragen. De hoofdman van de Nashada-stam, een vriend van Rama, had intussen voor een boot gezorgd. Sita moest als eerste in de boot stappen, daarna nam Rama erin plaats. Gehoorzamend aan Rama's bevel volgde even later Lakshmana, die de boog met de pijlen droeg. Aleer hij in de boot plaats nam, kwam Lakshmana naar mij toe en verzocht mij om zijn nederige huldebetuiging over te brengen aan zijn ouders en om hem te zegenen. Hij droeg mij tevens op u te vragen dit alles met stoutmoedigheid en wijsheid te aanvaarden.' 

Sumanthra herhaalde vervolgens Rama's boodschap aan de koninklijke familie en aan het volk van Ayodhya. 'Meester', zei Sumanthra tot Dasharatha, 'Rama's woorden waren: "Breng mijn gevoelens van eerbied en hulde over aan mijn geestelijk leidsman. Geef mijn vader de raad niet te treuren om hetgeen er is geschied." Hierna sprak Rama vertrouwelijk met mij en gaf mij de volgende opdracht: "Roep de ministers, de burgers van Ayodhya en de koninklijke familie bijeen en breng het verzoek over dat ik speciaal tot hen wil richten; dat luidt: Slechts diegenen onder hen die een bijdrage leveren aan mijn vaders levensgeluk, zijn mij dierbaar." Rama sprak verder: "Breng Bharata mijn zegenwensen over zodra hij aankomt en gelast hem om zijn zware taak, de heerschappij over het keizerrijk, te aanvaarden en om gerechtigheid en waarheid te handhaven en te bevorderen; zeg hem het welzijn van het volk te koesteren door middel van zuivere gedachten, woorden en daden. Zeg hem dat het mijn wens is dat hij zo goed voor onze ouders zorgt, dat zij het verdriet om onze afwezigheid zullen vergeten." 

Nadat Rama mij deze taak had opgedragen, benaderde ook Sita mij en vroeg mij u te laten weten dat zij een gelukkige tijd doorbrengt met Rama en dat het haar aan niets ontbreekt. Ik moest haar nederige eerbetoon aan haar schoonvader en schoonmoeders overbrengen en hun zeggen niet bezorgd om haar te zijn en hen te verzekeren dat zij gelukkig is met haar Heer. Zij hoopte vurig dat hun zegen immer op haar zou rusten. Zij verzocht mij u te zeggen dat zij zich dikwijls afvraagt hoe het met hun gezondheid en hun welbevinden gesteld is. 

Het was de veerman intussen duidelijk geworden dat Rama geen verder oponthoud wenste, dus liet hij de riemen in het water zakken. Weldra voer Rama weg. Ik keek de langzaam verdwijnende boot na en mijn hart werd letterlijk tot steen; ik moet daar lange tijd op de oever gestaan hebben. Ik was wel gedwongen naar Ayodhya terug te keren teneinde Rama's bevelen uit te voeren, anders had ik mij gewis in de Ganges verdronken, zo diep was mijn wanhoop. Het was mijn opdracht te blijven leven, al was het slechts om u Rama's boodschap over te brengen. Nu deze stad Ayodhya Rama moet ontberen, komt zij mij even verlaten en beangstigend voor als een wildernis.' 

Luisterend naar Sumanthra's woorden en naar de tedere, liefdevolle boodschap van Rama en Sita, was Dasharatha zijn smart niet langer meester; hij kon alles wat er gebeurd was niet vergeten en viel bezwijmd terneer. 

De keizer snakte naar adem, gelijk een vis die zich in bochten wringt om zich te bevrijden uit de dikke modder waarin hij terechtgekomen is. De koninginnen, die zagen hoe slecht hij eraantoe was, barstten in hartverscheurend gejammer uit. Dat ogenblik van wanhopig verdriet is met geen pen te beschrijven. Eenieder die getuige was van hun smart, kon het eigen verdriet niet meer in toom houden. De vertwijfeling en de pijn van de vorstinnen en de keizer, de overstelpende droefheid van de paleisdienaressen, dat alles zaaide verwarring en opschudding in de ganse stad. De inwoners van Ayodhya verspreidden zich als bange bosvogels die om middernacht worden opgeschrikt door een plotselinge donderslag. 

Zoals een lotusbloem spoedig verwelkt als zij wordt geplukt en uit het water gehaald, zo snel weken de levensgeesten van de keizer. De woorden bleven hem in de keel steken en zijn mond werd droog. Zijn zinnen werden uitgeblust en hij reageerde niet meer op zijn omgeving. Toen Kausalya de keizer gadesloeg, wist zij dat de zon van de Zonnedynastie langzaam onderging. 

Zij verzamelde moed en liep op Dasharatha toe. Zij legde het hoofd van haar Heer in haar schoot en trachtte hem ertoe te brengen naar enige woorden van troost en bemoediging te luisteren. Zij sprak: 'Heer! Sita, Rama en Lakshmana zullen spoedig hier zijn om u op te zoeken. Luister naar mij en vat moed; wees sterk.' Toen zij deze woorden vol mededogen in zijn oor fluisterde, opende Dasharatha zijn ogen en mompelde nauwelijks hoorbaar: 'Kausalya! Waar is mijn Rama? Laat mij hem zien. Waar is hij? Breng mij naar hem toe. Ach, mijn lieve kleine schoondochter is er niet. En Lakshmana, waar is hij? Ik kan hem niet zien!' Dasharatha's hoofd viel op zijn borst; hij kon de zware last van smart niet langer dragen. Enkele minuten later herinnerde de keizer zich de vloek die over hem was uitgesproken door een blinde kluizenaar, de vader van zekere Shravana. Hij kwam met moeite overeind en vertelde Kausalya met zwakke stem de geschiedenis van die vervloeking. 

'Kausalya! Op een dag ging ik het woud in om te jagen. Ik werd gevolgd door een grote groep soldaten en jagers. De ganse dag kregen wij niet eenmaal een wild dier te zien; ik vond echter dat nu wij niets hadden gevangen, ik niet met lege handen naar de hoofdstad kon terugkeren. 's Nachts gingen wij wat dieper het woud in, hopend dat wij dan wat meer geluk zouden hebben. Wij bevonden ons aan de oever van een groot meer. Toen het daglicht de ons omringende duisternis begon te verdrijven, zag en hoorde ik aan de waterkant iets bewegen. In de veronderstelling dat ik een groot dier uit het oerwoud voor mij had en daar ik mijn pijl recht op het geluid kon richten en zo de prooi kon doden, spande ik de boog en schoot een scherpe, trefzekere pijl af. De pijl suisde door de lucht en trof het vluchtende dier. Plotseling hoorde ik een vreemde kreet van pijn vanuit de richting waar het dier gevallen was. Ik rende er met de soldaten naartoe en zie, mijn pijl had geen beest geraakt, doch de jonge zoon van een kluizenaar! Ik knielde bij hem neer en smeekte hem om vergiffenis voor deze tragische vergissing. De kluizenaarszoon zei tegen mij: "Keizer! Wees niet bedroefd. Wanneer u het verzoek inwilligt dat ik u aanstonds zal doen, dan zal dat voldoende vergelding zijn voor de zonde die u hebt begaan. Mijn naam is Shravana. Mijn vader en moeder zijn beiden blind. Ik heb mijn levensdagen aan hen gewijd; dat dienstbetoon heeft mij al het geluk geschonken dat ik maar kon wensen. Ik werd zelfs gezegend met de hoogste kennis, de bewustwording van de Werkelijkheid. Mijn ouders lijden op dit ogenblik ondraaglijke dorst. Ik was naar dit meer gekomen om water voor hen te halen. U schoot op mij, denkend dat ik een wild dier was. Wie kan ontkomen aan de beschikkingen van het lot? In mijn huidige toestand zal ik het water niet meer naar mijn ouders kunnen brengen. Neem daarom deze kruik met water mee en geef die aan hen; loop in noordelijke richting tot u bij een eenzame, met riet bedekte hut bent. Vertel aan mijn ouders wat er hier met mij is gebeurd nadat zij hun dorst hebben gelest. Vertel hun vooral niets voordat zij hun dorst gelest hebben." Met deze woorden overhandigde hij de kruik en gaf daarna de geest. Kausalya! O, wat was hij aandoenlijk bezorgd om zijn ouders! Hij maakte zich geen ogenblik zorgen om zijn eigen leven dat snel uit hem wegvloeide. Hij heeft geen hard woord tegen mij gesproken; de tedere liefdevolle woorden die hij uitte, klinken nog na in mijn oren. Met zijn laatste ademtocht herhaalde hij driemaal duidelijk de heilige pranava: Om, Om, Om. 

Toen ik hem gadesloeg en zag hoe rustig en moedig hij de dood aanvaardde, besloot ik mijn zonde te boeten door zijn laatste wens te vervullen. Ik spoedde mij naar de hut waarover hij had gesproken en gaf Shravana's ouders de kruik in handen, zonder een woord te zeggen. Zij begonnen evenwel de ene vraag na de andere te stellen. Zij vroegen: "Zoon! Wat deed je zo lange tijd wegblijven? Waarom liet je ons zo lang wachten?". Zij staken hun handen naar voren en tastten om zich heen om hem te kunnen aanraken en zijn aanwezigheid te kunnen voelen. Ik deed een paar stappen terug terwijl de oude mensen intussen klagend vroegen: "Waarom spreek je vandaag niet tegen ons? Wij zullen het water dat je ons gebracht hebt niet drinken aleer je iets tegen ons hebt gezegd en onze vragen hebt beantwoord!" Ik had de soldaten opdracht gegeven het lichaam van Shravana naar de hut van zijn ouders te dragen. Op dat ogenblik arriveerden zij met de dode. Ik legde het lichaam binnen handbereik van de moeder. Zij boog zich jammerlijk wenend over haar dode zoon; ik kon het niet aanzien. Na enige tijd slaagde de moeder erin haar smart enigszins te bedwingen en sprak zij: "Keizer! Het heeft voor ons geen zin nog langer te leven, aangezien onze zoon ons heeft verlaten. Wij zijn oud; wie zou ons moeten helpen en voor ons zorgen? Dood ons, zoals u hem hebt gedood. Of richt anders een brandstapel op, zodat wij ons met onze zoon aan het vuur kunnen offeren." Ik boog het hoofd en gehoorzaamde hun bevel. Ik vergaarde droog hout en stapelde het op. Het lichaam van de zoon werd op de brandstapel gelegd. De ouders namen erop plaats en louter door de vermogens aan te wenden die zij door yoga verworven hadden, ontstaken zij het vuur in hun lichaam en verbrandden zij zichzelf. Voordat zij zich aan het vuur offerden, richtten zij zich tot mij en spraken zij enkele woorden. Hun heilige vervloeking wordt heden bewaarheid.' 

Hier onderbrak Dasharatha zijn relaas om even op adem te komen en zijn onrustige geest te doen bedaren. Kausalya suste hem en schonk hem vertroosting en innerlijke kalmte. Zij sprak: 'Heer! Wat zeiden de ouders? Zeg het mij, ik wacht vol spanning op uw antwoord.' Dasharatha bleef enige tijd zwijgen en antwoordde toen: 'Kausalya! Wat valt er te zeggen? Hoe kan ik hun woorden herhalen? Die oude mensen hebben aldus gesproken: "U zult sterven zoals wij thans doen, van ondraaglijke zielenpijn om het gemis van uw zoon." Daarna bliezen zij hun laatste adem uit, te midden van de hoog-oplaaiende vlammen. Ik had destijds geen zoon; daarom vroeg ik mij af hoe hun vervloeking mij zou kunnen deren. Hoe zouden hun woorden bewaarheid kunnen worden?, dacht ik bij mezelf. Ik bedacht evenwel ook dat zij wel uit moesten komen, aangezien zij door oude, wijze mensen waren uitgesproken. Het betekende dat ik wel zonen moest krijgen om ooit van hen gescheiden te kunnen worden. Je weet hoe wij in die tijd eronder leden dat wij geen zonen hadden. Ik dacht dat de vloek wellicht een zegen zou blijken te zijn; ik bad dat hij werkelijkheid mocht worden en ik zonen zou krijgen, zelfs al zou ik van hen gescheiden worden. Totnutoe heb ik je dit geheim nooit kunnen onthullen. Thans begrijp ik dat de woorden van die heilige kluizenaars op zuivere waarheid berustten. De ondraaglijke pijn die door het gemis van Rama teweeggebracht wordt, betekent mijn einde. Ik heb mij wederom de tragedie van Shravana herinnerd. Alles wat ik aan moed bezat, is geheel en al uitgeput.' 

Dasharatha was verzonken in gepeins over de gebeurtenissen in zijn verleden. 'Rama! Rama! Rama!', riep hij tot driemaal toe en leunde toen achterover tegen Kausalya. Deze merkte dat zich een verandering in Dasharatha had voltrokken en zij slaakte een luide kreet. De kamerheren en dienaressen kwamen om hen heen staan. Zij zagen dat de keizer de laatste adem had uitgeblazen. 

De stad veranderde in een tranendal, een ziedende zee van verdriet. Grote menigten drongen het paleis binnen. De straten werden tot kolkende stromen van wenende mensen. Het volk vervloekte Kaikeyi, want volgens hen had de stad haar ogen verloren door haar kuiperijen. Vasishtha, de geestelijke leidsman van het Hof, betrad de zaal waar de keizer lag opgebaard. Hij sprak enige passende woorden van advies en poogde het leed der koninginnen te verzachten. Hij troostte Kausalya en Sumitra door hun te vertellen over hun voorvaderen en hoe zij evenmin hadden kunnen ontsnappen aan de dood, ondanks hun macht en majesteit. Aangezien er niemand aanwezig was om de voorgeschreven vedische dodenrituelen te volvoeren, werd het lichaam op aanwijzingen van Vasishtha in olie gedompeld om ontbinding tegen te gaan. 

Vasishtha wenkte een ijlbode en zei tot hem: 'Luister! Ga snel naar Bharata; rep met geen woord over de dood van de keizer; zeg hem slechts dat Vasishtha wenst dat hij en zijn broer onverwijld naar de hoofdstad terugkeren.' De boodschapper wierp zich aan Vasishtha's voeten en nam afscheid van Sumanthra aleer hij in een snelle strijdwagen aan zijn lange reis began. 

Vanaf het ogenblik dat Ayodhya in rouw gedompeld was, werd Bharata geplaagd door allerlei bange voorgevoelens, veroorzaakt door onheilspellende dromen. Hij werd uit zijn slaap opgeschrikt door de dreiging en de beroering die daarin naar voren kwamen. Menige nacht deed Bharata geen oog toe; hij zat rechtop in bed, in een staat van onbestemde en angstige afwachting. Hij vreesde dat er slecht nieuws op komst was, dat hem weldra zou bereiken. Hij stond nog voor de dageraad op en na een vroeg bad wijdde hij zich aan allerlei riten en ceremonien die de Goden gunstig moesten stemmen en het verwachte onheil moesten afwenden. Gedurende lange tijd zat hij in de tempel, biddend om hulp. Ondanks dit alles werd hij achtervolgd door een onverklaarbare vrees. 

De dromen hielden veertien dagen aan, waarna Bharata's moed en vertrouwen het absolute dieptepunt hadden bereikt. De bode uit Ayodhya was er intussen in geslaagd - op de vijftiende dag van zijn lange reis - de stad Kekaya te bereiken waar Bharata verbleef. Toen Bharata werd verwittigd van zijn aankomst bij de hoofdpoort van het paleis, beval hij dat de boodschapper onmiddellijk bij hem moest worden gebracht, opdat hij zou vernemen wat hem naar Kekaya had gevoerd. 

De boodschapper wierp zich voor Bharata ter aarde en verzocht hem om zich met zijn broer onverwijld naar Ayodhya te begeven, overeenkomstig het bevel van Vasishtha, de preceptor van het Hof. Bharata informeerde naar het welzijn der inwoners van Ayodhya en bestookte de bode met velerlei vragen. Deze antwoordde dat er niets bijzonders te vermelden viel, behalve dat zij naar Vasishtha's wens zo spoedig mogelijk moesten terugkeren. Het was zijn opdracht deze boodschap over te brengen en verder had hij niets te zeggen. Hij wist bovendien zelf niet meer dan dat.

Het was Bharata bekend dat een bode gewoonlijk niet meer dan enkele woorden wisselt met zijn koninklijke meester en dat er van een lang, vertrouwelijk onderhoud geen sprake kon zijn. De gedragsregels eisten dat een gesprek slechts enkele minuten mocht duren. Ook de bode kende deze gedragscode, dus stond hij op en verliet de kamer. Onmiddellijk daarop betrad Bharata de binnenvertrekken en nam hij afscheid van zijn oom van moeders zijde, de broer van Kaikeyi. Samen met Shatrughna nam hij plaats in de gereedstaande strijdwagen en spoorde tot steeds grotere snelheid aan. Als een pijl uit een onversaagde boog vloog de wagen over bergpaden, over heuvels en dalen en dwars door het oerwoud. Verdriet welde op in Bharata's hart en joeg hem voort; hij wist zelf niet waarom. Hij werd gekweld door een onverklaarbare, hevige pijn. Hij gunde zich geen tijd om onderweg iets te eten of zelfs een slok water te nemen om zijn dorst te lessen. 

Shatrughna merkte hoe zijn broer was bevangen door gevoelens van paniek en vrees; hij stelde enkele malen voor om halt te houden om iets te eten en te drinken, doch Bharata schonk er geen aandacht aan en bewaarde het stilzwijgen. Bovendien namen zij onderweg nog enkele kwade voortekenen waar; er waren kraaien die met hun schorre gekras dat van alle kanten scheen te komen, onheil voorspelden; honden jankten deerniswekkend, op angstaanjagende toon. Deze tekenen van rampspoed verstoorden de kalmte die Shatrughna tot dusver manmoedig had weten te bewaren. 

Toen zij bij de hoofdpoort van Ayodhya aankwamen en om zich heen keken, werden hun bange vermoedens bevestigd, want de slingers van mangobladeren waren dagenlang niet ververst. Slechts dorre bladeren omgaven de treurig uitziende toegangspoort. Zij sloegen heen en weer in de wind, alsof zij knarsten van boosheid en verdriet. Waarom waren er geen verse, 1 groene bladeren opgehangen? Wat was er met de hoofdstad gebeurd? Vanwaar deze onachtzaamheid en deze tekenen van droefheid? De broers vermoedden dat Ayodhya was getroffen door een vreselijk leed, dat was ingeslagen als een verschrikkelijke bliksemslag. Zij gingen door de poort en reden de stad binnen. De koninklijke stallen voor paarden en olifanten bevonden zich dicht bij de ingang; toen Bharata's blik op de dieren viel, brak hem het hart. Hij was zijn emoties niet langer meester; hij zag hoe de dieren volkomen onbeweeglijk stonden, met gebogen hoofd en met tranen stromend over hun wangen. De olifantsleiders en stalknechten gingen gebukt onder een loden last van verdriet en waren niet bij machte hun hoofd op te heffen. Toen de broers verder in de stad doordrongen, zagen zij dat aan weerszijden van de weg alle huizen gesloten waren, alsof zij die zich daar binnen bevonden, niemand wilden toelaten. De straten waren niet geveegd en lagen vol stof en vuil. De enkele inwoners die zich op straat vertoonden, wendden abrupt un blik af zodra zij de strijdwagen zagen naderen. Als zij Bharata herkenden, weenden zij. 

De overdekte marktplaats was gesloten, evenals alle winkels door de ganse stad. Bharata kon de vraag niet over zijn lippen krijgen waarom Ayodhya volkomen gehuld was in dit sombere doodskleed. Hij was verbijsterd over deze onverwachte tekenen van ontreddering. De wagen reed het voorplein op van het koninklijk paleis. De paleiswachters ontvingen hen in stilte, zonder vreugdegejuich of de traditionele uitroep 'Jai, Jai'; zij stonden er zwijgend bij, met gebogen hoofd; hun tranenvloed belette hun de ogen op te heffen. Nu wisten de broers zeker dat de stad door een onbeschrijfelijke ramp was getroffen. Zij stapten uit de wagen en snelden het paleis binnen. 


Hoofdstuk 16b: Droefheid in Ayodhya

Kaikeyi had gezien dat haar zoon was aangekomen; zij liep hem vol vreugde tegemoet. De schare dienaressen die haar gevolgd was, kermde van verdriet. Bharata stond als aan de grond genageld toen hij hun gelaatsuitdrukking zag en was niet bij machte ook maar een woord uit te brengen. Doch Kaikeyi begon te spreken: 'Zoon, gaat het goed met je oom?' Bharata mompelde iets ten antwoord en vroeg toen dringend: 'Hoe is het met vader? Hoe gaat het met mijn oudste broer? Hoe maakt mijn andere broer het? Hoe gaat het met mijn tantes, de vorstinnen?' Hier wist Kaikeyi niets op te zeggen. De ogen van de dienaressen die erbij stonden, vulden zich met tranen. 

Bharata besefte dat er slecht nieuws voor hem werd verzwegen. Hij vroeg: 'Moeder, waar is vader?' Hierop barstten de dienaressen in snikken uit. Toen Kaikeyi begreep dat zij een antwoord niet langer kon uitstellen, begon ook zij te wenen en nam de pose aan van een door leed getroffen vrouw. Bharata kon zonder nadere aanwijzingen het mysterie niet ophelderen. Hij bad zijn moeder hem uit te leggen wat er was voorgevallen en met wie, en waarom iedereen zozeer was overmand door smart. 

Kaikeyi antwoordde daarop: 'Zoon! Wat moet ik zeggen? Ik was heel blij toen ik er, met Manthara's hulp, in slaagde om elk doel dat ik mij gesteld had te verwezenlijken; doch reeds bij de eerste stap is mijn succes aan scherven gevallen; de Goden waren mij niet gunstig gezind. De keizer, je zozeer geliefde vader, heeft ons verlaten en is thans in de hemel.' En Kaikeyi begon luid te snikken. 

Nauwelijks had Bharata deze woorden gehoord of hij rolde over de vloer als een wijfjesolifant bij het brullen van een leeuw. 'Ach Vader!', riep hij uit terwijl hij neerviel. Als een gevelde bananenboom viel oak Shatrughna languit op de grond. De smart van de twee prinsen was onbeschrijfelijk groot. Bharata ging overeind zitten en greep met beide handen naar zijn hoofd. Hij riep uit: 'Vader! Wij konden niet rond uw bed staan toen u uw laatste adem uitblies. O! Wat moeten wij grote zondaars zijn! Van uw vier zonen konden niet alle vier gelijke verdiensten verwerven. Deze Bharata en deze Shatrughna zijn er het slechtst aan toe en zijn het ongelukkigst. U zou in uw laatste ogenblikken zo liefdevol tot ons gesproken hebben. U zou ons zegeningen en wijze levenslessen van onschatbare waarde hebben geschonken.  Welaan, wij mogen dankbaar zijn dat Rama hier bij u was. U zult hem stellig hebben verteld wat u tegen ons had willen zeggen. Broer! Sta op en kom mee. Wij zullen naar Rama gaan en horen welke boodschap vader voor ons heeft achtergelaten. Moeder! Zeg ons waar Rama nu is.' Bharata stond op en wilde vertrekken, doch niet dan nadat zijn moeder hem had geantwoord. 

Kaikeyi sprak: 'Zoon! Als Rama hier was geweest, zou je vader niet gestorven zijn, besef je dat niet? Weet je niet dat Rama niet in Ayodhya is?' Het was als strooide zij gif in een open wond; deze nieuwe slag ontstelde Bharata nag meer. Hij vroeg: 'Moeder! Rama is als mijn levensadem. Waar is Rama heen?' Bharata stond op en was een instorting nabij. Kaikeyi antwoordde prompt, op gejaagde toon: 'Waar naartoe? Vraag je mij waarheen hij vertrokken is? Nu dan, hij is naar het woud.' 'Dat mag dan zo zijn', onderbrak Bharata haar, 'maar waarom is Rama naar het woud gegaan en daarna nog niet teruggekeerd?' Kaikeyi's antwoord was kalm en weloverwogen. Zij sprak: 'Zoon! Er is nu geen tijd om die lange geschiedenis te verhalen of aan te horen. Zorg er eerst voor dat de rouwdienst voor je vader geregeld wordt!' Bharata begreep uit haar woorden dat zijn moeder poogde iets onaangenaams voor hem verborgen te houden. Daarom vroeg hij eerst waar Sita was en daarna waar Lakshmana was. Zijn moeder antwoordde: 'Beiden zijn zij Rama naar het woud gevolgd. Pas over veertien jaar zullen zij naar Ayodhya terugkeren. Aldus heeft je vader bevolen.' Kaikeyi legde deze verklaring af met een harde en vaste stem. 

Kaikeyi zag dat Bharata steeds wanhopiger en verontruster werd door haar uitspraken, dus trok zij haar zoon naar zich toe en streek hem over het hoofd. Zij trachtte hem te troosten met de woorden: 'Zoon! Het is niet nodig om over je vader te treuren. Hij heeft zijn ganse leven niet anders gedaan dan zich te wijden aan verdienstelijke handelingen, en zijn ziel zal derhalve zeker de hemel hebben bereikt. Het is jouw plicht om zijn ideale voorbeeld te volgen, om door verdienstelijke daden dezelfde roem te oogsten en tot aller tevredenheid het keizerrijk te besturen. Draag bij aan zijn goede naam en faam door het wijze en goedertieren bewind dat jijzelf voert en houd de grootse reputatie der dynastie hoog.' 

Met deze en soortgelijke woorden trachtte Kaikeyi het verscheurde hart van haar zoon te genezen. Doch Bharata's hart werd als door een dolkstoot getroffen. Ieder woord kwam aan als een mokerslag. Shatrughna kreeg een brandend gevoel over zijn ganse lichaam toen hij haar zo hoorde spreken. Hij bewaarde evenwel zijn kalmte en slaakte geen kreet. Bharata echter stond plotseling op, vastbesloten om de waarheid aan het licht te brengen omdat hij besefte dat zijn moeder hem met haar woorden om de tuin leidde en bepaalde feiten voor hem verborg door in raadsels te spreken. Hij trok Shatrughna met zich mee de kamer uit en haastte zich naar de vertrekken van Kausalya, de oudste koningin en de moeder van Rama. 

En wat zag hij daar! Kausalya rolde over de vloer in haar bestofte kleren, luid weeklagend: 'O Heer! Heer Rama, Rama!' Haar dienaressen, die zelf in rouw gedompeld waren, trachtten haar vol zorg enigszins te bemoedigen. Bharata kon zich niet meer beheersen; wenend riep hij: 'Moeder! Moeder!', en zeeg ineen aan haar voeten. In Kausalya's vertrek bevond zich ook koningin Sumitra. Toen zij beiden Bharata en Shatrughna gewaar werden, overviel hen een plotselinge flauwte. Weer bijkomend omhelsden zij elkander en weenden luid, in een vlaag van ondraaglijke smart. Zij boden een aanblik die een steen zou doen smelten. De broers konden de last van zoveel droefheid niet langer dragen en vielen terneer. 

'Moeder! Breng mij naar vader; zeg mij wat de oorzaak is van zijn dood. Waarom zijn mijn geliefde broers Rama en Lakshmana het woud in getrokken en waarom hebben zij Sita meegenomen? Dit alles is mij een raadsel; verlos mij uit mijn vertwijfeling en zeg mij waarom.' Bharata smeekte op meelijwekkende toon, terwijl hij Kausalya's voeten vasthield. Kausalya omarmde hem teder en antwoordde: 'Je terugkeer, mijn zoon, vertroost mij enigszins. Nu ik jou zie, kan ik de pijn om het gemis van mijn dierbare Rama van mij afzetten. Voor mij beteken jij evenveel als Rama; ik maak geen onderscheid tussen jullie.' Niettemin onderbrak zij haar woorden met snikken en kermen en riep uit: 'Ach, Rama! Kan ik veertien jaar lang voortleven terwijl jij die tijd in het woud doorbrengt? Is het je bedoeling dat het verdriet om de scheiding mij zal doen sterven en tot as laten vergaan, zoals dat met je vader is geschied? Ach, wat ben ik ongelukkig!'. Haar uitbarsting deed Bharata nog meer verdriet. Omdat hij de ware toedracht nog niet kende, zag hij in zijn verbeelding ellende en rampspoed van velerlei aard aan zich voorbijtrekken. Hij smeekte: 'Moeder! Houd geen feiten voor mij verborgen. Vertrouw mij. Zeg mij waarom Rama naar het woud is gegaan en wat de reden is van vaders dood; zeg het mij en maak een einde aan mijn totale verwarring.' 

Kausalya was gewoon zich in simpele en oprechte bewoordingen uit te drukken en zij was zeer mededogend van aard. Zij hield zich voor dat Bharata de wedergekeerde Rama was. Zij haalde Bharata naar zich toe en haar tranen wegwissend, sprak zij: 'Zoon! Bharata! Wees dapper. Treur niet om het verleden; dergelijk verdriet is vruchteloos. Er gebeuren vreemde dingen als de tijden niet gunstig zijn en de omstandigheden zich tegen ons keren. Wat heeft het voor nut om een schuldige aan te wijzen? Men moet niemand beschuldigen. Het is mijn lot om te blijven leven en dit leed te dragen; er valt niet aan te ontkomen, dus zal ik het moeten verduren. Jij bent echter nog jong. Jij bent als de zon in de vroege ochtend. Vergeet dat niet. 

Gehoorzamend aan zijn vaders bevel, heeft mijn innig geliefde Rama kleren aangetrokken van houtvezel, zijn haren in een knot boven zijn hoofd gebonden en thans bevindt hij zich in het oerwoud. Sita, die het niet kon verdragen ook maar een ogenblik van hem gescheiden te zijn, is bij hem en zij draagt kleren van boomschors. Lakshmana heeft getracht Rama te weerhouden van zijn gang naar het woud, maar zijn pogingen waren vergeefs. Hij verklaarde dat een Ayodhya zonder Rama voor hem gelijkstond aan een wildernis en hij volgde Rama. Dit alles heeft zich voor mijn eigen ogen afgespeeld. O! Wat moet mijn ziel toch zondig zijn dat ik dit heb overleefd! Met hen meegaan kon ik niet, noch wilden mijn levensgeesten wijken toen zij vertrokken; hoe valt mijn ellendig lot te beschrijven? Mijn hart moet wel uit de hardste steen gehouwen zijn. O Rama, je bent zo teergevoelig! Omdat jij uit mij geboren bent, moet je nu zo vreselijk lijden. Waarom anders? Ach, Rama! Wat moet je toch veel ellende verduren, levend van vruchten en wortels en zwervend in de angstaanjagende uithoeken van het oerwoud!' Eenmaal kreunde zij luid en viel toen in onmacht op de grond. 

Hoewel Bharata dit alles had aangezien en goed geluisterd had naar wat hem werd verteld, was voor hem het raadsel nog niet opgelost. Hij worstelde met gevoelens van vrees en bezorgdheid daar hij het geheim niet kon doorgronden. Minister Sumanthra had zich intussen bij hen gevoegd met een boodschap van de wijze Vasishtha, waarin deze Bharata verzocht bij hem te komen. Bij het zien van de broers barstte Sumanthra spontaan in tranen uit. Hij drukte Bharata aan zijn borst; ook de broers konden hun gevoelens van smart niet meer beheersen. Bharata hoopte dat Sumanthra althans enig licht zou kunnen werpen op het mysterie dat de tragische gebeurtenissen in de hoofdstad omgaf; hij trachtte met allerlei middelen Sumanthra een verslag van die gebeurtenissen te ontfutselen, doch Sumanthra wilde daarover niet spreken. Hij nam aan dat degenen die Bharata en Shatrughna ontmoet hadden vÛÛr zijn komst, hun reeds hadden verteld wat er was voorgevallen. 

De broers gingen gezamenlijk naar de geestelijk leidsman. Zij wierpen zich aan Vasishtha's voeten en weenden luid. Vol genegenheid en medeleven deed Vasishtha hen opstaan. Zijn woorden van vertroosting waren vermengd met menige wijze les van morele en filosofische aard. 'Er is reeds veel tijd verloren gegaan; het is raadzaam onverwijld te handelen', sprak hij en gaf Bharata opdracht zich gereed te maken om de dodenrituelen voor zijn vader te volvoeren. Bharata bleef lange tijd diep in gedachten verzonken; toen richtte hij zich tot Vasishtha en wierp tegen: 'Meester! Dit is een taak die verricht moet worden door de oudste zoon, en Rama is de oudste van ons vieren. Nu stelt u voor dat ik die taak op mij zou moeten nemen. Is dat rechtvaardig? Is dat juist? U hebt het lichaam al dagenlang in gebalsemde staat bewaard; laat het nog drie of vier dagen zo. Wij zullen ons naar de plaats begeven waar Rama zich bevindt, Shatrughna en ik, en hem mee terugbrengen. Wees zo goed ons daarvoor toestemming te verlenen.' Vasishtha antwoordde: 'Zoon! Dit is dwaas! Rama zal niet willen terugkeren voordat de vastgestelde periode verstreken is. Hij houdt zich aan zijn eens gegeven woord. Hoe je ook mag smeken, Rama zal geen stap in Ayodhya zetten tot de veertien jaar voorbij zijn. Geef daarom dat plan van jou op; verricht de rouwplechtigheden voor je vader en daarna kun je doen wat je verkiest.' Vasishtha herhaalde zijn opdracht keer op keer om Bharata ervan te overtuigen dat zijn plan geen nut had. 

Bharata besefte dat hij er niet aan kon ontkomen de leidsman te gehoorzamen en hij stemde toe. Zijn vaders lichaam werd gebaad en de riten voorafgaand aan de lijkverbranding werden stipt volgens de vedische voorschriften uitgevoerd. Gedreven door een onbedwingbaar, diep verlangen ging Bharata rechtstreeks naar de vertrekken van Kausalya en Sumitra. Hij wierp zich aan hun voeten en smeekte: 'Moeders! Neen! U moet afzien van uw voornemen uw leven te offeren op de brandstapel van vader. Wanneer u dat toch tracht te doen, zal ik weigeren de dodenriten te volvoeren.' Hij verzekerde zich van hun belofte zulks na te laten. Beiden waren zij diep onder de indruk van zijn liefde en genegenheid. Er bleef hun niets anders over dan gehoor te geven aan zijn verzoek. Zij spraken: 'Zoon! Wij zullen doen wat je van ons verlangt.' 

Het lichaam werd weggevoerd en op de brandstapel van sandelhout gelegd die was opgericht aan de oever van de rivier de Sarayu. Bharata volvoerde de vedische dodenriten met uiterste nauwgezetheid; hierbij legde hij een geloof in de Veda's aan de dag dat Vasishtha's verwachtingen duizendmaal overtrof. In naam van zijn vader schonk hij het volk overvloedig de zestien voorgeschreven goederen, zoals runderen, stukken land, goud, huizen, kleding, voedsel, paarden, olifanten, geldstukken en andere waardevolle zaken. De ontvangers prezen alom zijn gulheid, zijn piëteit en de trouw aan zijn vader. 

De onderkoningen, schriftgeleerden en priesters konden zich evenwel niet verzoenen met Rama's afwezigheid, evenmin als het gewone volk. Het verdriet daarover beklemde hun hart. De pijn om het gemis bleef voortdurend knagen. Zij wisten dat zij machteloos waren en dat er geen uitweg was. Rama zou nimmer zijn plechtige gelofte breken. Geen enkele aansporing zou Hem doen wederkeren; Hij zou niet naar Ayodhya terugkomen aleer de veertien jaar waren verstreken. Dat feit moesten zij accepteren. Dus sterkten zij hun hart om de pijn te kunnen verdragen en besloten hbet vreugdevolle vooruitzicht op het einde der verbanningstijd. 

Vasishtha, de geestelijke raadsman van het Hof, riep onderwijl de heersers der vazalstaten en onderkoningen in vergadering bijeen, alsmede ministers, zieners en monniken, de wijze mannen van het keizerrijk en de leiders van het volk. Hij begon met raadgevingen overeenkomstig de dharma-sastra, de normen der morele wetten, aangaande de taken en plichten van bestuurders. Hij gaf vervolgens een beschrijving der gebeurtenissen vanaf het plan dat Kaikeyi had gesmeed, tot aan de dag dat Rama zich naar het woud begaf. Daarna ging Vasishtha uitvoerig in op de grote verdiensten van de gestorven keizer - zijn trouw aan de waarheid, zijn verheven opvattingen van moreel gedrag, het hoge niveau van zijn spirituele verworvenheden, zijn grote persoonlijkheid als vorst en zijn trouw aan de vedische geboden, die hem maakte tot een royaal begunstiger van talloze yajna's, yaga's en andere ceremoniële riten. Vasishtha vervolgde zijn relaas met de poging van de keizer om Rama's kroning te doen plaatsvinden en de hindernissen die hij daarbij op zijn weg vond. Hoe dit alles leidde tot Rama's verbanning en tot de dood van de vorst zelf, een dood veroorzaakt door het verdriet om de scheiding van zijn innig geliefde zoon. 

Bharata en Shatrughna, die niet op de hoogte waren van de tragische ontwikkelingen in de hoofdstad zoals Vasishtha die thans beschreef, werden overweldigd door zowel woede als gevoelens van smart en schaamte. Zij bogen het hoofd; hun hart was vervuld van wroeging. De tranen stroomden hen over de wangen. De mensen die vÛÛr hen bijeenzaten, durfden nauwelijks de ogen naar hen op te slaan. Zelfs Vasishta wiste de snel opgekomen tranen uit zijn ogen. De hele vergadering was in mistroostigheid gedompeld; er viel een stilte in het gezelschap; alle mannen zaten onbeweeglijk als stenen beelden. Het was Bharata en Shatrughna onmogelijk nog langer naar Vasishtha's relaas te luisteren; zij waren te zeer vervuld van boosheid om Kaikeyi's infame gedrag. Bharata vervloekte zichzelf om het feit dat hij geboren was uit een moeder als zij. Hij schaamde zich zozeer om deze gevolgen van zijn eigen slechte daden in vorige levens, dat hij zijn hoofd niet durfde opheffen of iemand in de ogen kon kijken. De broers stonden te popelen om de zaal te verlaten, weg van de anderen. 

Vasishtha wist hoe zij zich voelden; hij liep naar hen toe om hen te troosten met goede raad. Hij sprak tot Bharata: 'Zoon, het heeft geen zin om te jammeren om het verleden. Wat gebeurd is, is gebeurd. Nu moeten wij nadenken en besluiten hoe wij moeten handelen. Het moet mij van het hart dat je vader in alle opzichten een gelukkig man was. Waarom zou je om hem treuren? Luister naar mij: onderwerp je aan je vaders bevel. Hij heeft je het recht toegekend om over dit koninkrijk te regeren. Het is terecht dat je deze toekenning aanvaardt en zijn bevel gehoorzaamt. Je vader heeft zich erbij neergelegd dat hij van Rama moest scheiden, aangezien hij het niet over zijn hart kon verkrijgen om zijn plechtige gelofte te breken. Hij gaf zijn leven prijs uit onmetelijke liefde en genegenheid voor Rama. Hij stierf teneinde zijn gelofte in te lossen; daaraan is geen twijfel. Hij wist dat het nakomen van een eens gedane belofte van groter waarde is dan het leven zelf. Daarom was hij eerder bereid de dood onder ogen te zien dan zijn woord te breken. En bedenk wel, ook Rama ging naar het woud, met zijn vrouw, om zijn vaders belofte na te komen! 

Het is de grootsheid van het Ikshvaku-geslacht dat eenieder die ertoe behoort elk offer zou brengen om een eenmaal gegeven woord gestand te doen. Van deze glorierijke traditie maak ook jij deel uit. Ook jij moet nu handelen overeenkomstig je vaders belofte en de verantwoordelijkheid op je nemen dit koninkrijk te besturen. Moge deze taak je niets dan voorspoed brengen. Moge alles wat je onderneemt, gepaard gaan met welslagen en bloei. Ik ben zo vrij je deze raad te geven, louter en alleen omdat ik zoveel genegenheid voor je koester en met je lot begaan ben; anders zou ik je niet belasten met deze zware verantwoordelijkheid. Ik weet dat je je vaders goede naam zult hooghouden; je hebt de bestuurlijke kwaliteiten, het vermogen en de moed om deze last op je te nemen. Aarzel niet en twijfel niet. Aanvaard deze opdracht.' 

Vasishtha gaf Bharata een bemoedigend schouderklopje en zegende hem. Bharata nam zijn liefdevolle raad aan en toen Vasishtha was uitgesproken, stond Bharata schielijk op van zijn zetel en wierp zich aan de voeten van de wijze. Hij sprak met grote moeite, want hij was vervuld van een ontroostbaar verdriet dat zijn lippen deed trillen en zijn keel dichtsnoerde. Stamelend sprak hij: 'Meester! Zijn uw woorden werkelijk een teken van uw liefde en mededogen? Nee, u koestert feitelijk liefde noch deernis voor mij. Als dat wel zo was, had u nimmer goedgekeurd dat deze zware last mij werd opgelegd. U veroordeelt mij tot deze straf zonder de minste barmhartigheid. Dit keizerrijk, dat het heiligste en zuiverste wezen naar het oerwoud heeft verdreven, dit keizerrijk dat de ganse bevolking gedompeld heeft in jarenlang verdriet, dit keizerrijk dat zijn meest rechtschapen vorst heeft verloren, dat eeuwige schande heeft gebracht over het heersende Ikshvaku-geslacht, dit keizerrijk dat de treurige staat van weduwschap heeft gebracht aan de moeders Kausalya, Sumitra en de rest, dit keizerrijk dat zichzelf in zoveel opzichten verlaagd heeft - vertrouwt u thans toe aan mij! Helaas, dit is het gevolg van de zonden die ik heb begaan en van het feit dat deze ongelukkige werd geboren uit de schoot van die belichaming van wreedheid en haat, Kaikeyi. In plaats van mij deze straf op te leggen, zend mij naar Rama wat ik u bidden mag en verwerf daarmee enige spirituele verdienste. Ik kan mijn leven waarde verlenen en mijzelf verlossen door de taak op mij te nemen de paden te vegen waarlangs hij zal gaan en ze zacht te maken voor zijn voeten. Hier kan ik geen ogenblik langer blijven.' 

Bharata wierp zich aan Vasishtha's voeten en smeekte hem om naar het woud te mogen vertrekken. Toen zij dit hoorden, stonden alle ministers op en richtten zich met de handpalmen tegen elkaar tot Bharata. 'Heer! Het is niet gepast de huidige toestand lang te laten voortduren; wij zijn thans zonder regerend vorst. De verantwoordelijkheid die Vasishtha u oplegt, kunt u niet ontlopen. Na Rama's terugkeer kunt u naar verkiezing handelen, doch geef thans gehoor aan onze smeekbeden. Bescherm het koninkrijk en bevorder het welzijn van het volk. Aanvaard de teugels van het bewind.' 

Bharata reageerde niet op hun dringend verzoek. In plaats daarvan verzocht hij om naar moeder Kausalya te mogen gaan en haar enige tijd te bezoeken. Vasishtha stemde zonder aarzelen toe. Bharata en Shatrughna verlieten de vergadering en begaven zich rechtstreeks naar het paleis van Kausalya. Zij wierpen zich aan haar voeten en Bharata zei tot haar: 'Moeder! Deze ongelukkige Bharata bidt u om vergiffenis; hij die geboren is uit de schoot van die verdorven vrouw, Kaikeyi. Deze vervloekte kerel is de bron van alle ellende in het land. Sta mij toe dat ik naar het woud vertrek. Ik zou nog geen ogenblik met opgeheven hoofd in deze stad kunnen lopen nadat mijn heer en meester Rama haar, door mijn schuld, verlaten heeft. Dit keizerrijk komt rechtmatig toe aan de oudste zoon; dit onbeduidend jongmens kan geen enkel recht doen gelden. Ik heb geen behoefte aan deze verantwoordelijkheid en zal die niet dragen. Geef mij uw zegen, opdat ik onmiddellijk kan vertrekken.' Bharata stond in afwachtende houding en was vervuld van smart. 

Kausalya raapte al haar moed bijeen en begon Bharata te troosten. Zij sprak: 'Bharata! Denk eens goed na over de situatie en laat je verdriet varen. Dit is niet de tijd om te weifelen. Rama bevindt zich ergens middenin het oerwoud. Je vader is in de hemel. Je moeders, je verwanten, je vrienden en degenen die het beste met je voorhebben, het volk, allen hebben zij groot verdriet. Zij beschouwen jou als hun enige toevlucht. Besef dat dit alles is geschied omdat de tijden ongunstig waren en het menselijk handelen ontaardde in oneerlijkheid en slechtheid; vat moed en neem een beslissing. Voig je vaders aanwijzingen. Buig je voor het bevel van goeroe Vasishtha. Respecteer de smeekbeden van het volk. Handel naar de vurige wens van de ministers.' 

Kausalya hield Bharata's handen liefdevol in de hare, terwijl zij hem trachtte over te halen het koninklijk gezag op zich te nemen. Haar woorden ontroerden hem door hun ongewone tederheid en hij onderging deze als een koele sandelhoutbalsem die op zijn brandend hart uitgestreken werd. Het waren louter zoete woorden en zij klonken Bharata aangenaam in de oren, want Kausalya sprak geen woord van afkeuring over zijn moeder, die immers de oorzaak was van deze aaneenschakeling van rampen. Zij koesterde zelfs niet de geringste twijfel aan zijn trouw; Bharata voelde zich bij haar woorden intens opgelucht en gelukkig. Hij was buitengewoon blij verrast te merken hoe ruimhartig zij was en hoe oprecht haar genegenheid voor hem was. Hij had in zijn stoutste dromen niet kunnen vermoeden dat Kausalya hem op deze wijze zou bejegenen, terwijl haar eigen zoon voor veertien jaar naar het woud was verbannen. Hij had evenmin kunnen denken dat zij zoveel diepe genegenheid zou tonen aan hem, die de zoon was van een andere vrouw van haar echtgenoot! Wat een groot verschil, dacht hij, tussen mijn eigen moeder en deze Kausalya. Het was een verschil zo onpeilbaar diep, dat het met geen enkele maat te meten was. In Kausalya vond hij de volkomenheid en de volheid van een liefde waarvan elk hart vervuld zou moeten zijn. Hij bracht de handpalmen samen en sprak: 'Moeder! Uw woorden vol tederheid vielen als een milde regen van zoetgeurend water op mijn verscheurde hart. U hebt mij wellicht voor Rama aangezien! Doch helaas ben ik niet die Rama met het zuivere hart. Ik ben Bharata, geboren uit Kaikeyi; ik heb een onzuiver karakter van haar geërfd. Ik ben laaghartig en schaamteloos. Ik ben Rama's vijand. U hebt mij voor Rama gehouden en hebt daarom zo vriendelijk en liefdevol gesproken. Uw hart is Rama zo volledig toegewijd, dat u iedereen bejegent zoals u Rama zou bejegenen. Ik zeg u de waarheid, moeder! Hoor mij aan en sla acht op mijn smeekbede. Moeder! Slechts zij die het pad der rechtschapenheid bewandelen, verdienen het te regeren. Wanneer mensen als ik, met een onoprechte inborst en twijfelachtige vermogens het land regeren, zal de aarde verworden tot een afspiegeling van de onderwereld. Zelfzuchtige doordrijvers, kleingeestige avonturiers, hebzuchtige aasgieren, pracht- en praalminnende lieden, egocentrische individuen, mensen die lijden aan een onuitroeibare naijver, verdienen niet het recht macht uit te oefenen. Zij schaden de belangen van het volk dat zij regeren; zij ondermijnen de fundamenten van dharma. Zij zullen het koninkrijk te gronde richten. Slechts zij die een deugdzame en rechtvaardige levenswijze volgen, zijn het waard over anderen te heersen. Ik kan er maar èèn vinden die aan deze maatstaven voldoet en dat is Rama. Ben andere persoon die hiervoor in aanmerking komt, ken ik niet. Ik zal derhalve terstond vertrekken en mij aan Rama's voeten werpen; ik zal hem smeken met mij mee te gaan en hem terugbrengen naar Ayodhya. Geef mij uw toestemming, geef mij onverwijld uw zegen.' Bharata boog diep voor Kausalya en wachtte op antwoord. 

Kausalya voelde zich zeer getroost door Bharata's woorden. Zij sprak: 'Zoon! Ik merk dat in jou dezelfde gevoelens opwellen die in mijn Rama ook leven. Als ik naar je kijk, kan ik de pijn om ht gemis van Rama enigszins verdragen. Dus als jij je ook naar het woud zou begeven, wat moet er dan van ons worden? Als jij beweert dat je vertrek onvermijdelijk is, neem mij dan ook mee. Want met wie zou ik nog mijn dagen in dit Ayodhya moeten slijten? Het leven van de vrouw die haar man verloren heeft en wier zoon ver weg is, heeft ondanks de smart om het verlies, nog geen einde genomen. Ga toestemming vragen aan Vasishtha, onze goeroe; wij zullen het oerwoud intrekken en althans enige tijd doorbrengen met Sita, Rama en Lakshmana. Dan kan ik sterven.' Kausalya's woorden brachten Bharata enige vertroosting en innerlijke vrede. Hij wierp zich aan de voeten van Kausalya en Surmitra en begaf zich vervolgens naar het paleis van Kaikeyi. 

Bharata liep voorop en Shatrughna volgde hem. Beiden waren zij vol verdriet en verontwaardiging jegens Kaikeyi omdat deze, door vertrouwen te stellen in Manthara, zoveel schade had aangericht. Zij deden hun uiterste best om hun opkomende woede te onderdrukken. Tenslotte bereikten zij Kaikeyi's paleis. 

Bij de toegangspoort ontwaarden zij Manthara zelf, die, rijkelijk getooid met juwelen, hen daar opwachtte. Shatrughna kon die aanblik niet verdragen; hij trok haar aan de haren omlaag en deelde rake klappen uit. 'Au! Au!', schreeuwde zij uit. Toen haar geschreeuw Kaikeyi ter ore kwam, was deze spoedig ter plaatse en zij begon Shatrughna de les te lezen over zijn gedrag. 

Bharata maakte van de gelegenheid gebruik om zich te laten gaan in ongebreidelde verontwaardiging. Hij schreeuwde tegen Kaikeyi: 'U moet u schamen, verdorvenste aller zondaren! Door te vertrouwen op de woorden van deze slechte vrouw hebt u een verachtelijke zonde begaan. Hoe is het mogelijk dat uw hart niet in tweeen brak toen het rampzalige advies van die vrouw erin binnendrong? Hoe hebt u het verzoek om die verderfelijke gunsten kunnen uitspreken? Is uw tong niet tot as verbrand toen zij die afschuwelijke wensen kenbaar maakte? Hoe durft u uw gezicht te laten zien in dit paleis? Schaamt u zich niet u in deze omgeving te vertonen? Ach, hoe heeft de keizer vertrouwen kunnen stellen in de woorden van iemand die zo boosaardig is als u? Verblind door begeerte stemde hij erin toe zijn zoon te verkwanselen om zijn vrouw voor zich te winnen. De samenzwering die u hebt uitgebroed was laaghartig en bezwangerd met onheil. U hebt het zuivere hart van de keizer bezoedeld; door u staat dit gehele rijk in brand; u hebt de dynastie in al haar glorie vernietigd; u hebt eeuwige schande gebracht over het koninklijk Raghu-geslacht. Uw boze, giftige hart heeft al dit verderf teweeggebracht. U te erkennen als mijn moeder is een zware zonde. Hoe hebt u kunnen besluiten een ander kwaad te berokkenen opdat uw zoon een gelukkig en gezegend leven zou krijgen? Hebben anderen hun kinderen niet evenzeer lief als u de uwe? Vrouwen die boze plannen smeden voor de kinderen van anderen, bereiken slechts dat hun eigen kinderen kwaad geschiedt. Hoe kan die kardinale waarheid u ontgaan zijn? Dat is beslist te wijten aan de zonden die u hebt bedreven in vorige levens. Maar nee; dit alles is aan mijzelf te wijten. Waarom zouden anders de zuivere, standvastige Rama, mijn geliefde broeder, en moeder Sita, die parel van kuisheid en goedheid, moeten dwalen in het angstaanjagende oerwoud? O, wat is dit wreed en afschuwelijk! U moest u schamen! De noodzaak om tegen zulk een lafhartige zondares te spreken, is op zichzelf de uitwerking van zonden die ik in vorige levens moet hebben begaan. O, ik vraag mij af aan welke vreselijke zonde ik mij schuldig heb gemaakt om deze straf te verdienen, deze schande om uit uw schoot te zijn geboren. Zondaren vinden slechts andere zondaren als metgezel en deelgenoot. Hoe zouden zij betrekkingen kunnen onderhouden met goede mensen die hun leven wijden aan verdienstelijke werken? 

Deze Zonnedynastie is heilig en zuiver als de hemelse zwaan, zonder de geringste smet. Feitelijk bent u als uw moeder; zij liet haar echtgenoot ombrengen om haar eigen ambities te kunnen verwezenlijken. U hebt eveneens uw echtgenoot gedood om uw zelfzuchtige wens in vervulling te doen gaan. Kan een jongere zoon ooit het keizerrijk regeren ten koste van de terzijde geschoven oudste zoon, tegen alle regels van opvolging in? Deze noodlottige gedachte is niet van vandaag op morgen in u opgekomen; deze moet vanaf het eerste begin, in het verborgene als een zaadje aanwezig zijn geweest, anders was daaruit niet plotseling een reusachtige boom zichtbaar geworden. U die behept bent met een dergelijk slecht karakter, had mij beter direct na mijn geboorte kunnen smoren, dan had u mij en het keizerrijk al deze ellende bespaard. Maar wat voor nut heeft het nog om te weeklagen nu alles voorbij is? Helaas! Uw verstand heeft tegen u gezegd dat u de boom om moest hakken en het water moest geven aan de takken, uw denkvermogen vertelde u dat u het welzijn van de vissen zou bevorderen door het water uit het bassin te laten lopen. Ik weet niet of ik moet huilen of lachen om uw banale stompzinnigheid. 

In plaats van mijn tijd te verdoen door met u te praten, zou ik mij op weg moeten begeven naar Rama en hem smeken naar Ayodhya terug te komen, dan kan ik samen met hem terugkeren. Weigert hij, dan ben ik vastbesloten bij hem te blijven, evenals Lakshmana, en hem blijmoedig te dienen. Uw gelaat hoef ik nimmer meer te zien. 

Na deze woorden keerde Bharata Kaikeyi de rug toe en vertrok, samen met zijn broer. Kaikeyi overdacht alles wat zij verkeerd had gedaan. Zij betreurde het dat haar plan een verkeerde wending had genomen; zij besefte dat boze plannen, door wie ze ook worden bedacht, hoogstens een kortstondig geluk schenken. Daarentegen zullen zij gewis de weg plaveien naar de uiteindelijke ondergang. Zij zag geen enkele uitweg; zij kon geen woorden vinden om haar berouw en haar verdriet uit te drukken, dus stond zij daar, verstomd en als uit steen gehouwen. Kaikeyi weld vervuld met afschuw jegens Manthara. De waarheid begon tot haar door te dringen. Zij was verheugd dat Rama zo rechtvaardig gehandeld had. Zij liet beschaamd het hoofd hangen toen zij besefte hoezeer zij gezondigd had.


Hoofdstuk 17a: De broers ontmoeten elkaar

Bharata en Shatrughna begaven zich rechtstreeks naar de zaal waar de ministers, de geestelijke raadsman van de koninklijke familie, Vasishtha, en de voornaamste burgers van de hoofdstad zich hadden verzameld. Allen zagen vol spanning uit naar de komst van de broers om te kunnen vernemen waartoe dezen hadden besloten. Zij wachtten in stilte en vol aandacht op wat de broers te zeggen zouden hebben. 

Na zijn binnenkomst wierp Bharata zich aan Vasishtha's voeten en sprak: 'Goddelijke meester! Ik zal u eerlijk zeggen wat mijn bedoeling is; ik bid u, geloof in mijn oprechtheid, want ik verberg niets voor u. Ik leg mijn hart voor u open, zander enige terughoudendheid. Het resultaat is harder dan de oorsprong ervan; zoals u weet, is het ijzererts dat uit de aarde gedolven wordt, harder dan de aarde zelf. Ik, die geboren ben uit de schoot van de hardvochtige Kaikeyi, ben eigenlijk nog hardvochtiger dan zij. Hoe is het anders te verklaren dat ik nog leef, ofschoon Rama ver van mij vandaan is? Kaikeyi heeft Sita en Lakshmana naar het woud doen vertrekken, zij heeft haar echtgenoot naar de hemel gezonden, heeft de onderdanen van dit enorme keizerrijk in vrees en rouw gedompeld en eeuwige schande over haar zoon gebracht. En nu vraagt u van mij dat ik het rijk regeer en mijzelf overlaad met blijvende schande. Dit maakt mij zeer ongelukkig; ik ben deze taak in het geheel niet waardig. Zal het volk mij niet smalend uitlachen wanneer ik als opperheerser op de leeuwentroon ben gezeten, terwijl Rama in de wildernis rondzwerft? 

Mijn bewind zal het volk niets dan schande berokkenen; mijn troonsaanvaarding is op zich immers immoreel en onrechtvaardig. Wie zal zich verwaardigen eer te bewijzen aan iemand die onrechtmatig de heerschappij heeft verworven? Wie zal zijn bevelen gehoorzamen? Ik kan degenen die zich onrechtvaardig en immoreel gedragen niet bestraffen! Welke houding zou ik moeten aannemen bij het bestraffen van boosdoeners, terwijl ikzelf zoveel kwaad heb gedaan door een troon te bestijgen die mij niet rechtmatig toekomt? De mensen zouden zeker de beschuldigende vinger naar mij opheffen als zij daartoe de gelegenheid kregen, ook al hielden zij zich misschien enige tijd stil, uit angst voor de vergeldingsmaatregelen die ik op grond van mijn gezagspositie zou kunnen nemen. 

Het boosaardige plan van mijn moeder is voor mij thans tot een wrede, geestelijke foltering geworden. Ik kan hier zelfs geen ogenblik verbeiden zonder Rama en Sita te zien. Ik wil u slechts deelgenoot maken van mijn ondraaglijk verdriet; alleen de aanblik van Rama kan mijn ziel verkwikken en mij genezen van mijn angst en pijn. Er bestaan geen woorden van toelichting of troost die mijn smartelijke toestand kunnen verzachten. Kausalya en Sumitra hebben mij reeds hun toestemming gegeven. Ik heb besloten mij morgen vroeg naar de plaats te begeven waar Rama zich bevindt. Al mijn zonden, hoeveel het er ook mogen zijn, zullen tot as verbranden op het moment dat Rama's blik op mij zal rusten. Zelfs indien Rama niet tegen mij spreekt, zal ik immer gelukkig zijn Hem te mogen aanschouwen; terwijl ik mij verberg achter een boom en Hem in de verte kan volgen, zal ik zeer verheugd zijn over de kans om Hem te zien. 

Zieners en wijzen die hier zijt samengekomen! Bid voor mij, zegen mij, opdat ik door het aanschouwen van Rama moge vorderen op het geestelijke pad. Ministers! Geef mij uw toestemming om naar Rama te gaan. Ik ben de slaaf van Heer Rama. Hij is ons aller Heer.' 

Geen der aanwezigen, of hij nu minister was, onderkoning of leider van het volk, had hierop een antwoord. Zij beseften hoe diep Bharata's gevoel van schuld was. Zij begrepen dat Bharata een zuiver hart had en dat rond hem gesponnen had. 

Het hoofd van het stadsbestuur stond op van zijn zetel en sprak: 'Ook wij vinden het een ondraaglijke kwelling van Rama gescheiden te zijn. Wij bekommeren er ons niet om wat er verder met ons leven gebeurt, als ons maar een kans geboden woldt om Rama te aanschouwen en zijn zegen te ontvangen.' Hij vroeg aan allen die daar verzameld waren om zijn voorstel goed te keuren. 

Anderen vielen hem van harte bij en smeekten om eveneens naar Rama te mogen gaan. Binnen enkele minuten had het nieuws van de voorgenomen tocht zich verspreid tot in alle uithoeken van de reusachtige stad. Mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden maakten zich gereed om te vertrekken! Wie kon wie weerhouden? Er was die dag niemand onder de enorm grote bevolking van Ayodhya die zo wreed was anderen te beletten naar Rama te gaan voor zijn darshan. Ook de moeders Kausalya en Sumitra maakten zich op om, met hun dienaressen, op reis te gaan. 

Kaikeyi, die overweldigd werd door berouw over haar dwalingen en zonden, zocht Kausalya op en bad om mee te mogen gaan met de andere koninginnen. Zij smeekte dat haar de gelegenheid gegeven zou worden om vergiffenis te bidden en zich bij de anderen te voegen in hun pogingen Rama tot terugkeer naar Ayodhya te bewegen. Kausalya, die een rein en zuiver hart had, koesterde niet de minste twijfel en had geen enkele neiging om af te wijken van haar gevoel voor rechtvaardigheid; zij liet Kaikeyi weten dat deze haar vanzelfsprekend mocht vergezellen. 

Men stelde Bharata ervan op de hoogte dat de ganse bevolking van de hoofdstad op de been was. Hij zei de ministers ervoor te zorgen dat althans een aantal mensen achterbleef om de stad te bewaken en haar niet onverdedigd achter te laten. Aldus geschiedde. Voor elk huis stonden de voertuigen reeds in de nachtelijke uren gereed, opdat de bewoners zich zo vroeg mogelijk bij de uittocht konden aansluiten. Alles wat maar wielen had, werd voor het reisdoel ingezet. Er werd gezorgd voor eten en drinken voor de ganse mensenmenigte. De mannen en vrouwen van Ayodhya wachtten als casarka's (soort eend) op de eerste tekenen van de nieuwe dag, zodat zij op weg konden gaan naar hun innig geliefde Heer. Voor de burgers was het een nacht vol extatische verwachting; zij brachten de tijd door in contemplatie op de darshan die in het verschiet lag. 

Het leger, met alle eenheden aan strijdwagens, olifanten, cavalerie en infanterie, stond gereed om af te marcheren. Vedische schriftgeleerden kregen van de minister opdracht voort te gaan met het reciteren van passende en heilbrengende gezangen; tevens moesten zij alle ceremoniele benodigdheden voor de rituele vuuroffers meenemen. Precies op het tijdstip dat de astrologen hadden berekend als zijnde het gunstigst voor het begin van de reis, werden eerst de strijdwagens voor Bharata en Shatrughna en daaropvolgend de draagstoel voor koningin Kausalya aan de ingang van het paleis gebracht. Bharata beval dat eenieder moest plaatsnemen in de hem of haar toegewezen wagen. Bharata en Shatrughna lieten hun wagen leeg doorrijden en gingen er blootsvoets naast lopen. 

Men dacht dat zij wellicht korte tijd op deze wijze zouden voortgaan en slechts een kleine afstand afleggen. Het bleek evenwel dat Bharata niet van zins was in de wagen plaats te nemen, hoe groot de afstand ook zou blijken te zijn. Kausalya kon het niet verdragen. Zij sprak: 'Zoon! Ik kan het niet aanzien dat je te voet gaat. Laat je tenminste enige tijd rijden.' Hierop antwoordde Bharata: 'Moeder! Dit is louter boetedoening voor de zonden die mij bezwaren. Ais ik nu op de weg loop, lijd ik dan ook maar een fractie van wat Rama en Sita moeten lijden in het woud waar zij blootsvoets gaan? Zolang zij barrevoets lopen, zou het een zonde zijn als ik, hun dienaar, in een wagen zou rijden. Vergeef mij dat ik uw bevel niet gehoorzaam; sta mij toe verder te lopen.' 

Vasishtha, de raadsman der koninklijke familie, en zijn gade Arundathi, die gezeten waren in de voorafgaande wagen, hadden intussen hun voertuig laten stilhouden en ziend hoe vastbesloten Bharata was, verzochten zij hem dringend dan tenminste bij hen in de wagen te komen en als hun wagenmenner te fungeren. Doch Bharata was niet te vermurwen. Hij sprak: 'Ik ben Rama's dienaar en heb derhalve slechts met zijn wagen van doen. Tot het ogenblik dat mij de kostbare kans wordt gegund om als zijn wagenmenner op te treden, zal ik in geen enkele wagen rijden, of de teugels van enig ander strijdros in handen nemen. Dit is mijn gelofte.' Vasishtha staakte zijn pogingen om Bharata te overreden; hij was oprecht verheugd over de liefde en de diepe eerbied die Bharata Rama toedroeg. 

Tegen de avond van de eerste dag bereikten zij de oever van de rivier de Thamasa. De volgende dag kwamen zij tot de oever van de Gomathi. De Thamasa is een zijrivier van de Gogra, terwijl de Gomathi uitmondt in de Ganges. Zodra de duisternis inviel, werd halt gehouden en werden bejaarden, vrouwen en kinderen van een onderdak voorzien. De minister droeg de soldaten op voedsel aan de mensen uit te delen, in de juiste volgorde en met gepast respect. Zolang de tocht duurde, verrichtte werkelijk iedereen de hem opgedragen taak zorgvuldig en enthousiast. Er werd nauwlettend op toegezien dat het niemand aan iets ontbrak. 

Bij het aanbreken van de derde dag zetten zij de tocht voort, tot zij bij de invallende duisternis Sringiverapuram bereikten. Toen de koning der Nishada's de enorme menigte en het marcherende leger zag naderen, was hij verontrust; hij vroeg zich af waarom Bharata op weg was naar het woud en waarom hij werd begeleid door een voltallig leger. Wat had dit alles te betekenen? Hij zocht naar een antwoord op die vraag. Hij overwoog de voor- en nadelen van deze ongewone gang van zaken. Hij zei bij zichzelf: 'Als de boom giftig is, dan moeten de vruchten ervan evenzo giftig zijn.í Hij deed alle mogelijke moeite om Bharata's plannen te verijdelen; hij gaf zijn mannen opdracht om alle boten in de Ganges tot zinken te brengen, zodat de prins alle middelen werden ontnomen om de rivier over te steken. Hij zei hun ervoor te zorgen dat de mensenmassa niet naar de overkant kon komen, al moest hun dat het leven kosten. 

De koning der Nishada's stond met pijl en boog paraat om aan te vallen. Hij wist dat de krijgsmacht onder Bharata's bevel de zijne verre in sterkte overtrof, doch hij was bereid zijn leven te offeren voor zijn geliefde Rama. 

Guha waarschuwde de ganse bevolking dat men voorbereid moest zijn op een eventuele veldslag. Toen maakte hij zich gereed voor een ontmoeting met Bharata, om erachter te komen of diens bedoelingen vijandig of vriendelijk waren, of dat hij neutraal was, slechts een bezoeker op doorreis over wie men zich geen zorgen hoefde te maken. Wetend dat Bharata een prins van keizerlijken bloede was, voorzag hij zich van grote hoeveelheden bloemen, vruchten, vlees en vis om deze aan Bharata aan te kunnen bieden. 

Guha wilde Bharata's heimelijke bedoelingen te weten komen aan de hand van diens reactie op de verschillende eetwaren die hem aangeboden werden. Wortel- en knolgewassen en fruit zijn sattvisch voedsel; als hij daaraan de voorkeur gaf, mocht hij beschouwd worden als een vriend. Het vlees van geslachte dieren is rajasisch voedsel; een voorkeur daarvoor zou hem kenmerken als gematigd, neutraal, noch bondgenoot, noch tegenstander. Vis, met graagte aanvaard, zou wijzen op vijandigheid, want vis is tamasisch voedsel. 

Met deze gaven bij zich begaf Guha, de hoofdman der Nishada's, zich naar Bharata. Hij werd vanaf de eerste stap door goede voortekenen begroet. Zijn blik viel op de wijze Vasishtha. Hij liep haastig op hem toe en wierp zich aan zijn voeten, zeggend wie hij was. De geestelijk leidsman herkende in hem Rama's metgezel; hij zegende de hoofdman en, Bharata bij zich roepend, vertelde hij dat Guha een vriend was van Rama. Zodra hij dat hoorde, omhelsde Bharata Guha met grote hartelijkheid en vroeg hem honderduit over zijn gezondheid en welzijn. Vervolgens bracht hij Guha ertoe hem te vertellen op welke wijze hij Rama had ontmoet. Toen Guha vertelde dat Rama een ganse nacht bij hem had doorgebracht aan de oever van deze zelfde Ganges, gaf Bharata blijk van een hevig verlangen om een beschrijving van die nacht te horen; zijn ogen en oren dorstten naar de nectar van dit relaas. 

De koning der Nishada's was een en al lof en verering jegens Rama; hij toonde Bharata de hut met het strodak die hij voor Rama, Sita en Lakshmana had ingericht, zodat zij er enige tijd konden uitrusten; hij vertelde over het nachtelijke gesprek dat hij met Lakshmana had gevoerd. Bij het aanhoren van dit alles konden Bharata en Shatrughna hun tranen niet bedwingen; zij waren niet bij machte het verdriet dat in hen opwelde te onderdrukken. Toen Guha hen gadesloeg, was hij overtuigd dat zij zuiver broederlijke gevoelens voor Rama koesterden en dat er geen spoor van vijandigheid in hen was. Hij werd getroffen door hun toewijding en hun oprechte trouw. 

Aandachtig bekeek Bharata de hutten die speciaal voor Sita, Rama en Lakshmana waren gebouwd; hij gaf de wens te kennen dat zij zorgvuldig onderhouden zouden worden, zodat zij niet zouden vervallen. Gehoor gevend aan Vasishtha's aanwijzingen, volvoerde Bharata het ceremoniele bad in de Ganges, samen met zijn moeders. Bharata verzocht Guha hem naar de plaats te leiden waar Rama de nacht had doorgebracht. Wijzend op een hoop darbha-gras die door de wind was verstrooid, sprak Guha: 'Sita en Rama sliepen hier die nacht, op dit bed van droog gras.' Bharata en Shatrughna knielden eerbiedig neer bij die heilige plaats. Bharata weeklaagde: 'Ach! Mijn Heer die gewoon was te slapen op een zacht, goed gevuld, zijden bed, hoe kon Hij op dit leger de slaap vatten? En ach, hoe kon die heilige moeder Sita zulk ongemak doorstaan?' Overmand door smart als hij was, kon Bharata lange tijd niet van die plaats wegkomen. 

Toen hij weer opstond, verzocht Bharata om de plaatsen te mogen zien die door de voetstappen van Rama, Sita en Lakshmana waren geheiligd. Guha nam hen mee naar een Asokaboom; zij zaten enige tijd in zijn schaduw en gebruikten een karig maal van vruchten. Ook op deze plaats wierpen de broeders zich vol eerbied ter aarde, wetend dat zij zich op heilige grond bevonden. 

Terwijl zij een rondgang maakten langs de plaatsen die door Rama, Sita en Lakshmana geheiligd waren, leden de twee broers onbeschrijfelijke zielepijn. De nederigheid, eerbied en toewijding waarvan zij blijk gaven, beroerden het hart van de hoofdman. Bharata was zijn gevoelens van diepe smart niet langer meester als hij eraan dacht welke ongemakken Sita moest verduren -zij die de godin Mahalakshmi zelf was, de innig geliefde dochter van keizer Janaka, de schoondochter van keizer Dasharatha en de gemalin van Rama, de machtige. Bharata bekende Guha dat de bewoners van Ayodhya niet langer in de stad konden leven omdat het heilige paar Rama en Sita de stad verlaten had; zij ervoeren het alsof Ayodhya in een wildernis veranderd was door Rama's afwezigheid. Hij zei dat hun verdriet ook hem ondraaglijk was, doch dat hij tevens besefte dat elke plaats waar Rama zich bevond, Ayodhya was. Daarom legde hij uit, was hij derwaarts gekomen met zijn volgelingen en met de inwoners van Ayodhya, om in Rama's heilige tegenwoordigheid te zijn. 

De situatie was Guha thans geheel duidelijk; hij liet al zijn aanvankelijke wantrouwen varen toen hij zag hoe Bharata zijn leger aanvoerde met de vier onderdelen infanterie, cavalerie, olifanten en strijdwagens, op weg naar het oerwoud, naar Rama. Nu legde hij zijn hart open voor Bharata en smeekte hem om vergiffenis voor de twijfel aan diens goede bedoelingen die in hem was gerezen. Bharata antwoordde dat Guha's vrees begrijpelijk was en dat hij hem daarmee geen onrecht had aangedaan. Want het was waar, hij was inderdaad een boosaardige bruut! 'Ik ben de oorzaak dat Rama deze verbanning moet doorstaan', sprak hij. 'Voor die misdaad verdien ik ter dood gebracht te worden; hij die mij doodt, begaat geen zonde', kreunde hij. Toen Bharata zichzelf zo meedogenloos veroordeelde, bad Guha vurig om vergeving. 

In Sringiverapura, de hoofdstad van Nishada, had het nieuws zich verbreid dat Bharata naar de oever van de Ganges was gekomen. Onmiddellijk zonden Guha's onderdanen afgezanten naar de broeder van Rama, om hem eer te bewijzen. Hun ogen laafden zich aan de schoonheid en majesteit van Bharata en Shatrughna; zij prezen hen naar hartelust en wierpen zich eerbiedig aan hun voeten. Maar ook spraken zij ronduit schande van koningin Kaikeyi's gedrag en zij namen het Brahma, de God van het noodlot, kwalijk dat Hij zo wreed was geweest. Hun tranen stroomden overvloedig. Zij verheerlijkten Rama in velerlei loftuitingen. Mannen, vrouwen, kinderen, niemand uitgezonderd, smeekten Bharata en Shatrughna om Sita, Rama en Lakshmana met hen mee terug te nemen. 

Bharata was sprakeloos bij deze uitingen van hevige smart om Rama's afwezigheid! De tranen rolden over zijn wangen. 'Het is mijn taak Rama te smeken naar Ayodhya terug te keren; wat de uitkomst van mijn bede is, hangt af van Rama's genade. Ik ben slechts een knecht; wie ben ik dat ik druk op Rama zou uitoefenen? Bid met mij mede; bid uit de grond van uw hart om Rama's terugkeer naar Ayodhya. Onze pijn en droefheid zullen gewis zijn hart doen smelten. Dit is onze plicht: laat uw gebeden de mijne ondersteunen, opdat zij verhoord worden. Rama is gekomen om de wereld te verlossen; Hij zal de smeekbeden van zijn volk niet negeren.' 

Bharata troostte en bemoedigde de Nishada's en alle andere toehoorders op een wijze die het meest tegemoetkwam aan hun verlangens en hun bevattingsvermogen. Het was intussen donker geworden en Bharata verzocht de hoofdman om zijn volk huiswaarts te doen keren. Allen die waren achtergebleven aten de vruchten die Guha had meegebracht en zij doorwaakten de ganse nacht, sprekend over Rama en zijn glorie. 

Toen de oostelijke hemel oplichtte en de nieuwe dag aankondigde, gaf Bharata de minister opdracht het volk te wekken. Samen met zijn broer baadde hij in de heilige Ganges; ook de koninginnen volvoerden het rituele ochtendbad. Iedereen maakte zich gereed om de reis te vervolgen. Guha bracht voldoende vaartuigen bijeen om de ganse mensenmenigte, de strijdwagens, de paarden en de legeronderdelen die Bharata begeleidden, naar de overkant van de Ganges te roeien. De operatie werd snel tot een succesvol einde gebracht. Toen hij zich ervan had vergewist dat iedereen naar de overzijde was vervoerd, trok Guha als eerste het oerwoud in om Bharata de weg te wijzen. De brahmanen en de geestelijke raadsman Vasishtha vormden een groep; achter hen liep de enorme stoet van burgers uit Ayodhya, die weer werd gevolgd door de verschillende legereenheden. Aldus werd de tocht voortgezet, tot Bharata in de middag de heilige Prayag bereikte, de plaats waar de Ganges en de Yamuna samenvloeien. Nog nimmer had Bharata een zo grote afstand te voet afgelegd; bijgevolg kreeg hij pijnlijke, ontstoken voetzolen. Toch sleepte hij zich voort, want hij ervoer zijn eigen pijn als een vergoeding voor het leed dat Rama was aangedaan. Hij negeerde zijn eigen ongemak, omdat hij zich slechts bewust was van de pijn die Rama op datzelfde ogenblik moest doorstaan.

Prayag staat bekend als Triveni (de driestroom), want ook de rivier de Sarasvati voegt zich op die heilige plaats samen met de Ganges en de Yamuna. De heiligheid wordt hierdoor verdrievoudigd. Zij baadden zich op dit beroemde samenvloeiingspunt met de voorgeschreven rituele handelingen. De kluizenaars en hun leerlingen, de zieners, de wijzen en de monniken van Prayaga waren opgetogen over de kans om hun ogen te laven aan de aanblik van Bharata. Zij zeiden tegen elkaar: 'O! Bharata is met dezelfde luister omgeven als Rama; zijn stralende verschijning is feitelijk gelijk aan die van Rama.' Eenieder die Bharata gadesloeg, durfde nauwelijks met de ogen te knipperen, uit vrees dat daarmee de betovering verbroken zou worden! 

De komst van de broers met hun leger, in het gezelschap van hun moeders en de ministers, was eveneens bekend geworden onder de bewoners der Bharadvaja-ashram in Prayaga. De wijze Bharadvaja zond zijn discipelen naar Bharata en nodigde hem en zijn gezelschap uit om de ashram te bezoeken. Bharata, die de uitnodiging als een bevel beschouwde, begaf zich onmiddellijk derwaarts met zijn gevolg. De broers wierpen zich ter aarde voor deze vorst der kloosterorden. Bharadvaja vatte hen bij de schouders, richtte hen op en trok hen vol genegenheid naar zich toe. Hij bood hun een verfrissende, koele drank aan. Hij merkte dat Bharata vol schaamte het hoofd liet hangen omdat hij bevreesd was dat zijn aandeel in Rama's verbanning aan het licht zou komen als hem vragen gesteld werden. Bharadvaja bespeurde de reden van zijn zwijgen en zijn beduchtheid. Hij sprak: 'Bharata! Wees onbezorgd; ik ben op de hoogte van alles wat er gebeurd is. Niemand kan de loop van het noodlot beinvloeden of veranderen. Waarom getreurd over de gunsten die uw moeder heeft afgedwongen? Daarvoor treft haar geen enkele blaam. Gods wil heeft haar ertoe gebracht om dergelijke gunsten te verlangen. Ik weet dat Kaikeyi Rama liefheeft als haar eigen adem; de reden dat haar gedachten deze wending namen, moet daarom niet worden gezocht op het niveau van menselijk denken en inzicht, doch uitsluitend in het goddelijke Plan. In de ogen der wereld heeft Kaikeyi een misstap begaan, maar weet wel dat alles overeenkomstig de wil van de Almachtige is geschied. 

Bharata! De wereld zal zich vol geestdrift verheugen over uw smetteloze naam en zij zal uw lot zingen. Men zal de Veda's nog hoger schatten omdat mensen als u door hun voorbeeldige leefwijze de vedische leringen demonstreren en hun kracht bewijzen. De zoon aan wie de vader het koninkrijk toevertrouwt, wordt bijgevolg geacht het recht te hebben op het besturen van dat rijk. Keizer Dasharatha, die nimmer versagende strijder voor waarheid, die heerser met de verlichte ziel, droeg aan u het keizerrijk over en gebood u te handelen overeenkomstig de rechtschapenheid (dharma) die van vorsten wordt verlangd. 

Rama's verbanning naar het oerwoud heeft een reeks rampen tot gevolg gehad. Deze gebeurtenis heeft de ganse wereld in rouw gedompeld. Uw moeder heeft deerniswekkend veel berouw over haar misstap; u bent onschuldig en vrij van elke blaam. Er kan u geen enkele smet aankleven wanneer u het koninkrijk regeert. Integendeel; het zal Rama verheugen te weten dat u het bewind hebt aanvaard. 

Ik moet daaraan toevoegen dat de taak die u op zich hebt genomen, werkelijk zeer prijzenswaardig is. Uw streven verdient de hoogste lof, want toewijding aan de lotusvoeten van Rama is de bron van alle voorspoed en van vooruitgang op het spirituele pad. Bharata! Ik verstout mij te verklaren dat er niemand zo deugdzaam en zo fortuinlijk is als u. U hebt bewezen dat u het waard bent de inniggeliefde jongere broer van Rama te zijn. Toen Hij op weg was naar het oerwoud, heeft Rama deze ashram door zijn aanwezigheid geheiligd. Rama heeft die avond tot middernacht voornamelijk over u en uw deugden gesproken. Sita, Rama en Lakshmana zijn met mij naar de Prayag gegaan voor hun rituele reiniging; zelfs terwijl zij aan het baden waren, dachten zij nog aan u! Rama was diep bedroefd dat Hij geen afscheid had kunnen nemen van u en van Shatrughna voor hij Ayodhya verliet. Ik kan u niet zeggen hoe groot de liefde is die Rama voor u koestert. 

Bovendien is Rama's liefde er immer op gericht het leed te verzachten van hen die hun toevlucht bij Hem zoeken. De ganse wereld is zijn familie; alle mensen zijn zijn vrienden en verwanten. Ik geloof dat u niets minder bent dan de liefde van Rama in menselijke gedaante. Wat u ervaart als een smet op uw naam, is voor mij een les, een voorbeeld en een inspiratie. Bharata! Ga niet gebukt onder droefenis! U bent in het bezit van het wensvervullende Juweel! Waarom zou u dan klagen dat u arm bent? De darshan van Sita, Rama en Lakshmana is waarlijk de schat die door alle spirituele aspiranten wordt gezocht. Die schat heb ik verworven; mijn ogen hebben zich verlustigd in die heilige aanblik (darshan). Ik heb met hen mogen spreken; ik was in hun nabijheid en kon hen zelfs aanraken. Ik had het voorrecht en het genoegen hun gastheer te zijn. Waarschijnlijk had ik nog enig geluk te goed, want nu mag ik tevens de vreugde smaken van uw darshan. Mijn hart is thans van gelukzaligheid vervuld; ik ben waarlijk gezegend.' 

Op deze wijze prees Bharadvaja, de grote wijze, Bharata voor zijn vele deugden en uitmuntende eigenschappen. Terwijl hij sprak, rolden er tranen van vreugde over de wangen van de eerbiedwaardige asceet. Bharata en Shatrughna waren met al hun gedachten bij Rama en zijn onbegrensde goddelijke liefde. Zij prezen zich gelukkig zijn broers te mogen zijn, doch hun vreugde werd onmiddellijk tenietgedaan door de idee dat ook zijzelf waren verbannen uit de nabijheid van die belichaming van liefde. Daarom vervielen zij tot grote somberheid en leden zij ondraaglijke en onzegbare zielepijn. Bharata boog diep voor de wijze, stond op en sprak met een door verdriet verstikte stem: 'Meester! U kent het verleden, het heden en de toekomst. U hebt de zuivere waarheid gesproken. U bent de meester der hoogste waarheid. Rama's macht en vermogens zijn ongeëvenaard. Ik ben vastbesloten in uw aanwezigheid niets dan de waarheid te spreken. Rama kent de zielenroerselen van de mens en weet wat het volk thans beangstigt en verontrust. Op dit ogenblik heb ik geen verdriet over het kwaad dat mijn moeder heeft bedreven. Ik ben niet bevreesd dat het volk mij de schuld zal geven van het onheil dat hen heeft getroffen. Ik gevoel zelfs geen wanhoop wanneer men zegt dat ik de hemel niet verdien. 

Mijn vader heeft tijdens zijn leven grote roem verworven; ook nu, na zijn dood, is zijn faam nog over de ganse wereld verspreid. Zodra zijn geliefde zoon Rama, met zijn broer Lakshmana, uit zijn nabijheid verdween, blies hij diezelfde dag nog zijn laatste adem uit. Hij heeft de schok van die dramatische gebeurtenis niet overleefd. Om hem hoeft men zich daarom geen zorgen meer te maken; doch des te meer om Sita, Rama en Lakshmana: zij trekken blootsvoets door het woud, dragen een ascetenkleed en zitten op matten van kusagras; zij wonen in hutten van takken en bladeren; hun huid verbrandt in de zon en zij worden doordrenkt in de regen; zij rillen van de koude, maar ook die kwelling verdragen zij. Zij moeten onnoemlijke ontberingen doorstaan in het oerwoud, nietwaar? Welnu, zeg mij, ben ik niet als enige verantwoordelijk voor deze ontberingen? Het is deze droeve wetenschap die alle uren van de dag en de nacht aan mij knaagt. Mijn maag weigert voedsel en de slaap wil mijn ogen niet sluiten. Mijn moeders gewetenloosheid steekt als een dolk in mijn hart. De list die zij heeft bedacht om mijn troonsbestijging te bewerkstelligen, heeft zich tegen mij gekeerd en zal mij te gronde richten. De hevige smart die mij innerlijk verteert, is niet te verlichten, wat men ook doet. Niets kan die pijn wegnemen. Ik zal niet genezen voordat Rama terugkeert naar Ayodhya. Er bestaat geen andere remedie die mij van deze kwelling kan verlossen.' 

De monniken die daar bijeengekomen waren, verblijdden zich om deze woorden van de prins. Bharadvaja zei tot hem: 'Zoon! Wees niet langer bedroefd. Zodra uw ogen de lotusvoeten van Rama aanschouwen, zal het verdriet dat u thans kwelt, verdwijnen als sneeuw voor de zon.' Ook de asceten troostten en bemoedigden hem op velerlei wijzen. Bharadvaja wenkte intussen een van zijn leerlingen en droeg hem op wortel- en knolgewassen en vruchten te halen en deze Bharata en Shatrughna aan te bieden. Hij gelastte zijn leerlingen bovendien te zorgen dat de adjudanten, ministers en hovelingen van eten werden voorzien, evenals de burgers van Ayodhya. In hun vurig verlangen naar Rama's darshan hadden zij allen de vele ontberingen onderweg zonder klagen doorstaan, omdat de pijn om gescheiden te zijn van hun geliefde Heer hun gedachten teisterde. 

In eerbiedige gehoorzaamheid aan Bharadvaja's bevel haastten de leerlingen zich om aan elk der gasten een overvloedig maal te offreren. De prinsen Bharata en Shatrughna, hun familie, de ministers en hovelingen, de schriftgeleerden en brahmanen, hun allen wachtte een feestelijk en gastvrij onthaal. Door de mysterieuze wilsbeschikking van de asceet was er voor iedereen meer dan genoeg voedsel, dat bovendien uitstekend was bereid. Bharata zag het vol bewondering aan. Het moet echter gezegd dat niet alleen de twee broers, doch ook het ganse gezelschap uit Ayodhya de praal en overvloed beschouwde als louter waardeloze materie! Dit alles bracht hun hart geenszins in verrukking. De heerlijke geuren van bloemen, de welriekende oliën en wierook, de sappige vruchten en de uitnodigende, smakelijk uitziende gerechten, vervulden hen met ontzag. De twee luisterrijke zetels die speciaal voor Bharata en Shatrughna waren opgesteld, tartten elke beschrijving. 

Toen alles gereed was, nodigde Bharadvaja iedereen uit de zaal binnen te gaan die voor deze gelegenheid was ingericht en zich aan het feestmaal te vergasten. Toen zij de wonderschone zaal betraden, werd Vasishtha met zijn gade naar hooggeplaatste zetels geleid die voor hen waren gereserveerd. De koninginnen traden in een aparte ruimte die voor hen was overdekt en afgezet; gebukt onder hun last van verdriet, gaven zij toch gehoor aan Bharadvaja's uitnodiging. 

Op dat ogenblik leidden Bharadvaja's discipelen met hun stralend gelaat de broers Bharata en Shatrughna binnen met gepaste eerbewijzen, volgens de gebruiken van de befaamde hermitage. De jonge asceten stonden aan weerszijden van de doorgang, wuivend met ceremoniële waaiers van jakhaar en onder het reciteren van vedische gezangen. De broers liepen naar de schitterende zetels die voor hen waren neergezet, doch zodra zij die genaderd waren, bogen zij hun hoofd en wierpen zich met nederig eerbetoon ter aarde. Zij namen de waaiers van de discipelen over en begonnen er eerbiedig mee te wuiven, elk aan een kant van de leeuwentronen! Zij aanbaden de tronen in plaats van erop te gaan zitten! De aanwezigen waren verbaasd over dit gebaar, dit eerbetoon aan de lege tronen. 

Toen de wijze hun verzocht op de zetels plaats te nemen, wierpen Bharata en Shatrughna zich aan zijn voeten en smeekten: 'Meester! Deze tronen behoren aan Sita en Rama, niet aan ons. Wij hebben op deze plaatsen geen recht. In deze heilige ashram zijn alleen deze beiden, de Godin Lakshmi en Narayana zelf ertoe gerechtigd de leeuwentronen te bezetten. Wij zijn hun dienaren; sta ons toe hen op deze wijze te dienen.' Deze woorden brachten de asceten en alle andere aanwezigen in vervoering en vervulden hen met vreugdevolle waardering. Onder elkaar prezen zij de onmetelijke diepte van de toewijding die de broers voor Rama koesterden. Zij weenden van blijdschap. De monniken stonden versteld van zoveel onwankelbaar geloof. 

De broers plaatsten de rijke maaltijd die hun was voorgezet als offerande voor de tronen, zich voorstellend dat de bekoorlijke gestalten van Sita en Rama daarop gezeten waren. Even later braken zij kleine stukjes af van de verschillende gerechten en legden die biddend op hun oogleden, om ze dan als offervoedsel tot zich te nemen. De pandits, de ministers en de adjudanten, evenals de burgers van Ayodhya, zij allen smeekten Bharadvaja hen te vergeven dat zij niet deelnamen aan het feestmaal, omdat zij naar hun zeggen niet van enig voedsel konden genieten, zolang zij zo overmand waren door verdriet om het gemis van Rama. Zij weigerden te eten, want slechts Rama's darshan zou hun bevrediging kunnen schenken; dat was het goddelijke voedsel waarnaar zij hunkerden. Zo hoog als het niveau was van Bharadvaja's gastvrijheid, zo diep was de droefgeestigheid waarin zij verzonken waren. Zij zeiden dat zij te zeer in beslag genomen waren door hun vurig verlangen naar de aanblik van Rama om zelfs maar aan eten te denken. De wijze moest uiteindelijk toegeven aan hun wens om met rust gelaten te worden; hij kon hen er niet toe bewegen aan het feestmaal deel te nemen. 

Allen maakten zich gereed om naar het woud te vertrekken, zelfs nog voor het eerste morgenlicht. Zij wierpen zich aan de voeten van Bharadvaja om diens zegen te ontvangen die tevens de toestemming inhield de ashram te verlaten. De dienaren liepen voorop om de weg te wijzen; zij werden op de voet gevold door de draagstoelen en de strijdwagens. Bharata liep daarachter, zijn hand op de schouder van Guha, de hoofdman der Nishada's. Hij was als een verpersoonlijking van broederliefde en toewijding. Hij droeg geen schoeisel om zijn voeten te beschermen tegen doornen en kiezelstenen, noch had hij een parasol om zich te beschermen tegen de brandende zon. Hij stond niemand toe een parasol boven zijn hoofd te houden. Niemand mocht hem schoeisel brengen. Doch de aarde had medelijden met hem en maakte het pad waarop hij liep zacht en liefelijk. Zolang de tocht duurde, verkwikte de wind hem met een verkoelende bries. De zon schoof een wolk tussen hem en zichzelf. 

Zij bereikten de oever van de rivier de Yamuna bij het invallend duister. De gehele nacht door was te zien hoe boten zich in groten getale aan de oever verzamelden. Zo kon, bij het aanbreken van de dag, de ganse mensenmassa tegelijkertijd naar de overzijde gebracht worden! Toen iedereen had gebaad en nadat men zich met eerbiedige dankbaarheid ter aarde had geworpen voor de heilige rivier, werd de tocht voortgezet. 


Hoofdstuk 17b: De broers ontmoeten elkaar

Bharata en Shatrughna liepen vanaf die plaats verder in het ascetenkleed dat zij die ochtend hadden aangetrokken. De ministers, de metgezellen van de prinsen en de adjudanten die met hen meeliepen, droegen de beeltenis van Sita en Rama in hun hart. Overal waar zij voorbijkwamen, bleven de dorpelingen vol ontzag staan als zij de vreemde stoet zagen passeren. Vrouwen die op weg waren naar de rivier om water te halen, zetten hun kruik op de grond en stonden sprakeloos van verbazing naar de broers te kijken, zonder zelfs maar met hun ogen te knipperen. Zij vroegen zich af wie zij voor zich hadden en kwamen tot de conclusie dat het diezelfde broers Rama en Lakshmana moesten zijn die nogmaals langskwamen, doch ditmaal zonder het gezelschap van Sita. Thans waren zij echter onder begeleiding van het leger, met strijdwagens, olifanten, paarden en voetvolk. Waar zou Sita toch zijn? Hoopvol en verlangend poogden zij haar tussen de voortbewegende menigte te ontdekken; toen zij haar niet zagen, deelden zij hun teleurstelling met hun vrienden in bedroefd gefluister. 

'Toen wij onlangs Rama en Lakshmana zagen, straalden de broers met de grootsheid van hun fysieke bekoorlijkheid, hun jeugd, hun deugdzaamheid en intelligentie. Doch het gelaat van deze twee wordt enigszins verduisterd door droefheid en daarom zijn zij wellicht niet degenen die hier de vorige maal langskwamení, redeneerde èèn van de vrouwen. Dit gesprek werd opgevangen door een verkenner van de koninklijke entourage, die het doorvertelde aan Bharata. 

Het duurde niet lang of het werd bekend dat de twee mannen Ramaís broers waren en dat zij op weg waren naar de plaats waar Rama was, om Hem te mogen aanschouwen en zijn zegen te ontvangen. Dit nieuws deed een vrouw die vrij ruw van aard was, in woede ontsteken. Wijzend naar Bharata riep zij uit: 'Kijk eens goed naar hem; dat regeert over het keizerrijk dat zijn vader hem gaf en als hij dan naar zijn broer Rama gaat voor diens darshan, neemt hij zijn leger mee! Hij moest zich schamen!í Zij werd in de rede gevallen door een andere vrouw, die sprak: 'Zuster, zo mag je niet spreken. Onze keizer Dasharatha kan nooit kinderen hebben verwekt die zo hardvochtig zijn. Bharata zal waarschijnlijk naar Rama gaan om Hem te smeken met hem terug te keren naar Ayodhya. Hij heeft de verschillende legeronderdelen bij zich om Rama met gepaste keizerlijke eer te begeleiden bij zijn terugkeer.' 

Een derde vrouw toonde haar instemming met deze zienswijze. Zij sprak: 'Ja, inderdaad. Wie weet welke slang zich in welke kuil op aarde verschuilt? Niemand mag uitspraken doen over het karakter van een ander. Wie kan de gevoelens en drijfveren beoordelen die anderen doen handelen? Hun motieven kunnen heel goed van de hoogste orde zijn. Daar weten wij niets van. Rama blijft echter standvastig trouw aan de waarheid. Hij zal niet naar Ayodhya terugkeren aleer Hij de volle veertien jaar in verbanning heeft doorgebracht, wie Hem ook op andere gedachten zal pogen te brengen en hoe men ook zal smeken. Hiervan ben ik overtuigd.' In deze trant bracht de vrouw haar edele gevoelens tot uiting. 

De verkenners deden aan hun meester Bharata en aan Shatrughna prompt verslag van hetgeen deze dorpsvrouwen hadden gezegd. Beiden waren zij zeer verblijd dat deze eenvoudige vrouwen van het platteland zo wonderbaarlijk goed de grootsheid van Rama hadden doorschouwd. Zij liepen voort, luisterend naar de uitingen van bewondering uit het volk voor Rama's deugden en voor hun eigen nederigheid en broederlijke toewijding. Rama was geen seconde uit hun gedachten. 

Onderweg ontmoetten zij vele brahmanen, asceten, monniken en andere heilige mannen; zij ontdekten dat allen die zij tegenkwamen, verdiept waren in dezelfde aangename taak: het verheerlijken van Rama's naam en van diens deugden. Bij elke ontmoeting wierp Bharata zich ter aarde voor deze heilige mannen en vroeg waar zij vandaan kwamen. Als zij dan met grote moeite de vervoering die in hen opwelde meester werden en uiteindelijk hun stem hervonden om te kunnen antwoorden, sloeg Bharata hen vol verwachting gade. Toen Bharata en Shatrughna hoorden dat zij op de terugweg waren na de zegening te hebben ervaren van de darshan van Sita, Rama en Lakshmana, wierpen zij zich voor hen ter aarde; zij stonden op terwijl de tranen van vreugde hun over de wangen stroomden. 

'O, wat bent u gezegend! Vertel ons, zeg het ons, hoe ver zijn zij hier vandaan? Waar zijn zij?', vroegen de broers aan een groepje en informeerden tevens naar de gezondheid en het welzijn van de heilige mannen zelf. Zodra zij begrepen dat er nog een grote afstand af te leggen was aleer zij bij Rama waren, besloten zij ter plekke de nacht door te brengen. 

Bij het aanbreken van de dag ontdekten zij dat zij zich dichtbij de Chitrakutaberg bevonden; dus zetten zij met verdubbelde spoed hun reis voort, gedreven door hun vurig verlangen naar het weerzien met Rama, Lakshmana en Sita, de moeder. Tegen het middaguur konden zij het gemurmel van de rivier de Mandakini horen en kwam de Chitrakuta duidelijk in zicht. Zodra hun ogen de heilige berg aanschouwden, wierpen de inwoners van Ayodhya en de twee broers zich vol eerbied ter aarde. Toen zij weer opgestaan waren, liepen zij met hernieuwde krachten voort. Degenen die oververmoeid waren geweest en de hoop hadden opgegeven om nog verder te kunnen, bemerkten plotseling dat zij enorme reserves aan energie bezaten. Zij liepen snel, zonder aandacht te schenken aan hun lichamelijke gesteldheid. Degenen die de draagstoelen torsten en zich op bloedende voeten hadden voortgesleept, ontdekten plotseling dat zij tijdens het voortsnellen werden gesterkt en aangemoedigd door het juichen van 'Jai, Jai' en het aanroepen van Rama's naam. 

Nog vÛÛr het ochtendgloren van die dag was Rama opgestaan. Hij vertrouwde Sita toe dat zijn vaders beeld vaker dan anders zijn bewustzijn binnendrong. Hierop sprak Sita: 'Heer! U weet dat ik nooit droom. Vannacht echter had ik een wonderschone droom. Ik kan zelfs niet zeggen dat het echt een droom was. Ik droomde dat Bharata en Satrughna zwak en moedeloos waren geworden doordat zij van U gescheiden zijn; dat zij, omdat het hun onmogelijk is gebleken ook maar een ogenblik in Ayodhya te leven zonder U, naar ons op weg zijn. En zij komen niet alleen; ook de inwoners van Ayodhya, evenals de koninginnen Kausalya, Sumitra en Kaikeyi komen naar ons toe.' De tranen kwamen Sita in de ogen terwijl zij deze ervaring beschreef. 

Rama riep Lakshmana bij zich en zei tot hem: 'Broer, je hebt het gehoord, nietwaar, het verhaal van Sita's droom? Dat wijst niet op goed nieuws, want Sita zag al die anderen in haar droom en ik zag in de mijne slechts mijn vader, hem alleen, zonder enige relatie tot de anderen. Het komt mij voor dat dit een slecht voorteken is. Komaan! Het beste is dat wij ons nu gaan baden.' Bijgevolg ging het drietal naar de rivier voor de rituele wassing. Op hetzelfde ogenblik vlogen er grote zwermen vogels over; in het noorden werd de hemel verduisterd door een grote stofwolk. Behalve vogels sloegen ook vele andere dieren in paniek op de vlucht. Toen hij dit ongewone voorval gewaar werd, klom Lakshmana in een boom om te zien wat daarvan de oorzaak was. Hij zag een voorttrekkend leger, met infanterie, cavalerie, strijdwagens en olifanten, op weg naar de plaats waar Sita, Rama en hijzelf verbleven. Hij kwam tot de conclusie dat het leger werd aangevoerd door een koning. Hij stelde Rama op de hoogte van hetgeen hij gezien had. Rama zei hem dat hiermee Sita's droom bewaarheid werd! Hij vond het raadzaam om snel naar de loofhut terug te keren. 

Intussen waren Bhils, Kiratha's en leden van andere stammen in het oerwoud naar Rama toe gerend; hortend en stotend brachten zij uit dat er een volledige krijgsmacht naar hun verblijfplaats op weg was en dat de strijdwagen van de koninklijke legeraanvoerder van een vlag was voorzien met het embleem van de banianboom. Sita, Rama en Lakshmana zagen hiermee hun conclusie bevestigd dat niemand minder dan Bharata naar hen toekwam. Daaraan twijfelden zij thans niet meer. Lakshmana was intussen steeds kwader geworden en stond te beven van woede. Ais het hem slechts om Rama's darshan te doen is, waarom moet hij dan met een volledig uitgerust leger aankomen, zo redeneerde hij. Die verachtelijke vrouw, zijn moeder, moet hem dat hebben aangeraden. Blijkbaar heeft hij ingestemd met haar boosaardige plan om de eenzame, ongewapende Rama in zijn schuilplaats in het oerwoud aan te vallen en te zorgen dat Hij niet kan terugkeren en regeren, veronderstelde hij. 

Lakshmana werd welhaast verteerd door de vlammen van de toorn die hij in zich voelde aanwakkeren. Zijn ogen waren als vurige kolen; zijn woorden werden scherp als dolkstoten. Rama werd zich bewust van de verandering in zijn broer. Hij sprak: 'Lakshmana! Laat je boosheid varen! Wees niet zo opgewonden, blijf kalm. Bharata is de rechtschapenheid in eigen persoon. Zijn liefde is onmetelijk groot. Hij verleent evenveel glans aan het koninklijk geslacht van Ikshvaku, als de lotusbloem aan het meer. Het is niet juist om iemand te belasteren die zo oprecht is, zo zuiver en heilig.' Terwijl Rama aldus de ware aard van Bharata's bedoelingen en gedachten beschreef, slaagde Hij erin Lakshmana's plotselinge woede te doen bekoelen. Niet lang daarna was het Bharata zelf die via enkele woudbewoners liet weten dat hij was gekomen voor Rama's darshan, samen met zijn broer Shatrughna, hun dienaren en volgelingen. Dit blijde nieuws maakte Rama gelukkig. Zoals de meren zich in de late herfst vullen met water, zo vulden Rama's lotusogen zich met tranen. 

Dit alles geschiedde terwijl Rama, Lakshmana en Sita zich na hun haastige bad terugspoedden naar de loofhut. Bharata zag hen toen zij bij de simpele hut aankwamen. Zijn hart werd verscheurd door hevige smart; gekweld riep hij Rama aan, ten prooi aan diepe vertwijfeling. Hij wierp zich aan Rama's voeten en lag snikkend terneer. Lakshmana zag hoezeer Bharata leed onder de afwezigheid van Rama, Sita en hemzelf, en hij besefte dat zijn oordeel over Bharata's bedoelingen wel zeer voorbarig en verkeerd was geweest! Hij werd innerlijk door berouw verscheurd; zijn hoofd was gebogen onder de last van zijn verdriet en evenals Bharata en Shatrughna stortte hij een vloed van tranen. 

Rama richtte zijn broers op en trachtte hun emoties tot rust te brengen en hun droefenis te verzachten. Terwijl Hij zich nog om zijn broers bekommerde, naderden de koninginnen Kausalya, Sumitra en Kaikeyi, de ministers, de koninklijke raadsman Vasishtha, de schriftgeleerden en de manschappen van de verschillende legeronderdelen; allen werden zij bij het aanschouwen van Rama overweldigd door vreugde en verdriet tegelijk. Hun droefheid bij de aanblik van Rama in het ascetenkleed zoals Hij naast de nederige hut stond, liet zich niet verdrijven door de vreugde bij het weerzien van hun innig geliefde prins. Zij jammerden en weenden met tranen van verdriet en dankbaarheid. Hun kreten van 'Rama! Rama!' die opstegen uit hun verscheurde hart, plantten zich voort over hemel en aarde. 

Rama sprak tot hen in tedere, liefdevolle bewoordingen en maande hun tot beheersing van hun emoties; toen liep Hij op de moeders toe, doch Hij kon de aanblik van dat toonbeeld van ongeluk en ellende niet verdragen. Hij besefte welk drama zich had voltrokken. Weldra had Hij zichzelf evenwel vertroost en bemoedigd. Hij trok Lakshmana naar zich toe en vertelde hem wat er was geschied. Omdat Rama meende dat het beter was als Lakshmana op de hoogte was van alle feiten, verzocht Hij Sumanthra, de trouwe eerste minister, alle bijzonderheden aan Lakshmana te vertellen, ook die met betrekking tot het bestuur van Ayodhya. Hierop viel Sumanthra terneer, omdat hij de loden last van verdriet niet langer kon dragen. Terwijl hij al snikkend zijn best deed om op te staan, sprak hij: 'Lakshmana! Hoe moeten wij nu verder zonder Dasharatha? Het verterend vuur van zijn smart om gescheiden te zijn van Rama, Sita en uzelf, deed hem tot as vergaan.' Tot Rama sprak hij: 'Ayodhya is in een wildernis veranderd. Waar men ook kijkt, ziet men slechts droefenis; alle geluid wordt overstemd door geweeklaag. Niet alleen mensen, maar ook vogels en andere dieren hebben de wil verloren om verder te leven toen U hen verliet. De overlevenden worden slechts in leven gehouden door de hoop op Uw terugkeer.' Toen hij dit hoorde, brak Lakshmana in tranen uit. Hij stond onbeweeglijk als een standbeeld en was niet tot reageren in staat. 

Zonder een woord liep Lakshmana op Rama toe. Toen stamelde hij: 'Ik kon mij niet voorstellen, zelfs niet in mijn dromen, dat ons een dergelijk vreselijk onheil zou treffen. Wij hebben onze vader niet kunnen bijstaan, zelfs niet in zijn laatste ogenblikken.' Rama troostte hem door te zeggen dat het geen nut heeft om te treuren over gedane zaken. 'Het lichamelijk omhulsel is zo vluchtig als een luchtbel in het water; vandaag of morgen spat het uiteen en verdwijnt', sprak Hij. Hij bracht vele morele stelregels naar voren, totdat zij samen naar de rivier gingen voor de rituele reiniging die is voorgeschreven wanneer men verneemt dat een naast familielid is gestorven. 

Sita was onderwijl naar haar schoonmoeders gelopen en raakte vol eerbied hun voeten aan. Daarna wierp zij zich aan de voeten van Vasishtha's gade. Zij begroette de vrouwen die uit Ayodhya waren gekomen en stelde hen met alle voorkomendheid op hun gemak door hen hartelijk te verwelkomen. Toen hun ogen Sita aanschouwden, weenden de koninginnen luid. De vrouwen van Ayodhya, die beseften in welke primitieve omstandigheden hun liefelijke jonge prinses zich bevond, werden zo overweldigd door verdriet dat ook zij in gejammer uitbraken. Toen Sita hoorde dat keizer Dasharatha zijn aardse lichaam had verlaten, wierp zij zich keer op keer aan de voeten der koninginnen, en zei: 'Ach! Wat zijn wij door het ongeluk getroffen! De keizer heeft het leven gelaten omdat hij niet kon verdragen van ons gescheiden te zijn!' Sita voelde zich als door een donderslag getroffen bij de tijding van Dasharatha's dood. Samen met de koninginnen weende zij langdurig om de onverwachte wending der gebeurtenissen. Die dag was niemand in staat iets te eten of te drinken; daartoe was allen de lust vergaan. De ganse dag en de daarop volgende nacht waren zij overgeleverd aan hun verdriet. 

Bij zonsopgang gaf Vasishtha Rama opdracht de dodenriten voor zijn gestorven vader te volvoeren. Deze werden verricht in strikte overeenstemming met de voorschriften uit de Shastra's. Het feit dat Sri Rama zelf de waterheiligende mantra reciteerde, verleende bijzondere wijding en werkzaamheid aan het ritueel. De mantra luidt: 'Moge het heilige water van Ganges, Yamuna, Godavari, Sarasvati, Narmada, Sindhu en Cauvery in deze kom stromen en het water daarin wijden.' 

Na de plechtigheid brachten Vasishtha, de ministers, de koninginnen en de burgers van Ayodhya twee volle dagen door met Rama, Sita en Lakshmana. Aan het einde van de tweede dag wendde Rama zich tot de geestelijke leidsman en sprak: 'Meester! Die stedelingen uit Ayodhya lijden hier grote ontberingen, met niets dan water om te drinken en knolgewassen om te eten. Kijkend naar Bharata en Shatrughna en ook naar de moeders, lijkt mij elke seconde een eeuw te duren. Het beste zou zijn als u naar de hoofdstad terugkeerde. U moet uw tijd hier op aarde doorbrengen; de keizer is ten hemel gevaren. Het is niet juist als ik de dringende noodzaak om terug te keren nog meer benadruk. Wees zo goed te handelen zoals dat u het meest heilzaam lijkt.' Met deze woorden knielde Rama aan Vasishtha's voeten. 

Vasishtha antwoordde: 'Rama! Heer van de Raghu- dynastie! Wat doet U zo spreken? Beseft U niet hoe gelukkig en tevreden deze mensen zijn nu zij het geluk hebben Uw bekoorlijke persoonlijkheid te aanschouwen?' Toen de burgers van Ayodhya Rama de wens hoorden uitspreken dat zij naar huis zouden terugkeren, voelde elk van hen zich heen en weer geslingerd tussen vrees en wanhoop, als een schip dat in volle zee door een orkaan wordt overvallen. Doch dat veranderde toen zij hoorden hoe Vasishtha hun zaak bepleitte. Zij voeren wederom in rustig vaarwater, als een schip met een vriendelijke bries in de zeilen. Zij verwierpen de gedachte aan een terugkeer naar de hoofdstad; zij wilden zich niet de gelukkige kans laten ontnemen die hun thans werd geboden: de rituele wassing driemaal daags in de rivier de Mandakini, of hun simpele maaltijden van vruchten, wortels en knollen die zijzelf in het woud hadden vergaard en bovenal om hun ogen te vergasten aan het beeld van Rama, Sita en Lakshmana en hun oren te vullen met Rama's verheffende en bezielende woorden. 

Sita wijdde zich aan het dienen van haar schoonmoeders, met grote geestdrift tegemoetkomend aan al hun behoeften. Zij troostte en bemoedigde hen; zij vertelde hun dat zij in dit woud een gelukkige tijd doorbracht en dat het haar aan niets ontbrak. Zij deed hen verbaasd staan over haar vastberadenheid en haar aanpassingsvermogen. Het maakte de moeders blij te weten dat Sita ondanks de ongunstige omstandigheden zo vol vreugde was. Hun eigen leed werd lichter te dragen toen zij zagen hoe sterk Sita zich hield. 

Bharata deed 's nachts geen oog dicht en overdag had hij niet de geringste eetlust. Terwijl het volk gelukkig was Rama te zien en bij Hem te zijn, vervulde Rama's aanblik Bharata en Shatrughna met verdriet en wanhoop. Zij konden het niet langer verdragen; zij wendden zich tot Vasishtha en wierpen zich aan diens voeten. Zij smeekten hem vurig om Rama te bewegen met Sita naar Ayodhya terug te keren en gaven op velerlei wijzen uitdrukking aan hun zielenpijn. De raadsman kende maar al te goed de kracht van Rama's geloof in idealen, de vasthoudendheid waarmee Hij zich hield aan zijn opvatting over waarheid, en zijn vaste wil om zijn vaders wensen te eerbiedigen. Hij was echter zo geroerd door Bharata's verdriet, dat hij niets wilde nalaten om Rama tot terugkeer te bewegen. 

Hij riep Rama bij zich en sprak: 'Rama! Verhoor de smeekbede van Bharata. Handel overeenkomstig de wensen van oprechte mensen, de belangen van het volk, van politieke beginselen en van richtlijnen uit de Veda's.' Rama begreep dat Vasishtha's woorden werden ingegeven door zijn genegenheid voor Bharata. Hij wist dat Bharata nimmer van het pad der rechtschapenheid zou afwijken, dat deze zijn opdrachten van ganser harte zou uitvoeren in gedachte, woord en daad, dat hij Hem immer zou volgen en zijn broers welzijn en voorspoed voor ogen had. Hij voelde zich gelukkig in die wetenschap. Daarom gaf Hij in tedere, liefdevolle bewoordingen antwoord op het voorstel van de wijze man en zei: 'Meester! U bent mijn getuige, mijn vaders voeten zijn mijn getuigen. Laat mij u dit verzekeren: Niemand is mij zo dierbaar als mijn broer Lakshmana. Niemand ter wereld heeft een broer die hem zo lief is als Bharata mij is. Zij die zich onderwerpen aan hun goeroe zijn voorwaar gelukkig; u hebt zoveel genegenheid voor hem en toont zoveel mededogen jegens hem; dat is zijn grootste schat. Bharata is jonger dan ik en daarom aarzel ik hem te prijzen in zijn aanwezigheid. Naar mijn mening moet Bharata nu zelf zeggen wat hij op het hart heeft.' Na deze woorden wierp Rama zich aan Vasishtha's voeten en nam vervolgens plaats. 

Vasishtha wendde zich tot Bharata, omdat hij Rama niet rechtstreeks kon antwoorden. Hij wist dat Bharata het land zou gaan regeren. Hij sprak: 'Laat alle twijfel en aarzeling varen. Rama is uw oudste broer; zijn mededogen kent geen grenzen. Open uw hart voor Hem en vertel Hem al wat u bezwaart.' Vasishtha's woorden gaven Bharata de indruk dat deze Rama's gedachten had gepeild en dat zij beiden hem gunstig gezind waren en ertoe neigden aan zijn verlangen te voldoen. Dus was hij verheugd over deze gunstige wending. 

Bharata stond bewegingloos voor Rama en Vasishtha. Zijn ogen, waarin tranen opwelden, glansden als de bladeren van de lotusbloem.

'De vereerde wijze heeft Rama reeds alles gezegd wat er te zeggen is. Wat zou ik nog moeten toevoegen aan de smeekbede die hij namens mij aan Rama heeft gericht? Ik weet heel goed hoe zachtaardig mijn Rama is. Hij kent geen toorn, zelfs niet jegens boosdoeners. Zijn liefde voor mij is grenzeloos, dat kan ik niet ontkennen. Schaamtegevoel doet mij zwijgen als ik voor Hem sta. Doch mijn liefde voor Hem doet mij vol vreugde naar Hem opzien; mijn ogen raken nimmer verzadigd, hoelang zij ook op Hem gericht zijn. God heeft mijn genegenheid voor Rama niet kunnen dulden; zoveel liefde tussen twee broers kon Hij niet aanzien. Hij beraamde derhalve deze tegenspoed en bezigde mijn eigen moeder als het instrument dat al deze ellende veroorzaakte. Ik weet dat het mij niet tot eer strekt als ik dit zeg. Hoe kan ik mijn geestelijke meerderheid bewijzen door mijn moeder verantwoordelijk te stellen? Als iemand zichzelf onschuldig verklaart, kan die bewering hem dan waarlijk van alle blaam zuiveren? Ikzelf aarzel om zoiets te verklaren, omdat ik eraan twijfel dat mijn moeder zo dwaas kan zijn en of ik zo goed en zo intelligent ben. Ik durf dat nauwelijks te beweren. Kunnen er zich parels vormen in schelpen die verdwaald zijn in een waterreservoir? Waarom zou ik anderen de schuld geven van mijn verdriet? Mijn ongeluk is zo onmetelijk groot als de oceaan. Ik weet dat deze ganse tragedie heeft plaatsgevonden tengevolge van zonden. Ik heb overal en met allerlei middelen een uitweg uit mijn smart gezocht. Ik zie nu in dat er slechts een uitweg is. Mijn goeroe is de grote wijze Vasishtha; Sita en Rama zijn mijn soevereine heersers. Daarom ben ik ervan overtuigd dat het mij goed zal gaan. Heer! Iets anders verlang ik niet. Rama! Vervul slechts deze ene wens van uw dienaar. Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna zijn alle vier de nakomelingen van keizer Dasharatha, dus zijn zij alle vier gelijkelijk verplicht de bevelen van hun vader te gehoorzamen. Een vader heeft al zijn zoons even lief. Er bestaat geen beperking of regel die voorschrijft dat de bevelen van de vader opgevolgd moeten worden door deze ene zoon of door een van de andere. U hebt tot dusverre de verantwoordelijkheid gedragen voor het uitvoeren van zijn bevelen. Thans is het onze beurt om de last der verbanning te dragen; Sita, Rama en Lakshmana moeten naar Ayodhya terugkeren en wij tweeën zullen als bannelingen in het oerwoud blijven tot de veertien jaar zijn verstreken. Verleen ons deze gunst en schenk ons Uw zegen.' Met deze woorden wierp Bharata zich aan Rama's voeten. 

Bij het aanhoren van Bharata's smeekbede, vulden Vasishtha's ogen zich met tranen van vreugde. Rama liet zich evenwel niet misleiden door diens redenering. Hij sprak: 'Bharata! Mij lijkt je denkwijze niet zo steekhoudend als je zelf schijnt te geloven. Het zou niet juist zijn aldus te handelen. Vraag mij alles wat je wilt, behalve dit.' 

Bharata antwoordde: 'In dat geval, broeder, sta Shatrughna en mij toe om bij U te blijven en U te dienen, zoals Lakshmana heeft gedaan; dan zal ons leven volkomen vervulling vinden en geheiligd zijn.' Maar Rama gaf zelfs aan deze smeekbede geen gehoor. Hij sprak: 'Bharata! Voor mij zowel als voor jou geldt dat vaders bevelen onschendbaar zijn; wij moeten er eerbiedig het hoofd voor buigen en ze zonder een woord van beklag uitvoeren. Voor ons is de meest gepaste handelwijze dat ik de bevelen opvolg die aan mij gegeven zijn en dat jij de bevelen opvolgt die aan jou uitgevaardigd zijn. Laat ons geen kostbare tijd verspillen aan zinloze praat; laten wij de mensen die van zo verre gekomen zijn en die tegen beter weten in zijn blijven hopen, verder leed besparen. Keer terug naar Ayodhya, dat je door het lot is toegewezen; keer terug met het volk en wees een rechtvaardig vorst.Ik zal de mij opgedragen taak vervullen en rechtvaardig handelen door het woudgebied dat mij is toevertrouwd te beschermen en te koesteren.' Bharata noch iemand anders wist na deze stellige uitspraak van Rama een tegenvoorstel te doen of betere argumenten aan te voeren. Zij moesten allen aanvaarden dat dit de juiste weg was. 

Bharata werd door smart overmand. Hij klaagde: 'Wie anders dan ik wordt zo door God overstelpt met ondraaglijk verdriet, omdat ik het ongeluk heb de zoon te zijn van een moeder die Rama, Sita en Lakshmana als haar vijanden beschouwde? Ja, broeder! Ik hoorde dat U het woud inliep op blote voeten, zonder enige bescherming tegen doornen en kiezelstenen. Dit bericht doorstak mijn hart als een scherpe speer; toch bleef ik in leven! Ik ben de oorzaak van al deze rampspoed. Omdat ik echter een groot zondaar ben, leef ik nog; ware ik dat niet, dan had ik reeds lang geleden mijn lichaam afgeworpen. Zelfs toen Guha mij verdacht van verraad jegens mijn broer, en op het punt stond als aanvoerder van zijn leger de strijd met mij aan te binden, zelfs toen verliet de adem mijn lichaam niet! Ach! Mijn hart is harder dan diamant; daarom is het in weerwil van die zware slagen nog niet gebroken. 

Ik zie kalm toe hoe het drama zich voltrekt waarvan ik de oorzaak ben; toch ben ik zo onfortuinlijk dat ik de schok van zoveel verdriet kan doorstaan. Mijn moeder draagt zulk een afschuwelijk vergif in zich, dat schorpioenen en slangen zich uit louter schaamte ontdoen van hun trotse wapen. Hoe kan God toelaten dat de zoon van een dergelijke moeder de gevolgen van dat noodlot ontloopt?' Bharata was aan zoveel hevige zelfkwelling ten prooi dat de burgers, de koninginnen en de anderen die hem gadesloegen in zijn wanhoop, zijn berouw, zijn nederigheid, zijn eerbied en broederliefde, er diep door getroffen werden. Zij brachten Bharata menig voorval uit de Purana's in herinnering om hem over zijn diepe neerslachtigheid heen te helpen. 

Toen richtte Rama het woord tot Bharata. Hij sprak: 'Broeder! Waarom geef je toe aan zoveel wanhoop? Je verdriet is zinloos. Men kan het noodlot niet afwenden. Je zult overal en te allen tijde worden geeerd door goede, deugdzame mensen; degenen die jou van onwaarachtigheid of gewetenloosheid betichten, zullen in dit en in hun volgende leven in ellende verkeren. En wat betreft het veroordelen van je eigen moeder: die misdaad zal slechts de ongelukkige begaan die niet is opgevoed omgeven door deugdzame mensen of aan de voeten van een preceptor. Bharata! Men zal zich je naam lang blijven herinneren en allen die zich de naam weer voor de geest roepen, zullen door die onzichtbare invloed hun slechte eigenschappen overwinnen. 

Je zult roem verwerven in deze wereld en gelukzaligheid in het hiernamaals. Je idealen en je heerschappij zullen de wereld schragen en in stand houden. Bharata! Men kan haat noch liefde onderdrukken en in het hart verborgen houden. Deze gevoelens moeten tot uitdrukking komen, ondanks alle pogingen ze in het hart te bewaren. Ik ken je zeer goed. Om de waarheid hoog te houden liet de keizer mij gaan en hij liet zelfs het leven toen hij gescheiden werd van mij die hij zozeer liefhad. Het mag niet gebeuren dat zonen als jij of ik de belofte schenden van een zo liefhebbende vader. Aarzel daarom niet langer. Zeg mij wat je op het hart hebt, vraag mij wat je wilt weten en neem dan vastberaden de jou opgedragen taken ter hand. Dat is voor jou de aangewezen weg.' Rama sprak deze woorden met grote overtuigingskracht uit. 

Bharata kreeg niet de gelegenheid langer te spreken over zijn diepste verlangens. Hij besloot evenwel nog een laatste verzoek naar voren te brengen. 'Rama! Het koninkrijk waarvan U afstand hebt gedaan en dat aanleiding is geweest tot deze voor U zo schandelijke verbanning, wens ik niet te regeren; noch koester ik enige liefde voor dat rijk. Ik zal nooit of te nimmer tegen Uw wil of bevel ingaan. U hoeft mij slechts liefdevol aan te zien, zonder een spoor van boosheid, en ik zal mij gezegend weten. Lakshmana heeft U nu zolang mogen dienen; zend hem samen met Shatrughna terug naar Ayodhya en laat mij zijn plaats aan uw voeten innemen. 

Deze uitwisseling zal ons beiden tot eer strekken. Lakshmana is een geboren leider; hij zal het keizerrijk met wijsheid en met vaste hand besturen en de ziel van onze gestorven vader in vrede doen rusten. Verhoor mijn gebed en laat mij bij U blijven; wijs mijn verzoek niet af en verstoot mij niet.' Terwijl hij op deze deerniswekkende wijze smeekte, hield Bharata Rama's voeten vast. 

'Of', vervolgde Bharata, 'wees zo goed om met Sita naar Ayodhya terug te keren en daar te blijven. Uw drie broers zullen in het woud wonen en hier hun leven voortzetten volgens de regels die U hun voorschrijft. Als U daarentegen deze koninklijke taak op mijn schouders legt, kan ik onder deze zware last niet in leven blijven. Houd mij bij U, aan Uw voeten, en geef mij een last te dragen die duizendmaal zwaarder is dan die van het keizerrijk, dan zal ik die met grote vreugde en veel enthousiasme op mij nemen. Ik weet niets van staatsbestuur of van moraalfilosofie; U zult begrijpen dat iemand die door droefheid overstelpt is, geen wijsheid bezit. Niets is voor een vorst zo beschamend als schaamteloos te worden tegengesproken door zijn dienaar, of door hem te worden gewezen op gebrek aan kennis. Breng mij niet in een dergelijke positie. Rama! Ik laat U in mijn hart kijken en onthul U mijn diepste gevoelens. Mijn enige wens is het welzijn van de wereld te bevorderen. Wees zo goed voor elk van ons de juiste weg te bepalen en twijfel niet aan onze goede bedoelingen. Schenk ons Uw genade en beveel ons naar Uw goeddunken. Wij zullen in eerbiedige trouw het hoofd buigen en Uw bevelen zonder aarzeling opvolgen.' 

Bharata's woorden vervulden de enorme schare toehoorders met grote vreugde. Hun harten smolten van mededogen en dankbaarheid. Zij bezongen in alle toonaarden de liefde die Bharata koesterde voor zijn broer Rama en het vertrouwen dat hij in Hem stelde. De diepe toewijding die hij liet blijken, ontroerde hen. Allen smeekten zij eenstemmig: 'Rama! Heer! Verhoor Bharata's bede. Met het heengaan van keizer Dasharatha zijn ook de glorie en het geluk vervlogen die het volk zo lang gekend heeft. Deze arme wereld is ouderloos geworden. Ayodhya's klaagzang is die van een wanhopig, verloren kind. Gelijk een kuise vrouw wier heer haar verlaten heeft, beweent zij haar lot.' 

En wat moeten wij zeggen van Kaikeyi, de eenzame, ongelukkige koningin! Terwijl zij daar stond in de menigte, knaagde het verdriet aan haar hart. Zij zon op een gelegenheid om uit te leggen waarom zij haar misstappen had begaan. Zij deed haar uiterste best om alleen met Rama te spreken, zodat zij Hem om vergiffenis kon smeken, maar het lukte haar niet. Bovendien schaamde zij zich te zeer om zich aan Rama te vertonen. Zij vroeg zich af waarom zij Rama, die zij zo innig liefhad, ooit had kunnen blootstellen aan alle ontberingen en beproevingen waarvan zij thans getuige was. Rama was haar levensadem; derhalve was zij ervan overtuigd dat zij uit zichzelf nooit in staat zou zijn Hem schade te berokkenen. Zij vermoedde dat deze treurige reeks gebeurtenissen veroorzaakt was onder invloed van een boze macht waarvan zij bezeten was geweest. Zij zei tegen zichzelf dat de wereld haar echter nimmer zou vergeven, hoe stellig zij ook kon beweren dat het buiten haar toedoen was geschied. Kaikeyi werd zozeer verscheurd door twijfel en bange vermoedens dat zij niet bij machte was naar Rama toe te gaan om met Hem te spreken; zij was echter evenmin in staat van Hem weg te lopen, want zij verlangde vurig naar bevrijding van haar last. Zo stond zij daar, zwak en kwetsbaar, angstig en onzeker. 

Rama bemerkte hoe verontrust Kaikeyi was en gebruikmakend van een gunstige gelegenheid, liep Hij op haar toe om zich aan haar voeten te werpen en haar zijn hulde te bewijzen. 

Dit was de kans waarop Kaikeyi gewacht had. Zij greep Rama's voeten vast en sprak: 'Kind! U bent veel jonger dan ik; U bent mijn zoon. Toch bent U door uw rechtschapenheid en wijsheid Heer en Meester van de gehele wereld. Ik doe niets verkeerds als ik Uw voeten vasthoud. Nu dan, heers over Ayodhya. Vergeef mij mijn zonden; slechts dan kan ik verlost worden van de schande die ik over mijzelf heb afgeroepen. Als dat niet zo mag zijn, laat Bharata dan bij U mogen blijven als Uw dienaar. Verleen mij deze gunst. Dan zal ik innerlijke vrede hebben zolang ik leef; als deze wens is vervuld, hoef ik niet langer te leven. Ik ben zelf geschokt dat ik zo begerig ben geweest naar de verwezenlijking van twee wensen die zelfs het meest boosaardige monster nog niet gekoesterd zou hebben. Heb ik om die gunsten gevraagd als de koningsdochter uit het rijk van Kekaya, of heb ik die woorden gesproken terwijl ik door een kwade geest bezeten was? Stond ik wellicht onder de verderfelijke invloed van een kwaad gesternte? Ik weet het werkelijk niet.' Zij weende luid en smartelijk en hield daarbij stevig Rama's handen vast. 


Hoofdstuk 17c: De broers ontmoeten elkaar

Kaikeyi's wanhopige verdriet bracht tranen in Rama's ogen. Hij bracht haar tot bedaren met zachte, zoete woorden. Hij sprak: 'Moeder! U hebt geen kwaad gedaan, zelfs niet in de geringste mate. Een mensenmassa is als een zwerm kraaien. In het wilde weg krassen zij luid en scherp, zonder enige bedoeling. De mens tracht niet achter de waarheid te komen; in zijn onwetendheid kletst hij maar wat, zoals het in zijn hoofd opkomt. Die gunsten waarover u sprak, heeft u niet uit eigen vrije wil gevraagd, in het volle besef van de gevolgen. Alles is aldus geschied omdat het mijn wil was dat het zo zou geschieden. U hebt veel bijgedragen aan de verwezenlijking van het doel waarvoor ik geïncarneerd ben en aan de taak die ik mijzelf heb gesteld. U hebt mij geen schade berokkend. Moeder! Het berouwt mij ten zeerste dat ik u zolang om vergeving heb laten smeken; ik had u van meet af aan mijn dankbaarheid moeten tonen voor de steun die u mij hebt bewezen bij mijn plannen voor de wereld. Treur niet over hetgeen is geschied, want dat zou een schaduw werpen op de vervulling van mijn taak en zou mij geen heil brengen. Zegen mij, moeder! Overlaad mij met uw liefde. Moeder! Zegen mij', bad Rama en wierp zich aan Kaikeyi's voeten. 

Terwijl Rama Kaikeyi op deze wijze toesprak, hervond zij enigszins haar innerlijke vrede. Kausalya en Sumitra, de andere koninginnen, hadden eveneens Rama's woorden gehoord; toen zij beseften dat Kaikeyi slechts het onschuldige instrument was geweest van de goddelijke wil, troostten en bemoedigden ook zij hun zuster Kaikeyi. Deze bleef niettemin bij haar wens en haar bede dat Rama de troon zou aanvaarden, dat Hij die zou bestijgen als de keizer van Ayodhya, met Sita aan zijn zijde als de keizerin; dat Lakshmana, Bharata en Shatrughna hen zouden dienen en hun trouwe metgezellen zouden zijn aan het Hof. Kaikeyi zei dat zij hoopte getuige te zijn van deze glorie en hoopte te delen in deze vervoering zolang zij leefde. Zij herhaalde deze woorden keer op keer en drong erop aan dat haar wens vervuld mocht worden. 

Zo bracht men vier dagen en nachten door in het woud, beurtelings biddend, smekend, troostend, verklarend, kalmerend, wenend en bemoedigend. In aller harten overheerste slechts èèn verlangen: Rama te bewegen naar de hoofdstad terug te keren. Tenslotte gebood Rama de koninklijke leermeester Vasishtha en Bharata terug te keren naar Ayodhya, samen met de koninginnen en de stedelingen. Het nieuws van dit bevel zaaide wanhoop onder de burgers; zij zeiden dat de plaats waar Rama zich bevond, voor hen zo heerlijk was als duizend hemelen bijeen en dat zij derhalve weigerden weg te gaan. Zij zeiden dat alleen degenen die door de Goden verstoten werden, het woud waar Rama was de rug zouden toekeren. Zij spraken: 'O wat een groot geluk ervaren wij hier! Baden in de heilige rivier de Mandakini, verrukkelijke vruchten eten om onze honger te stillen, de heilige aanblik genieten van Sita en Rama, die een lust zijn voor het oog en zo verblijdend voor het hart! Welke andere plaats geeft zoveel hemels geluk? Bestaat er nog grotere vreugde?' 

Zij bleven elkander in deze trant toespreken en besloten elk middel aan te grijpen om, als zij dan moesten vertrekken, Rama te bewegen met hen terug te keren. Eenieder uitte zijn diepste verlangens in woorden die gedrenkt waren in tedere liefde. Tenslotte zei een wijze, oude brahmaan: 'Welnu, als wij zoveel geluk genieten en het verdienen in dit woud beloond te worden met de zegenrijke, vreugdevolle nabijheid van Rama, zal Hij ons gewis hier laten verblijven. Als dat niet onze bestemming is, zal ons noodlot zelf Rama's hart zozeer verharden dat Hij ons terugstuurt naar Ayodhya. Als Rama ons niet genadig is, wie dan wel? Wat maakt het nog uit waar wij onze dagen slijten als dat niet in Rama's gezelschap kan zijn? Zonder Rama zijn wij meer dood dan levend.' Toen hij was uitgesproken, reageerden allen met de uitroep: 'Zo is het! Dat is waar! Het is volkomen juist wat hij zegt.' 

Na keizer Dasharatha's dood had de geestelijk raadsman van het Hof, Vasishtha, een boodschap naar keizer Janaka gezonden (In de lange stoet uit Ayodhya worden Sita's verwanten niet eerder genoemd, omdat zij als schoonfamilie een apart gezelschap vormden en niet als reisdoel hadden Rama tot terugkeer te bewegen, maar alleen Sita wilden weerzien). Zodra deze het bericht had ontvangen, was hij met zijn gemalin, koningin Sunayana, naar Ayodhya gekomen om de nabestaanden hun leedwezen te betuigen. Daar hoorden zij wat er was geschied. Toen Bharata eveneens arriveerde en later besloot door te reizen naar Chitrakuta, vergezeld van de moeders, Vasishtha en de leiders van het volk, hadden ook Janaka en zijn gemalin zich bij hen aangesloten. Zij hadden reeds lang op een gunstige gelegenheid gewacht om Sita en Rama weer te zien. 

Sita's moeder zond een dienares eropuit om te vragen of Kausalya en de andere koninginnen haar konden ontvangen. Dus spoedde deze zich naar hun verblijfplaats. Het was de elfde dag van de wassende maan in de maand Jyeshta (May-June). Die dag ontmoetten de vier koninginnen elkander in het woud. Koningin Kausalya ontving koningin Sunayana met groot huldebetoon en bood haar eerbiedig een zetel aan. Het was de eerste maal dat de drie koninginnen Janaka's gade ontmoetten. 

Zodra koningin Sunayana de vorstinnen Kausalya, Sumitra en Kaikeyi aanschouwde, had zij het gevoel dat hun liefdevolle wijze van converseren, hun ingetogen manieren en hun mededogende, vriendschappelijke omgang, zelfs de hardste diamant zou doen smelten. Zij merkte op hoezeer de vorstinnen vermagerd waren en zag dat zij gebukt gingen onder groot verdriet. Hun ogen waren op de grond gericht en hun tranen vloeiden rijkelijk. De koninginnen verheerlijkten weliswaar de rechtschapenheid en andere uitmuntende eigenschappen van Sita en Rama, maar konden de aanhoudende stroom van hun smart niet tot staan brengen. 

Koningin Sunayana wist aanvankelijk niet wat te zeggen. Tenslotte sprak zij tot Kausalya: 'Moeder! Wat heeft het thans voor nut te treuren? De voorzienigheid heeft beschikt dat alles op deze schijnbaar onrechtvaardige wijze zou geschieden. Er is een mes met een diamanten lemmet gebruikt om de room van de melk te scheiden! Van het levenwekkende amrita, de hemelse nectar, hebben wij wel gehoord, doch gezien hebben wij het niet. Thans hebben wij evenwel het voorrecht het vergif te zien dat even krachtig is. Ons gezichtsvermogen evenaart zelfs niet dat van kraaien, ooievaars, gieren en uilen; daarom is het ons niet gegeven de hemelse Zwaan (Hamsa) te aanschouwen, wiens woongebied Manasasarovara is, het meer van het innerlijk bewustzijn. Koninginnen! Het spel van het noodlot is vol van tegenstrijdigheden en ongerijmdheden die even onvoorspelbaar zijn als het grillige gespeel van kinderen.' Terwijl Sunayana aldus poogde de koninginnen te troosten, kon zijzelf haar tranen niet bedwingen. 

Haar woorden deden Kausalya opmerken: 'Sunayana! Wat geschied is, is niet de schuld van èèn bepaalde persoon. Geluk en ongeluk, winst en verlies, alles is het gevolg van karma, de daden, woorden en gedachten van de mensen zelf. Staat er niet geschreven: 'Avasyam anubhakthavyam, krtham karma subha asubham?' Welke goede of slechte handelingen men ook verricht, de gevolgen zijn onvermijdelijk en deze moeten worden gedragen of genoten. God kent het proces van karma, dat gepaard gaat aan tegenspoed en lijden; Hij ziet eroptoe dat daad en gevolg met elkaar in overeenstemming zijn. Ieder mens staat onder dit goddelijk bevel. Koningin! Wij zijn verstrikt in begoocheling en trachten tevergeefs het verdriet te ontwijken. Waarom zouden de verdiensten die wij in vorige levens hebben vergaard, ons ontvallen in tijden van smart? Kan deze wet van oorzaak en gevolg, die de wereld reeds van vÛÛr zijn ontstaan heeft beheerst, om onzentwille buiten werking gesteld worden? Het is dwaasheid daarop te hopen.' Aldus besloot Kausalya, menigmaal zuchtend, haar poging om Sunayana te troosten. 

Toen Kausalya was uitgesproken, hernam koningin Sunayana het woord. 'Moeders! U bent werkelijk gezegend, want keizer Dasharatha geniet zoveel faam om zijn vrome verdienste, dat weinig vorsten daarop kunnen bogen. U bent de gemalinnen van deze edele mens. U bent de moeders van de belichaming van dharma, de verpersoonlijking van de liefde, Rama, wiens hart alle levende wezens met mededogen omvat. U hebt in de ganse wereld eeuwige roem verworven. Wat zojuist gezegd is, bevat de opperste waarheid. Geluk en ongeluk zijn als de twee kruiken die vÛÛr en achter de drager in evenwicht gehouden worden met de stang waaraan zij zijn bevestigd en die op de schouders gelegd wordt. Ieder mens krijgt deze beide in gelijke mate te dragen. Als men niet weet wat geluk is, herkent men het ongeluk evenmin, nietwaar? Na sukham labhyabbe sukham. Uit geluk kan geen geluk voortkomen, wel?' 

Af en toe snikkend en met een door tranen verstikte stem vervolgde zij: 'Indien Sita, Rama en Lakshmana in het woud blijven, wacht ons een tijd vol rampspoed. Ik weet dat Bharata het niet zal overleven van Rama gescheiden te zijn. Bij de aanblik van Bharata gevoel ik nog meer pijn dan wanneer ik Sita, Rama en Lakshmana zie. Ik word door vrees bevangen als ik aan Bharata denk.' Sumitra en Kaikeyi waren het volkomen met haar eens. Ook zij waren bedroefd om de toestand waarin Bharata verkeerde. 

Vervolgens nam Sumitra het woord. Zij sprak: 'Moeder! Dank zij uw zegen en uw heilwensen zijn onze zonen en schoondochters zo zuiver als de Ganges zelf. Bharata heeft zich er tot dusverre nimmer op laten voorstaan dat hij Rama's broer is, noch heeft hij ooit iets van Rama geëist. Thans vraagt hij echter op een sattvische, hoogst rechtschapen wijze van Rama dat deze zijn wensen vervult. Zelfs Sarasvati, de Godin der spraakkunst, zou aarzelen als zij de nederigheid, ruimhartigheid, broederlijke trouw, het standvastige geloof en de onbuigzame moed, kortom alle deugden moest beschrijven die Bharata kenmerken als een groot man. Kan men de inhoud van de oceaan meten met een slakkenhuis? 

Bharata is te allen tijde en onder alle omstandigheden het stralende licht van het koninklijke geslacht; het volk heeft dit echter tot nu toe nooit beseft. Aleer men de waarde van een juweel kan bepalen, moet het onder een loep worden bekeken; om de echtheid en het gehalte van goud vast te stellen, moet men een toetssteen aanwenden. Laten wij op dit ogenblik niet met wanhoop over hem spreken, nu ons gezonde verstand door verdriet wordt beïnvloed en misleid wordt door gehechtheid aan onze kinderen.' Sumitra droogde haar tranen toen zij met deze wijze, troostende woorden besloot. 

Luisterend naar Sumitra dacht Sunayana, de koningin van Mithila, bij zichzelf: 'De koninginnen van Ayodhya zijn waarlijk groots in hun edelmoedigheid; de èèn is zo mogelijk nog grootser dan de ander. Niet hun eigen kinderen prijzen zij, zoals moeders gewoonlijk doen; neen, zij verheerlijken de deugden der zonen van mede-echtgenoten. Dit is volkomen tegengesteld aan de aard van vrouwen zoals men die in de wereld ontmoet. Hoor hoe zij de zonen beschrijven en bewonderen die uit andere gemalinnen van hun echtgenoot geboren zijn! Deze vorstinnen, die geen onderscheid maken tussen hun eigen zoon en de zonen van anderen, zijn als moeder en als echtgenote een voorbeeld voor de ganse wereld. O, hoeveel ruimhartigheid spreekt hieruit, hoeveel zuiverheid, hoeveel volmaakte gevoelens van liefde!'.

Kausalya raapte al haar moed bijeen en sprak Sunayana als volgt toe: 'Koningin van Mithila! U bent de gade van de Oceaan der Wijsheid, keizer Janaka. Wie zou het wagen u te adviseren hoe u moet handelen? In onze onwetendheid praten wij maar wat. Toch wil ik u verzoeken keizer Janaka zo spoedig mogelijk, als hij in een ontvankelijke stemming is, deze woorden van mij over te brengen: 'Beweeg Rama ertoe om Bharata enige tijd bij Hem te laten blijven. Laat Lakshmana, omdat deze dit voorrecht reeds heeft genoten, naar Ayodhya gaan om toezicht te houden op de bestuurszaken en zend Shatrughna met hem mee om hem te steunen bij zijn verantwoordelijke taak in Ayodhya.' Als Rama hiermee instemt, lossen de andere problemen zich snel genoeg vanzelf op. Het enige dat mij zorgen baart, is Bharata's toestand. Zijn gehechtheid aan Rama en zijn liefde voor Hem zijn diepgeworteld en licht kwetsbaar. De keizer is heengegaan; Rama zal niet uit het woud terugkeren. Als Bharata niet kan verdragen van Rama gescheiden te zijn, zou dat zijn dood kunnen betekenen. Dan zou er niets van het keizerrijk overblijven dan een leeg omhulsel, een rijk zonder ziel! Mijn hart wordt verscheurd door angst en bezorgdheid wanneer ik aan de toekomst denk en aan het onheil dat ons wacht.' Kausalya hield de handen van koningin Sunayana vast in de hare geklemd en smeekte haar om deze opdracht te vervullen, te zorgen dat dit doel bereikt werd en zo hen allen gelukkig te maken. 

De genegenheid waarvan Kausalya blijk gaf en haar onwankelbare trouw aan dharma, ontroerden Sunayana. Zij sprak: 'Moeder! Nederigheid en deugdzaamheid zijn u aangeboren. Zij zijn een natuurlijke uiting van uw goedheid en uw edelmoedigheid, als rook boven het vuur en als gras op een bergrug. Vanzelfsprekend is keizer Janaka immer bereid u in gedachte, woord en daad te dienen. Niets is hem liever dan behulpzaam te zijn. Kan echter een lamp de zon verlichten? Rama is naar het woud gekomen om de taak te verrichten die de Goden Hem hebben opgedragen. Wanneer zijn taak eenmaal is volbracht, zal Hij zeker naar Ayodhya terugkomen en het keizerrijk regeren. Zijn machtige hand strekt zich uit naar alle mensen, van het laagste tot het hoogste spirituele ontwikkelingsniveau en zal hun de vervulling schenken van hun diepste verlangen. Langgeleden heeft de wijze Yajnavalkya zulks reeds onthuld. De waarheid van zijn woorden is onweerlegbaar.' 

Met deze woorden wierp Sunayana zich aan Kausalya's voeten. Zij nam afscheid van haar en begaf zich naar Sita's hut. Toen zij binnentrad en Sita aanschouwde, werd zij overweldigd door smart. Zij kon haar tranen niet bedwingen; snel liep zij op Sita toe en pakte haar armen vast. Sita sprak woorden van bemoediging en troost; zij ried haar aan vertrouwen te hebben en wierp zich eerbiedig aan haar moeders voeten. Zoals zij voor haar moeder stond in haar kluizenaarskleed, geleek zij Parvati, de gade van Shiva, in de tijd dat zij ascese (tapas) beoefende. Sunayana kon zich niet weerhouden te vragen: 'Mijn kind! Ben je werkelijk mijn Sita, of ben je Parvati?' Zij nam Sita's gestalte kalm en langdurig in zich op en werd vervuld van bewondering en blijdschap. 

Tenslotte sprak zij: 'O Sita! Door jou zijn twee families geheiligd: de familie van jouw ouders en die van je schoonouders. Jouw roem zal reiken tot aan de verste horizonten. De vloed van jouw vermaardheid zal als een krachtige rivier tussen twee oevers vloeien, de twee koninklijke geslachten van Mithila en Ayodhya. De Ganges kent slechts drie heilige plaatsen: Haridvara, Prayaga en Sagarasangama, waar zij uitmondt in de zee. Moge de stroom van jouw zuivere naam reiken tot in elk van deze plaatsen en ze wijden tot een heilige tempel.' 

Deze woorden vol waarheid, die haar moeder door liefde waren ingegeven, deden Sita blozen en het hoofd buigen alsof zij ten prooi was aan hevige schaamtegevoelens. Zij sprak: 'Moeder! Wat hebben deze woorden te betekenen? Waarop zijn deze van toepassing? In welk opzicht ben ik te vergelijken met de heilige Ganges?' Zij wierp zich ter aarde met het gelaat naar de Ganges gekeerd en bad om vergiffenis. 

Sunayana omhelsde haar dochter en streelde haar vol liefde en tederheid over het hoofd. 'Sita! Je deugden strekken alle vrouwen die een gezin bestieren ten voorbeeld en ter navolging.' Sita onderbrak haar met de woorden: 'Moeder! Als ik hier zo lang bij u blijf praten, laat ik misschien Rama op mij wachten. Sta mij daarom toe naar Rama te gaan om Hem van dienst te zijn.' Haar moeder begreep dat het Sita's diepste verlangen was haar Heer te dienen en dat zij haar daarbij niets in de weg mocht leggen. Zij overstelpte Sita met liefkozingen en sprak tenslotte: 'Mijn kind! Ga nu naar Rama en wijd je aan Hem.' Sita wierp zich aan haar moeders voeten en verliet de hut om Rama te dienen. 

Sunayana's gedachten verbleven langdurig bij Sita's eerbiedige toewijding aan haar gemaal en bij haar vele deugden. Haar ogen bleven onafgebroken Sita volgen totdat deze tenslotte uit het zicht was verdwenen. Sunayana bleef daar nog enige tijd staan, verzonken in bewondering. Zij werd uit haar mijmering gewekt door haar dienares die naderbij kwam en sprak: 'Moeder! Sita is naar binnen gegaan; wij kunnen het beste naar ons verblijf terugkeren.' Sunayana keerde zich abrupt om en wiste de tranen uit haar ogen; met aarzelende tred begaf zij zich naar de hut die haar was toegewezen. 

De zon was zojuist ondergegaan, dus begaven Rama en Lakshmana, Bharata en Shatrughna zich naar de rivier voor de avondriten, zoals de rituele reiniging en de eredienst aan de Goden bij het invallen van de duisternis. Zij werden daarbij vergezeld door schriftgeleerden, brahmanen, ministers en nog enkele anderen. Na het beëindigen van de ceremonie gebruikten zij een maaltijd van vruchten en knolgewassen en legden zich vervolgens ter ruste onder de bomen die hun per groep waren aangewezen. Toen de morgen aanbrak en de ochtendrituelen volvoerd waren, verzamelden allen zich rondom de strohut waar Rama verbleef. Rama trad naar buiten met een betoverende glimlach op zijn gelaat en liep tussen de mensenmassa door, onderwijl vragend naar de gezondheid en het welbevinden van afzonderlijke mensen. 

Zodra Rama Bharata naderde, wierp deze zich aan zijn voeten en sprak: 'Heer! Er is een verlangen in mijn hart opgeweld, doch vrees en schaamte beletten mij deze wens uit te spreken.' Rama streek over het hoofd van zijn beminde broer, zeggend: 'Waarom aarzel je om je wens aan mij kenbaar te maken? Komaan, zeg mij wat je op het hart hebt.' 

Hierop sprak Bharata: 'Broer! Het is mijn vurige wens een bezoek te brengen aan de ashrams, de trappen langs de heilige rivieren waarlangs pelgrims afdalen om te baden, de valleien van deze dichtbegroeide wouden, de wilde dieren te zien die er leven, de meren, beken en watervallen rondom de Chitrakutaberg. Alle plaatsen die uw lotusvoeten hebben betreden, zijn daardoor geheiligd. De burgers van Ayodhya gevoelen een onweerstaanbare behoefte om deze gewijde grond te bezoeken.' Rama antwoordde: 'Bharata! Je wens is hoogst lofwaardig. Als je dit gebied wilt verkennen, doe dat dan gerust; je hebt daartoe ook de toestemming van de wijze Atri.' Rama's woorden maakten Bharata overgelukkig. Hij wierp zich aan de voeten van de wijze en aan die van Rama en begaf zich toen, met Shatrughna en de inwoners van Ayodhya, naar het hart van het woud en bezocht vele ashrams en andere heilige plaatsen. 

Op een gegeven ogenblik ontwaarde Bharata een bron aan de voet van de Chitrakutaberg. Deze bevatte het water van alle heilige rivieren en meren. Bharata sprenkelde enkele druppels van dit water eerbiedig op zijn hoofd en boog diep voor deze heilige plek. Met eigen hand verwijderde hij enige droge bladeren en andere verontreinigingen uit het water. Tot op deze dag wordt de plaats over de ganse wereld geëerd als Bharataís bron (bharatakupa).

Hoofdstuk 18: De sandalen op de troon

Op de zesde dag van hun verblijf riep Bharata zijn broer Shatrughna, zijn eigen adjudanten en zijn volgelingen bijeen nadat de ochtendriten - de rituele wassing, de gebeden en de eredienst voor de dageraad - waren voltooid. Hij wachtte op een gunstig ogenblik om Rama aan te spreken, en toen dat was aangebroken, verrees hij plotseling van zijn zitplaats en verzamelde voldoende moed om zich aan Rama's voeten te werpen. Daarna stond Bharata met de handpalmen tegen elkaar en sprak met diepe eerbied: 'O, teken van belofte op het voorhoofd van het koninklijk geslacht van Ikshvaku! U hebt al mijn wensen in ieder opzicht vervuld. U hebt om mijnentwil besloten velerlei ellende te ondergaan en moet nu vele ongemakken verduren. Heer! Ik wacht op Uw bevelen. Ik zal de komende veertien jaar doorbrengen wachtend op Uw terugkeer en U dienend in Ayodhya. Toon mij welk pad ik moet volgen om mij aan het einde van die periode te kunnen verlustigen in de aanblik van Uw lotusvoeten. Leer mij hoe ik de moed zal kunnen vinden om veertien jaar lang Uw afwezigheid te overleven. 

Rama! Uw onderdanen, hun familie, de bevolking van dit enorme keizerrijk, de brahmanen, de schriftgeleerden - zij zijn allen oprechte zoekers op het spirituele pad. Zij zijn met U verbonden door hun gevoelens van eerbiedige toewijding. Zij ontlenen de kracht om hun leed te dragen aan de liefde die U voor hen koestert. Zelfs het bereiken van de zelfverwerkelijking laat mij onverschillig als de prijs die ik ervoor moet betalen is dat ik van U gescheiden ben. U weet wat er in het innerlijk van Uw dienaren leeft en U kent hun diepste verlangens. Van nu af aan zult U mijn gids zijn en mij leiden naar het doel. Het is deze overtuiging die mij schraagt en mij de kracht schenkt om te leven. Het is deze innerlijke zekerheid die mij alle pijn en verdriet doen beschouwen als dorre bladeren die verwaaien in de wind. Totnutoe heb ik tegen U uitgeweid over mijn smart alsof ik er zwaar onder gebukt ging. Dat was een tekortkoming mijnerzijds; aarzel niet mij om deze fout te berispen.' 

Toen zij Bharata aldus hoorden spreken, prezen de aanwezigen hem om deze getuigenis en gaven blijk van hun bewondering. Zoals Hamsa, de hemelse Zwaan, in staat is de melk te scheiden van het water waarmee het vermengd is en slechts de melk drinkt, zeiden zij, zo had Bharata de waarheid van de onwaarheid gescheiden en niets dan de waarheid gesproken. 

Rama, die vol mededogen is jegens hen die bedroefd zijn, hoorde deze woorden aan die recht uit het zuivere hart van zijn broer kwamen. Rama antwoordde overeenkomstig de omstandigheden, de tijd en de plaats. 'Broer! Voor jou die in Ayodhya woont en voor ons die in het woud verblijven, is er de Ene die ons aller hoeder is, die ons beschermt en koestert. In het wereldse leven van alledag kun je je verlaten op Vasishtha, je goeroe, en op keizer Janaka; zij zullen je steunen en leiden. Geen zorgen kunnen jou of mij deren, zelfs niet in onze dromen; neen, dat is onmogelijk. Het is onze hoogste plicht de bevelen van onze vader nauwgezet op te volgen; slechts dan zal ons al het goede waarop wij hopen deelachtig worden; alleen dan kunnen wij eeuwige roem oogsten. Dat is de weg die ons door de Veda's is gewezen. De Veda's verklaren dat hij die de bevelen gehoorzaamt van zijn goeroe, zijn vader en zijn moeder en het juiste pad volgt, voor allen een nobel voorbeeld is. 

Wees je immer van deze waarheid bewust; werp je rouwkleed af; aanvaard de last van het bewind; regeer de komende veertien jaar over het keizerrijk met rechtvaardigheid en oprechtheid als je hoogste idealen. De koning is het gezicht van de staat, want dat lichaamsdeel is de ingang voor het eten en drinken dat alle ledematen van energie voorziet en tot leven wekt. De koning voedt en sterkt alle geledingen van zijn volk. In de geest van de mens ligt alles besloten waarvan hij houdt en alles waarvan hij een afkeer heeft. Evenzo is de koning het centrum van alle stromingen en strategieën in het politieke leven.' Rama zette velerlei nuttige doctrines uiteen van de politieke ethiek. Doch Bharata was te onrustig om door Rama's raadgevingen zijn innerlijke vrede te hervinden. De moeders, de pundits en de ministers stonden erbij alsof zij verdoofd waren, want ook zij werden beheerst door de gedachte dat het ogenblik was aangebroken om afscheid te nemen. Plotseling maakte Rama, in zijn oneindige barmhartigheid, zijn sandalen los en gaf ze aan Bharata. Deze nam de sandalen vol eerbied aan en zette ze op zijn hoofd. De tranen stroomden uit zijn ogen zo overvloedig als waren het de Ganges en de Yamuna. 

Bharata kon geen woorden vinden om zijn vreugde te uiten. 'Dit zijn niet louter sandalen zoals ze gedragen worden door de Oceaan van Genade! Dit zijn de hoeders van leven en voorspoed van het ganse mensdom. Dit zijn schatkisten die alle juwelen van Rama's broederliefde in zich bergen. Zij zijn de zware deuren die de toegang beveiligen tot het fort waarin de koninklijke roem van het Raghu-geslacht wordt bewaard. Zij zijn de twee handen die voortdurend louter goede daden verrichten. Dit zijn waarlijk de ogen van het universum. Zij vertegenwoordigen Rama en Sita die ons vergezellen in deze vorm.' 

Aldus prees Bharata de 'sandalen'; hij danste eromheen uit pure vreugde en dankbaarheid. Alle aanwezigen vielen aan Rama's voeten uit erkenning voor zijn verheven genade. 

Bharata wierp zich voor Rama ter aarde en bad Hem om toestemming om te vertrekken. Rama was ermee ingenomen dat Bharata de sandalen met zoveel voldoening had aanvaard. Hij trok zijn broer naar zich toe en hield hem vol liefde en vreugde in een korte, stevige omhelzing. Ook Shatrughna wierp zich aan Rama's voeten; Rama omhelsde hem eveneens vol warme genegenheid en gaf hem tevens allerlei richtlijnen voor het landsbestuur en het uitvoeren van de vele taken die hij op zich zou moeten nemen. 'Beschouw Bharata als Rama zelf' sprak Hij tot Shatrughna. 'Sta hem bij met raad en daad en help hem in het hele rijk vrede en voorspoed te brengen.' Toen omhelsden Bharata en Shatrughna Lakshmana vol broederlijke liefde, zeggend: 'Broer! Jij hebt het wel bijzonder gelukkig getroffen. Fortuinlijker dan jij kan men niet zijn. In alle werelden is er niemand die zo door het lot gezegend is.' Zij prezen Lakshmana naar hartelust en vroegen daarna te mogen vertrekken. Lakshmana omhelsde zijn broers hartelijk en zei dat de 'sandalen' van Rama de bron zijn van alle gouden beloften en dat zij zich door het ontvangen van dit geschenk gelukkiger mochten prijzen dan wie ook. Hij ried hun aan zich het geschenk waardig te tonen en zo Rama's eeuwige genade te verwerven. 'Beschouw dit van nu af aan als jullie opdracht', bond hij hen op het hart. 

Even later begaven de broers zich naar Sita's verblijf en wierpen zich aan haar voeten. Bij de aanblik van Sita werden zij door verdriet overmand en barstten zij in snikken uit. Zacht en teder troostte en bemoedigde zij hen. 'Is er dan niets anders op de wereld dan Rama's wapenrusting om de mens te beschermen? Jullie zijn werkelijk gezegend. Die veertien jaar zullen zo snel verstrijken als veertien seconden en als Rama is teruggekeerd, zal het keizerrijk zich verheugen in vrede en voorspoed. Voer de regeringstaken uit met geduld en toewijding en wijk zelfs geen duimbreed af van de door Rama gegeven richtlijnen. Door deze strikte gehoorzaamheid zullen de vruchten van je streven je in de schoot geworpen worden.' 

Vervolgens begaven de broers Bharata en Shatrughna zich rechtstreeks naar keizer Janaka en wierpen zich met voorbeeldige eerbied aan diens voeten. Zij spraken: 'Heer! Uw medeleven jegens ons is zo groot dat u naar Ayodhya kwam zodra u hoorde dat onze vader was heengegaan en dat Rama naar het woud was verbannen. U hebt met eigen ogen gezien in welk een benarde toestand wij verkeerden en ons in die kritieke tijd met troostende woorden bijgestaan. Uw wijze raad heeft ons geholpen onze geestkracht te hervinden. Om gehoor te geven aan uw diepste verlangen hebt u zich de inspanning getroost hier naar het oerwoud te komen. U hebt gedeeld in onze smart en het uwe bijgedragen toen wij onze smeekbede tot Rama hebben gericht om Hem tot terugkeer te bewegen. Toen ons smeken vergeefs bleek te zijn, hebt u ons getroost en ons geleerd onze teleurstelling en ons verdriet te dragen en ons verrijkt met uw zegen. Wij betuigen u daarvoor onze eerbiedige dank. Wat kunnen wij verder nog zeggen of doen? Uw zegen zal ons meer dan wat ook geven wat wij nodig hebben: bemoediging en kracht.' Janaka luisterde naar deze woorden die met zoveel oprechtheid en dankbaarheid door de twee broers werden uitgesproken. Hij was vol waardering voor hun reacties en hun gevoelens, voor hun karakter en hun gedrag; hij drukte de broers aan zijn borst en streelde hen liefdevol over het hoofd. Hij sprak: 'Zoons! Mogen jullie het pad volgen dat door Rama gewezen is en mogen jullie daarmee zijn genade verwerven. Ik zal mij van hieruit rechtstreeks naar Mithila begeven.' 

De ministers, onderkoningen, brahmanen, wijzen, asceten en anderen die met de broers meegekomen waren, gingen èèn voor èèn naar Rama, Lakshmana en Sita en wierpen zich ten afscheid aan hun voeten; toen richtten zij hun schreden huiswaarts, hun hart vol droefenis. 

Sita, Rama en Lakshmana begaven zich naar het verblijf van de moeders en wierpen zich voor hen ter aarde. Zij troostten de koninginnen door te zeggen: 'Maak u niet de minste zorgen. Vul uw dagen met het juist vervullen van uw taken en plichten. Houd steeds de wensen en idealen voor ogen die vader ons heeft voorgehouden.' Zijzelf, zeiden zei, zouden de periode van veertien jaar in geluk en vrede doorbrengen; die tijd zou zo snel overbrugd worden alsof het veertien seconden waren; daarna zouden zij vol blijdschap naar Ayodhya terugkeren. Hun woorden vervulden de koninginnen met nieuwe hoop. 

Zij wierpen zich aan Kaikeyi's voeten en verzekerden haar dat zij niet in het minst verantwoordelijk was voor Rama's verbanning naar het woud en dat zij als voorheen hun eerbied en bewondering waardig was. Het was immers nooit haar bedoeling geweest enig kwaad aan te richten, zeiden zij. Zij beloofden haar dat zij allen haar steeds in hun gebeden zouden gedenken en smeekten haar tijdens hun verblijf in het woud niet bezorgd over hen te zijn. Zij spraken haar zoveel moed in dat zij de last van haar berouw zou kunnen dragen. 

'Bharata heeft destijds overhaast en onbehoorlijk tegen u gesproken, in een vlaag van blinde razernij, toen hij plotseling werd geconfronteerd met tweeërlei onheil: de dood van zijn vader en verbanning van zijn broer. Hij was ziedend van woede toen hij de persoon tegenover zich zag die hij verantwoordelijk achtte voor die gebeurtenissen. Hij hield zelfs geen rekening met het feit dat u zijn moeder was!' Rama, Sita en Lakshmana baden haar Bharata dit voorval niet aan te rekenen; zij smeekten haar om Bharata die misstap te vergeven. 

Terwijl Rama sprak, hield Kaikeyi de ogen neergeslagen uit schaamte bij de herinnering aan haar zonde. Zij waagde het niet Rama recht in het gelaat te zien. 'Ach', dacht zij bij zichzelf, 'dat ik toch degene moest zijn die deze zoon zoveel ellende en leed heeft berokkend; deze zoon wiens hart zo vol mededogen is en die niets dan deugden bezit, een zoon van het zuiverste goud. Ben ik niet de oorzaak dat Hij jarenlang in dit angstaanjagende oerwoud moet leven? O, wat een duivelse daad heb ik begaan! Was het echter uit eigen beweging dat ik die daad beging? Of was het Rama's wil dat ik zijn instrument zou zijn bij dit keerpunt in de geschiedenis? Wat ook de waarheid moge zijn, er is niet aan te ontkomen; ik heb een zeer grote zonde begaan.' 

Kaikeyi werd door smart overweldigd bij de gedachte aan een verleden dat zij niet ongedaan kon maken. Zij hield Sita's beide handen stevig in de hare en smeekte om vergiffenis. Doch onmiddellijk voegde zij eraan toe: 'Neen, neen. Het is niet juist een zondares te vergeven die een zo zuivere en tedere jonge vrouw zulk ondraaglijk leed heeft aangedaan.' Zo bleef Kaikeyi lange tijd haar ongelukkig lot beklagen. Iedereen uit Ayodhya nam afscheid van Sita, Rama en Lakshmana zodra hij daartoe de kans kreeg. Daarna stegen zij in gepaste volgorde in hun rijtuigen. Voordat zij afreisden, liepen Sita, Rama en Lakshmana langs iedere wagen om elke inzittende te troosten, te bemoedigen en te overtuigen dat hun vertrek noodzakelijk was. Zij wierpen zich aan de voeten van Vasishtha en betuigden hun spijt dat zij hem en zijn gemalin zoveel last hadden bezorgd; zij zeiden het zeer te betreuren dat zij hem en zijn gade niet hadden kunnen dienen zoals zij hadden gewild en zoals de plicht dat van hen eiste. Daarna vroegen zij zijn toestemming om zelf in het woud te blijven. 

Nu was Vasishta een brahmajnani - een persoon ingewijd in de godskennis en een groot ziener (maharishi), dus wist hij wat er omging in de harten van Sita en anderen. Hij besefte hoe groot de toewijding en nederigheid waren van Sita en de broers en hoe nauwgezet zij het pad van dharma volgden. Vasishta en zijn gade konden zich niet van Rama's aanwezigheid losmaken, zozeer waren zij gehecht aan de deugden die Rama belichaamde. Het beeld van dit drietal, dat langs het pad door het oerwoud stond, afscheid nemend van elke passerende wagen en zijn inzittenden, deed het hardste hart smelten. Vasishtha en Arundhati waren zeer geroerd toen zij dit bewijs van hun alomvattende liefde aanschouwden. 

Toen ontwaarde Rama de hoofdman der Nishada's, die te midden van zijn stamgenoten voor Hem stond. Hij liep met uitgestrekte armen op hem toe en omhelsde hem met meer warmte en genegenheid dan Hij zelfs zijn eigen broer had betoond toen Hij deze aan zijn boezem drukte. Hij troostte Guha en deed een liefdevol beroep op hem om tot kalmte te komen en het afscheid met wijsheid te aanvaarden. Guha kon niets veranderen aan de loop der gebeurtenissen, dus wierp hij zich aan Rama's voeten, stond met bezwaard gemoed weer op en liep weg. Hij hield zijn ogen op Rama gevestigd zolang hij een glimp kon opvangen van deze belichaming der liefelijkheid. 

Sita, Rama en Lakshmana stonden onder een wijdvertakte boom tot de laatste wagen uit het zicht was verdwenen. Ondertussen maakte ook keizer Janaka aanstalten om naar Mithila te vertrekken, aan het hoofd van zijn gevolg. Rama en Lakshmana wierpen zich ter aarde voor Rama's schoonvader en schoonmoeder, en ook Sita wierp zich aan de voeten van haar ouders. Dezen omhelsden haar en streken haar met liefdevolle tederheid over het hoofd. Zij spraken: 'Dochter! Je moedige vastberadenheid en de toewijding aan je echtgenoot zullen ons grote roem brengen. In jou zijn onze familie en ons gehele geslacht geheiligd. Eens moeten wij een belangrijke gelofte hebben ingelost en grote ascese hebben betracht, anders was jij niet in onze familie geboren.' Zij overlaadden Sita met loftuitingen en gaven blijk van hun vreugde en bewondering. Zij spraken met grote stelligheid: 'Sita! Het zal je aan niets ontbreken, want Rama is je levensadem zolang je in zijn schaduw leeft. Bedenk echter dat, aangezien Rama en jij twee verschillende entiteiten zijn, je nu en dan het hoofd zult moeten bieden aan moeilijkheden en verwarring. Dit zijn louter spelingen van het lot en overtrekkende wolken, meer niet.' Janaka bracht hun vele vedantische wijsheden in herinnering om hen te bemoedigen en gerust te stellen. Toen verlieten ook hij en zijn gemalin het kluizenaarsverblijf en begaven zij zich op het pad dat hen uit het woud zou leiden. 

Sita, Rama en Lakshmana bleven staan in de schaduw van die grote boom tot ook het gezelschap uit Mithila aan hun oog onttrokken werd. Toen keerden zij terug naar hun simpele hut. Daar uitte Rama zijn vurige bewondering voor de toewijding en het geloof van Bharata en Shatrughna, hun voorbeeldige liefde en trouw en de liefdevolle aanhankelijkheid der onderdanen van het keizerrijk; Sita en Lakshmana luisterden aandachtig naar Rama's beschrijving en deelden zijn gevoelens. Er was droefheid in hun hart, want zij hadden hen allen nog zo gaarne bij zich gehouden. Telkenmale als zij tijdens het gesprek herinnerd werden aan Dasharatha's dood, stroomden de tranen over hun wangen als zij terugdachten aan de liefde hij altijd voor hen gekoesterd had. Toen Rama bemerkte in welke gemoedstoestand zij waren, verlichtte een glimlach zijn gelaat; Hij hield een langdurig betoog over het geheim van het leven en over de sleutel die dit geheim kon ontraadselen. Zo brachten zij die gedenkwaardige dag verder door, in de stilte van het woud. 

De stroom van mensen die intussen uit het woud was gekomen en zich thans in de bevolkte omgeving van Ayodhya bevond, - de asceten, de brahmanen, de wijzen, de gebroeders Bharata en Shatrughna, de koninginnen Kausalya, Kaikeyi en Sumitra, de ministers en de enorme menigte burgers uit Ayodhya - werd de last van verdriet schier ondraaglijk en zwaarder naarmate zij verder van Rama verwijderd waren en dichter bij de hoofdstad kwamen. Zij haalden onderweg weer herinneringen op aan de gebeurtenissen tijdens de vijf dagen die zij in Rama's tegenwoordigheid hadden doorgebracht. Zij waren vol bewondering voor de idealen die door Rama werden belichaamd en die Hij hun ter navolging had voorgehouden, alsook voor zijn liefde, mededogen en toegenegenheid. Nergens werd stilgehouden om te eten of zelfs om te slapen, want niemand had honger of voelde de neiging uit te rusten. De smart om van Rama gescheiden te zijn overmande hen en deed alle bijkomstige ongemakken vergeten. 

Op de tweede dag bereikten zij de oever van de machtige rivier de Ganges; de hoofdman der Nishada's zorgde voor boten om hen naar de overkant te roeien en voor voedsel in overvloed, voor het vermoeide volk zowel als voor de voorname lieden van het Hof. Er nam echter niemand deel aan deze gastvrije maaltijd, want ieders hart was te vol van verdriet om het gemis van Sita, Rama en Lakshmana. Zij wilden Guha echter niet kwetsen, dus schoven zij het eten wat heen en weer op hun bard, stonden weer op en wierpen het voedsel weg. Ja, zelfs de paarden weigerden te grazen of enig voer te eten. Vasishtha bemerkte hoe het iedereen te moede was en sprak: 'Rama is de innerlijke Bewoner, het Atma dat zich bevindt in alles; Hij is de Intelligentie, het Bewustzijn dat ieder wezen kenmerkt.' 

Niemand voelde zich geneigd zich af te zonderen om een paar uur te rusten. Bharata had besloten rechtstreeks en zonder oponthoud naar Ayodhya te reizen. Hij wilde niets liever dan aan degenen die vol verlangen in Ayodhya hadden moeten achterblijven, de heilige sandalen van Rama tonen en hun enige vertroosting en bemoediging schenken. Zo geschiedde het dat de stoet op de vierde dag van de reis de rivieren de Gomathi en de Sarayu overstak en de buitenwijken van Ayodhya bereikte. 

De ouden van dagen, kinderen en vrouwen die niet mee hadden kunnen gaan toen het overgrote deel van de bevolking vertrok naar de plaats die Rama tot verblijf had gekozen, wachtten allen op tekenen van hun blijde terugkeer, hopend dat de pogingen om Rama te bewegen het bewind ter hand te nemen, met succes waren bekroond. Hun ogen waren schier verblind door uitputting, zorg en vrees. Toen zij het geratel van de wielen der strijdwagens hoorden naderen, renden zij de straat op en trachtten te ontdekken wie er in de passerende wagens gezeten waren, roepend: 'Waar is onze Heer?' Doch weldra ging de schemering over in diepe duisternis. Zij keerden naar huis terug en brachten de nacht door in de vreugdevolle verwachting hun geliefde prins bij het ochtendgloren weer te zien. De volgende morgen wachtte hun een grote teleurstelling toen zij vernamen dat Rama niet uit het woud was teruggekeerd naar de hoofdstad, zij het dat de schok verzacht werd door het nieuws dat Hij zijn sandalen had meegezonden om Hem te vertegenwoordigen. 

Bharata had onderwijl de koninklijke raadsman en de ministers bijeengeroepen; dezen had hij de diverse bestuurlijke taken toegewezen en de bijbehorende uitvoerende bevoegdheid gegeven. Toen riep hij Shatrughna bij zich, gaf hem de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de koninginnen en vroeg hem hun steun en toeverlaat te zijn. Hij belegde een vergadering van brahmanen en schriftgeleerden en beloofde hun, eerbiedig voor hen staande met de handpalmen tegen elkaar, al hun wensen, klein of groot, te vervullen omdat hij wist dat zij immer zouden handelen in het belang van hemzelf en van het volk. Hij hoopte dat zij al hun wensen en eisen zonder aarzelen aan hem zouden voorleggen. 

Hierna riep Bharata de burgers van Ayodhya en de leiders van het volk uit alle delen van het keizerrijk in vergadering bijeen en bracht hun uitvoerig verslag uit van de gebeurtenissen in de hoofdstad en in Rama's verbanningsoord. Hij beschreef in het kort de gesprekken die hij met Rama had gevoerd en deed een beroep op eenieder om tijdens de veertien jaar van Rama's afwezigheid, de sandalen van Rama te aanbidden en te vereren als de werkelijke tegenwoordigheid van Rama zelf. 'Zij zullen ons allen beschermen, zij zijn onze hulp en toevlucht', sprak hij. 'Laat Rama de inwoner zijn van ons hart. Na zijn terugkeer zal Rama in eigen persoon over ons regeren en kunnen wij ons verheugen in zijn fysieke aanwezigheid en in zijn bestuur. Het is van nu af aan onze taak naar deze gelukkige dag uit te zien, met een biddend hart.' 

Vervolgens koos Bharata een gunstig uur uit waarop de heilige sandalen op de troon konden worden geïnstalleerd, want het moest een ogenblik zijn van grote vreugde voor alle lagen van de bevolking: voor de koninklijke raadsman, de pandits, asceten, priesters, ministers en andere hofdignitarissen, voor de leiders van het volk en de burgers van Ayodhya, voor jong en oud, van hoog tot laag. Hij liet voorbereidingen treffen om de gebeurtenis op grootse schaal te vieren. 

Toen de grote dag was aangebroken, wierp Bharata zich aan de voeten van de moeders Kausalya, Sumitra en Kaikeyi, waarna hij zich naar de troon begaf, de sandalen op zijn hoofd dragend. Met de bede om Vasishtha's zegen en met de toestemming van zowel Vasishtha als van alle andere aanwezigen, plaatste hij de sandalen op de troon, onder betuigingen van eerbiedige trouw. Hij stelde al zijn verantwoordelijkheden veilig onder hun hoede. 

Na afloop van de plechtigheid begaf Bharata, die standvastige volgeling van dharma, die ongeëvenaarde held, zich te voet naar het dorp Nandigrama, waar hij een strohut gereed had laten maken die als zijn woning zou dienen. Hij bond zijn haar in een knot bovenop zijn hoofd, zoals Rama en Lakshmana dat hadden gedaan; evenals het hunne, was ook zijn kleed van boomschors. Hij woonde in een ruimte die speciaal in de aarde was uitgegraven. Zijn voedsel en kledij waren gelijk aan die van de asceten in het woud, en ook zijn gedachten, woorden en daden waren gericht op ascese en spiritualiteit. 

Bharata deed afstand van het weelderige leven in Ayodhya, dat door Indra, de koning der hemelbewoners, werd geprezen als voor hem onbereikbaar. Het rijke leven aan het koninklijk paleis gaf hij op, een leven dat zelfs Kubera, de God der rijkdom, hem had benijd. Hij was gelukkig in dat kleine dorp, waar hij ongezien zijn leven kon doorbrengen in die strohut! Hij beloofde zichzelf plechtig dat hij niemand zou zien tot Rama uit zijn verbanning was teruggekeerd. Al zijn gedachten waren op Rama gericht en op de dag van zijn terugkeer uit het woud. Bharata's lichaam werd elke dag zwakker, doch de schoonheid van geest die zijn gelaat verlichtte, straalde met grotere helderheid naarmate de tijd verstreek. Zijn toewijding aan Rama werd oneindig groot. Hij veranderde in een zuivere ziel die haar verwerkelijking bereikt heeft. Aan het uitspansel van zijn hart straalden de sterren in schitterende plejaden; onder die hemel lagen zijn gevoelens en gemoedsbewegingen te glanzen als de oceaan van melk - kalm, diep en zuiver.

Terug naar Ramakatha Rasavahini